Ds. W.A. Zondag - Jesaja 52 : 13 - 15

Het werk van de Knecht des HEEREN

Jesaja 52
Het zal voorspoedig zijn
Het zal vernederend zijn
Het zal vruchtdragend zijn

Jesaja 52 : 13 - 15

Jesaja 52
13
Ziet, Mijn Knecht zal verstandelijk handelen; Hij zal verhoogd en verheven, ja, zeer hoog worden.
14
Gelijk als velen zich over u ontzet hebben, alzo verdorven was Zijn gelaat, meer dan van iemand, en Zijn gedaante, meer dan van andere mensenkinderen;
15
Alzo zal Hij vele heidenen besprengen, ja, de koningen zullen hun mond over Hem toehouden; want denwelken het niet verkondigd was, die zullen het zien, en welken het niet gehoord hebben, die zullen het verstaan.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 85: 1 en 2
Lezen : Jesaja 52: 13 t/m Jesaja 53
Zingen : Psalm 22: 1, 11 en 12
Zingen : Psalm 40: 4
Zingen : Psalm 85: 4

Gemeente, op deze lijdenszondag willen we in het bijzonder stilstaan bij de weg die Christus is gegaan om verzoening te doen voor de zonden van de Kerk. We willen daartoe de laatste drie verzen van Jesaja 52 overdenken. Daar lezen we Gods Woord als volgt:

 

Ziet, Mijn Knecht zal verstandelijk handelen; Hij zal verhoogd en verheven, ja, zeer hoog worden. Gelijk als velen zich over u ontzet hebben, alzo verdorven was Zijn gelaat, meer dan van iemand, en Zijn gedaante, meer dan van andere mensenkinderen; Alzo zal Hij vele heidenen besprengen, ja, de koningen zullen hun mond over Hem toehouden; want denwelken het niet verkondigd was, die zullen het zien, en welken het niet gehoord hebben, die zullen het verstaan.

 

Het thema van de preek is: Het werk van de Knecht des Heeren.

 

We doen dit aan de hand van drie gedachten:

 

1. Het zal voorspoedig zijn.

2. Het zal vernederend zijn.

3. Het zal vruchtdragend zijn.

 

1. Het werk zal voorspoedig zijn.

 

Gemeente, de profeet Jesaja wordt wel de evangelist van het Oude Testament genoemd. Wat heeft hij veel mogen zien van de komende Christus. Hij mocht Hem zien in Zijn heerlijkheid, in Zijn verhoging, in Zijn Koningschap, maar ook in Zijn vernedering, in Zijn lijden en in Zijn sterven. Het is de Heilige Geest, Die Jesaja dit alles heeft getoond. We zien dat bijvoorbeeld in het laatste gedeelte van Jesaja 52 en in hoofdstuk 53 waarin wij als het ware door een oudtestamentische bril het lijden van Christus mogen lezen en verstaan. Ik denk aan de kamerling. Als hij op die wagen in Jesaja 53 leest, voelt hij aan: in deze verzen ligt de ontsluiting. De ontsluiting van het geheim van zalig worden! Hij vraagt dan aan Filippus: Van Wien zegt de profeet dit, van zichzelven of van iemand anders? (Hand.8:34). Gaat dit over een mens, of gaat het over… Ja, over Wie? Is het Iemand Die hem kan redden van de dood? Iemand Die zijn zonden kan vergeven, Die verzoening kan doen voor zijn zonden?

Filippus mag hem dan vertellen: Het gaat hier over Jezus, over Hem wordt hier gesproken. Het Lam van God – zo wordt hij in Jesaja 53 genoemd. Maar Hij is ook de Knecht des Heeren.

Jesaja gebruikt het beeld van een knecht. U moet dan niet zozeer denken aan een werknemer zoals wij die vandaag kennen. Een werknemer kan heel trouw zijn; zo hoort dat ook. Maar een knecht in de Bijbelse tijd stond eigenlijk dag en nacht ter beschikking van zijn opdrachtgever; hij was een knecht die, zouden we kunnen zeggen, met zijn hele persoon verbonden was aan zijn werkgever. Zoals Eliëzer verbonden was aan Abraham. Dag en nacht stond hij klaar voor zijn werkgever en vaak woonde hij ook in één van de huizen van zijn werkgever. Hij was onderdeel van het gezin van zijn werkgever.

Zo’n knecht kon ook een slaaf zijn, iemand die het eigendom over zijn eigen lichaam was verloren. In positieve zin was zo iemand gewillig te doen wat zijn werkgever van hem vroeg. Iemand die met toewijding en liefde zijn meester wenste te dienen.

Gemeente, zo’n knecht had Israël moeten zijn, Israël was de knecht van de Heere. De Heere had gezegd: ‘U, volk van Israël, u bent Mijn knecht, u moet doen wat Ik van u vraag. U moet Mijn lof gaan verkondigen. U moet een voorbeeld zijn voor de omringende heidenvolken, zodat ook zij naar Mij zullen gaan vragen”.

Maar Israël deed anders. Het volk koos wegen die de Heere juist had verboden. We hebben daarvan gezongen: ze gingen in het spoor van de dwaasheid. Ze bogen zich voor afgodsbeelden, voor Baäl, voor de Astarte. Ze gingen naast de God van Israël ook de zon, de maan en de sterren vereren. Maar dat kan niet, zegt de Heere, je kunt niet twee goden dienen.

 

Israël was een ontrouwe knecht, maar nu komt er als het ware voor de ogen van Jesaja wél een trouwe Knecht oprijzen: ‘Déze is Mijn Knecht’, zegt de Heere dan, ‘Mijn knecht.’ Dat lezen we in Jesaja 42. Hij is Iemand Die een opdracht in de naam van de Heere zal gaan vervullen: Ziet, Mijn Knecht, Dien Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Denwelken Mijn ziel een welbehagen heeft! Ik heb Mijn geest op Hém gegeven (Jes.42:1). Mijn Knecht, nee, niet het volk van Israël, een Ander! Dat werkt Jesaja uit in hoofdstuk 49. Hij laat dan zien dat als die Knecht die opdracht moet gaan vervullen, als Hij het recht van God zal moeten gaan vervullen, dat Hij dan te maken krijgt met veel moeilijkheden, met veel tegenstand… Het zal niet gemakkelijk zijn. De Knecht des Heeren zal een moeilijke weg moeten gaan. Maar dan… in hoofdstuk 50, begint die Knecht Zelf te spreken. We horen Hem dan spreken over Zijn lijden, over de moeiten, we horen Hem zuchten en klagen over alles dat Hij moet vervullen.

 

Maar nog steeds is niet duidelijk voor de lezer waarom dit allemaal moet plaatsvinden. Wat is hier toch aan de hand? Waarom klaagt die Knecht des Heeren zo?

Dat wordt ons onthuld in het laatste gedeelte van Jesaja 52 en in Jesaja 53: Hij is gekomen om de schuld van Zijn volk te dragen. ‘Om onze smarten op Zich te nemen, onze ongerechtigheden op Zich te nemen’, zegt Jesaja. De profeet spreekt hier over de kinderen van God. Als een Lam heeft Hij Zich tot een schuldoffer gesteld. Maar wij? Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg; doch de Heere heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen.

Het is een opklimming, die we zien. Het lijden begint met de aankondiging in hoofdstuk 52. Dat is eigenlijk best bijzonder. Want wij zouden wellicht beginnen met het dieptepunt, de diepte van het lijden. Maar dat doet Jesaja niet, althans, dat doet de Heere niet. Nee, Hij begint met iets heel positiefs, met iets heel hoogs. Zie, mijn Knecht zal verstandiglijk handelen, Hij zal verhoogd en verheven, ja, zeer hoog worden. Jesaja begint dus met een bemoediging; een bemoediging voor de Knecht des Heeren.  ‘Mijn Knecht’, zegt de Heere… Later zal de Vader zeggen: Zie, Mijn Zoon, Mijn Enige, Mijn Geliefde, waar Ik Mijn welbehagen in heb (Matth.12:18).

 

Mijn Knecht zal verstandig handelen… Wat wordt daarmee bedoeld?

Wel, wat die Knecht zal gaan doen, zal niet zonder vrucht zijn. Het zal niet tevergeefs zijn. Hij zal niet lijden zonder een doel.

Lange tijd later zullen de Emmaüsgangers dat wél denken; ze zullen het uitklagen en zeggen: ‘Wij hoopten dat Hij ons zou verlossen, maar het is al de derde dag. Het is te laat. Wij weten het niet meer. Wij weten niet waarom Hij deze weg van bitter lijden en sterven is gegaan. Wij hoopten op Hem, maar onze hoop is vergaan.’ ‘Nee’, zegt Jesaja, ‘nee, Mijn Knecht zal verstandiglijk handelen.’ Met verstandiglijk handelen wordt bedoeld: het zal goed gaan, het zal voorspoedig gaan.

 

Wijsheid, is ook een woord dat past bij deze Knecht. Op Hem zal de Geest des Heeren rusten, de geest der wijsheid en des verstands. De geest des raads en der sterkte. De geest der kennis en de vreze des Heeren (Jes.52:13).

Hij zal verstandiglijk handelen. Hij zal wijs handelen. Wijs als Profeet, wijs als Priester, wijs als Koning, wijs als Priester. Hij zal straks tegen Zijn discipelen zeggen: De Zoon des mensen moet overgeleverd worden aan de overpriesters en de schriftgeleerden (Matt.22:18). Hij zal moeten lijden en sterven. Tot vier keer toe heeft Hij de discipelen daarop gewezen…

Wat heeft Hij daarin wijs gehandeld. Het lijden overkwam Hem niet. Hij heeft het zelfs gezocht! Hij is ernaartoe gesneld, gesnéld. Zo is Hij gegaan naar Jeruzalem: Ik móet lijden en sterven, ik móet en mag die prijs gaan betalen. Zie, ik kom, in de rol des boeks is van mij geschreven (Ps.40:8). Wat is Hij wijs, wat is Hij gewillig, wat is Hij getrouw!

 

Jesaja wijst ook op een ‘verhoogd worden’; op Zijn heerlijkheid. Hij zal zeer hoog worden. Maar dat zal langs een weg in de diepte gaan. Jongens en meisjes, ik denk aan een parabool. Zo’n parabool hebben jullie bij wiskunde weleens gehad, denk ik. De lijn begint hoog, om vervolgens naar beneden te gaan, naar het nulpunt, het dieptepunt. Maar daarna gaat die lijn weer omhoog. Als je wiskunde krijgt moet je er maar eens naar vragen. Een parabool, de parabool van het lijden van de Heere Jezus Christus. De parabool van het lijden. Het begint hoog, ja, Hij kwam uit de hoogte van de hemel. Hij was spelende voor het aangezicht van de Vader, Hij had de heerlijkheid die hoorde bij God. Hij heeft die heerlijkheid afgelegd toen Hij naar deze aarde kwam. Hij heeft die heerlijkheid afgelegd, maar het zal weer komen tot die heerlijkheid. Van hier naar daar, in een weg van diep lijden en sterven.

Het begin van Zijn lijden wordt benadrukt. Waarom? Waarom wordt dat begin zo benadrukt? De heerlijkheid, die Hij heeft afgelegd? Die heerlijkheid zal Hij weer terugkrijgen. Maar langs een weg van lijden.

 

Waarom moet Jesaja dit alles eigenlijk opschrijven? Waarom maakt de Geest dat bekend? Zullen we, met eerbied gesproken, als het ware eens even naast de Heere Jezus gaan zitten? Zoals Hij daar als een jongen van twaalf jaar de Schriften bestudeerde; de woorden las die in het Oude Testament over hem spraken? Als Hij dan leest van Zijn lijden en van Zijn sterven, wat zal dat met Hem gedaan hebben? Wat zal er in Hem om zijn gegaan toen Hij besefte: Nu is de tijd gekomen, nu ga Ik naar Jeruzalem, nu nadert het tijdstip dat het Lam zal worden geslacht. Wat heeft dat veel met Hem gedaan.

Toch mocht Hij zien op de toekomst, op waar het naartoe gaat. Zijn Vader laat Hem zien: Mijn Zoon, dit heb Ik eeuwen geleden al door Jesaja laten opschrijven. Uw lijden, Uw sterven, zal vrucht dragen en straks zult U Uw heerlijkheid weer terugkrijgen. Uw werk zal voorspoedig zijn. U zult niet falen.

Wat heeft Hem dat bemoedigd. Zoals Hij bemoedigd werd op de Berg der Verheerlijking, vlak voor het laatste stuk van dat lijden. Die diepte van het lijden, die dan als het ware als een gapende kloof voor Hem ligt. Op die berg mocht Hij met Petrus, Johannes en Jakobus de heerlijkheid zien die Hij had en die Hij zou krijgen. Die drie discipelen zijn er getuigen van dat Jezus enkele ogenblikken met heerlijkheid is bekleed en dat Hij die zal ontvangen als Hij die weg van de diepte is doorgegaan.

 

Die heerlijkheid van de Knecht wordt ook benadrukt in Hebreeën 12 waar Hij ons als Leidsman voor ogen wordt gesteld. De schrijver van de brief zegt in het twaalfde hoofdstuk dat wij ook zo moeten lijden: Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Dewelke, voor de vreugde, die Hem voorgesteld was (deze heerlijkheid, het einde van de parabool) het kruis heeft verdragen, en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand van de troon van God (Hebr.12:2).  

We mogen dus geloven dat met het zien op de beker, de lijdensbeker die de Heere Jezus moest drinken, Hij het kruis aanvaardde dat Hem werd opgelegd, en dat daarmee de zonden van d Kerk aan het kruis werden genageld. Toen Hij gebukt de lijdensweg ging en bereid was de laatste druppel uit die beker te drinken, mocht Hij steeds zien op het einde. De voorgestelde heerlijkheid en de overwinning die Hij zou behalen, bemoedigde Hem stap voor stap op de lijdensweg. Hij zag vooruit op het zitten aan de rechterhand van de Vader en op de kroon die Hij voor eeuwig zou dragen. Hij verheugde Zich op die toekomstige heerlijkheid. Zo heeft Hij in de diepste angsten Zijn lijden aanvaard.

 

Voor de discipelen was het nodig Hem op die weg te volgen. Hij heeft ze daarom meegenomen in de weg van de verheerlijking op de berg naar de diepte in Gethsémané. Hij heeft ze laten zien: Ik stel Mijzelf tot een voorbeeld. Ik doe dit als Borg, maar u moet ook Mijn voetstappen drukken in het lijden en na het lijden ontvangt u de kroon.

Dat is de rode draad door het grote vraagstuk van het lijden van een christen. Slaat u maar de brieven van Petrus, van Jakobus of van Paulus open. Het refrein is: u moet door lijden tot heerlijkheid. Hier op aarde moet u een helm dragen en een kroon van doornen, hoewel een andere dan Jezus heeft gedragen. Hier op aarde is het lijden, maar straks is daar de heerlijkheid. Daarom zeggen de apostelen: Zie op de overste Leidsman hoe Hij Zijn kruis heeft gedragen. Laat u niet alleen leiden door de pijn, de aanvechtingen, de onbegrepen weg. Maar zie toch op de Borg, volg Hem! Druk Zijn voetstappen, heb gemeenschap aan Zijn lijden om straks ook gemeenschap aan Zijn heerlijkheid te mogen ontvangen.

 

Maar hier op aarde is ook troost voor hopelozen. Hoor de psalmdichter uitroepen: ‘Als ik omringd door tegenspoed, bezwijken moet, schenkt Gij mij het leven!’ Ja, hier op aarde een bemoediging. Een bemoediging die genoeg is om verder te gaan. Nee, u moet niet denken dat de Heere zoveel geeft dat u zegt: ‘Dit is de hemel op aarde.’ Het kan wel eens even zo zijn, dat alles van u afvalt, maar de Heere zegt: ‘U bent nog niet thuis, u bent nog in de woestijn van dit leven, van het lijden. Maar zie op die kroon, die is weggelegd voor degene die Hem vrezen. Zijt getrouw tot de dood, en Ik zal u geven de kroon des levens (Openb.2:10). Ik zal u geven een witte keursteen met uw naam daarop geschreven (Openb.2:17).’ Denk erom dat de Heere zegt: ‘Met het werk van Mijn Zoon zal het voorspoedig gaan, het ging voorspoedig en het gaat voorspoedig.’ Mijn raad zal bestaan – zegt de Heere –  en Ik zal al Mijn welbehagen doen (Jes.46:10).

Het kan dan weleens de ervaring van uw hart zijn dat u zegt: ‘Heere, hoe diep de weg dan ook gaat, hoe krom die weg ook is: Uw raad zal bestaan. Als Christus door lijden tot heerlijkheid is gekomen en ik mag Hem zien door het geloof, als de draad die Hem en mij verbindt, dan mag ik mij overgeven, zien op Hem, als de overste Leidsman. Als ik me aan Hem mag vastklemmen komt het goed, want waar Hij is, daar zal ook Zijn Volk zijn. Vader, Ik wil dat zij bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt (Joh.17:24)

Christus wacht, en de gezaligden komen één voor één binnen, uit de grote verdrukking. Ze dragen witte klederen, gewassen in het bloed van Christus. Ze komen aan… en iedere keer gaat de hemeldeur weer open. De engelen juichen en de gezaligden juichen mee. Er is weer een ziel binnen, en met elkaar wachten ze op de anderen, met elkaar wachten ze op de jongste dag, want dán zal het volkomen zijn. Dan zullen ook de lichamen worden opgewekt om dan altijd bij de Heere te zijn.

 

Gemeente, de Knecht des Heeren moet ook verhoogd worden. Verhoogd… Maar er ligt een dubbele betekenis in. Meestal betekent “verhoogd”zoals ik het net heb uitgelegd; dat Hij de heerlijkheid zal ontvangen. Zo heeft Jezus ook van Zichzelf gesproken toen Hij Zich vergeleek met de koperen slang: En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden (Joh.3:14).

Verhoogd… het heeft nog een betekenis: Zijn verhoging ziet ook op het diepe lijden. Verhoogd aan het kruis, opgeheven aan de schandpaal. Daarom is onze tweede gedachte: Het werk van de Knecht des Heeren zal vernederend zijn; Hij zal vernederd worden.

Laten we daarover zingen uit Psalm 40 vers 4:

 

Brandofferen, noch offer voor de schuld,

Voldeden aan Uw eis, noch eer.

Toen zeid' ik: ‘Zie, ik kom, o Heer’;

De rol des boeks is met Mijn naam vervuld.

Mijn ziel, U opgedragen,

Wil U alleen behagen;

Mijn liefd' en ijver brandt:

Ik draag Uw heil'ge wet,

Die Gij den sterv'ling zet,

In 't binnenst' ingewand.’

 

 

Gemeente, onze tweede gedachte is:

 

2. Het werk van de Knecht des Heeren zal vernederend zijn.

 

We lezen in vers 14: Gelijk als velen zich over u ontzet hebben, alzo verdorven was Zijn gelaat, meer dan van iemand en Zijn gedaante, meer dan van andere mensenkinderen.

Er staat eigenlijk letterlijk dat er velen met afschuw vervuld waren bij het aanzien van Hem. Gegruwd toen ze Zijn bebloede gezicht zagen en de doornenkroon op Zijn hoofd. Ze zien Zijn zware lijden en zien Hem wankelen onder het kruis op weg naar Golgotha’s heuvel.

Dan horen we de vrouwen wenen, om de lijdende Heer’. Ze wenen uit medelijden. Ze vinden het erg wat ze zien, maar Jezus kan hun medelijden niet verdragen en niet gebruiken, daarom spreekt Hij ze toe: Weent niet over Mij, maar weent over uzelven, en over uw kinderen (Luk.23:28). Hij gaat de weg als Borg en Middelaar. Ze hebben zich ontzet, zo wordt Hij door Jesaja getekend.

De vrouw van Pilatus heeft er ook iets van gezien, de Heere heeft haar zelfs aangezet een bode te sturen naar Pilatus: ‘Man, ik heb zeer met die Man, Die nu terecht staat te doen.’ Ze is ontzet over Hem. Dat lichamelijke lijden is een belangrijk aspect, maar het zielenlijden, dat is het diepste waar Christus doorheen moet. Dat zien we ook in Zijn ogen, die ogen spreken van Zijn diepe lijden. Hij zal er ook in het bijzonder over spreken als Hij niet alleen door alle mensen wordt verlaten, maar ook Zijn vrienden van verre ziet staan en Hij Zijn moeder naar huis moet sturen: Vrouw, zie, uw zoon, zoon zie uw moeder. (Joh.19:26). Dan neemt Johannes haar mee. Ze mag er niet meer bij blijven, ze moet naar huis. Hij zal alleen, geheel alleen de prijs betalen. Dan verlaat ook Zijn Vader Hem. Het wordt nacht, donker en we horen Hem klagen: Mijn God, Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten? (Mark. 15:34). Wie zal dat verstaan? God van God verlaten.

 

Velen hebben zich over de lijdende Knecht ontzet. Ze hebben gezegd: ‘Wat een beklagenswaardige Man, Hij was veracht en de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten en verzocht in krankheid en een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem.’ Ze willen Hem niet zien, en Zijn Vader zegt: ‘Ik wil Je niet meer zien, Mijn lieve Zoon.’ Hij was veracht en wij hebben Hem niet geacht. ‘We begrepen het niet’, zegt Jesaja. Wij achtten Hem, dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was. Mensen hebben hun conclusies getrokken: dat Hij zo diep moet lijden, verlaten van mensen en van God, dat moet wel zijn vanwege de ongunst van God over Hem. Wij achtten Hem dat Hij van God geslagen en verdrukt was, dat God Hem sloeg om Hem Zelf. We begrepen het niet! ‘Maar’, zegt Jesaja: ‘Hij is om onze overtredingen verwond om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld. De straf die ons de vrede aanbrengt was op Hem en door Zijn striemen is ons genezing geworden.’

 

Hoe moeten we dat klagen van God nu verstaan?

Hellenbroek schrijft: ‘Zo zwaar heeft het Jezus hier, als Hij neerdaalt ter helle, als Hij van God verlaten wordt, dat Hij klagen moet: Mijn God, Mijn God, waarom hebt gij mij verlaten? . De Zoon klaagt over de verlating van Zijn Vader, de Beminde over onmin, de Gezegende over vloek, de Geliefde over toorn, de Verenigde over gemis. De Fontein van troost over troosteloosheid, de Heere des hemels over de angst der hel. Wie zal dat verstaan?’

Nee, als u Hem beschouwt als die dochters van Jeruzalem, als je Hem beziet zoals Pilatus Hem zag: ‘Man, wat beziel je toch om zo tegen mij te spreken? Weet je dan niet dat ik U kan verlossen? Dat ik U kan vrijlaten?’ Als je Hem beziet zoals de overpriesters Hem zagen, en zoals het volk Hem zag, nee, dan begrijpt u het niet, dan verstaat u er niets van, dan zegt u: ‘Hij heeft geen gedaante noch heerlijkheid voor mij.’ Dan bent u nog blind, dan zingt u als het ware met MacCheyne:

 

Al sprak daar een stem uit de heilige blâan,

van het Lam met de zonde der wereld belâan.

Ik zocht bij de kruispaal geen veilige wijk,

‘k stond blind en van verre, in mijzelven zo rijk.

 

Ik deed als Jeruzalems dochters weleer,

ik weende om de pijn van de lijdende Heer.

Ik dacht er niet aan dat ik zelf door mijn schuld,

Zijn kroon had gevlochten, Zijn beker gevuld.

 

Wie zal het lijden van die Knecht verstaan, als we niet verstaan dat we doodschuldig zijn? Dat de vloek op ons rust, op mij rust? Wie zal het verstaan als de wet niet verwond heeft, als de wet niet zegt: ‘U hebt geen deel aan God, er is geen plaats bij God voor u.’ Wie zal het verstaan, als er geen verwond hart is dat zegt: ‘O, God, hoe moet het goedkomen tussen u en  mij, want ik ben een zondaar?’ Als ik niet met de tollenaar in de gelijkenis leer bidden: Wees mij de zondaar genadig? Ik, de doelmisser, ik verdien het dat God mij buitensluit. Niet voor een tijdje, maar voor altijd.

 

Als ik zo naar het kruis mag zien, met een blik op mijzelf, als ik zo mag zien op die wonden van de lijdende Knecht, terwijl ik al die wonden die ik zelf heb vanwege mijn eigen zonde; als ik zie op de vuilheid van mijn eigen hart; als ik zie op mijn gedachten, als ik besef waar ik vandaan kom en waar ik naartoe ga – pas dan ga ik er iets van verstaan, dan gaat de Heilige Geest me leiden naar deze Borg en Middelaar, Die daar verhoogd is aan het kruis, zoals de koperen slang verhoogd werd…

Voor wie deed Hij dat? Voor wie werd de koperen slang verhoogd? Voor mensen die gezond ronddartelden?

Nee, voor mensen die dodelijk ziek waren, die gebeten waren door de slang en die wisten: Ik ga sterven, ik ga sterven door de slangenbeet. Als er geen middel is, als er geen middel is, dan sterf ik hier in de woestijn.

 

Gemeente, we zijn gebeten door de slang in het paradijs en hij bijt ons voortdurend met het gif van de zonde. Ook vandaag is hij bezig. Daarom is het nodig te zien op die Koperen Slang: Christus Jezus, Hij moest verhoogd worden! Ga dan toch aan de voet van het kruis staan, kom, en stel u daar op en zeg: ‘O, God, moest U zo diep lijden? Moest U deze pijnen doorstaan? Deze zielenpijn, moest U die dragen?’

Als u die plaats niet inneemt, dan keert u zich van Hem af, zoals velen zich van Hem afkeerden. Ze hebben zich over Hem ontzet, met andere woorden gezegd: Ze zijn van het kruis weggegaan, ze konden het niet aanzien, ze wilden het niet begrijpen…

Wat een wonder, als je met die moordenaar aan het kruis je niet meer van Hem afwendt maar Hem bedelt: ‘Ik, de zondaar, het zou rechtvaardig zijn als ik deze weg zou moeten gaan, maar U bent de Rechtvaardige, de Heilige. Zou U voor mij die weg willen gaan? Zou u ook mijn zonden willen wegdragen, als het Lam van God?’

Of bent u nog een toeschouwer? Staat u van verre? Keert u zich nog van Hem af? Wilt u niet dichterbij komen? De Meester nodigt u om te komen aan de voet van het kruis. Hij nodigt u en zegt: ‘Leef niet door, leef niet door. Hoeveel te zwaarder straf, meent gij, zal hij waardig geacht worden, die den Zone Gods vertreden heeft, en het bloed des testaments onrein geacht heeft, waardoor hij geheiligd was, en den Geest der genade smaadheid heeft aangedaan? (Hebr.10: 29).

 

Vergeet het niet, we zullen met dubbele slagen geslagen worden als het bloed van Christus ons niet dierbaar is geworden. Als we ons blijven afkeren van Hem, als we niet tot Hem gaan als die tollenaar, als die moordenaar, als die vrouwen, als die weglopende discipelen, als we niet belijden: O, God, wees mij zondaar genadig (Luk.18:13).

‘O, Lam draag mijn zonden weg.’ Hij nodigt u: er is een overvloed bij Mij. Er is een overvloed. Er was niemand in de woestijn, die niet mocht zien op die verhoogde koperen slang. Er was niemand tegen wie de Heere zei: ‘Maar uw ziekte is te ernstig, u hebt er te lang mee gewacht, of u komt te vroeg.’ Nee, dat heeft Hij ook niet gezegd. Iedereen die zag op de verhoogde slang, werd genezen.

 

Zo komen we bij onze laatste gedachte:

 

3. Het werk van de Knecht des Heeren zal voorspoedig zijn

 

Alzo zal hij vele heiden besprengen. Ja, de koningen zullen hun mond over hem toehouden. Het is heel bijzonder dat Jesaja als eerste de heidenen noemt. Maar ook het Joodse volk mag hier natuurlijk in delen. Dit staat zelfs voorop. Maar het gaat nu over de vrucht: Hij zal de heidenen besprengen.

Het Hebreeuwse woord voor ‘besprengen’ is niet gemakkelijk te vertalen. De Statenvertalers hebben met de vertaling ‘besprengen, besprenkelen’ een juiste keus gemaakt, maar vanuit het Hebreeuws zou ook kunnen worden vertaald met ‘opspringen’, met ‘beroerd worden’. In de King James vertaling wordt het woordje ‘sprinkle’ gebruikt. Als ik aan onze jongens en meisje vraag wat een sprinklerinstallatie is, weten ze dat vast wel. Dat zijn van die sproeiertjes in het plafond; als er brand ontstaat wordt zo’n installatie in werking gesteld waardoor het vuur mogelijk sneller onder controle is. Relatief weinig water wordt heel effectief doordat het wordt verneveld tot hele fijne druppeltjes. Besprengen – dat doet eigenlijk een sprinklerinstallatie.

Mag ik nog een voorbeeld geven? Stel, je hebt je handen net gewassen, ze zijn nat en je schudt je handen af in de richting van een ander om hem te plagen. Dan worden dat hele kleine druppeltjes. ‘Hé, wat doe jij?’ Dat is nou besprengen, het water wegwerpen zodat het zich verdeelt in kleine druppeltjes.

Besprengen is een handeling uit de Oudtestamentische ceremonieën. In en rond de Tabernakel werd heel vaak besprengd; met bloed, of met olie. Dat symboliseerde reiniging. Ik ga niet allerlei voorbeelden noemen, maar neem er één uit de Schrift: soms moest er zeven keer worden besprengd voor het aangezicht van de Heere. Soms werd de offeraar zelf besprengd, soms de hele tabernakel. Dan moesten zelfs alle wanden besprengd worden. Het was een heel bijzonder moment als de priester voor het volk stond en de mensen met het bloed van het offerdier besprengde.

Wat was daarvan de betekenis?

Wel, het volk kreeg de druppeltjes op hun kleding. In Leviticus 16 vinden we de betekenis: En hij – de priester – zal daarop van dat bloed met zijn vinger zevenmaal sprengen; en hij zal dat reinigen en heiligen van de onreinheden der kinderen Israëls. Of een andere tekst uit Exodus: Daarna zult gij van het bloed des vars nemen, en met uw vinger op de hoornen des altaars doen; en al het bloed zult gij uitgieten aan den bodem des altaars. En gij zult den ram slachten, en gij zult zijn bloed nemen, en rondom op het altaar sprengen (Ex.29:16).

Zo’n besprenging zien we ook bij de inwijding van de tabernakel: Mozes nam van de zalfolie en van het bloed hetwelk op het altaar was en sprengde dat Aäron op zijn klederen en op zijn zonen en op de klederen zijner zonen met hem (Ex.29:21).

 

Besprengen… Wat zou u ervan vinden, als u voor de tabernakel zou staan en de priester of de hogepriester zou naar voren komen met dat bloed en hij zou u besprengen? Hoe zou u reageren? Zou u het jammer vinden van uw kleding? ‘Er zitten allemaal bloeddruppeltjes op!’ Of zou u zeggen: ‘O wat wonderlijk, dat er nu bloed op mij gesprengd is? Bloed, dat spreekt van leven. Bloed, dat op verzoening wijst. Bloed, dat spreekt van de toegang tot God. Bloed, dat spreekt van het eeuwige leven. Bloed, dat naar de Zoon van God wijst, Die de Weg wilde gaan voor mij. Van het Lam dat geslacht werd.’

Calvijn zegt: ‘Als er gepreekt wordt, dan wordt er bloed gesprengd. Dan druppelt het bloed van de kansel op de gemeente. Dat kun je merken, daar kan kracht van uitgaan, troost.’ Wanneer doet dat bloed nu zijn kracht?

O, waar u moet zeggen: ‘Het is van mij uit gezien een hopeloze zaak. Hoe kan ik tot God naderen, hoe zal ik die berg der heiligheid beklimmen? Hoe zal ik voor de troon Gods verschijnen?Want u moet daar niet gering over denken; die troon van God, die heilige God, Die het hart kent, Die alles weet, Die ons ter verantwoording zal roepen.

Als u zegt: ‘Ik weet het niet, ik kan niet betalen en ik moet betalen. De Heere eist het zo terecht van mij. Ik kan geen kant meer op. De Heilige Geest zet u klem en Hij doet uw hart schreeuwen naar dit bloed: ‘Besprenkel me met het bloed van de Heere Jezus of ik sterf.’

 

Zalig zijn die hongeren naar de gerechtigheid – naar dit bloed – zegt de Heere Jezus. Zalig zijn die dorsten, zalig zijn de armen van geest, zalig zijn die treuren, ze zullen het ontvangen (Matth.5:2-11). Dan gaat dit bloed kracht doen, het dierbare bloed van onze Heere Jezus Christus als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam, schrijft Petrus in 1 Petrus 1 vers 19.

 

Dierbaar bloed!

Maar dit bloed wordt alleen dierbaar tegen onze vuile, zondige achtergrond. Het bloed wordt alleen dierbaar wanneer ik weet dat ik zonder dit bloed een verloren mens ben. En als dit bloed dan op mijn ziel gesprengd wordt, als het Woord tot mij komt, gaat de Heilige Geest daar troost uit geven.

De Heilige Geest is daar vrij in, soeverein, maar Hij doet het wel. Hij geeft verwachting van dit bloed, hij geeft verlangen naar dit bloed, Hij geeft een hopen op dit bloed, Hij maakt dit bloed dierbaar. Hij maakt dat bloed zo gepast, Hij maakt dat bloed zo noodzakelijk, dat we zeggen: ‘Dit bloed reinigt mij van alle zonden.’ Zo besprengt Hij.

Bent u weleens zó uit de kerk gekomen, dat u mocht zeggen: ‘Wat er nu toch gebeurd is? Ik mocht eten en drinken, ik mocht zien op het bloed van de Heere Jezus Christus’. Of dat het Avondmaal werd bediend of de Heilige Doop, en u mocht zeggen: ‘Ik had er eerst geen zicht op, maar nu zie ik, ik was blind maar ik zie het bloed dat mij reinigt, niet van veel zonden, niet van grote zonden alleen, maar van álle zonden, van álle zonden. Dat is nou besprenging, door het Woord, door het Sacrament.

 

Wat had die kamerling een verlangen naar het bloed. De Heere zegt, zo wordt het verkondigd: En dit Evangelie des Koninkrijks zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis allen volken; en dan zal het einde komen (Matth.24:14).

Gemeente, zo mag er gepreekt worden. Zo is er gepreekt op het tempelplein, op de straten, in de huizen, tot Cornelius de hoofdman. Zo klonk de verkondiging op de wagen tot de kamerling toen deze vroeg: Van wie zegt de profeet dit, van zichzelven of van iemand anders? (Hand. 8:34). Dan begint Filippus te vertellen: “dit is het bloed van de Heere Jezus Christus, het bloed van het Lam van God”. Dan wordt het hart van de kamerling besprengd met dat bloed. Dan zegt de kamerling: ‘Mag ik gedoopt worden, mag ik een teken krijgen van dat bloed? Als ik straks in mijn thuisland kom, dan zal dat mij ondersteunen in mijn zwakke geloof.’ Die man wilde zo graag dat teken ontvangen van de besprenging van dat bloed. Druppels bloed, met als doel dat de Heere de eer krijgt, dat de koningen zullen belijden: Hij is de hoogste Koning, niet wij, maar Hij. Ja, de koningen zullen hun mond over Hem toehouden; ze zullen tot geloof komen, ook de hooggeplaatsten op deze aarde.

Koningen en allerlei belangrijke mensen, Jozef van Arimathea en Nicodemus, ze zijn tot geloof gekomen. Willem van Oranje, om zomaar een voorbeeld te noemen, had dat bloed ook zo nodig. Hij heeft beleden: Hij is de Koning van alle koningen, Hij is mijn Koning. Zo zullen ze voor Zijn voeten neerbuigen. Ze zullen Hem de eer geven, overal ter wereld. Het waren mensen die moesten belijden geen rechten te hebben, die moesten belijden: als ik die Koning de eer had moeten geven uit mijzelf, dan was het nooit gelukt, dan was ik nooit tot Hem gekomen. Ik zou Hem nooit de eer hebben gegeven, maar Hij zag op mij neder, Hij alleen!

 

Amen.

 

 

 

Psalm 85 vers 4:

 

Dan wordt genâ van waarheid blij ontmoet;

De vrede met een kus van 't recht gegroet;

Dan spruit de trouw uit d' aarde blij omhoog;

Gerechtigheid ziet neer van 's hemels boog;

Dan zal de HEER ons 't goede weer doen zien;

Dan zal ons 't land zijn volle garven biên;

Gerechtigheid gaat voor Zijn aangezicht,

Hij zet z' alom, waar Hij Zijn treden richt.