Ds. W.A. Zondag - Jozua 7 : 6 - 9

Pleitend bidden

Jozua 7
De omstandigheden waarin Jozua en het volk Israël verkeert
De gebedshouding van Jozua
De pleitgronden van Jozua’s gebed

Jozua 7 : 6 - 9

Jozua 7
6
Toen verscheurde Jozua zijn klederen, en viel op zijn aangezicht ter aarde, voor de ark des HEEREN, tot den avond toe, hij en de oudsten van Israel; en zij wierpen stof op hun hoofd.
7
En Jozua zeide: Ach, Heere HEERE! waarom hebt Gij dit volk door de Jordaan ooit doen gaan, om ons te geven in de hand der Amorieten, om ons te verderven? Och, dat wij toch tevreden geweest en gebleven waren aan gene zijde van de Jordaan!
8
Och, HEERE! wat zal ik zeggen, nademaal dat Israel voor het aangezicht zijner vijanden den nek gekeerd heeft?
9
Als het de Kanaanieten, en alle inwoners des lands horen zullen, zo zullen zij ons omsingelen, en onzen naam uitroeien van de aarde; wat zult Gij dan Uw groten Naam doen?

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 20: 1 en 2
Lezen : Jozua 7: 1-15
Zingen : Psalm 25: 3, 4 en 5
Zingen : Psalm 20: 3 en 5

Alleen de zegen van de Heere maakt rijk zegt de dichter in Spreuken 10 vers 22. Het zit niet in de kwantiteit, maar in de kwaliteit van wat we mogen ontvangen. Want alles wat uit Zijn hand komt is goed en geeft werkelijke blijdschap.

 

Gemeente, vanwege de bijzondere zorgen die er in ons land en in deze wereld zijn, willen we stilstaan bij een grote teleurstelling, een grote tegenslag, in het leven van kinderen van God. Gelet op de omstandigheden is dat heel gepast, want wat zijn we geneigd om geen aandacht te schenken aan die hand van God, om onze ogen daarvoor gesloten te houden, en er net als de wereld over te spreken. Maar zien we niet, zoals dat vroeger gezegd zou zijn, dat God ons wat te zeggen heeft nu het coronavirus over de wereld gaat? Als er zoveel mensen besmet zijn of besmet dreigen te worden, en er zoveel mensen sterven?

En wat denkt u van de vele natuurrampen? De aarde – zo lezen we in Openbaring – zal voor een deel door vuur vergaan. En wat denkt u van al de oorlogen en de geruchten van oorlogen, en van de verdrukking van Gods kerk? De landen waar christenen op een vreselijke wijze worden vervolgd en mishandeld nemen in aantal toe. Allemaal tekenen van de eindtijd. We willen er vandaag in het bijzonder bij stilstaan dat de Heere tekenen geeft die Hij Zelf in Zijn Woord heeft voorzegd. Denk vooral aan wat de Heere Jezus zegt in Mattheüs 24 vers 14: En dan zal het einde komen. Dat zal gaan gebeuren. Om ons wakker te schudden, om de wereld wakker te schudden.

 

We verplaatsen ons in gedachten naar de catastrofe die plaatsvond rond de inname van het kleine stadje Ai. We hebben daarover gelezen in Jozua 7. Onze tekstwoorden vindt u in de verzen 6 tot en met 9:

 

6. Toen verscheurde Jozua zijn klederen en viel op zijn aangezicht ter aarde voor de ark des Heeren tot den avond toe, hij en de oudsten van Israël, en zij wierpen stof op hun hoofd. 7. En Jozua zeide: Ach Heere Heere, waarom hebt Gij dit volk door de Jordaan ooit doen gaan, om ons te geven in de hand der Amorieten, om ons te verderven? Och, dat wij toch tevreden geweest en gebleven waren aan gene zijde der Jordaan! 8. Och Heere, wat zal ik zeggen, nademaal dat Israël voor het aangezicht zijner vijanden den nek gekeerd heeft? 9. Als het de Kanaänieten en alle inwoners des lands horen zullen, zo zullen zij ons omsingelen en onzen naam uitroeien van de aarde; wat zult Gij dan Uw groten Naam doen?  

 

We schrijven onder deze tekstwoorden: “Pleitend bidden”, want dat komt in het bijzonder tot uitdrukking in het gebed van Jozua.

 

We letten daarbij op drie aandachtspunten:

 

1. De omstandigheden waarin Jozua en het volk Israël verkeert.

2. De gebedshouding van Jozua.

3. De pleitgronden van Jozua’s gebed.

 

Pleitend bidden. We letten op de omstandigheden waarin Jozua bad, op zijn gebedshouding en op zijn pleitgronden.

 

Ten eerste dus:

 

  1. De omstandigheden

 

Gemeente, wat kan een mens in verwarring raken, ook een kind van God. Het vaste vertrouwen in de Heere, in Zijn beloften en in Zijn leiding, kan zo geschokt worden. Ik lees in de Westminster Confessie artikel 18 hierover het volgende: ‘Het kan ware gelovigen overkomen dat de zekerheid van hun zaligheid op verschillende manieren wankelt, afneemt en onderbroken wordt. Bijvoorbeeld door nalatig te zijn haar te bewaren, door in een bijzondere zonde te vallen die het geweten kwetst en de Geest bedroeft, door een plotseling opkomende of een zware verzoeking – zo’n verzoeking is hier bij Jozua aan de orde – óf, zo vervolgt het artikel – doordat God het licht van Zijn aangezicht terugneemt en toelaat dat degenen die Hem vrezen in duisternis wandelen en geen licht hebben.’

Die laatstgenoemde omstandigheid, dat in duisternis wandelen, doet zich voor als de Heere ons een bijzondere les wil leren. De aanleiding ligt dan niet zozeer bij ons, maar bij de Heere, Die er een bepaalde bedoeling mee heeft. Maar in ons teksthoofdstuk gaat het om een plotseling opkomende verzoeking die Jozua heen en weer schudt. Want hij begrijpt er eigenlijk helemaal niets meer van. Als je namelijk het laatste vers leest van Jozua 6: Alzo was de HEERE met Jozua; en zijn gerucht liep door het ganse land, dan denk je: Wat gaat het goed met het volk Israël! Want de betekenis van dit vers is dat overal in Kanaän de mensen bevreesd waren.

 

De aanleiding voor de bijzondere les in Jozua 7 is de onverwachte inname van Jericho. Wie had gedacht dat die sterke sleutelstad – want het was de stad die de toegang gaf tot het beloofde land – kon worden ingenomen? Je kon eigenlijk alleen maar door een hele smalle doorgang in Kanaän komen. Maar precies daar hadden ze Jericho gebouwd en even verderop lag Ai. Als je Jericho niet veroverd had, dan kwam je nooit verder. Dus Jericho móést worden ingenomen. Een stad waarvan iedereen zei: ‘Die is te sterk om in te nemen.’

Jozua had het inderdaad niet gekund als hij dat in eigen kracht had moeten doen. Al zou hij nog zoveel soldaten tot zijn beschikking hebben gehad, het zou niet gelukt zijn. Hij was zich daarvan ook bewust, want de Heere zoekt hem die avond voordat hij de stad moet gaan omsingelen, Zelf op. De Heere komt hem dan tegemoet als de grote Vorst, de grote Aanvoerder van de legerscharen van de Heere. Hij vertoont Zich als de grote Strijder, en zegt: ‘Maar Jozua, als je op Mij ziet, dan heb je niets te vrezen. Ik, de Vorst van Israël, ben tot u gekomen.’ En dan gaat het ook zoals Jozua mocht geloven dat het zou gaan.

 

Gemeente, wat de Heere belooft, dat doet Hij ook. Als Hij zegt: Je zult Jericho innemen, dan gebeurt dat. Op een hele wonderlijke manier. Zonder dat er één strijdbare man de muren hoefde te beklimmen, heeft God Zelf die stad ingenomen. Als een geschenk! Daar heeft Hij wel een belofte aan verbonden en er de eis bij gevoegd dat het volk Israël Hem trouw moet blijven volgen, en dat alles wat buit zou worden gemaakt alleen aan de Heere en Zijn dienst zou toekomen.

Wat gebeurt er?

Het stadje Ai moet worden ingenomen. Het is niet zo’n grote stad als Jericho. Jozua overlegt met de oudsten en de verspieders hoe ze dat zullen aanpakken. Het plan is om niet te veel mannen op de been te brengen. We lezen: Dat het ganse volk niet optrekke, dat er omtrent tweeduizend of omtrent drieduizend mannen optrekken om Ai te slaan; vermoei daarheen al het volk niet, want zij zijn weinige (Joz.3:7). Ja, we hebben immers gezien dat het geen grote stad is, dus dat kunnen we gemakkelijk met een wat kleiner leger doen. Drieduizend man moet voldoende zijn.

Was het verkeerd om als aanvoerder van het leger, als generaal, plannen te maken, een strategie te bepalen? Of had Jozua dat niet mogen doen?

Gemeente, dat mocht hij zeker doen. Hij was niet voor niets door de Heere aangesteld om als aanvoerder in de strijd met het volk op te trekken, om het land in te nemen. En het is: bid en werk, beide. De Heere gebruikt daarbij ook de kwaliteiten van Jozua en zijn adviseurs. We mogen nooit zeggen dat de Heere het allemaal Zelf wel doet. Nee, Hij gebruikt mensen. Dus het was op zichzelf goed dat ze daar met elkaar over hebben gesproken, en een plan hebben gemaakt.

 

Maar wat was er dan verkeerd in die plannen? Nu, daar komt Jozua wel achter. Want als de strijd losbrandt tussen de drieduizend Israëlische soldaten en die van Ai, dan blijkt dat de mannen van Ai veel sterker zijn. Ze hebben veel meer slagkracht dan de Israëlische soldaten hadden gedacht. Ze worden op een verschrikkelijke manier teruggedreven. En uiteindelijk zijn er zelfs zesendertig levens te betreuren.

Jozua ziet dan dat de dode lichamen van die strijdbare mannen worden binnengebracht: vaders van een gezin, misschien net getrouwd, misschien op het punt gestaan om te trouwen… Zesendertig doden… Wat een verdriet in het legerkamp van Israël en wat een verdriet in het hart van Jozua. Want hij had het volk hartelijk lief. En hij voelt zich uiteraard verantwoordelijk voor wat er gebeurd is.

Hoe kan dit nu? De Heere heeft Jericho in hun hand gegeven, zonder slag of stoot. Dat was een grote stad. Niet één dode viel er toen aan hun zijde te betreuren. En nu een kleine stad; de Heere is kennelijk niet mee opgetrokken.

 

‘Als mij geen hulp of uitkomst bleek, wanneer mijn geest in mij bezweek en overstelpt was door ellend’, hebt Gij, o Heer’, mijn pad gekend…’ Zo lag het toch in het hart van Jozua? Hij begrijpt er niets van. Wat is er toch aan de hand?

U zegt misschien wel: ‘Dat weet ik.’ Jozua gaat het straks ook horen. Er was namelijk een dief in het leger, Achan. En de Heere handelde verbondsmatig met het hele volk: als er één van het volk zondigde, dan zondigde daarmee het hele volk. Daarom onttrok de Heere Zich aan het volk. Eén persoon kon dus het hele volk in groot gevaar brengen. En dat was Achan.

Maar toch is dat een paar stappen te ver, want we moeten teruggaan naar de schuld van Jozua en de oudsten. Hierin ligt een les voor ons allen, we kunnen immers zo snel allerlei conclusies trekken: O, dat gebeurt om deze reden, of dat gebeurt om die reden, of het is de duivel die mij dat influistert, terwijl het misschien wel anders ligt. Want zullen we altijd eerst maar een blik slaan in ons eigen hart? Letten op onze eigen wandel? Laten we dat eens heel eerlijk naast Gods Woord leggen. Is er in mij, in u, een schadelijke weg waaróm de Heere met Zijn kastijdende hand komt? Dat is een perspectief waarbij ik ten volle verantwoordelijk word gesteld. Wat is míjn aandeel daarin?

 

Gemeente, wat is nu het aandeel van Jozua in dit alles?

Wel, ik mis in hoofdstuk 7 dat Jozua de Heere raadpleegt, want dat had de Heere Zelf gezegd. Dat leest u in Numeri 27 vers 18 tot en met 21: Toen zeide de Heere tot Mozes: Neem tot u Jozua, den zoon van Nun, een man in wien de Geest is; en leg uw hand op hem,

En stel hem voor het aangezicht van Eleázar, den priester, en voor het aangezicht der ganse vergadering, en geef hem bevel voor hun ogen, En leg op hem van uw heerlijkheid, opdat zij horen, te weten de ganse vergadering der kinderen Israëls, En hij zal voor het aangezicht van Eleázar, de priester staan, die voor hem raad vragen zal naar de wijze van Urim, voor het aangezicht des Heeren; naar zijn mond zullen zij uitgaan en naar zijn mond zullen zij ingaan, hij, en al de kinderen Israëls met hem, en de ganse vergadering.

 

Gemeente, over deze woorden lees ik in Jozua 7 helemaal niets! Jozua heeft niet tegen de oudsten gezegd: ‘Maar nu gaan we eerst dit plan aan de Heere voorleggen. Dat doen we op het bevel van de Heere door het voor te leggen aan Eleázar, de priester. En dan zal Eleázar de Heere om raad vragen: Heere, zullen wij optrekken?’

Zo is dat later wel gebeurd: ‘Zullen wij optrekken tegen Ai? En mag het op deze wijze?’

Twee vragen horen we: Heere, mogen wij? Kunnen wij? En als de Heere ‘ja’ zou zeggen, dan moest de tweede vraag nog gesteld worden: Mogen wij dat doen met drieduizend van het volk, in plaats van met het hele volk? Want vergeet niet dat de Heere had gezegd dat het hele volk mee moest toen Jericho moest worden ingenomen. Niemand mocht achterblijven. Het was dus een afwijking van wat de Heere eerder had gezegd. Ook daarvoor moest Hij worden geraadpleegd. En dat is nu juist niet gebeurd!

U bent het wel met mij eens dat als Jozua de priester Eleázar geraadpleegd zou hebben, en Eleázar het door middel van de Urim en de Tummim aan de Heere voorgelegd zou hebben, dat God gezegd zou hebben: ‘Nee, u kunt niet optrekken.’ Jozua zou dan gevraagd hebben: ‘Heere, waarom niet?’ Maar dat is niet gebeurd.

 

Wat kunnen we nu hiervan leren? Er zit een les in die ik u wil voorhouden. Laten we eerlijk zijn. De zonde van overspel – van een man met een andere vrouw – is een duidelijke zonde. Jongens, meisjes, als je naar een wereldse plaats gaat, waar Gods Naam wordt gelasterd, dan weet je heel goed dat dit tegen de wil van God is. Als je naar een houseparty zou gaan, waar godslasterlijke teksten worden gezongen, waar Satan zelfs wordt aanbeden, dan weet je heel duidelijk: dat kan niet, dat mag niet. Dat zijn dingen die helder zijn. Je zou ze ook ‘de grote vossen’ in je leven kunnen noemen.

Er zijn ook kleine vossen. Wat was er ook alweer aan de hand met die kleine vosjes die de wijngaard verderven (Hoogl.2:15)? Nou, die vallen niet zo op. Die glippen overal tussendoor en je bent er niet alert op.

Gemeente, kleine vossen – hoe komen ze binnen? Eigenlijk doordat we ergens aan gewend raken. We zijn niet meer alert. We waken en bidden niet meer. Laten we een paar voorbeelden nemen:

U heeft gebeden om een baan. Tot uw grote verwondering gaf de Heere u die. En ja, toen moest u voor het eerst dat werk gaan doen. U zag er tegenop en boog uw knieën en zei: ‘Heere, wilt U mij helpen?’ En toen ging het goed! De tweede dag heeft u het nog eens gevraagd: ‘Heere, zou U me vandaag ook willen helpen?’ Maar de derde dag was dat eigenlijk al niet meer zo nodig, want het ging toch twee dagen lang al heel goed? De derde dag, ja, misschien nog wel gebeden, maar uw gedachten waren al ergens anders. En de vierde dag heeft u het misschien helemaal niet meer gevraagd. We raadplegen de Heere niet meer, want we denken het zelf wel te kunnen.

Jongens, meisjes, je moest een moeilijk tentamen doen. En de Heere hielp; je had ervoor gebeden. En voor het tweede tentamen vroeg je Hem weer om hulp. Dat ging ook goed. Maar dat derde tentamen kon je zelf wel. Toch ging het prima.

Ouders, toen uw kind zo ernstig ziek was, zocht u de Heere: ‘Heere, help toch! Hoe moet het? We staan met de rug tegen de muur!’ Wat een aanhoudend gebed mocht er zijn voor uw kind. Maar toen kreeg het een ‘gewone griep’ tussen aanhalingstekens. Ja, toen hebben we ook wel gevraagd of de Heere ons kind beter wilde maken, maar we hadden ook medicijnen. Daarop gingen we al snel vertrouwen. Wat kunnen we dan vertrouwen op de dokter, op de medicijnen, op de aard van de ziekte, zomaar vertrouwen op mensen, op de middelen, op onszelf.

En zo kan het in zoveel dingen zijn. De gewoonten in je gezin, op je werk, in de kerk. Ja, ook in de kerk! Dan kijk ik maar naar mezelf en naar de broeders van de kerkenraad. Wat kon je er eerst enorm tegen opzien! Wat had je de Heere nodig. Maar voor je het wist, dacht je dat je het zelf wel kon. Het ging toch goed? Ja… Wat is die nalatigheid van Jozua toch gevaarlijk! En ziet u dat de Heere dat straft? Wat heeft Jozua dit moeten betreuren, juist ook als ambtsdrager. Want de Heere zegt: ‘Jozua, jij bent een voorbeeld voor het hele volk, zoals Mozes een voorbeeld was.’  

 

Gemeente, ambtelijke zonden worden ook door de Heere bezocht. Dat laat Hij duidelijk zien in het leven van Zijn ambtsdrager Jozua. Kinderen van God, eigenwillige godsdienst, als dat aangebonden leven gaat verdwijnen, als er weinig meer dat zoeken van de Heere wordt gevonden in je leven, dat aanhoudende gebed, dat smeken: ‘Heere, scheur de hemel toch, Heere, zou er in deze dienst iets voor mij bij mogen zijn? Zou U tot mijn ziel willen spreken uit Uw Woord en door Uw Geest?’

Wat is het gevaar groot dat we het op een gegeven moment zelf wel kunnen. En dat we gaan vertrouwen op onze ervaringen, op het verleden, op ons eigen kennen en kunnen.

Denk eens aan Martha, die drukdoende Martha. Och, wat was ze ijverig. Ze dacht dat ze alles wel wist. En ze vond het zelfs ergerlijk dat Maria aan de voeten van Jezus bleef zitten. Maria kon haar beter helpen. Martha had dat onderwijs van de Heere Jezus op dat moment niet meer nodig. Maar de Heere Jezus dacht er zo anders over: Martha, Martha, gij bekommert en ontrust u om vele dingen. Maar één ding is nodig (Luk.10:41,42). Dat stilletjes luisteren naar Mijn Woord, de stille omgang met Mij, je gebedsleven.

Gemeente, dat bedoelt de Heere Jezus. Hoe is dat met u? Moet de Heere van u zeggen: ‘Och, wat zijn de kleine vossen toch actief in uw leven? En u ziet het niet eens. U bemerkt het niet eens. U richt zich op de grote vossen en ondertussen ziet u niet dat u minder en minder vruchtbaar bent.’

Gemeente, heb er oog voor! Leer van deze les! Jozua heeft ervan geleerd, want hij werpt zich voor God neer. Het is eigenlijk de toepassing van Psalm 139: Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten. En zie of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op den eeuwigen weg (Ps.139:23).

 

Gemeente, let daarom op de kastijdende hand van de Heere! Gods kastijdingen zijn er niet zomaar; ze hebben een doel. Niet alleen in het leven van Gods kinderen, maar ook in het leven van onbekeerden. Ze hebben altijd een doel.

En als dat doel nu niet wordt bereikt?

Dat is erg! Als de Heere door Jesaja zegt: ‘Ik heb u geslagen, maar gij hebt geen pijn gevoeld.’ Als Hij van ons land moet zeggen: ‘Ik heb u geslagen – met dit coronavirus – en u hebt geen pijn gevoeld. Het heeft u niets gedaan, het heeft u niet bij Mij gebracht...’

Hij verborg Zijn aangezicht om u te kastijden, maar u hebt geen pijn gevoeld. Hij schikte u een ziekte toe, heel persoonlijk, of een verlies, en u bleef steken in de pijn, zonder dat u naar de Heere ging vragen, zonder dat u Hem zocht, zonder dat u zich verootmoedigde voor Zijn aangezicht.

Ik las bij één van de Puriteinen: ‘Als de Heere u geslagen heeft, gekastijd heeft, en u hebt veel pijn, maar het heeft u niet bij Hem gebracht, dan moet u erop rekenen dat de volgende slag gereed staat. Want dan gaat de Heere verder met Zijn kastijdingen. Want dan hebt u de les nog niet geleerd.’ Het greep mij persoonlijk wel aan, toen ik dat las.

 

Maar Jozua mag vluchten tot de Heere! Wat is dat een goed teken. Daar kunnen we ook weer van leren. Hij zoekt de Heere. Toen verscheurde Jozua zijn klederen een teken van grote rouw – en viel op zijn aangezicht ter aarde voor de ark des Heeren tot den avond toe, hij en de oudsten van Israël, en zij wierpen stof op hun hoofd. Ze gaan het zoeken in de weg van het gebed. Ze gaan hun zaak aan de Heere voorleggen. Jozua voorop, en de oudsten volgen. Ze verootmoedigen zich.

                                                                                                                               

Laten we daar eerst van zingen uit Psalm 25, de verzen 3, 4 en 5. Het is een biddend pleiten tot de Heere: ‘Denk aan ’t vaderlijk meêdogen, Heer’, waarop ik biddend pleit; Milde handen, vriend’lijk ogen Zijn bij U van eeuwigheid.’ Ook al lijken de omstandigheden misschien zo anders. U moet misschien wel zeggen: ‘Ja, maar Heere, ik zie zo weinig van dat vaderlijk meêdogen. Hoe kan dat dan als ik dit alles moet ervaren in mijn leven? Als ik zie op mijn zonden, op mijn boosheid, als ik zie op de moeite en het verdriet waar ik mee te maken heb, Heere, toon mij dan toch dat vriendelijk aangezicht.’

 

             Denk aan ’t vaderlijk meêdogen,

Heer’, waarop ik biddend pleit;

Milde handen, vriend’lijk ogen

Zijn bij U van eeuwigheid.

Sla de zonden nimmer gâ,

Die mijn jonkheid heeft bedreven;

Denk aan mij toch in genâ,

Om Uw goedheid eer te geven.

 

‘s Heeren goedheid kent geen palen;

God is recht, dus zal Hij door

Onderwijzing hen die dwalen,

Brengen in het rechte spoor.

Hij zal leiden ’t zacht gemoed

In het effen recht des Heeren;

Wie Hem need’rig valt te voet,

Zal van Hem Zijn wegen leren.

 

Lout’re goedheid, liefdekoorden,

Waarheid, zijn des Heeren paân

Hun die Zijn verbond en woorden,

Als hun schatten, gadeslaan.

Wil mij, Uwen Naam ter eer,

Al mijn euveldaân vergeven;

Ik heb tegen U, o  Heer’,

Zwaar en menigmaal misdreven.

 

Ten tweede nu:

 

  1. Jozua’s gebedshouding 

 

Gemeente, wat zien we in de houding van Jozua als we hem zo horen bidden? Dat is wel belangrijk.

Wel, in de eerste plaats zien we dat hij een gebed uitspreekt op een bijzondere plek. Niet zomaar ergens, nee, en dat is heel belangrijk: hij gaat naar de ark. ’De ark des Heeren’, staat er, de ark van het Verbond. Hij weet: daar moet ik het zoeken. Die ark is ons voorgegaan door de Jordaan, de priesters hebben hem gedragen.

Die ark is het beeld van de Heere Jezus Christus! Onze gebeden kunnen alleen maar verhoord worden om Jezus’ wil. Daarom eindigen wij elk gebed ook met die woorden. Er is geen toegang tot God dan door Christus, dan door de ark van het verbond, waarvan Jezus de Vervulling is.

Hij is de grote Voorbidder tot Wie wij onze gebeden moeten opzenden: ‘Heere Jezus, wilt U naar mij luisteren, wilt U mijn zonden wegdoen voor het aangezicht van de Vader? Wilt U ze wegdragen?’

Johannes wijst daarop in 1 Johannes 2 vers 1: En indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, den Rechtvaardige. Dat zegt hij tegen kinderen van God die daarmee worstelen. Johannes wil daarmee zeggen: ‘Kijk eens omhoog, naar de Voorbidder in de hemel, Die staat voor het aangezicht van Zijn Vader, en Die altijd wordt verhoord: om Jezus’ wil.’

Gemeente, dat is het eerste. Waar zoekt u het als het donker is, als het benauwd is? Als er aanvechtingen zijn en als er onbegrepen wegen moeten worden bewandeld, waar zoekt u het dan? Zoekt u het dan bij de Heere? Of gaat u graven op een verkeerde plaats? Dat kan, dat je in allerlei menselijke redeneringen verzeild raakt en vergeet en verzuimt om naar Hem te gaan. Tot Wie zal ik anders gaan? De discipelen zeiden: Tot Wie zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens (Joh.6:68). En zo hebben ze Hem leren kennen in alle dingen. 

Jozua gaat niet alleen. Hij neemt de oudsten mee. Het is een zaak van de hele gemeente. Dat is ook belangrijk op een zondag. En als het goed is zoeken wij de Heere ook meerdere malen op een dag thuis in onze binnenkamer. 

Maar de Heere wil ook als gemeente worden aanbeden en worden gevraagd om Zijn hulp, om Zijn bijstand. Ziet u hoe noodzakelijk het is, om ook samen op zondag bijeen te zijn – of mee te luisteren – om de noden van de gemeente aan de Heere voor te leggen? Dan mag de predikant of de dienstdoende ouderling de mond van de gemeente zijn. Dan mogen we die noden als het ware bij de Heere brengen.

Het gemeenschappelijke gebed is zo nodig. Daarom zeggen we als predikant altijd: ‘Uw voorbede en úw dankzegging is gevraagd, uw, onze…’ Gemeenschappelijk gaan wij dat als gemeente aan de Heere vragen.

 

We lezen dat de oudsten meegaan. En zo zien we in later tijd ook de gemeente samenkomen, eendrachtig, biddend tot de Heere om vrijmoedigheid als ze wordt vervolgd, biddend om de gave van de Heilige Geest. Het is een telkens weer terugkomende zaak.

We zien ook Jozua, die stilligt voor Gods aangezicht. Hij is stil. Gemeente, soms moeten we zwijgen. Dan is de smart zo groot: Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want Gij hebt het gedaan (Ps.39:10). Dat je geen woorden kunt vinden; dat je alleen maar stil bent. Maar de Heere ziet dat stille gebed aan; want een gebed zonder woorden is ook een gebed.

Let erop hoe Jozua daar ligt: plat op de grond, zijn aangezicht ter aarde, met stof op zijn hoofd, een teken van grote rouw, van ootmoed.

Of vindt u dat niet echt nodig omdat het voor het verhoren van het gebed niet uitmaakt hoe je erbij zit? Maakt dat wat uit, jongens en meisjes? Als de juffrouw of de meester zegt: ‘Nu gaan we bidden’ en jij zit ondertussen rond te kijken om met iemand plezier te maken? ‘Dat is heel erg’, zegt de Heere, want Hij is een grote, heilige God. Besef je dat dan niet?

Ook het zeggen: ‘O ja, effe, even bidden, even danken…’ Dat is heel oneerbiedig, vindt u niet?

Gemeente, laten we voor dat ‘even dit’, en ‘even dat’ waken. Let op uw gebedshouding! Hoe naderen we tot de Heere? We spreken tot een heilige God, een rechtvaardige God. Let op de Bijbelheiligen. Jozua ligt plat op de grond. Later zal Elia hetzelfde doen: dan ligt hij met zijn hoofd tussen zijn knieën. En wat dacht u van de Heere Jezus? Die kroop in de Hof van Gethsemané als een worm en geen man, toen Hij bad tot Zijn Vader. Mogen wij dan een oneerbiedige gebedshouding aannemen? 

Kijk, die farizeeër stond daar fier en frank voor het aangezicht van God. En hij zei: ‘Heere, ik doe het eigenlijk heel goed, en U mag heel tevreden met mij zijn.’ Heel zijn houding straalde hoogmoed uit, en geen ootmoed. Maar de tollenaar sloeg zijn hand op de borst. Hij durfde niet eens op te kijken naar de Heere en hij sprak: O God, wees mij zondaar genadig (Luk.18:13). Let op daarom op die gewoonten, let op uw houding. Wat van binnen wordt ervaren, wordt ook van buiten gezien.

 

We letten ook op de inhoud van het gebed. Wat bidt Jozua nu eigenlijk? Wat is uiteindelijk het woord dat over zijn lippen komt? Er staat in Jozua 7 vers 6: Toen verscheurde Jozua zijn klederen en viel op zijn aangezicht ter aarde, voor den ark des Heeren, tot den avond toe, hij en de oudsten van Israël, en zij wierpen stof op hun hoofd.

Tot de avond toe lag hij daar... Dat is ook veelbetekenend. Wat wordt bedoeld met ’de avond’? Tot het donker werd, tot de nacht inviel? Nee. Als er in Gods Woord in verband met de tabernakel over ‘de avond’ wordt gesproken, in het verband met de dienst van de Heere, dan wordt eigenlijk altijd het avondoffer bedoeld.

Wat een rijke gedachte, toch? Buiten het offer is er geen verzoening. Buiten het offer van Jezus kan God ons niet verhoren. Daarvan is hier sprake.

Later zal Daniël hetzelfde doen. Als hij drie keer per dag voor het aangezicht van God neerknielt, dan doet hij dat ook op de tijden dat in Jeruzalem de offers werden gebracht. Op het tijdstip van het Ochtend- en het avondoffer, met zijn aangezicht naar Jeruzalem.

Elia doet precies hetzelfde. Wanneer gaat hij zijn altaar bouwen en gaat hij tot de Heere bidden? Op het moment dat in Jeruzalem, ‘s middags om drie uur, het avondoffer wordt gebracht. Ze hebben verwachting van het offer! En dat offer is Christus. Niemand anders. Wat vraagt Jozua dan? Wel, gemeente, dat moet u eens lezen. Eigenlijk klopt er niet veel van dat gebed, hè? Als we het gewoon eens eerlijk bekijken, is het dan een mooi gebed? Is het wel een goed gebed?

 

En Jozua zeide: Ach Heere HeereHet begint goed: Heere Heere, Verbondsgod; de God van Wie hij verwachting heeft.

Maar dan gaat het mis…

Waarom… vraagt hij.

Hoort u de waaromvraag? Waarom hebt Gij dit volk door de Jordaan ooit doen gaan, om ons te geven in de hand der Amorieten, om ons te verderven? Och, dat wij toch tevreden geweest en gebleven waren aan gene zijde der Jordaan! Och Heere, wat zal ik zeggen, nademaal dat Israël voor het aangezicht zijner vijanden den nek gekeerd heeft?

Eén grote klacht!

Eigenlijk zegt hij: ‘Waren we maar in de woestijn gebleven. We hadden nooit op Uw gezag de Jordaan moeten doortrekken. Dit wordt onze ondergang! We zitten in de val Heere, dat begrijpt U toch wel? Nu heeft Ai de slag gewonnen. Nu zullen de andere steden zeggen: Maar dat volk van Israël is helemaal niet zo sterk! Dat volk is heel gemakkelijk te verslaan. Die God is blijkbaar geweken. Die God helpt hen niet meer.’

 

Gemeente, we horen één grote klacht, één grote waaromvraag. Misschien herkent u het wel: Heere, waarom heeft U dit in mijn leven gedaan? Waarom gaf U mij kinderen om die vervolgens weg te nemen? Waarom gaf U mij een man, een vrouw, om die weg te nemen? Waarom deed U dat? Had U het man maar niet aan mij gegeven. Zomaar een voorbeeld uit het dagelijkse leven….

Waarom? Dat is allemaal ongeloof! Ja, ook van Jozua. Eigenlijk doet hij hetzelfde als de verspieders en het volk hadden gezegd: we hadden maar beter in Egypte kunnen blijven.

Dat is verkeerd van Jozua. En toch neemt de Heere het hem niet kwalijk, toch wordt hij daar niet voor gestraft. Dat is wonderlijk!

Waarom niet? Waarom laat de Heere nu geen vuur komen, en zegt Hij niet: ‘Jozua, wat je nu doet, zo’n zondig gebed…’

Waarom doet de Heere dat niet?

Ach gemeente, de Heere weet uit welk hart het komt. Jozua ziet het allemaal niet meer zo scherp, zouden wij zeggen. Jozua is zo heen en weer geschud, zo moedeloos en zo wanhopig, dat hij dingen begint te zeggen die hij ten diepste niet meent.

Niet meent… hoor ik u zeggen?

Nee, hij meent het helemaal niet. Dat ziet u omdat hij uiteindelijk naar iets heel anders toegaat. Hij heeft het over de naam van de Heere. Lees het vervolg maar: Als het de Kanaänieten en alle inwoners des lands horen zullen, zo zullen zij ons omsingelen en onzen naam uitroeien van de aarde; wat zult Gij dan Uw groten Naam doen?

Het is om Uw Naam, Heere. Daar is het hem om te doen. Het gaat om Uw eer, en dat ziet de Heere; Hij ziet het hart aan. En dat Jozua daar dan verkeerde dingen heeft gezegd, dat heeft de Heere hem willen vergeven. Hij ziet zijn hart aan. Hij ziet het geloof in Jozua, het betrouwen op Zijn grote Naam, het willen opkomen voor Gods eer.

 

Gemeente, u komt dit vaker in de Bijbel tegen. Ik denk aan het Nieuwe Testament. Zacharias wordt gestraft voor zijn ongeloof, als hij zegt: ‘Ja, maar dat kan toch niet?’ Elisabeth is oud; ze kan geen kind meer krijgen. En Maria stelt ook de vraag: Hoe kan dat dan? Hoe zal ik zwanger kunnen worden als ik niet getrouwd ben en geen omgang met een man heb?

Allebei stellen ze een vraag. Maar bij Zacharias is het uit ongeloof en bij Maria is het uit verwondering en onwetendheid. Ze zegt: ‘Wilt U mij dat vertellen?’ Het gaat erom uit welke houding het komt, uit welke grondhouding. Zo is het hier ook.

En wat is de Heere dan genadig, ook als het gaat om ons gebed. Misschien moet u heel vaak zeggen, als u opstaat van uw gebed: ‘Ach, het was zo warrig. Ik heb maar wat gestameld, de zinnen zijn over elkaar heen gebuiteld.’

‘Wij weten niet te bidden zoals het behoort’, hoor ik iemand zeggen. Eén van de discipelen van de Heere Jezus vroeg: Heere, leer ons bidden (Luk.11:1), want we kunnen het uit onszelf niet.

Och, hoe vaak komen we ze niet tegen in de Evangeliebeschrijvingen: mensen die ook niet meer wisten hoe ze het moesten zeggen. Maar dan riepen ze net als de Kananese vrouw: Heere, Gij Zone Davids, ontferm U mijner (Matth.15:22). 

Soms hebben ze niet eens meer wat gezegd. Maar dan zegt de Heere: Uw geloof heeft u behouden (Mark.5:34), of tegen de geraakte: Zoon, zijt welgemoed, uw zonden zijn u vergeven (Matth.9:2). Hij kende het hart van die man.

 

Gemeente, wij bidden zo vaak verkeerd. Voetius, daarin nagevolgd door Hoornbeeck, schrijft; ‘Ja, we bidden om stenen, en dan geeft de Heere ons brood. We bidden om schorpioenen, en dan geeft de Heere ons eieren.’ Zo handelt de Heere met ons. Hij geeft zoveel boven bidden en denken. Als Hij zou doen naar ons gebed, wat zouden we dan vaak teleurgesteld bij Hem weggaan.

Ik zeg het nog eens: De Heere ziet het hart aan. Hoe is het vanbinnen? En dan is het niet zo erg als u het allemaal niet zo netjes kunt verwoorden. Echt niet! Misschien bent u wel jaloers op die dominee of die ouderling die het altijd zo mooi kan zeggen. Maar daar gaat het helemaal niet om. Het gaat erom of het oprecht uit uw hart komt. Zo is het toch ook in ons gewone leven? Dan zeggen we vaak: ‘Hoe je het zegt vind ik niet zo belangrijk; als het maar uit je hart komt.’

Dat wil overigens niet zeggen dat we ons niet moeten voorbereiden op onze gebeden. Daarom heeft de Heere Jezus ons ook het ‘Onze Vader’ geleerd. En Hij heeft gezegd: ‘Bidt dit gebed maar.‘

Luther schreef een aparte brief over de vraag hoe wij moeten bidden. Daarin zegt hij dat we het ‘Onze Vader’ moeten gebruiken als de structuur van ons gebed. Dan kunnen we aan de hand van dat ‘Onze Vader’ de Heere allerlei zaken voorleggen.

 

Gemeente, wat is het een zegen als we mogen opmerken wat hier gebeurd is met Jozua, een man die geleid werd door de Heilige Geest. Zo wordt hij hier ook genoemd.  En dan is het de Geest Die Zelf voor ons bidt met onuitsprekelijke zuchtingen (Rom.8:26). Want zovelen als er door den Geest God geleid worden, die zijn kinderen Gods (Rom.8:14). En het is die Geest, Die leert bidden, en zuchten. Als je zelf niet weet hoe het moet, dan gaat die Geest het je voorzeggen, en mag je het nazeggen.

 

We letten nu op:

 

  1. De pleitgronden van Jozua’s gebed

 

Gemeente, hebt u al gezien dat de pleitgrond waarop Jozua een beroep doet, zo sterk is? Jozua zegt niet: ‘Heere, ik ben toch zo’n deskundige generaal. We zijn toch zo’n goed volk en we zijn toch zo trouw geweest in het opvolgen van Uw bevelen…’

Nee, dat horen we helemaal niet, want dat zijn waardeloze argumenten. Daarop pleit hij niet. Hij pleit op Gods Naam, op Gods deugden. Hij zegt: ‘Heere, waarop anders kan ik een beroep doen dan op wat Ú gezegd hebt? Uw Naam. In die Naam ligt alles besloten. Die Naam is zo heilig en zo goed. Die Naam is Waarheid.

En als de Heere je zo leidt, dan ga je ook nazeggen wat Jozua gebeden heeft. Dan zegt u: ‘Heere, zo’n ellendige ben ik. U luistert naar een arme van geest, en zo’n treurige van hart wilt U vertroosten. En wie in die gestalte tot U komt, zal door U geenszins worden uitgeworpen.’

 

Toen zeide de Heere tot Jozua: Sta op; waarom ligt gij dus neder op uw aangezicht? Ziet u dat de Heere antwoordt? Hij antwoordt! Hij spreekt gewis tot elk die voor Hem leeft.

 

Amen.

 

Psalm 20 vers 3 en 5:

 

Dan zal ’t gejuich ten hemel dringen;

Dan zullen wij Gods eer,

Bij opgestoken vaandels zingen;

Uw wens vervull’ de Heer’!

‘k Weet nu, dat Gods gezalfden koning

Geen heilgoed zal ontbreken;

Want God zal, uit Zijn hemelwoning,

Hem sterken op zijn smeken. 

 

Behoud, o Heer’, wil bijstand zenden,

Verlos, bewaar, verschoon;

Die Koning hoor’, als w’ in ellenden

Aanbidden voor Zijn troon.