Ds. R.A.M. Visser - Kolossenzen 1 : 28

Paulus’ bediening

verkondigen – Denwelken wij verkondigen
onderwijzen – vermanende een iegelijk mens, en lerende een iegelijk mens in alle wijsheid;
leiden – opdat wij zouden een iegelijk mens volmaakt stellen in Christus Jezus
Dit is de derde preek uit de serie de Kolossenzenbrief van ds. R.A.M. Visser 

Kolossenzen 1 : 28

Kolossenzen 1
28
Denwelken wij verkondigen, vermanende een iegelijk mens, en lerende een iegelijk mens in alle wijsheid, opdat wij zouden een iegelijk mens volmaakt stellen in Christus Jezus;

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 102: 16
Zingen : Tien Geb.: 9 - Psalm 48: 6
Lezen : Kol. 1: 24 t/m 2: 3
Zingen : Psalm 84: 1, 3 en 6
Zingen : Psalm 25: 4
Zingen : Psalm 108: 1 en 2

Gemeente, de tekstwoorden voor de preek vinden we in het Bijbelgedeelte dat ons is voorgelezen. Het uitgangspunt voor de preek is Kolossensen 1 vers 28:

 

Denwelken wij verkondigen, vermanende een iegelijk mens, en lerende een iegelijk mens in alle wijsheid, opdat wij zouden een iegelijk mens volmaakt stellen in Christus Jezus.

 

Ik noem u als thema hierbij: Paulus’ bediening.

We letten daarop aan de hand van de volgende drie aandachtspunten:

1. verkondigen – Denwelken wij verkondigen;

2. onderwijzen – vermanende een iegelijk mens, en lerende een iegelijk mens in alle wijsheid;

3. leiden – opdat wij zouden een iegelijk mens volmaakt stellen in Christus Jezus.

 

1. Verkondigen

Gemeente, in de verzen 15 tot en met 23 van ons teksthoofdstuk vertelt Paulus in rijke en diepe woorden over de heerlijkheid van Christus als Schepper, Hoofd en Verlosser.

Paulus’ woorden hebben iets in zich waarvoor je aan de ene kant als het ware terugdeinst, in het besef dat wij mensen met onze beperktheid het bijna niet doorgronden kunnen. En tegelijk ligt er ook iets in wat zo onweerstaanbaar trekken kan. De Zoon van Gods eeuwige liefde wordt door de apostel uitgeschilderd in zulke rijke en diepe kleuren. Het loflied op de heerlijkheid van Christus is onuitsprekelijk rijk aan woorden en klanken.

Paulus vertelt ons ook dat deze heerlijkheid van Christus bewaard wordt in een volhardend geloof. Dan staan onze geestelijke wortels vast in de hoop van het Evangelie dat verkondigd wordt, en waarvan Paulus een dienaar geworden is.

 

Vervolgens gaat Paulus als in één adem door naar het gedeelte vanaf vers 24 tot en met vers 3 van hoofdstuk 2. In deze verzen werkt Paulus zijn eigen bediening verder uit. Hij legt daarmee tegelijk de basis om de gemeente in het vervolg op dit gedeelte met gezag te vermanen, te onderwijzen en waar nodig in liefde te corrigeren.

 

Wat is Paulus nuchter en onderwijzend over zijn bediening, over de dienst van de Heere in Gods Koninkrijk en ook over het leven met de Heere.

De prediking van het Evangelie en het leven met de Heere brengen altijd lijden en vervolging met zich mee. Paulus is er blij mee dat hij om de naam van de Heere Jezus moet lijden, als gevolg van het redden van mensen en het stichten van gemeenten.

Dat is eigenlijk heel bijzonder. Je hoort deze blijdschap in het lijden voor de naam en de zaak van Koning Jezus ook weleens van vervolgde christenen.

 

Wanneer we de tweede helft van vers 24 zien als parallel van het eerste deel, dan legt de tekst zichzelf verder uit. Paulus vertelt hier niet dat het lijden van Christus nog aanvulling nodig zou hebben. Dan zou hij zichzelf tegenspreken, want ergens anders zegt hij dat het lijden van de Heere Jezus volbracht en aangenomen is.

Het is voor de apostel glashelder: net als Christus is ook de gemeente, waarvan Christus het Hoofd is en die Hij verlost heeft met de prijs van Zijn leven, bestemd tot lijden. Wie met Christus wil leven, zal met Hem lijden. Wie Christus volgt, zal ook de littekens van Christus dragen. Want de dienstknecht is niet meer dan zijn heer. De Heere Jezus werd vervolgd, dus zullen ook al diegenen vervolgd worden die Hem dienen op de plaats waar de Heere wil dat zij zijn – hetzij ín een ambt of daarbuiten, hetzij in verdrukkingen vanbinnen of vanbuiten.

Kennen we die blijdschap van het hart, in de wetenschap dat dit de weg van de Heere is die Zijn kinderen tot zegen zal zijn, dat dit de weg van de Heere is om Zijn kinderen aan het beeld van Christus gelijkvormig te maken, om ze te oefenen in het geloofsgeheim van de lijdzaamheid?

 

Paulus vertelt verder dat hij een geroepen knecht van de Heere is. Hij is dat niet op eigen initiatief, maar hij is er door de Koning van de Kerk toe aangesteld. Hij weet zich dan ook dienaar van de gemeente. Binnen die gemeente heeft hij de taak om als een huisverzorger van God voor de kudde te zorgen, om het Woord van God te vervullen, om het Woord van de levende God in zijn volle breedte en diepte uit te dragen, om het Woord van de levende God in al zijn volheid, kracht en rijkdom te verkondigen. Iedereen mag, iedereen moét het horen: de verborgenheid van Christus in het Woord van God.

Niet dat daarmee iets geheimzinnigs wordt bedoeld. Maar de apostel bedoelt heel eenvoudig: nu is Gods raadsplan tot de zaligheid van zondaren volkomen geopenbaard en duidelijk geworden. Dat plan werd in het Oude Testament wel verkondigd; denk maar aan de profeten. Het werd in het Oude Testament wel aangewezen; denk maar aan de offers en de ceremoniën. Maar nu is het gerealiseerd; nu is het werkelijkheid geworden door de komst en het werk van de Heere Jezus op aarde.

En het is niet alleen voor de Joden bestemd, maar ook voor de heidenen. Ook zij zullen delen in Christus, de Hoop der heerlijkheid. In en door Hem zullen ook de heidenen de hoop van de eeuwige heerlijkheid krijgen, in de geloofsgemeenschap met Christus.

Deze hoop is als een anker voor de ziel. Ze geeft in je hart de vastheid dat je eeuwig zult delen in de zalige gemeenschap met God, mét al Zijn kinderen.

 

En dan zegt Paulus aan het begin van ons tekstvers: Denwelken wij verkondigen.

Wíj verkondigen deze Christus, de Hoop der heerlijkheid. In de grondtaal valt de nadruk op het woordje ‘wij’. Wij – dat zijn Paulus en Epafras, en misschien ook wel Timótheüs, de in vers 1 genoemde broeder.

Het lijkt wel alsof Paulus daarmee op een bepaalde manier een tegenstelling tussen hen en anderen naar voren wil laten komen. En dat is ook zo. Paulus wil met ‘wij’ niet de aandacht op zichzelf vestigen, maar het verschil benadrukken met bepaalde dwaalleraren en hun verkondiging.

Over hen is nog wel meer te zeggen; dat blijkt ook uit het vervolg van deze brief. In ieder geval worden ze hierdoor gekenmerkt dat zij níet Christus centraal stellen in hun boodschap.

 

En dat is iets waar we over na moeten denken. Want wanneer de worsteling van Paulus onder meer ziet op deze verkondiging van Christus, wat betekent dat dan voor ons?

We kunnen denken aan degenen die de Heere gebruiken wil in Zijn dienst en in Zijn Koninkrijk, degenen die daarnaar verlangen of daar werkzaam mee geworden zijn in hun leven. Letten we erop, ook in de uitoefening van de ambten die de Heere op onze schouders heeft gelegd, dat Chrístus moet worden verkondigd?!

Zoals een heraut vroeger de komst van de koning voorbereidde door hem aan te kondigen en de mensen te vertellen dat zij zich klaar moesten maken voor zijn komst, zo is dat nóg in de dienst van de Heere. Verkondigen is namelijk proclameren: op last en bij volmacht van God – Die mensen inschakelt in Zijn dienst en in Zijn koninkrijk – het Evangelie van Christus Jezus als een proclamatie verkondigen.

Wat dat is?

Heel eenvoudig, gemeente: aan de hand van de woorden van de Bijbel laten zien wie de Christus van de Bijbel is en wat Hij heeft gedaan en nóg doet.

Dat begint bij de woorden van de tekst. Die heb je eerbiedig na te spreken en aan het hart te leggen. Daarbij trek je vanuit die specifieke woorden, of groep van woorden, tekstgebonden lijnen naar de mensen die je concreet in deze tijd dienen mag. Soms zijn dat lijnen die vooral het dagelijks leven betreffen. Soms zijn dat lijnen die vooral over het geestelijk leven gaan. En hoe vaak zijn deze lijnen ook met elkaar vervlochten. Soms wordt de nadruk gelegd op onze verantwoordelijkheid, soms op Gods genade.

Gemeente, ík bepaal de loop van de preek niet, maar God – door de woorden van de Bijbel. Een prekenserie over opeenvolgende Bijbelgedeelten geeft daarbij zoveel ontspanning, want wat nú niet gezegd wordt, komt vanzelf een andere keer aan bod.

 

Beseffen we dat het Gods werk is om door Zijn Geest met de woorden de harten te bereiken, om de verkondiging van Christus een ervaringswerkelijkheid te laten zijn of worden? De inhoud van die verkondiging ga je dan ‘ervaren’ met je hart. Die ga je ‘bevinden’; die is of wordt ‘bevindelijk’ in je hart.

Iedereen die in zijn leven de Heere liefheeft, zal herkennen wat ik bedoel als ik zeg dat je het vanbinnen weleens warm krijgt onder de verkondiging van Christus, van Wie Hij is en wat Hij heeft gedaan en nóg doet. Omdat er vanbinnen een vuur is gaan branden dat nooit gedoofd zal worden. Wat kan dat vuur vanbinnen soms opvlammen, juist onder de verkondiging van deze Christus, de Hoop der heerlijkheid.

Denk aan de vlam van liefde tot Christus, want Gods kinderen hebben Hem boven alles lief. Denk aan de vlam van verlangen naar Christus, naar Zijn gerechtigheid en de gemeenschap met Christus. Want Gods kinderen leven pas écht in de ervaring van Gods nabijheid in Christus.

Maar denk ook aan de vlam van het vuur van de ijver voor God. Gods kinderen kennen het verlangen om voor God werkzaam te mogen zijn, te mogen leven tot Zijn eer, op de plaats die de Heere geeft.

Dat alles ervaren zij juist onder de verkondiging van deze Christus, de Hoop der heerlijkheid!

Herkennen we het? Wat betekent Christus ook alweer voor u en voor jou?

 

We gaan naar onze tweede gedachte:

 

2. Onderwijzen

Want daar gaat Paulus in het vervolg wat specifieker op in: vermanende een iegelijk mens, en lerende een iegelijk mens in alle wijsheid.

Voor het woord ‘vermanen’ kunnen we hier ook lezen: terechtwijzen. Bij het woord ‘leren’ kunnen we heel eenvoudig denken aan ‘onderwijzen’.

Dit is opvallend. Want met deze woorden ‘terechtwijzen’ en ‘onderwijzen’ geeft Paulus een nadere invulling van die verkondiging van Christus uit onze eerste gedachte. Dat moeten we dus proberen te onthouden: de verkondiging van Christus bestaat onder meer uit terechtwijzen en onderwijzen.

 

Opvallend is verder ook dat Paulus in dit tekstgedeelte tot twee keer toe nadrukkelijk spreekt over ‘een iegelijk mens’. Die woorden komen straks in onze derde gedachte zelfs voor de derde keer terug. En dat is niet zonder reden. Want Paulus schrijft dit aan de heilige en gelovige broeders en zusters in Christus die in Kolosse wonen, met de achtergrond die hoort bij deze brief.

In de eerste gedachte hoorden we al wat over die dwaalleraren, en daar komt de apostel nu op terug. Want deze dwaalleraren verkondigen Christus niet. Daarnaast geven ze ook alleen onderwijs aan die mensen die volgens bepaalde voorschriften ingewijd zijn of die als beginneling tot de groep willen toetreden.

Onze tekstwoorden krijgen daarmee zoveel meer reliëf. Want Paulus benadrukt dan met kracht: Wíj verkondigen Christus. En íeder mens wijzen wij terecht en onderwijzen wij in alle wijsheid.

 

Als we er ten slotte op letten hoe Paulus dit woord ‘wijsheid’ gebruikt op andere plaatsen, dan zien we dat het hem nu gaat om die wijsheid waarmee mensen de dingen van de Heere begrijpen met hun hart en daar dan ook gebruik van weten te maken in alle opzichten, dus zowel wat betreft de zaligheid als ook de praktische kant van het leven met de Heere elke dag.

 

Met deze lijnen vanuit de tekstwoorden denken we er verder over na voor onszelf.

Een iegelijk mens – iedereen. We worden er door de apostel dus allemaal bij betrokken: jongens en meisjes, jongeren, ouderen en de alleroudsten. Mensen die geïnteresseerd zijn in de godsdienst worden aangekeken, maar ook zij die eigenlijk helemaal niet geïnteresseerd zijn. Jij wordt aangesproken die, net als de mensen in Kolosse, in de branding van deze tijd staat en je misschien afvraagt: Waarom zouden andere godsdiensten geen gelijk hebben? Waarom zouden er geen andere wegen zijn tot God: de wegen van oosterse godsdiensten en spiritualiteit, de weg van meditatie of extase, de weg van de vijf zuilen van de Islam?

U wordt aangesproken die uzelf, in de vele vragen die op u afkomen, vastklampt aan een godsdienstig leven aan de buitenkant alleen.

Paulus kijkt mensen aan ín de ambtelijke dienst, maar ook mensen buíten de ambtelijke dienst. U en jij die onbekeerd doorleven, worden in de woorden meegenomen. Maar ook zij die daarover vragen hebben, of die in verwondering zien op het wonder van genade in hun leven.

Paulus verkondigt u Chrístus in het Woord van God door terecht te wijzen en te onderwijzen in álle wijsheid.

 

Jongens en meisjes, denk maar aan jullie gezin. Wanneer er in jullie gezin vrede is en er onderling harmonie is, dan betekent dit niet dat je vader of moeder je nooit terechtwijst. Soms is dat nodig. Je vader en moeder hebben, als het goed is, het beste met je voor. Daarom vinden ze het soms nodig om je ergens in te corrigeren, maar je proeft er hun liefde in, ook al vind je het soms echt niet leuk.

Zo is het ook met dat onderwijs. Je groeit toe naar de volwassenheid. Dat gebeurt met vallen en opstaan. Je moet dingen leren die je nog niet weet, of nog niet zo goed kunt toepassen in je eigen leven.

Ouderen, denk aan uw werk. Iedereen maakt fouten en wordt dus weleens terechtgewezen. Iedereen moet dingen leren en heeft dus onderwijs nodig.

 

Passen we het toe op onszelf? Wij hebben namelijk allemaal die terechtwijzingen en dat onderwijs nodig dat in liefde tot ons komt door het Woord. Zullen we dan ook proberen daarvoor open te staan en ons door het Woord laten gezeggen?

Paulus baseert zich op de leer van Christus, dus het leven met Hem. Het christelijk geloof is immers geen systeem, maar een Persoon, te weten Christus Jezus, in Wie alle wijsheid is.

We moeten ons hele leven aan laten sturen door deze geestelijke wijsheid. Want wanneer we onze eígen wijsheid volgen, dwalen we zo makkelijk bij deze Christus en de Hoop der heerlijkheid vandaan.

Weten we al dat dit ten diepste ons aller leven van nature is? Afdwalen; bij Hem vandaan gaan. Míjn inzichten tot norm verheffen, mij niet willen laten gezeggen door wat de Heere in de Bijbel tegen mij zegt. Ten diepste aan Christus helemaal voorbijgaan: Wijk van ons, want aan de kennis Uwer wegen hebben wij geen lust (Job21:14).

En dat terwijl de Heere in de terechtwijzingen en het onderwijs vanuit de Bijbel in liefde ons behoud op het oog heeft! Wat een zegen als we door de woorden heen deze liefde tot behoud van zondaren gaan voelen met ons hart, als die liefde de weerstand verbreekt en we, als iemand die het niet meer weet, onderwijs nodig gaan krijgen over wie Christus is en wat Hij heeft gedaan en nog doet.

 

Herkennen we dat?

Dat zijn nu typisch de kinderen van God in het begin van het geestelijk leven: verlangend naar onderwijs, naar die woorden van God waarin de Heere meekomt en die licht werpen op de dingen die voor hen nog zo verborgen en duister zijn. Soms komt de Heere erin mee en word je door terechtwijzingen onderwezen in je dwaasheid en zondigheid. Dan buig je ervoor. Soms komt de Heere erin mee en word je door terechtwijzingen onderwezen in de rijkdom van Gods genade voor zo’n mens als jij. Dan springt je hart op van blijdschap. Je zou er meer van willen hebben.

Wat is het ook nodig dat we onze gedachten laten terechtwijzen en onderwijzen door de belofte van het Evangelie. Want daarin komt Christus zo dichtbij! Hij wordt verkondigd en welgemeend aangeboden aan iedereen die het hoort. Hij staat centraal in het onderwijs. Gods kinderen gaan leren om door het geloof deze Christus aan te nemen en te ontvangen in het hart.

 

Zo komen we als vanzelf bij het laatste in deze tweede gedachte: de heilige en gelovige broeders en zusters hier ter plaatse. Want in de kern spreekt Paulus uiteindelijk tegen deze mensen. Begrijpen we met ons hart waarom?

Gemeente, ook Gods kind heeft terechtwijzingen en onderwijs nodig, omdat hij in het leven met de Heere geneigd is om naar éigen wijsheid te leven, te denken en te doen, en niet naar de wijsheid van Christus. Het is het probleem van de verachtering in de genade wanneer de verborgen gemeenschap met Christus door het geloof verdwijnt. Dan staat Christus niet meer bovenaan, maar dan sta ík weer bovenaan. Dan krijgen boezemzonden weer een plaats in mijn hart en steken karakterzonden weer de kop op. Dan werpt de gelijkvormigheid aan deze wereld in heel de manier van mijn denken, spreken en leven een donker floers op de rijke glans en heldere schittering van Gods genade.

Denken we daaraan, ook in het licht van wat de apostel er verder nog van zeggen zal in deze brief? Denk aan de gevaren van allerlei vormen van verkeerde seksualiteit, van haat, nijd, kwaadsprekerij en onderlinge onoprechtheid. Denk aan het gebrek aan onderlinge vrede, eensgezindheid en vergevingsgezindheid. Denk aan allerlei verhoudingen binnen huwelijken, gezinnen, op school en op het werk. Denk aan de biddeloosheid en de dwaasheid in het hart van mensen zoals wij.

Kind van God, is dat uw leven geworden, ongemerkt misschien? Geldt ons het woord uit Hosea 11 vers 7: Want Mijn volk blijft hangen aan de afkering van Mij?

Laat het dan tot verootmoediging zijn dat Hij ook de God is die de afkering genezen zal door in de lijn van het woord opnieuw Christus te verkondigen, om terecht te wijzen en te onderwijzen in álle wijsheid, om hen die dwalen te brengen in het rechte spoor. Dan zal opnieuw en zoveel dieper met het hart worden verstaan dat Christus alleen de gerechtigheid is.

 

We gaan samen zingen uit Psalm 25 vers 4:

 

’s Heeren goedheid kent geen palen;

God is recht, dus zal Hij door

onderwijzing hen, die dwalen,

brengen in het rechte spoor.

Hij zal leiden ’t zacht gemoed

in het effen recht des Heeren.

Wie Hem need’rig valt te voet,

zal van Hem Zijn wegen leren.

 

3. Leiden

Gemeente, we staan vandaag stil bij Paulus’ bediening, en ook nu trekken we eerst weer de lijn vanuit het voorgaande.

In onze eerste gedachte stond de verkondiging van Christus centraal, in de tweede gedachte de terechtwijzing. De heilzame tucht vanuit de geboden van God is nodig, met onderwijs in de Bijbelse leer, die naar de godzaligheid is. Want we liggen als kind van onze tijd open voor allerhande dwalingen. In alle stemmen die vandaag onze aandacht vragen, is daar opnieuw de stem van de opperste Wijsheid, van Christus Zelf. Door de woorden heen worden mensen in dit onderwijs in alle wijsheid opgezocht, met dit doel: opdat wij zouden een iegelijk mens volmaakt stellen in Christus Jezus.

Dat is dan onze derde gedachte: leiden.

 

We lezen hier voor de derde keer in vers 28: een iegelijk mens – iedereen; ieder mens, wie hij of zij ook is. Je proeft daarin opnieuw iets van de tegenstelling met de dwaalleraren van toen. Er is geen aparte wijsheid voor buitenstaanders, beginners of gevorderden. Maar het gaat de apostel, het gaat de Heilige Geest om alle wijsheid voor iedereen. Dat speelt dan ook in deze derde gedachte: het doel van de verkondiging en van het onderwijs is om íedereen volmaakt in Christus Jezus te stellen.

 

Wat bedoelt de apostel daarmee?

Onwillekeurig denken we misschien aan de volmaaktheid die voor Gods kinderen pas werkelijkheid zal worden bij het einde van hun leven. Het onvolmaakte van hier beneden zal dan voorgoed voorbij zijn. De Heere zal volmaakt en zonder zonde gediend worden, wanneer Gods kinderen voor het gericht van God staande zullen blijven, omdat de Heere Jezus hiervoor heeft gezorgd voor hen.

Maar gemeente, dan doen we de tekst geen recht. Het gaat in het bredere verband nu namelijk niet over het eindgericht, maar over de vraag of er buiten Christus, buiten wat Hij heeft gedaan en doet, nog iets anders nodig is. Dat is de kern van Paulus’ betoog en daar is de apostel radicaal in: Nee! In Chrístus, en in Hem alleen, is de volkomenheid van het heil, in alle opzichten.

Daarmee geeft de apostel dus een duidelijke afbakening, ook voor vandaag.

Jongelui, volmaaktheid, eenheid en innerlijke heelheid in vrede met God bereik je niet via meditatie en innerlijke overgave binnen allerhande vormen van oosterse spiritualiteit. Die bereik je niet via de weg van extase in de ultieme belevingen in onze huidige genotscultuur. Die bereik je ook niet door als moslim nauwkeurig te leven volgens de vijf zuilen van de Islam. Die bereiken we ook niet door een leven waarin de buitenkant alles is, waarin we lichtzinnig en rechtzinnig rekenen met wat wij doen of gedaan hebben en waar de Heere dan wel blij mee zal zijn, en wij natuurlijk ook.

Maar de werkelijke volmaaktheid wordt ontvangen wanneer de verkondiging van Christus Jezus en het onderwijs over Wie Hij is en wat Hij doet, ons brengt en houdt in die nauwe geloofsverbondenheid met Hem.

 

Dan komen we bij de tweede betekenis van het ‘volmaakt stellen’; die hoort er ook helemaal bij. In het grondwoord klinkt namelijk iets door van 'het doel bereiken', 'weer aan het doel gaan beantwoorden' of ‘tot iemands beschikking gesteld worden’.

Daarmee gaat de apostel terug naar het begin van de mensheid. Wij, mensen, zijn oorspronkelijk geschapen met het doel om God te loven en te prijzen, om met en voor Hem te leven zoals Hij dat voor ogen heeft gehad: als profeet zouden wij God volmaakt kennen, als priester de Heere volmaakt dienen, en als koning in onderworpenheid aan de Heere over al het geschapene regeren. Zo zijn wij geschapen. Zo was Gods plan.

Dat wij doelmissers geworden zijn, dat is onze schuld. Zonde betekent letterlijk immers: doel missen.

Als je buiten een partijtje voetbal speelt, dan probeer je de bal in de het doel te krijgen. Lukt dat niet en de bal komt naast het doel terecht, dan heb je het doel gemist.

Zo is het in veel diepere zin hier nu ook. Ons hele leven is van nature één doorlopende tegenstelling van het oorspronkelijke doel. En het is enkel genade wanneer dat bij ons weer wordt zoals in de tekst: opdat wij zouden een iegelijk mens volmaakt stellen in Christus Jezus. Het is enkel genade wanneer wij op de plaats die de Heere ons geeft, aan het oorspronkelijke doel gaan beantwoorden.

 

Merken we opnieuw de actualiteit op van deze brief en van dit onderwijs? In de zondige, multiculturele en multireligieuze samenleving van toen en vandaag is dit de boodschap van bevrijding, verlossing, verzoening en herstel. Dit is de boodschap waarin de echte bestemming van iedereen wordt verkondigd: volmaakt zijn in Christus Jezus.

Jongelui, wie vandaag door het geloof één met Christus wordt, wordt profeet. Die leert God kennen, zichzelf kennen en Christus kennen. En die gaat ernaar zoeken om die kennis ook te delen.

Wie vandaag door het geloof één met Christus wordt, wordt ook priester. Op de plaats waar de Heere wil dat ik zijn zal, wordt het mijn diepste verlangen om in wederliefde mezelf helemaal te geven aan de Heere en Zijn dienst.

Wie vandaag door het geloof één met Christus wordt, wordt ook koning, om als rentmeester over het geschapene in onderworpenheid aan God te leven, tot Gods eer. Want Jezus heeft ook mij zalig gemaakt en mij van al mijn zonden verlost.

 

Dat betekent dus niet dat je hier op aarde al in een staat van volmaaktheid komt, in de zin van ‘zondeloosheid’. Dat staat immers haaks op wat de Bijbel op andere plaatsen leert. De apostel zegt niets meer en ook niets minder dan dat alles van een mens betrokken wordt in de herscheppende genade van God: je hart, je verstand en je wil, je talenten, gaven en capaciteiten, en ook je karakter.

We noemen dat ook wel: volmaakt in delen. Op grond van het offer van de Heere Jezus deel je dan helemaal in Zijn volmaaktheid.

Tegelijkertijd zeggen we dan: het is onvolmaakt in trappen. Kinderen groeien in het dagelijkse leven via een leerproces op tot jongere en daarna, als het goed is, tot de volwassenheid. Zo is het ook in het geestelijke. Er is opwas, groei en verdieping in de genade en kennis van Christus Jezus de Heere nodig om te komen tot de volmaaktheid van een volwassen man of vrouw. De lessen op de school van de Heilige Geest leren ons, in de weg van de bekering vanuit de verborgen geloofsgemeenschap met Christus, om Job na te zeggen: Want ik weet: mijn Verlosser leeft (Job19:25).

 

Gemeente, we gaan de preek afronden. We hebben gelet op Paulus’ bediening. Achtereenvolgens stonden we stil bij verkondigen, onderwijzen en leiden.

De apostel hield ons een spiegel voor die gaat over zijn bediening, de dienst van de Heere in Gods Koninkrijk en het leven met de Heere. De verkondiging van Christus loopt via het onderwijs over Christus naar de volmaaktheid in Hem.

Wat is ons dat waard? Is dat voor ons al echt belangrijk geworden?

In de vervolgverzen tot en met hoofdstuk 2 vers 3 kun je lezen dat dit voor Paulus in zijn bediening alles is. Hij werkt ervoor. Hij noemt het zelfs een strijden. Best heftig is dat.

Maar beseffen we dat het er in Gods Koninkrijk ten diepste nog zo aan toegaat: strijden en worstelen voor onze medemens van wie we geloven dat de Heere die aan onze zorgen heeft toevertrouwd, of voor wie we ons hoe dan ook verantwoordelijk weten, ook al hebben we die net als Paulus nog nooit lijfelijk ontmoet?

Als het goed is, weegt dít dan het zwaarste: vertroosting, eenheid, zekerheid en kennis van God de Vader en van Christus, in Wie al de schatten van kennis verborgen liggen. Want dat is de goudmijn die gedolven wordt door het geloof. En alleen die zegen maakt ons blij en rijk.

Waar zoeken we het dan? En van wie verwachten we het dan?

Wie iets of iemand zoekt met of naast Christus, komt teleurgesteld uit. Wie de strijd strijdt in eigen kracht, redt het niet. Laat het een aansporing zijn om het voortdurend alleen van Christus Jezus de Heere te verwachten, want die den Heere verwachten, zullen de kracht vernieuwen (Jes.40:31).

Amen.

 

Slotzang: Psalm 108 de verzen 1 en 2

 

Mijn hart, o Hemelmajesteit,

is tot Uw dienst en lof bereid.

’k Zal zingen voor den Opperheer;

’k zal psalmen zingen tot Zijn eer.

Gij, zachte harp, gij schelle luit,

waakt op; dat niets uw klanken stuit’;

’k zal in den dageraad ontwaken,

en met gezang mijn God genaken.

 

Ik zal, o Heer’, Uw wonderdaân,

Uw roem den volken doen verstaan;

want Uwe goedertierenheid

is tot de heem’len uitgebreid;

Uw waarheid heeft noch paal noch perk,

maar streeft tot aan het hoogste zwerk.

Verhef U boven ’s hemels kringen,

en leer al d’ aard’ Uw grootheid zingen.