Ds. W. Harinck - 2 Samuël 5 : 7

De inname van de burcht Jebus

een verovering door koning David;
een verovering door Koning Jezus.

2 Samuël 5 : 7

2 Samuël 5
7
Maar David nam den burg Sion in; dezelve is de stad Davids.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 25: 6
Lezen : 2 Samuel 5: 1-16
Zingen : Psalm 89: 9, 12 en 15
Zingen : Psalm 21: 1 en 5
Zingen : Psalm 45: 1

Gemeente,

Het Woord dat wij willen overdenken vindt u in 2 Samuël 5, daarvan het 7e vers:

Maar David nam den burcht Sion in, dezelve is de stad Davids!

 

We letten op de inname van de burcht Jebus. In die geschiedenis zien wij:

1. een verovering door koning David;

2. een verovering door Koning Jezus.
 

We overdenken in deze preek de verovering, de inname van de burcht Jebus en letten in de eerste plaats op een verovering van koning David en in de tweede plaats op een verovering van Koning Jezus.

 

1. Een verovering van koning David

Deze geschiedenis neemt ons mee terug naar het oude Jeruzalem. Toen werd Jeruzalem ook wel Jebus genoemd vanwege de Jebusieten die daar woonden. De Jebusieten behoorden tot een bepaalde stam van het volk van de Kanaänieten. Je kon hen aantreffen in de buurt van Jeruzalem, in de bergen van Judea, maar ze woonden vooral in de stad Jeruzalem zelf. In Richteren 1: 21 lezen we dat de kinderen van Benjamin er bij de intocht in Kanaän niet in geslaagd zijn, of nalatig zijn geweest om de Jebusieten uit de stad Jeruzalem te verdrijven. Tot in de tijd van koning David wordt Jeruzalem door Kanaänieten, door heidenen bewoond.

Wat een schande is dat eigenlijk! Het is een kwalijke zaak dat daar in het beloofde land Kanaän, waar het volk van Israël in vrijheid woont, nog vijanden wonen. Dat er zelfs in Jeruzalem nog Jebusieten, afgodendienaars en haters van God en van Zijn volk wonen!   Zelfs Israëls eerste koning, koning Saul, is er blijkblaar niet in geslaagd om de Jebusieten te overwinnen. Ook hij heeft aan die vijanden van het volk Israël geen einde kunnen maken.

Probeert u zich, gemeente, die toestand eens in te denken. Jeruzalem vormt het centrum van het land. Het is een stad met oude papieren, een stad met een rijke geschiedenis.  Denk maar aan de geschiedenis van Abraham. We lezen daar over Melchizedek, de koning van Salem. Toen, in die oude tijden al was Salem of Jeruzalem een koningsstad en een stad van groot belang. Dat zal te maken hebben gehad met de natuurlijke ligging van de stad. Jeruzalem lag in het midden van het land; het was een stad die op bergen was gebouwd en ook door heuvels en bergen werd omringd.

En juist daar, in het midden van het land Kanaän, waar Israël nu in vrijheid mag wonen, daar wonen de vijanden. In de koningsstad Jeruzalem wonen nog steeds de Jebusieten. Ze hebben een burcht op een van de heuvels waarop de stad is gebouwd, de berg Sion. Voor die dagen is het een indrukwekkende vesting, met torens en vestingmuren. Deze burcht van de Jebusieten is onneembaar. Tot op de tijd van koning David toe is deze burcht in de handen van de Kanaänieten.

In het Schriftgedeelte dat we gelezen hebben horen wij dat die Jebusieten spotten met de Heere en Zijn volk. In het zesde vers lezen we hoe koning David met zijn mannen optrekt naar Jeruzalem om te strijden tegen de Jebusieten die daar wonen. De Jebusieten spotten met David en roepen hem vanaf de kasteelmuren toe: Gij zult hier niet inkomen! Maar de blinden en de kreupelen zullen u afdrijven! Dat is te zeggen: David zal hier niet inkomen! Zo overtuigd zijn de Jebusieten van hun macht. Ze denken dat ze daar in hun burcht onaantastbaar zijn! En ze roepen het David toe: De kreupelen, de blinden, ze zullen u afdrijven! Met andere woorden: ‘We kunnen de verdediging van de burcht wel aan de zwaksten onder ons overlaten, aan de blinden, de kreupelen en de invaliden. Je zult hier nooit binnenkomen, David!’  

 

Gemeente, zo was de situatie toen David koning werd. Daar in Jeruzalem, in de hoofdstad van Israël, de koningsstad, zat er geen vorst van Israël op de troon. In Jeruzalem regeerde toen niet een man naar Gods hart. Nee, de Jebusieten zijn nog steeds heer en meester in Jeruzalem. En vanuit die stad, vanuit die burcht benauwen, bespotten en bestrijden ze Israël, het volk des Heeren.

En weet u wat het ergste was? Het ergste was dat het volk van Israël er al die eeuwen mee heeft kunnen leven. Ze zijn aan de situatie dat de Jebusieten in hun midden woonden, gewend geraakt. Nergens lezen we dat ze pogingen in het werk gesteld hebben om de vijanden uit het land te verdrijven. Ze hadden het opgegeven om de Jebusieten uit hun burcht te verdrijven. Die zaten daar op de rots, op de berg Sion, in een sterke en machtige burcht met onneembare muren. Het was onmogelijk om hen te verdrijven. Zo hebben ze die Jebusieten daar laten zitten. Ook koning Saul heeft hen niet verdreven.  Blijkbaar heeft hij ook niet zo’n last gehad van die vijanden die nog in het midden van Israël woonden.

 

Maar toen werd David koning en mocht hij gaan regeren over al de stammen van Israël.

Weet u wat toen zijn eerste daad was? Toen kwam uit dat David een andere koning was dan Saul. Nadat David koning was geworden over de stammen van Israël, was zijn eerste daad om met zijn mannen op te trekken naar Jeruzalem, naar de burcht Jebus. We lezen in vers 6: En de koning trok met zijn mannen naar Jeruzalem, tegen de Jebusieten, die in dat land woonden. David trok op om de stad Jeruzalem in te nemen en van Jeruzalem een koningsstad te gaan maken.

Eerst was David, zo hebben we gelezen, koning te Hebron. Hij regeerde daar over Juda zeven jaar en zes maanden. Maar toen voegden ook de andere stammen zich onder zijn koningschap en hebben ze plechtig voor Gods aangezicht een verbond gemaakt.

Toen David zo koning was geworden over alle stammen van Israël, viel zijn oog op Jeruzalem, met name op de burcht van de Jebusieten. Hij aarzelde niet en trok met zijn mannen op naar Jeruzalem om tegen de Jebusieten ten strijde te trekken. Het was zijn voornemen om die burcht in te gaan nemen. Maar hoe zou dat kunnen? Die burcht is immers een onneembare vesting? Die Jebusieten zijn machtige strijders. Hoe zal dat kunnen, David?

 

Gemeente, David weet ook dat hij dat hij dit in eigen kracht niet kan. Maar hij is koning bij de gratie Gods. Zonder de Heere, zijn God, kon hij niets doen. Dat had hij als herdersjongen al geleerd. Maar met de Heere durft hij de strijd aan. Zo trekt hij op ten strijde tegen de Jebusieten. Onze tekst luidt: Maar David nam de burcht Sion in. Dat staat er zo heel eenvoudig: hij heeft die burcht ingenomen. Uit vers 8 zou afgeleid kunnen worden dat David gebruik heeft gemaakt van de watergoot, het ondergrondse kanaal dat de burcht van water voorzag. En door die watergoot is David met zijn strijdbare mannen, met de dappere Joab voorop, de burcht binnengedrongen. Ze hebben de burcht bij verrassing ingenomen. Na een korte, hevige strijd schalt daar de bazuin van de overwinning. En het vaandel van koning David kan gehesen worden in Jeruzalem, in de burcht Jebus.

David nam de burcht Sion in en maakte die tot de stad Davids. Vanuit die stad was David toen koning en regeerde hij over al de stammen Israël, van Dan tot Berséba. Hij bouwde daar zijn paleis. Er staat in vers 9 dat hij in de burcht zijn intrek heeft genomen: Alzo woonde David in de burcht en noemde die Davids stad. Ook heeft hij de stad uitgebouwd en Jeruzalem groot en sterk gemaakt. Het werd de stad van David!

David heeft nog meer gedaan, gemeente. U moet maar eens naar het volgende hoofdstuk kijken, 2 Samuël 6. Daar lezen wij hoe David de ark van het Verbond naar Jeruzalem heeft gebracht. Wat een dag moet dat geweest zijn. Toen gingen de poorten van de Jebusburcht open voor de troon van Israëls God. Toen kwam de Heere daar wonen in Jeruzalem. Want de Heere heeft Sion verkoren. Hij heeft het begeerd tot Zijn woonplaats. Het was David er niet alleen om te doen om zijn eigen troon in Jeruzalem te vestigen. Hij wilde daar ook de troon van de Heere, de Ark van het Verbond, vestigen, opdat de Heere Zelf ook in Sion zou wonen.

 

Gemeente, ik hoop dat u bij het overdenken van deze geschiedenis uit 2 Samuël 5 aanvoelt dat we hier met een heel belangrijke geschiedenis te maken hebben. Door de overwinning op de Jebusieten en de inname van Jeruzalem werd de smaad weggenomen uit Israël. Jeruzalem is de hoofdstad geworden, de stad van David. De ark van het Verbond stond nu in Jeruzalem. En later is daar het oudtestamentische heiligdom, de tempel van Salomo, verrezen. Daar werden de offers gebracht, daar deden de priesters hun werk. Jeruzalem … hoe belangrijk is die stad voor Israël geworden.

Hier hebben we het begin: David nam de burcht Sion in. Dat is een feit uit de geschiedenis. Maar dat niet alleen. We hebben hier boven alles te maken met heilsgeschiedenis.

David is immers een type van de grote Davidszoon, Jezus Christus. In David werpt de grote Koning, de Heere Jezus Zelf, Zijn schaduw vooruit. En in David mogen wij iets zien en herkennen, iets profetisch zien van Davids grote Zoon, de Messias, de Heere Jezus Christus.

 

Het was de eerste koningsdaad van David om de machtige vijanden in Jeruzalem te overwinnen en de burcht Jebus in te nemen. Zo heeft Koning Jezus ook een machtige verovering behaald. In Zijn dood en Zijn Opstanding heeft Jezus de Jebusburcht van satan, van zonde, van dood en van graf veroverd. Dat is de Koningsdaad van Davids grote Zoon. Davids verovering van de burcht van Jeruzalem bepaalt ons bij de grote verovering van Koning Jezus.

Dat willen we gaan zien in onze tweede gedachte, maar eerst zingen we van Psalm 21, het eerste en het vijfde vers.

 

O HEER, de Koning is verheugd
Om Uw geducht vermogen;
Uw heil zweeft hem voor d' ogen;
En met wat blijde zielevreugd
Zal hij, door al Uw daân
Verrukt, ten reie gaan!

 

Hoe groot en schitt'rend is zijn eer,
Door 't heil, aan hem bewezen!
Hoe is zijn roem gerezen!
O alvermogend' Opperheer,
Wat glans, wat majesteit
Hebt Gij dien Vorst bereid!

 

2. Een verovering van Koning Jezus

In het overwinnen van de vijanden in de burcht en het wegnemen van de smaad kwam uit wie David was. Hij was de gezalfde des Heeren, een koning in Gods gunst, de man naar Gods hart. En dat oudtestamentische koningschap van David wijst ons nu heen naar het Koningschap van Christus.

Want Wie is Christus? Hij is de Gezalfde van de Vader, Hij is de Koning der koningen en de Heere der heren. Hij is Davids Zoon. We lezen in Openbaring 22:16 dat Jezus zegt: Ik ben de Wortel en het geslacht Davids, de blinkende Morgenster.

Zoals David naam maakte door de verovering van de burcht Jebus, zo maakte Davids grote Zoon, Jezus Christus, naam door glorierijke veroveringen en overwinningen te behalen. David vestigde zijn koningschap door de burcht Sion in te nemen. Evenzo vestigt Christus Zijn Koningschap door de vele Jebusburchten in te nemen waarin de vijanden zich ophouden. David ging het huis van die sterk gewapende Jebusieten binnen. Zo is Davids Zoon, de Heere Jezus, het huis van de sterk gewapende binnen gegaan. De sterkgewapende is de vorst der duisternis, maar Jezus is zijn vesting binnengegaan, de vesting van de dood en van het graf. Wat een geweldige vesting, wat een Jebusietenburcht – zo mogen we wel zeggen – is toch de dood en het graf.

Wat heeft de satan, wat heeft de dood toch een macht over ons. Dat is vanwege de zonde, gemeente. Het is onze schuld en schande dat de dood zo’n macht en heerschappij over ons heeft. Wij zitten gevangen in de machtige Jebusburcht van de dood, want wie van ons redt zijn ziel van het graf?

We zijn hier in deze dienst bijeen rondom Gods Woord als een vergadering van zondaren. Dat wil zeggen: een vergadering van stervelingen, die gevangen zijn in de burcht van de dood. Wat wij mensen ook doen, wat wij ook proberen, niets kan de macht van de dood te niet doen. De medische wetenschap is tot een hoog peil geklommen, maar ook zij is niet in staat om de dood te doden.

Maar nu is Davids grote Zoon die burcht binnen gegaan. De burcht van satan, zonde en dood. Die burcht die u, jou en mij gevangenhoudt. Gemeente, Jezus is die burcht binnen gegaan, en heeft die overwonnen. Hij heeft een heerlijke overwinning behaald.

Hoe heeft Hij dat kunnen doen? Dat heeft Hij gedaan door voldoening, door Zijn lijden en Zijn sterven. Hij is Zelf de Jebusietenburcht van de dood ingegaan. Hij heeft geleden en is gestorven en heeft Zijn kostbare ziel gegeven tot een rantsoen voor velen. Op die manier heeft Koning Jezus de aanspraken van de satan, de zonden en de dood op de Zijnen voor Zijn rekening genomen. Hij heeft dat alles op Zich genomen! Door Zijn plaatsbekledend sterven op het kruis van Golgotha heeft Hij al die aanspraken tenietgedaan.

Wat geen mens bereiken kon, wat geen engel tot stand kon brengen – daar kan Jezus uitroepen: ‘Het is volbracht!’ Hij heeft de dood verslonden tot een eeuwige overwinning. Hij heeft het leven aangebracht door Zijn eigen leven neer te leggen. Zo heeft Christus, de grote Zoon van David, de burcht van de dood veroverd.

 

Het is Pasen geweest, gemeente. Jezus Christus, Hij leeft. Als we in onze tekst lezen: ‘Maar David nam de burcht Sion in’ moeten we zeggen: ‘Meer dan David is hier!’ Hij heeft de dood overwonnen en is Overwinnaar in de strijd. Hij is het Die Zijn volk de zegen geeft. Hij heeft Zijn koninklijke voet gezet op de nek van Zijn vijanden. En nu rijdt Hij op het witte paard van de overwinning, zoals we lezen in Openbaring 6: 2: En ik zag, en ziet, een wit paard, en Die daarop zat, had een boog; en Hem is een kroon gegeven, en Hij ging uit overwinnende, en opdat Hij overwon!

Christus, de sterke Held op het witte paard, rijdt door de volkeren van de wereld. En onder alle talen, geslachten en volken behaalt de Koning van Pasen Zijn overwinningen. Al overwinnend bouwt Hij Zijn Koninkrijk op deze wereld. Straks zal Hij regeren van de zee tot aan de zee, en van de rivier tot aan de einden van de aarde.

 

Gemeente, deze Koning is zo heerlijk dat Hij niet zonder onderdanen zal blijven. Hij behaalt Zijn overwinningen tot op deze dag. Nog steeds verovert Hij zondaarsharten. Dat zijn overwinningen die Koning Jezus behaalt. Van nature zijn onze harten bolwerken van de zonde en van de satan. Wat een dood en wat een vijandschap vinden wij vanbinnen. Ja, ons hart is als een Jebusietenburcht.

Hebben wij ons hart zo al leren kennen, als zo’n Jebusietenburcht? Of is het bij ons net als bij het volk van Israël in de tijd van koning David? David mocht overal koning zijn en het voor het zeggen hebben. Maar op één plaats mocht hij geen koning zijn. Dat was in Jeruzalem, in de burcht Jebus. In het centrum van het land was er een plaats waar David geen koning mocht zijn. Daar waren vijanden die met hem spotten en hem toeriepen: ‘Je zult hier nooit inkomen!’ Zo is er in het midden van ons leven ook een plaats waar Koning Jezus niet komen mag, namelijk in ons hart.

We dragen ons hart met ons mee, misschien wel onder een vroom en godsdienstig kleed. Maar onder dat kleed zit ons hart, een vijandig hart dat God niet wil zoeken en niet wil vragen naar Jezus. In ons hart heerst de dood en de verlorenheid, en het houdt zich verre van de Heere en van Christus.

Maar nu wilde koning David in Jeruzalem koning zijn. Daar, in het centrum van het land wilde hij zijn troon neerzetten. En wat David wilde, dat wil ook Davids grote Zoon, Koning Jezus. Hij wil Koning zijn in het midden van ons leven. Hij wil regeren in het centrum van ons leven. In ons hart wil Hij Zijn troon zetten.

En daarom vraagt Hij naar ons hart. Met buitenkanten is Hij niet tevreden. Hij roept ons allemaal toe: Mijn zoon, geef Mij uw hart! (Spr. 23:26). Dat is de vraag van Koning Jezus. Hij wil het hart van de zondaar hebben.

Hoe vaak heeft Hij al om ons hart gevraagd, gemeente? Hoe lang heeft Hij al geklopt aan de deur van ons hart? De jongens en de meisjes weten het ook wel. Wat is de bedoeling als iemand aan de deur staat te kloppen, misschien wel met twee handen op de deur staat te bonzen? Waarom doet hij dat? Wel, die persoon wil binnengelaten worden. Zo staat Jezus ook te kloppen als het Woord wordt bediend.

Gemeente, als het evangelie wordt gepredikt, staat de grote Koning te kloppen aan ons hart. Er zijn ook tijden in ons leven dat Hij als het ware met beide handen klopt. Dan klopt Hij met de stem van Zijn Woord, maar Hij klopt ook met de roepstemmen in ons leven. Als Hij de weg van ons leven ombuigt, als de Heere ons op een bijzondere wijze doorhelpt en zegent, dan klopt deze Koning heel luid. Dan klopt Hij met Zijn beide handen: ‘Laat u toch met God verzoenen.’ Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in de dood van de goddelozen! Maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven. O huis Israëls? (Ez. 33:11).

Zo vraagt de grote Koning, zo vraagt Christus naar ons hart. Hij wil Koning zijn in het mensenhart en vanuit dat hart wil Hij regeren. In het hart van de mens zijn immers de uitgangen van het leven!

 

Maar, gemeente, wij willen ons hart niet aan Hem geven. Wij zeggen wat die Jebusieten tegen David zeiden. Daar komt David met zijn leger, en hij nadert tot de burcht. Het is duidelijk dat David de burcht hebben wil. Maar wat zeggen dan de Jebusieten? Kijkt u maar naar het zesde vers: David zal hier niet inkomen. Hoe vaak hebben we dat al niet gezegd toen Koning Jezus, als Hij stond te kloppen? Wat was ons antwoord toen Hij naar ons hart vroeg? Hoe vaak hebben we al niet geantwoord: ‘David, Jezus, zal hier niet inkomen!’

Is dat niet de kern van onze vijandschap? Het is de diepte van onze verlorenheid als we zeggen: ‘Hier zal ik koning zijn. Hier zal ik op de troon zitten, hier zal ik heer en meester zijn.’  Gemeente, dat is nu onze verlorenheid. Als de Heere naar ons hart vraagt, ernstig en welmenend, dan antwoorden wij met die Jebusieten: ‘Hij zal hier niet inkomen! Wij willen niet dat Hij Koning over ons wordt.’

Daar laat de Heere het echter niet bij. Want met Pasen zwaaiden de doodspoorten voor de Koning der koningen en de Heere der heren open. Zo zullen ook de poorten des doods van het zondaarshart openzwaaien voor deze levende Koning. Hij neemt het hart van de zondaar in, overwinnende en opdat Hij overwon. Door de kracht van Zijn Geest en Zijn Woord overwint Hij die onwillige, onbekeerde en hardnekkige zondaar en zondares. Hij gaat geweld doen op het zondaarshart met de kracht van Zijn Woord, met de werking van Zijn Geest en met het geschut van wet en evangelie.

Als deze grote Koning zo geweld doet op mijn zondaarshart, gaat dat hart scheuren en breken. We gaan capituleren voor deze Koning, en dan leveren we onze wapens in. Deze Koning zal namelijk een zeer gewillig volk hebben op de dag van Zijn heirkracht.

Hij overwint al onze burchten van hoogmoed, van ongeloof, van eigengerechtigheid en van aardsgezindheid. We kunnen in zoveel burchten gevangen zitten, maar Hij neemt ze in en doet ze vallen.

 

Hoe doet Hij dat? O, een enkel woord van deze Koning is voldoende. ‘Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij? Het is u hard de verzenen tegen de prikkels te slaan. Dan kan Saulus niets anders zeggen dan: Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal? (Hand. 9:4-6). Toen verloor Saulus van Tarsen zijn hoogmoed, zijn farizeïsche trots en zijn eigengerechtigheid. Daar lag hij op de grond als een gevelde zondaar: ‘Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal?’ Dan gaat het oude voorbij, en alle dingen worden nieuw.

Gemeente, als deze Koning ons hart gaat bearbeiden, wat is dat dan toch een gezegende verandering. Dan komen er nieuwe wetten in je leven, een nieuwe vreugde, maar ook nieuwe smarten. Dan is er de hartelijke keuze is ons hart, zoals Ruth, de Moabitische, uitsprak: ‘Uw volk is mijn volk en uw God is mijn God!’

Dan is er droefheid naar God over de zonde. We zien hoe leeg het leven is buiten God en zonder Christus. Dan wordt er een lust geboren om de Heere te vrezen, om dat allerhoogste en eeuwige Goed te zoeken. Wat een gezegende verandering is het als deze Koning het hart van de zondaar gaat bearbeiden met Zijn Geest en met Zijn Woord!

 

En toch, gemeente, hoe groot en gezegend deze verandering ook is: daarmee heeft een zondaar zijn hart nog niet aan Jezus gegeven. Want, o wat gaan we aan de gang om die bressen in de muren van ons hart te dichten. Wat probeert een overtuigde zondaar God, Die hij zo beledigd en bedroefd heeft met zijn zonden, tevreden te stellen. Ons hart kan het niet laten om zélf het werk ter hand te nemen en de bressen in onze burcht bij te werken. We beloven dat we het anders gaan doen, dat we de Heere zullen zoeken met inspanning van al onze krachten; dat we Hem lief zullen hebben en dat we de zonde zullen haten. Zo proberen we onszelf aangenaam te maken voor Gods heilig aangezicht. En zo proberen we van ons hart een vroom hart te maken. Maar ook onze vrome hart moet ingenomen worden.

Koning Jezus wil immers een volkomen Zaligmaker zijn. En waar is Hij een volkomen Zaligmaker? Daar waar ik een volkomen zondaar ben. Geen vrome zondaar, maar een volkomen zondaar. Een zondaar die moet belijden: ‘Heere, mijn hart is een boos en zondig hart. Mijn bestaan is onvruchtbaar. Ik krijg mijn hart niet eens mee als het gaat over het doden van de zonde. Wat ben ik toch vleselijk, wat ben ik toch verkocht onder de zonde!’

Zo moeten we een volkomen zondaar worden, een zondaar die niets heeft om zijn schuld te betalen, die in zijn hart niets meer vindt wat voor God kan bestaan. In onszelf vinden we dan allen maar puinhopen.

 

Maar dat is nu het onbegrijpelijke wonder: Jezus vestigt Zijn koningschap juist op de puinhopen van ons bestaan. Daar wil Hij regeren, rechtvaardig, wijs en zacht. In uitgewerkte harten wil Hij Koning zijn. Dan draagt Hij, net zoals David, de ark des Heeren de burcht binnen. Dan komt Hij in het hart vrede maken, en dat is een vrede door het bloed van het kruis. Door de verkondiging van het evangelie en door het getuigenis van de Heilige Geest brengt Hij vrede in het hart. Het is de Heilige Geest, Die het uit Zijn volheid neemt, en die het ons zal verkondigen. Hij komt je vertellen in je nood en je verlorenheid: Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de HEERE; al waren uw zonden als scharlaken, ze zullen wit worden als sneeuw, al waren ze rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol (Jes. 1: 18).

Christus vestigt Zijn troon in het zondaarshart, en van daaruit gaat Hij regeren. Wat is Hij dan een beminnelijk Vorst, wat is Zijn schoonheid hoog te loven. Zo is Hij een volkomen Zaligmaker en ben ik een volkomen zondaar.

Waar Christus op de troon van het hart komt, gemeente, daar regeert Hij net als David. Toen David in de burcht Jebus te Jeruzalem op de troon zat, wilde hij het voor het zeggen hebben. Daar in Jeruzalem, maar van daaruit ook in al de gebieden van het land. Zo wil Christus ook heersen in de harten van de Zijnen. Hij heerst over hun hart, maar niet alleen daar. Over al de gebieden van ons leven wil Hij Koning zijn. Als Hij daarom binnenkomt in ons hart en leven, moet er bij ons heel wat uit. Dat is de strijd en de worsteling die Paulus beschreef in Romeinen 7: Ik ellendig mens! Wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods? Maar de Koning leeft en Hij houdt de Zijnen vast. Hij houdt hen vast bij Zijn Woord, maar ook bij wat Hij voor hen gedaan heeft, dat is: bij Zijn verdiensten. Hij is het Die beschut en bewaart tegen al de vijanden.

Wat zijn ze gezegend, rijk gezegend, die deze Jezus tot hun Koning mogen hebben. Allen die bij deze Koning horen zijn veroverde zondaren, veroverde vijanden. Hun vrijheid ligt nu in het gebonden zijn aan hun Koning. Dat is nu de vrijheid van de kinderen van God: gebonden zijn aan Koning Jezus.

 

Zijn wij ook vrij? Of zijn we nog gevangen? Wie is er koning in ons hart, gemeente? Wie zit er op de troon van ons hart? O, laten we onszelf eens onderzoeken: wie heeft het voor het zeggen in ons leven? Heerst daar nog de oude mens?

Of mag door genade de Herdersvorst, de grote Davidszoon, de gezegende Zaligmaker, deze allervriendelijkste Jezus onze Koning zijn? Kwam Hij ons leven binnen, werd Hij ons te sterk? Of is de praktijk van ons leven nog: ikzelf zal koning zijn, Jezus zal hier niet binnenkomen! Wat is het daarom noodzakelijk dat onze oude Adam, dat eigen ik, van de troon gestoten wordt.

Met dat doel legt de Heere nog mest rondom onze levensboom. Daarom klopt Hij ook in deze dienst nog met de wet en het evangelie op ons hart. Ja, de Heere klopt aan de poort van de burcht ook met de boodschap van Zijn wet. Hoorden we dat ooit? ‘Gij zijt schuldig, des doods schuldig, want u bent niet gebleven in het boek van de wet om dat te doen!’ De toorn, de zware toorn van God hangt ons boven het hoofd. O, indien Zijn toorn slechts een weinig zou ontbranden, waar zouden we blijven? Hoor dat ernstige kloppen, en denk eens aan de eeuwigheid. Waar zullen we zijn in de eeuwigheid? Overdenk die vraag toch eens: dat is nu een kloppen, ja het is een bonzen op de poort van de burcht van ons hart. Wij dan, wetende de schrik des Heeren, bewegen de mensen tot het geloof (2 Kor. 5:11).

 

Er is ook een kloppen met de boodschap van het evangelie: Zo zijn wij dan gezanten van Christus’ wege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christus’ wege, laat u met God verzoenen (2 Kor. 5:20). Dan wordt de witte vlag van de vrede nog hoog opgeheven. Dan mag het Goddelijk pardon ons nog gepredikt worden in het bloed van Christus.

Gemeente, geef toch acht op dat kloppen en bonzen op de deur van uw hart. Blijf toch niet zitten in uw burcht, wat die dan ook wezen mag.

Maar, zegt u, hoe kom ik eruit? Hoe kom ik uit mijn burcht? Ik zit erin gevangen.

Laten we dan nog een keer onze tekst lezen: ‘Maar David’, staat er. Hij deed het, hij nam de burcht Sion in. Eeuwenlang hadden ze geroepen: ‘Het zal nooit kunnen, dat is onmogelijk!’ Misschien moet u dat ook zeggen: ‘Het zal nooit meer kunnen voor zo één als ik ben, zo schuldig, zo verloren, zo verhard en zo vijandig; het zal voor mij niet meer kunnen!’

Maar nu mag ik u in het midden van uw onmogelijkheid de mogelijkheid van Jezus prediken. ‘Maar David’. Jezus nam de burcht Sion in. Wat onmogelijk is bij mensen, is mogelijk bij God. Laat dat u hoop mogen geven. Vouw uw handen er maar bij. Er zijn voor deze Christus geen hopeloze gevallen. Hij neemt zondaarsharten in. En als Hij Koning in ons hart geworden is, laat Hij het dan ook mogen blijven.

David maakte van de stad Jeruzalem zijn stad, Davids stad. Zo wil Christus van uw hart Zijn stad, Zijn troon maken. Hij moet Koning blijven. Maar brengt dat in uw leven ook zoveel strijd met zich mee? De oude mens legt zich hier namelijk zomaar niet bij neer. Die wil die troon weer op. Die wil het nog voor het zeggen hebben. Het vlees wil zich niet onderwerpen aan de wet van God. ‘O, ik ellendig mens, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods?’

De grote Koning David, de meerdere David, zal echter niet laten varen de werken van Zijn handen. Hij zal Koning zijn en Hij zal regeren en bewaren. Niemand, zegt Hij, niemand zal hen uit Mijn hand rukken. Ziet, Ik heb u in beide Mijn handpalmen gegraveerd.

Dan moet Hij wassen en ik minder worden. O, dan geeft de Heere geen meerder goed dan dat ik kleiner en minder word, en dat Hij méér wordt! Dat is het zalig leven, volk des Heeren, als ik als een arme zondaar mag schuilen bij deze volkomen Zaligmaker!

Amen.

 

 

Zingen: Psalm 45: 1

 

Mijn hart, vervuld met heilbespiegelingen,
Zal 't schoonste lied van enen Koning zingen;
Terwijl de Geest mijn gladde tonge drijft;
Is z' als de pen van een, die vaardig schrijft.
Beminlijk Vorst, uw schoonheid hoog te loven,
Gaat al het schoon der mensen ver te boven;
Genâ is op uw lippen uitgestort,
Dies G' eeuwiglijk van God gezegend wordt.