Ds. A.T. Vergunst - Johannes 11 : 25 - 26

Ik ben de Opstanding en het Leven

het moment van Jezus’ zelfopenbaring;
de troost in Jezus’ zelfopenbaring.
Nr. 5 uit de serie "Ik ben". Vertaling uit het Engels

Johannes 11 : 25 - 26

Johannes 11
25
Jezus zeide tot haar: Ik ben de Opstanding en het Leven; die in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven;
26
En een iegelijk, die leeft, en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid. Gelooft gij dat?

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 29: 1 en 6
Lezen : Johannes 11: 1-45
Zingen : Psalm 30: 1, 2 en 8
Zingen : Psalm 16: 3 en 6
Zingen : Psalm 142: 1 en 2

Gemeente, wat vindt u van Jezus Christus? Wie zegt u dat Hij is?

Ik verwacht dat u allen zult zeggen: Hij is de Zoon van God.

 

Heel veel mensen om ons heen geloven dat helemaal niet.

Iedereen die het verhaal van Jezus kent, zal het ermee eens zijn dat Hij een goed mens was. Hij leefde als een voorbeeld voor ons allen. Niemand twijfelt eraan dat Jezus integer en oprecht was en iemand van een hoge moraal.

In de dagen van Johannes waren er al mensen die begonnen te twijfelen aan de Godheid van Jezus. De bewering dat Hij de Zoon van God zou zijn, ging hun te ver. Johannes heeft daarom, geïnspireerd door de Heilige Geest, dit evangelie over Jezus geschreven. Zijn doel is duidelijk: de wereld moet weten dat Jezus van Nazareth werkelijk de Zoon van God is. Hij schrijft dat in Johannes 20 vers 31: Maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zone Gods, en opdat gij gelovende het leven hebt in Zijn Naam.

 

Deze waarheid is te vergelijken met de fundering van een huis. Als de fundering afbrokkelt en verzakt, zal het hele huis ineen storten. Zo is de waarheid dat Jezus Gods Zoon is de fundering voor het christelijk geloof. Als Jezus niet werkelijk de Zoon van God zou zijn, dan zouden we een leugenaar en bedrieger geloven. Want hoevele malen heeft Jezus niet gezegd dat Hij de Zoon van God is?

Bovendien, als Hij geen God is, zakt het hele huis van onze zaligheid en troost ineen. Alle hoop op redding van zonde en lijden is dan de bodem ingeslagen. Als Jezus geen God is, dan is Zijn sterven een tragisch einde, maar meer niet. Alle beloften die Hij gaf over het eeuwige leven met Hem in heerlijkheid zouden loze beloften zijn. Naar Hem opzien als u worstelt met de moeiten van het leven, of bidden tot Hem in uw strijd met de verdorvenheid van uw eigen hart, is dan allemaal zinloos. Hoe zou Hij ons kunnen helpen als Hij niet méér was dan een gewoon mens? Hij zou dan niets meer zijn dan een goede vriend, een fijne buurman, of als u wilt, een toegewijde herder van een gemeente.

 

Jezus is echter oneindig veel meer dan dat. Onze Heere Jezus Christus is God Zelf.

Om die stelling te onderbouwen, heeft Johannes zeven bijzondere wonderen beschreven, die elk aantonen dat Jezus meer is dan een mens. Want wie kan water in wijn veranderen? Wie kan een jongeman genezen door een onuitgesproken opdracht? Wie kan tegen iemand die al 38 jaar verlamd is, zeggen: Sta op (Joh.5:8)? Wie beschikt over de macht om vijf broden en twee visjes om te zetten in een welhaast oneindige hoeveelheid voedsel voor meer dan tienduizend mensen? Wie kan over het water lopen, midden in een hevige storm in een pikdonkere nacht? Wie kan een blindgeborene genezen door modderig slijk op zijn oog te smeren? En – als laatste en enige beschreef Johannes de opwekking van Lázarus – wie kan iemand uit de dood opwekken van wie het lichaam al in staat van ontbinding verkeert?

Het is volstrekt duidelijk dat een gewoon mens zulke dingen nooit zal kunnen doen. Dit kan alleen God Zelf, omdat Hij niet onderworpen is aan menselijke beperkingen en grenzen.

 

Dit zevende wonder waarover we lezen in het hoofdstuk dat we overdenken, is wel het meest verhevene en Goddelijkste van allemaal. Hier gaf Hij wel het meest overtuigende bewijs dat Hij niet slechts de zoon van Maria was, maar veel meer dan dat, namelijk de Zoon van de levende God.

Toen de berichten over dit wonder de godsdienstige leiders ter ore kwamen, was Zijn lot bezegeld: Jezus moest sterven, zoals we lezen in vers 53: Van dien dag dan af raadslaagden zij tezamen, dat zij Hem doden zouden. Ze konden het zich niet meer veroorloven om Hem nog in leven te laten. Dit wonder overtrof namelijk alle andere wonderen die Hij gedaan had en toont boven alle twijfel aan dat Jezus Christus de Zoon van God is.

 

In deze preek luisteren wij naar de woorden die Jezus over Zichzelf sprak bij dit bijzondere wonderteken. We vinden het in de verzen 25 en 26:

 

25. Jezus zeide tot haar: Ik ben de Opstanding en het Leven; die in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven;

26. En een iegelijk die leeft en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid. Gelooft gij dat?

 

Ik nodig u uit om dit Woord te horen en stil te staan bij Jezus als de Opstanding en het Leven.

We letten op twee aandachtspunten:

1. het moment van Jezus’ zelfopenbaring;

2. de troost in Jezus’ zelfopenbaring.

 

Laten we dus eerst letten op:

 

1. Het moment van Jezus’ zelfopenbaring

Onze tekstwoorden sprak Jezus uit op een verdrietige dag, tegen een vrouw in diepe rouw. De dood had haar dierbare broer en vriend weggenomen. Een paar dagen daarvoor was Lázarus ernstig ziek geworden. Hij was zwakker en zwakker geworden en uiteindelijk had hij zijn laatste adem uitgeblazen.

Starend op het geliefde gelaat van hun broer voelden de beide zussen de wereld als het ware onder zich wegzinken. Hun laatste hoop hadden ze gevestigd op het bericht dat ze naar Jezus hadden gestuurd dat hun broer doodziek was. Met spanning hadden ze gewacht op de komst van Jezus. Maar de dood was eerder gekomen dan Hij.

Na het treffen van de laatste voorbereidingen hadden ze het lichaam van Lázarus toen in een spelonk begraven. Ontredderd waren ze naar huis teruggegaan om te rouwen om het verlies van hun dierbare broer. De zo hechte band van deze drie mensen was nu voorgoed verbroken.

 

We weten dat de dood zich overal vertoont. Die is niet alleen te vinden op begraafplaatsen of in ziekenhuizen. De dood kom je tegen in families, bij vrienden en bekenden. Lege plaatsen van geliefden vinden we overal. We zien de dood in de natuur, waar dieren sterven en vergaan. Kinderen en ouderen zijn verdrietig als hun hond of kat sterft. Overal is de dood aanwezig, ook in onze harten.

Wat zegt u? Ook in onze harten?

Jazeker. Uw verbroken verhouding met God en uw scheiding van Hem is niet anders dan de dood. Want de diepe betekenis van de dood is ‘scheiding’. Geestelijk zijn we ook dood. Dat betekent dat we niet meer heilig zijn.

Ruiken we de geur van dood en verderf die uit ons hart komt? Die afschuwelijke geur van de dood is ook aanwezig in uw woning als daar met verheven stem en verachting een woordenwisseling plaatsvindt. Wat een nare geur hangt er waar het ‘ik, ik en nog eens ik’ de boventoon voert. Wat denkt u van de rottingslucht van ‘ik ben beter dan jij’? Hoe ziek is een houding van verbittering, ontevredenheid, gemopper of geklaag. Hoe zuur is onbarmhartigheid naar hen die in zonden vielen.

Walgen we al van deze doodslucht?

Dit is de doodsgeur die God als het ware ruikt als er staat: En de Heere zag, dat de boosheid des mensen menigvuldig was op de aarde en al het gedichtsel der gedachten zijns harten te allen dage alleenlijk boos was. Toen berouwde het den Heere, dat Hij den mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart (Gen.6:5‑6).

 

Bij al deze confrontaties met de dood staat u volstrekt machteloos. Hier schieten al uw goede bedoelingen tekort. Overheidsinstellingen, psychologische inzichten of pastorale adviezen zijn niet bij machte om deze werkelijkheid van de geestelijke dood uit te bannen.

Maar, daar waar wij falen, spreekt Jezus kalm en vol majesteit: Ik ben de Opstanding en het Leven; die in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven; en een iegelijk die leeft en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid. Gelooft gij dat?

Dat is een boude bewering! Heeft Hij die macht? Is Hij werkelijk in staat om het onomkeerbare om te keren, zelfs de dood, na vier dagen? Is Hij in staat om reinheid en heerlijkheid te herstellen waar verderf en afschuw heersen? Is Hij in staat om de macht van de geestelijke dood te ontbinden, die ons in zijn wrede greep houdt? Is er hoop voor een hart als het mijne, zo vol van stinkende ongerechtigheid? Kunnen wij ontkomen aan het akelig graf van een leven gescheiden van God en Zijn heil? Zijn de woorden van Jezus wel betrouwbaar?

Ja, dat zijn ze! In dit indrukwekkende hoofdstuk over de opwekking van Lázarus bewijst de Heere Jezus dat Hij daartoe in staat is.

 

Maar waarom is Jezus dan niet eerder gekomen? Waarom heeft Hij het overlijden van Lázarus niet voorkomen? Waarom heeft de Heere niet eerder ingegrepen, zodat de dood nooit in de wereld gekomen zou zijn?

Martha en Maria hebben diezelfde vragen gesteld. Zij konden ook niet begrijpen dat Jezus bewust wachtte met komen tot precies het juiste moment. Johannes zegt daarover in vers 6: Als Hij dan gehoord had, dat hij krank was, toen bleef Hij nog twee dagen in de plaats waar Hij was. Ondanks Zijn grote liefde voor deze drie gezinsleden in Bethanië liet Hij de grimmige engel van de dood toe om dit gezin binnen te dringen.

Waarom heeft de Meester dat gedaan? Waarom liet Hij toe dat zij zo diep in rouw en pijn terechtkwamen? En als we de vraag nog verder terug in de tijd plaatsen: waarom liet Hij toe wat er in het Paradijs gebeurde?

Misschien zijn dit ook wel de vragen die u op dit moment stelt.

De Meester had hier twee redenen voor.

 

De eerste reden noemt Hij in vers 4: Deze krankheid is niet tot den dood, maar ter heerlijkheid Gods; opdat de Zone Gods door dezelve verheerlijkt worde. Jezus stond de dood toe om te spreken en de duivel om te verwoesten, maar de dood en de duivel zullen niet het laatste woord spreken. Het leven zal triomferen over de dood en om dat te bewerken, staat Jezus de duivel en de dood een tijdelijke overwinning toe. De heerlijkheid van God in Jezus Christus zal gezien en naderhand erkend worden. Door deze omkering, die menselijkerwijs onmogelijk is, maakt Jezus Zich bekend aan de satan en de mensen: Hij is de ware en goede Koning, zelfs over de dood.

Wat is dat een boodschap vol troost als u worstelt met de werkelijkheid van de dood, in welke vorm dan ook, die u persoonlijk of in uw gezin geraakt heeft. God staat boven de golven die naar uw beleving onafgebroken over uw leven slaan. Hij kiest het volmaakte moment, al denkt u dat Hij te laat komt of te lang wacht of het te ver laat gaan.

Natuurlijk hebben Martha en Maria dit pas achteraf gezien, zoals dat bij ons ook zo vaak het geval is. Laat het u aansporen om uw hart voortdurend uit te storten en Hem te blijven verwachten.

 

De tweede reden waarom Jezus bewust toeliet dat Lázarus zou sterven, staat in vers 15: En Ik ben blijde om uwentwil, dat Ik daar niet geweest ben, opdat gij geloven moogt. Jezus wist dat het geloof van Zijn discipelen versterking nodig had en dat ze onderwijs nodig hadden. Hij wist dat zij Hem nog steeds niet voluit zagen als God Zelf.

Zie bijvoorbeeld de verzen 21 en 22, waar Martha haar bewondering naar Jezus uit, maar daaraan toevoegt: Maar ook nu weet ik, dat alles wat Gij van God begeren zult, God U het geven zal. Ze verstond nog niet ten volle dat Jezus niets aan God hoefde te vragen, omdat Hij Zelf God was. Door Lázarus uit de dood op te wekken, na vier dagen van verderf in het graf, toonde Hij boven alle twijfel aan dat Hij God was. Een méns kan niemand uit de dood opwekken; dat kan God alleen!

Dit heeft ongetwijfeld het geloof van Zijn discipelen versterkt en ook vele anderen tot geloof gebracht, zoals we zien in vers 45: Velen dan uit de Joden, die tot Maria gekomen waren, en aanschouwd hadden hetgeen Jezus gedaan had, geloofden in Hem.

 

Gemeente, is het u opgevallen wat Jezus zegt over de gebeurtenissen waardoor onze kennis over Zijn gezegende Persoon vermeerderd wordt en ons wankel geloof in Hem versterkt wordt? In vers 15 zegt Hij: Ik ben blíjde om uwentwil, dat Ik daar niet geweest ben. Het verblíjdde Hem hun geloof in Hem te versterken. Dit vooruitzicht op groei in het geloof van Zijn discipelen was voor Jezus een zaak van vreugde. Zoals de goudsmid zich erover verblijdt dat de zuiverheid van het goud toegenomen is nadat hij het aan het vuur heeft blootgesteld, zo is de Heere Jezus blij om onzentwil als zorgen en beproevingen op onze weg komen. God weet beter dan wie ook hoe beproevingen en tegenslagen dienen moeten voor groei in ons geestelijk leven.

Nee, zo zullen wij eerst die zware beproevingen niet ervaren. Als ziekte en dood of benauwdheid en pijn aan de deur kloppen, zijn we niet verblijd. De Meester weet echter dat de ‘spier’ van het geloof alleen groeit wanneer die gebruikt wordt, in verzoekingen en moeiten.

Wat geeft dat een andere kijk op wat er op onze weg geplaats wordt. Laten we bidden: Heere, wat wilt U mij nu leren door de golf die ik voor me zie oprijzen in mijn leven?

 

Ik ben de Opstanding en het Leven.

Deze woorden heeft Jezus uitgesproken midden in omstandigheden van dood en verslagenheid. De dood is zo definitief. Als u ooit aan het sterfbed van een geliefde zat, dan weet u hoe dat moment is dat iemand de laatste adem uitblaast. De laatste glimp van hoop waaraan we ons vastklampen, sterft op het moment dat de ziel het lichaam verlaat. Dan is het echt allemaal voorbij.

Voor Martha en Maria is Jezus in die laatste dagen van Lázarus hun enige sprank van hoop. Ze spreken dat beiden ook uit in de verzen 21 en 32 met de woorden: Heere, waart Gij hier geweest, zo ware mijn broeder niet gestorven. Maar nu Hij niet op tijd gekomen is, is ook die hoop vergaan. Ze voelen de onoverbrugbare afstand die er gekomen is tussen hen en hun broer. Hoe definitief is die werkelijkheid! Lázarus is overleden. Hij is niet meer. Hij is voor altijd heengegaan. Nooit meer zullen ze hem horen en zien.

We voelen de verslagenheid en duisternis als deze twee diepbedroefde zussen Jezus ontmoeten. Niemand van de menigte vrienden en buren kan hun pijn verzachten en de leegte vervullen. Hier faalt alles van de mens.

 

Maar Jezus is meer dan een mens. Hoor wat Hij tegen Martha zegt: Uw broeder zal weder opstaan ...

Ja, Martha gelooft het ook: op de dag van de opstanding van de doden, aan het eind der tijden, dan zullen alle mensen opstaan. Maar dat brengt Lázarus nú niet bij hen terug. Hoe troostvol en waar dat feit ook is, het vult de lege plaats die er nú is, niet op. Als zij haar hart vol pijn uitstort, spreekt Jezus met grote ernst en kalmte de woorden: Ik ben de Opstanding en het Leven.

In een verbazingwekkende aanspraak stelt Hij dat Hij alle dingen regeert, zowel in leven als dood, en dat allen die in Hem geloven en op Hem vertrouwen, leven zullen, ook al zijn ze gestorven. Liefdevol vraagt Jezus haar: Martha, geloof je dit van Mij en van allen die in Mij geloven?

Martha’s antwoord bevat een opmerkelijke belijdenis. Ze belijdt hier voor het eerst dat zij gelooft dat Jezus God is. Ja, Heere; ik heb geloofd, dat Gij zijt de Christus, de Zone Gods, Die in de wereld komen zou.

Weliswaar is haar belijdenis de hoeksteen van haar zaligheid, maar het is nog geen belijdenis van haar persoonlijke troost vanuit die wetenschap. Lázarus is nog steeds dood. Ze worstelt nog steeds met de werkelijkheid dat ze haar geliefde broer kwijt is.

 

Gemeente, begrijpt u Martha? Wordt u getroost door het vertrouwen in de Heere Jezus, of worstelt u nog met uw vragen, net als Martha? U weet dat Hij almachtig is en dat Hij de Zoon van God is, maar u ondervindt de kracht van Zijn opstanding en Zijn leven niet. De dood staart u aan. Niet alleen de lichamelijke dood van geliefden, geboren of ongeboren. Dieper en erger is de geestelijke dood. We ervaren de scheiding van God. Er is een verbroken verhouding met God. Op de dag van onze val in het Paradijs zijn wij immers geestelijk gestorven. Door onze zonde werd de heerlijke en intieme relatie met God beëindigd. We werden zelfs vijanden van God. En we kunnen die werkelijkheid niet veranderen, net zo min als we de dood in leven kunnen veranderen. Door de zonde hebben wij deze wereld veranderd in één grote begraafplaats.

We zien in Johannes 11 niet alleen een wanhopig tafereel, maar tegelijk een verdiend oordeel. Ziekte en lijden werden in het Paradijs dat God schiep niet gekend. Daar waren geen ziekbedden, geen vrees en geen tranen. Er werden geen klaagzang en rouwklacht gehoord. Er waren daar geen Martha’s en Maria’s die elkaar probeerden te troosten door dierbare herinneringen op te halen. Maar midden in deze plaats van dood en wanhoop klinken de woorden van de Zaligmaker: Ik ben de Opstanding en het Leven.

 

Voordat we dit verder overdenken, zingen we samen biddend met Psalm 16 de verzen 3 en 6:

 

Getrouwe Heer’, Gij wilt mijn goed, mijn God,

mijn erfenis en 't deel mijns bekers wezen;

Gij onderhoudt gestaâg het heuglijk lot,

dat Gij, zo mild, voor mij hebt uitgelezen.

De schoonste plaats mat Gij met ruime snoeren;

o heerlijk erf, gij kunt mijn ziel vervoeren.

 

Gij maakt eerlang mij 't levenspad bekend,

waarvan, in druk, 't vooruitzicht mij verheugde;

Uw aangezicht, in gunst tot mij gewend,

schenkt mij in 't kort verzadiging van vreugde;

de lieflijkheên van 't zalig hemelleven

zal eeuwiglijk Uw rechterhand mij geven.

 

Gemeente, we overdenken nu:

 

2. De troost in Jezus’ zelfopenbaring

We hebben kort stilgestaan bij de omstandigheden waarin Jezus onze tekstwoorden sprak. Laten we nu letten op de woorden van Jezus in de verzen 25 en 26. Dit zijn woorden vol van troost, bedoeld om de troost te geven die alleen bij God te vinden is. Jezus sprak deze woorden tot Martha om haar te bemoedigen en Zichzelf nóg duidelijker aan haar bekend te maken.

Martha en Maria, en ook de discipelen, misten nog de stellige en verzekerde kennis van de Godheid van Christus en het geloof daarin. De beide zussen zagen Hem als een bijzondere profeet en priester. Ze waren ervan overtuigd dat Hij een bijzondere toegang tot God had, op een manier zoals niemand anders die kende. In vers 22 belijdt Martha: Maar ook nu weet ik, al is onze gehele hoop voor Lázarus vergaan, dat alles wat Gij van God begeren zult, God U het geven zal.

Toch was de volle heerlijkheid van Jezus nog zo verborgen voor hen. Zij en haar zus zagen op dat moment niet meer dan de lege plaats van Lázarus. De dood had met zijn klauwen deze broer buiten hun bereik gerukt. De overwinning van de dood was voor hen inmiddels beslissend en onomkeerbaar.

 

O, hoe onmachtig zijn wij om deze droeve werkelijkheid te veranderen. Deze hulpeloosheid wordt niet alleen ervaren bij het overlijden van geliefde familieleden of vrienden. Hoe machteloos zijn wij ook wanneer wij zicht krijgen op ons geestelijk bederf.

Is de doodsgeur in het graf van uw eigen hart voor u even reëel als de doodsgeur in het graf van Lázarus? Heb u ervaren dat uw hart een spelonk van onreinheid bleek te zijn toen de lagen van die mooie bedekking van uw leven afgepeld werden?

Hoe benauwend is het om te ondervinden dat al onze gedachten vol van kwaad zijn en altijd weer neerkomen op zelfzucht, afgunst, trots, boosheid en onreinheid. Ongeacht wat we proberen en wat we ons voornemen, de fontein van kwaad in ons boze hart stopt niet. Herkent u wat er staat in Psalm 88 vers 4: Want mijn ziel is der tegenheden zat, en mijn leven raakt tot aan het graf? Of voelt u mee met de woorden in vers 7: Gij hebt mij in den ondersten kuil gelegd, in duisternissen, in diepten? Met woorden als deze hebben de psalmisten uitdrukking gegeven aan hun geestelijke strijd rond de werkelijkheid van de door de zonden veroorzaakte scheiding van God.

Of misschien is uw hart verwond, gebroken door het onrecht dat u is of wordt aangedaan. In zoveel levens heeft de zonde van anderen het mooie en integere verwoest. Het is dan net alsof er iets is gestorven in ons leven.

O, wat is onze wereld vol van deze donkere werkelijkheid, waar alle mensentroost tekortschiet.

 

Het herstel van het hart en de verhouding met God is wat de Bijbel aanduidt als ‘de zaligheid’. Dat houdt in: de wegneming van onze schuld, de vernieuwing van ons hart, de belofte van het eeuwige leven en het komen in het Vaderhuis.

Dat alles, vrienden, ligt buiten ons vermogen. In deze geestelijke nood kan alleen Jezus ons zaligen. Want nogmaals, wij zijn niet in staat om onze schuld ongedaan te maken. Hoe kunnen we onze schuld bij God wegnemen als we daar elke dag nog weer nieuwe schuld aan toevoegen? Er moet aan Gods recht voldaan worden en als dat niet gebeurt, wacht de eeuwige scheiding bij de dood. De werkelijkheid van die scheiding wordt onderstreept bij elke begrafenis die we meemaken.

 

Maar laten we terugkeren naar de troost in de woorden van Jezus.

Het enige wat Martha voor zich ziet wanneer ze bij Jezus staat, is haar broer, dood en begraven. Zijn grafsteen staart haar aan en spot met alle hoop op opstanding. Maar dan spreekt Jezus kalm en beslist tot haar: Ik ben de Opstanding en het Leven. Het is alsof Jezus zegt: Martha, keer je eens om en kijk weg van de dood. Staar nu niet langer in dat graf waarin je broer begraven ligt. Kijk naar Mij en hoor naar Mij: Ik ben de Opstanding en het Leven. Martha, in Mij ligt de hoop van de opstanding uit de dood en de hoop op een nieuw leven daarna. In Mij, Martha, is alles te vinden wat nodig is tot omkering van wat menselijkerwijs onomkeerbaar is. Hoewel de dood machtig is, Ik ben machtiger. Ik kan ook de geestelijke dood waaraan alle mensen onderworpen zijn, tenietdoen.

Gemeente, wat een troostrijke openbaring. Jezus is de Opstanding en het Leven voor de dode en stinkende menselijke staat.

 

Bent u er al achter dat uw hart een plaats van stank is? Wordt u misselijk van de geur van hoogmoed, egoïsme, ongeloof en kwade gedachten, die opstijgt uit de verborgen diepten van uw hart? Wees eens eerlijk: u kunt zo opstandig zijn, niet alleen tegen uw ouders of anderen die over u gesteld zijn, maar ook tegen God. Hoe snel zijn u en ik het oneens met Zijn voorzienigheid in dingen als het weer, de marktprijzen of andere omstandigheden? Hoe spoedig bent u, ben ik het oneens met hoe zacht Hij met anderen handelt, terwijl Zijn hand op u, op mij juist zo zwaar drukt? Jezelf daarover onderhanden nemen helpt niet, want die kwade bron vanbinnen blijft zijn gif spuwen. O, hoeveel ontevredenheid en ongenoegen kan uw hart vervullen, zelfs terwijl u in de kerk bent of thuis bidt.

 

Tegen deze werkelijkheid biedt pastoraat of therapie geen blijvende remedie. Maar Jezus biedt die wél als Hij met nadruk in het aangezicht van de dood verklaart: Ik ben de Opstanding en het Leven.

Hij toont Zich hier niet alleen als de Bron van nieuw leven, maar als het Leven zélf: Ik bén het Leven. In Mij is het leven zoals het was in de volmaakte schepping en zoals het bedoeld is. In Mij en uit Mij en door Mij is het mogelijk dat u de kracht van dit nieuwe leven van echte liefde tot God en uw naaste ondervindt.

En het leven waarover Jezus hier spreekt, is het leven dat Hij Zelf leefde. Ook al zou u maar zijdelings over het leven van Jezus gehoord of daarover gelezen hebben, dan is al duidelijk dat er nooit iemand is geweest zoals Hij – Die niet dreigde als Hij leed, Die niet terugschold als Hij werd bespot, maar Die allen die Hij ontmoette oprecht liefhad. Hoewel Hij door velen verworpen werd, werd Hij niet toornig, maar Hij weende over hen. Niemand is zo zachtmoedig en nederig van hart geweest als de Heere Jezus, zelfs naar hen die Hem persoonlijk het meest hebben gekwetst. Hij schaamde Zich niet om Zijn hand uit te steken naar mensen die een schandelijk leven leidden. Hebt U Hem ooit een hard oordeel horen vellen over hen die faalden tegenover God of hun naasten? Zijn hele leven was Jezus – en waren al Zijn handelingen – vol van genade naar zondaren, naar kwaadaardige tegenstanders en zelfs naar Zijn falende vrienden.

Zei ik dat Hij vol genade wás? Hij is dat nóg en zal dat altijd zijn, want Hij verandert niet.

 

Hij, de Heere Jezus, is niet alleen de verborgen Bron, de kracht van een heerlijk leven van godsvrucht; Hij is ook de Bron van een leven in gemeenschap met God. Niets is zo rijk in dit leven als een leven in zoete gemeenschap met de Heere. Een leven gescheiden van Hem is de dood, maar een leven in volle verzekerdheid van Gods liefde en aanneming is het zoetste leven dat mogelijk is op aarde.

Paulus omschrijft dat leven als: Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God door onzen Heere Jezus Christus (Rom.5:1). ‘De liefde van God is in onze harten uitgestort door de Heilige Geest, Die ons is gegeven’, zegt hij. Dat is een leven waarin we ontvangen hebben den Geest der aanneming tot kinderen, door Welken wij roepen: Abba, Vader! (Rom.8:15). En de vrucht is het getuigenis van de Heilige Geest dat wij kinderen van God zijn.

Woorden schieten tekort om de diepe vreugde en vrede uit te drukken wanneer, te midden van het felste vuur, onze harten mogen zingen als we de liefdevolle omarming van een almachtig God en Vader ervaren.

 

Gemeente, laten we niet vergeten dat de geestelijke dood waaraan wij onderworpen zijn, niet eenvoudig weggenomen kan worden door een wonder, zoals dat waarmee Lázarus werd opgewekt. De Heere Jezus moest om de dood teniet te doen en de Bron van onze opstanding te worden, Zélf de dood ingaan. Hij heeft Zelf elk aspect van de dood moeten ondergaan en de macht en vervloekte smaad en schande ervan moeten ondervinden. Hij werd verlaten en verworpen, ja, vervloekt, door God en mensen.

Als plaatsvervanger nam hij de plaats in van schuldigen en leed Hij voor de zonden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen (1Petr.3:18). Met andere woorden: Hij onderging en verdroeg de scheiding van God om zo de Bron van de opstanding te worden. In Jezus Christus, de Zoon van God, ligt daarom onze enige hoop.

 

Ik ben de Opstanding en het Leven.

Het is één ding om zulke mooie dingen te zéggen, maar iets heel anders om die te dóen. Om nu de hele wereld te tonen dat Zijn aanspraak niet alleen maar woorden zijn, beveelt Hij dat de steen voor het graf van Lázarus weggerold moet worden. De spanning en verwachting moet toen al het klagen en wenen wel tot stilte hebben gebracht. Martha maakt bezwaar, maar het antwoord van Jezus is duidelijk: Heb Ik u niet gezegd, dat zo gij gelooft, gij de heerlijkheid Gods zien zult?

Enkele ogenblikken later zien Martha en alle ooggetuigen die Goddelijke heerlijkheid in Jezus. Met luide stem beveelt Hij Lázarus om naar buiten te komen. Dat betekent dat Hij de dood opdraagt om hem los te laten.

Ontzetting moet alle aanwezigen aangegrepen hebben toen zij Lázarus, met grafdoeken aan handen en voeten gebonden, levend naar buiten zagen komen. Jezus bewijst daarmee dat Hij wérkelijk God is en de macht heeft om doden op te wekken, om onze levens te vernieuwen. Bij Hem zijn alle dingen mogelijk.

 

We keren weer terug naar de woorden van Christus: Ik ben de Opstanding en het Leven; die in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven. En een iegelijk die leeft en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid. Gelooft gij dat?

Met deze woorden spreekt de Heere ook tot óns en nodigt Hij ons om ons vertrouwen op Hem te stellen. Een ieder die zijn vertrouwen op Jezus stelt, zal leven, al ware hij of zij dood. We verstaan hier met ‘dood’ onze geestelijke situatie en de scheiding van God. Na de zondeval is dit onze staat – onomkeerbaar, niet ongedaan te maken.

Maar waarom is die staat onomkeerbaar en niet ongedaan te maken?

Omdat wij aan God betaling schuldig zijn, die wij nooit kunnen voldoen, al zouden we een miljard eeuwen leven. Want wij kunnen onze zondigheid niet omzetten in heiligheid, en zonder heiligheid zal niemand God zien. Wij zullen daarom nooit de verhouding met God kunnen herstellen, omdat alles wat wij doen, tekortschiet bij Gods heerlijkheid.

Maar hoor dan nu eens hoe eenvoudig en open Jezus u nodigt om uw vertrouwen op Hém te stellen. Wie in Hem gelooft, al zou hij ook gestorven zijn, zal tóch leven. Geloven is: op Hem zien als uw enige hoop; het is uw vertrouwen op Hem stellen en net als Martha in vers 27 belijden: Ja, Heere; ik heb geloofd ...

Het geloof in Jezus Christus, de enige Middelaar tussen God en ons, maakt het mogelijk dat de hemelse Rechter ons op grond van het leven en de dood van Christus rechtvaardig verklaart. Als u met lege handen komt en u vastklemt aan – en ziet op – Gods eniggeboren Zoon als de grond van uw hoop, dan zult u leven.

 

Gelooft u dat? Vertrouwt u Hem? Bouwt u op Hem? Ziet u voorbij het graf in uw eigen hart? Zoekt u uw hoop buiten uzelf? Heeft Gods Geest u geleerd om alles uit handen te laten vallen wat u dacht mee te moeten brengen om voor God te kunnen bestaan? Heeft die Geest u geleerd dat het alleen om Christus gaat, alleen uit genade en alleen door het geloof? Hoor dan Zijn belofte: die (…) zal leven. U zult niet veroordeeld worden, want u ontvangt vergeving en bent vrijgesproken van al uw zonden door het werk en in de persoon van Christus. Opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Joh.3:16).

Zult u dit geloven, of volhardt u in uw vertrouwen op uw eigen manieren en inspanningen om zalig te worden?

Een waar geloof is niet alleen een verstandelijk instemmen met wat Jezus hier zegt. Dat is niet beter dan het geloof van de duivelen; zij geloven het en sidderen. In het ware geloof stemmen we niet alleen in met Gods waarheid, maar stellen we het vertrouwen in Hem: Ja, Heere; ik heb geloofd …

 

Geliefden, hoe dierbaar is het geloof dat uitroept: Ik geloof, Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp (Mark.9:24). Ik vertrouw U mijn omstandigheden, mijn pijn, maar bovenal mijn geestelijke dood, mijn hemelhoge schuld, mijn bedorven hart toe, omdat U alleen de Opstanding en het Leven bent. Help mij om ten volle op U te vertrouwen, dat alles goed is en goed zal komen door U en U alleen.

Hoe zoet is die klank als Jezus de behoeftige ziel vertroost, die misschien hooguit durft te fluisteren: Ik vertrouw mijzelf aan U toe, want U bent de Messias, de Zoon van God, die gekomen is om zondaren zoals ik zalig te maken. Ik leg al mijn schulden, mijn geestelijke dood en mijn altijd zondige hart aan Uw voeten, omdat U mij nodigde om tot U te komen.

Is dit het leven van uw hart? Vrees dan niet, want u zúlt leven. Dat Zijn de belovende woorden uit de mond der Waarheid: Een iegelijk die leeft en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid.

Met dit ‘sterven’ doelt Jezus niet op onze lichamelijke dood, want ook Gods kinderen moeten sterven. Ook Lázarus is later opnieuw gestorven en voor de tweede keer begraven. De woorden van Jezus ‘zal niet sterven’ betekenen dat er geen scheiding meer zal zijn van Hem. Allen die leren om op Jezus te zien, worden in dit leven bevrijd van de veroordelende kracht van de zonde, die scheiding bracht. Zij worden ook verlost van alle scheiding, want niets kan ons scheiden van de liefde van God in Jezus Christus, onze Heere.

 

Ik ben de Opstanding en het Leven, eeuwig leven. Gelooft gij dat?

Dat is de toepassingsvraag die Jezus ons stelt nadat Hij Zichzelf heeft verkondigd. Zijn woorden horen is niet het komen, aanhoren en gaan zoals we dat doen bij een concert. Het Woord horen brengt een verplichting mee, omdat de Heere ons nodigt om tot Hem te komen en ons vertrouwen op Hem te stellen. Hij weet waar u zit, wie u bent. Hij weet wat we onszelf in onze val gemaakt hebben en dat we niet in staat zijn dit te veranderen. Hij weet dat u en ik het verdiend hebben om buitengesloten te blijven.

Maar luister nu niet naar uw eigen gedachten van vrees. Hoor Zijn liefdevolle nodiging om te geloven, om op Hem te vertrouwen, om al uw onmogelijkheden aan Hem over te geven, ook uw boezemzonden, uw doodsnood – breng ze bij Hem.

 

Martha, gelooft gij dat?

Op grond van Zijn heerlijke en grote openbaring van Zichzelf in dit hoofdstuk, raad ik u: Buig uw knieën voor Hem en roep Hem aan, met uw eigen woorden. Zeg Hem: Jezus, tot U breng ik al mijn droeve klachten; op U leg ik mijn zware zondelast. Mijn onmogelijkheden om heilig te zijn leg ik voor U neer. Tot Wie kan ik anders gaan – gaan zoals ik ben? U hebt immers gezegd: Ik ben de Opstanding en het Leven. Bij U bestaat een nieuw begin en een beter leven. In U alleen is er kracht en hoop te vinden. Wilt U ook in mijn omstandigheden Uw gezag doen gelden, zoals U dat deed in de noden van Martha en Maria? Neemt U het voor mij op, waar ik mezelf en al mijn noden aan U toevertrouw, o gezegende Heere en Zaligmaker.

Amen.

 

Slotzang: Psalm 142 de verzen 1 en 2

 

'k Riep tot den Heer' met luider stem;

ik smeekt' en riep vol angst tot Hem.

'k Heb, voor Zijn aangezicht, mijn klacht

in mijn benauwdheid voortgebracht.

 

Als mij geen hulp of uitkomst bleek;

wanneer mijn geest in mij bezweek,

en overstelpt was door ellend',

hebt Gij, o Heer', mijn pad gekend.