Ds. W. Visscher - Hebreeën 13 : 14

De verwachting van de Gemeente Gods

een belangrijke waarheid
een heerlijke belijdenis
Preek na grote rouw over een geliefde. 

Hebreeën 13 : 14

Hebreeën 13
14
Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 39: 3 en 5
Lezen : Hebreeën 13
Zingen : Psalm 103: 7, 8, 9
Zingen : Psalm 102: 7
Zingen : Psalm 90: 9

Geliefde gemeente, 

We zijn vanmorgen samengekomen in verdrietige omstandigheden. In de achterliggende week hebben we bij een graf gestaan. Dan hebben we onze gedachten en gevoelens. Wat kan er dan veel door ons heengaan. Soms kunnen we het niet goed onder woorden brengen. Soms weten we ook niet wat we zeggen moeten. We ervaren allemaal een zekere pijn waar we over nadenken.

Er is veel te zeggen, maar laten we niet eindigen in dingen van de mens. De wereld vindt rouw, verdriet en sterven ook heel erg, maar de Bijbel vertelt iets veel diepers. Wat is het gelukkig dat we hier vanmorgen mogen samenkomen! Niet onder een gesloten hemel, maar bij een geopende Bijbel, het Woord van God.

Ieder die rouw heeft, verwerkt dat op zijn eigen manier; dat hangt samen met je karakter, dat hangt samen met je persoon.

 

Gemeente, ik wil met u stilstaan bij Hebreeën 13 en daarvan het veertiende vers. Daar staat in de Bijbel:             

     Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende.

 

Het gaat in deze tekst over de verwachting van de Gemeente Gods en dan zien we in deze tekst:

1. een belangrijke waarheid: Wij hebben hier geen blijvende stad;

2. een heerlijke belijdenis: Maar wij zoeken de toekomende (stad).

 

1. Een belangrijke waarheid

De tekst is genomen uit de brief aan de Hebreeën. We weten niet wie de schrijver is van deze brief. De vertalers van de Statenbijbel zijn van oordeel dat het Paulus is, maar Calvijn twijfelt daaraan.  Het is trouwens ook niet de belangrijkste vraag. Wij geloven dat deze brief Gods Woord is en dat wij, ook in deze brief, antwoord vinden op onze vragen. We geloven dat we in deze brief Bijbelse antwoorden vinden op de diepste vragen van het leven, goddelijke antwoorden. Het gaat in deze brief over het werk en de persoon van Christus. De schrijver van de Hebreeënbrief schrijft aan mensen die het moeilijk hebben. In die moeite toont de schrijver zijn meeleven, maar hij geeft ook een antwoord. De schrijver gaat in deze brief de heerlijkheid en de grootheid van de persoon van de Heere Jezus tekenen. Dat Hij een Profeet is, Die een antwoord heeft op alle moeilijke vragen. De Heere Jezus wordt getekend als Priester, die Zich heeft opgeofferd (Hebr.9). De Heere Jezus wordt ook getekend als Koning, Die regeert en Die alle macht heeft in de hemel en op de aarde. 

 

Gemeente, dit is het enige houvast in deze verloren wereld: er is een levende Zaligmaker voor dode zondaren. Goede vrijdag en Pasen zijn de grote zaken waardoor er heil is gekomen in deze verloren wereld. Er is een Zaligmaker aan de rechterhand van de Vader, Die voor ons bidt (Rom.8:34), zegt Paulus. Van deze Zaligmaker getuigt ook deze brief. Dat heeft de schrijver van de Hebreeënbrief uiteengezet in de eerste tien hoofdstukken. Vervolgens worden daaruit in de hoofdstukken 10 tot en met 13 enkele toepassingen gemaakt.

In hoofdstuk 13 staan verschillende vermaningen, aansporingen en onderwijzingen. In vers 5 bijvoorbeeld: Uw wandel zij zonder geldgierigheid; en zijt vergenoegd – wees tevreden – met het tegenwoordige. Dat zijn mooie dingen, maar ook de moeilijke dingen. En waarom? Want Hij heeft gezegd – de Heere Jezus heeft gezegd – Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten. Dat is ook wel een heel gepast woord in de huidige omstandigheden: Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten. De schrijver zegt daarop ook: Gedenkt uw voorgangers (vers 7). De schrijver wijst op het Altaar dat de Kerk des Heeren heeft (vers 10). De schrijver wijst ook in vers 13 op de smaadheid van Christus: Laat ons dan tot Hem uitgaan buiten de legerplaats, Zijn smaadheid dragende. De schrijver bedoelt: ‘U hebt het moeilijk. Er is veel pijn in uw leven, maar laat ons tot Hém uitgaan, Zijn smaadheid dragende.’ Laten we alleen troost en houvast zoeken in Christus, de Held bij Wie hulp is besteld.

 

Zíjn smaadheid dragende – dat wil zeggen dat we in het kruis, in het verdriet, in de moeite, in de pijn, waardoor er zoveel loskomt in je leven, overdag en ’s nachts, het ééns zullen zijn met de Heere. Soms ben je boos, soms bal je weleens je vuisten, soms wil je slachtoffer zijn. Het is allemaal te vinden in ons hart. Als het goed met ons gaat, denken we vaak dat we het eens zijn met de Heere en Zijn weg; maar als de wegen moeilijk en onbegrepen zijn, bruist het soms vanbinnen. Soms op de alleronverwachtste momenten. Maar dan zegt de schrijver: Zijn smaadheid dragende. Waarom? En hoe moet dat dan? In vers 14 staat waarom het heilzaam is en goed om de smaadheid van Christus te dragen; waarom de pijn die de Heere ons in dit jammerdal toeschikt, is te dragen, als we zien op de overste Leidsman en de Voleinder des geloofs. De schrijver zegt: Want – een redengevend woordje – wij hebben hier – op aarde – geen blijvende stad.

 

Het woord ‘stad’ komt nog wel vaker voor in de Hebreeënbrief. Met ‘stad’ wordt bedoeld: een ‘thuis’, een plek waar je je veilig voelt. De schrijver van de Hebreeënbrief zegt in de eerste plaats: ‘Wij hebben hier op aarde geen blijvende stad.’ We hebben hier dus geen plek waar we ons definitief veilig kunnen voelen.

We hebben hier geen blijvende stad. Laten we daar eens over nadenken. Het gaat hier over de gedachte dat ons leven beperkt is. De één leeft tachtig jaar, een ander zeventig jaar, weer een ander zestig jaar; maar ook jonge mensen kunnen sterven. Wij hebben hier geen blijvende stad.

 

Geliefden, wat is dat een waarheid, die voor iedereen geldt! Het gaat hier om een van die grote waarheden in het Evangelie, die we vooral niet moeten vergeten.

Je hebt grote waarheden in de natuurkunde; de zwaartekracht bijvoorbeeld. Je hebt grote waarheden in de medische wetenschap; dat het hart een pomp is bijvoorbeeld. Die waarheden zijn ooit door iemand ontdekt. Zo moeten wij ook ontdekken dat er in de Bijbel van die grote waarheden staan die we nooit moeten vergeten. De waarheid van de schepping bijvoorbeeld. Of de waarheid van de Drie-eenheid van God. Of van de twee naturen van Christus in één persoon. Of de rechtvaardiging van de goddeloze. Hier vinden we ook zo’n grote waarheid. Want wij hebben hier geen blijvende stad. ‘Ja,’ zegt u, ‘dat wist ik al!’ Maar realiseert u zich dat u volgende week óók begraven kunt zijn? Verwacht ík het? We kunnen dingen weten, maar het gaat erom of het ook ons leven stempelt. Of we doordrongen zijn van de gedachte dat we elk moment in levensgevaar verkeren. Mensen doen er goed aan om regelmatig aan hun levenseinde te denken.

 

Gemeente, jong en oud, we kunnen wel eens wat zéggen, maar de Bijbel bedoelt ook altijd dat we erbij léven. Leeft ú daarbij? Ooit sprak ik professor W.H. Velema en we spraken over het leven en sterven. Hij gaf me een wat wonderlijk advies: ‘Denk in ieder geval elke dag tien minuten na over je sterven.’ Ik vond dat een wat wonderlijk advies. Ook in de Christinnereis van Bunyan kunt u dit advies lezen. Bunyan zegt er zelfs bij dat je moet nadenken over je sterven om goed te leven. En is dat niet waar gemeente? Vallen die dingen van de aarde op het sterfbed niet op de juiste plaats? Hoe ouder ik word, des te meer ik het nut van deze gedachte ga verstaan. Leg er de dood maar naast, hoor ik weleens zeggen. Dat zijn woorden die ons wijs kunnen maken.  Hoe zal het zijn als ik dit tijdelijke met het eeuwige ga verwisselen? ‘Men kent en vindt haar standplaats zelfs niet meer.’

 

We hebben hier geen blijvende stad. Dat is naast een algemene waarheid ook een ernstige waarheid. De schrijver bedoelt dat wij voorbijgangers zijn, dat we een keer sterven zullen. De Bijbel gebruikt daar allerlei omschrijvingen voor. We lezen bijvoorbeeld van Abraham: en hij werd tot zijn volken verzameld (Gen.25:8). Hier lezen we: geen blijvende stad. We lezen in Genesis 5 ook een lang register en steeds horen we: en hij stierf. Dat gaat over Adam en over andere bijbelheiligen. We lezen over de Heere Jezus dat Hij de geest gaf (Matth.27:50). Vrijwillig. De Heere Jezus is niet gestorven zoals wij sterven. De Heere Jezus is vrijwillig gestorven.

 

Ja, het is een heel aangrijpende waarheid: Wij hebben hier geen blijvende stad. Toen God de hemel en de aarde schiep, was er geen dood en sterven. Dat was ook Gods bedoeling niet. God had de wereld geschapen tot Zijn eer. En God is de God van het léven. Dus toen Hij de hemel en de aarde schiep, waren er geen sterfelijke mensen, maar tintelde alles van het heerlijke leven. God zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed (Gen.1: 31).

Zoals het staat in het begin van de Bijbel, zo zal het aan het einde weer zijn, als de Heere wederkomt. Dan komt de hele schepping weer naar voren in zijn heerlijke oorspronkelijke staat. Want God is de God van het leven en niet van de dood.

En toch staat hier in de Bijbel als een grote waarheid die we moeten onthouden: Wij hebben hier geen blijvende stad, op deze aarde. Op déze aarde. Hoe komt dat? Die vraag brengt ons bij Genesis 3. U weet dat wel. Daar is een mens ongehoorzaam geworden aan God, zijn Schepper. ‘Verschrikkelijk,’ zegt u. Ja, daar is de zonde in de wereld gekomen. En God had gezegd: ‘Op de zonde staat straf. Als u van die boom eet, zult u de dood sterven.’ Wij hebben hier geen blijvende stad. Dat herinnert ons ook aan wat in Genesis 3 is gebeurd. Geen blijvende stad. De ontzaglijke ernst van de dood is doorgedrongen in alles van deze schepping. De ene keer wordt er een ouder iemand weggenomen. De andere keer een jonger iemand.

En elke keer weer opnieuw: ‘Men kent en vindt haar standplaats zelfs niet meer.’

 

Inderdaad, de dood is een moment om bij te wenen. Om de huiveringwekkende realiteit van de zonde en haar gevolgen lijfelijk te ervaren. Hebt u dat ook weleens, dat het zó dichtbij kwam dat ú moest sterven? Jongelui, hebben jullie dat ook weleens dat de ernst van het leven gaat wegen op je ziel? Nee, ik zeg dit natuurlijk niet om hier een heleboel somberheid te verspreiden. We komen straks nog terug op de toekomende stad. Maar ik zeg dit wel, omdat de Bijbel ons dat vertelt en het de realiteit is van ons leven. Eigenlijk zouden we zo moeten leven en zo moeten denken alsof we vandaag sterven. Wat zou u doen als u wist dat u vandaag ging sterven? Jongelui, zou je dan je Bijbel dichtlaten? Zou je dan zeggen: ‘Nou, die dominee en die preek; daar heb ik niet zo veel zin in.’ Nee, dan maken we ernst maken met deze dingen. Dan komt het eropaan!

 

Het is ten derde ook een herhaalde waarheid. Een waarheid waar de Schrift ons nogal eens aan herinnert: Wij hebben hier geen blijvende stad. Sommige dingen worden maar enkele keren in de Bijbel genoemd en andere dingen worden voortdurend in de Bijbel herhaald. Lees thuis Genesis 5 eens rustig door. Keer op keer leest u: en hij stierf. Sterven wordt voortdurend in de Bijbel benoemd, zodat we het niet vergeten: Wij hebben hier geen blijvende stad.

 

Het is het ten vierde ook een gezegende waarheid. Misschien zegt u: ‘Dat is vreemd. Dat kan ik niet zo goed begrijpen op het eerste gehoor.’ Ik zal het u uitleggen.  Het is een algemene waarheid, het Is een ernstige en aangrijpende waarheid, het is een herhaalde waarheid: Wij sterven, geen blijvende stad. De wereld is doortrokken van zonden en van onrecht, deze wereld waar wij door de zonde zo’n geweldige puinhoop van hebben gemaakt. Wellicht is er niemand in ons midden, die daarvan niet de littekens draagt in zijn leven. Deze wereld is niet de definitieve wereld. Deze wereld gaat voorbij.

 

Ik sprak eens drie vrouwen uit Congo. Ze hadden heel wat meegemaakt. Ik zei: ‘Wat is nu nog uw hoop?’ Toen wezen ze alle drie naar boven. Deze wereld gaat voorbij. Verdriet, dat gaat met ons mee, elke dag. Het ene moment wat meer, het andere moment wat minder. Maar zolang als je leeft, draag je het mee: die lege plek in je gezin, die lege plek in je hart, in je hoofd. Die foto, dat kledingstuk. Soms barst je in tranen uit. Soms zijn er momenten dat de kamer te klein is en dat de muren op je afkomen.

Geen blijvende stad. Het zal niet altijd duren. Er komt een moment dat het voorbij is. Dat ook deze bedeling ten einde is, gemeente. Dan hoef ik niet meer te preken. Dan hoeven rouwdragenden niet meer te rouwen. Dan zal de toekomende stad komen. En daarvan zegt de schrijver van deze brief: Wij zoeken de toekomende stad.

 

De wereld zegt: ‘Neem het ervan! Geniet ervan!’ En misschien denken jullie dat ook wel, jongelui. Vakanties, mooie dingen doen, en je hobby’s. Dat mag allemaal, maar het gaat voorbij. Het einde kan er onverwachts zijn. Ben je er ook weleens blij mee? Zitten er hier mensen in de kerk die er blij mee zouden zijn als de Heere vandaag wederkomt op de wolken van de hemel? Als ze vandaag hun Koning zullen aanschouwen in Zijn schoonheid? En dat ze samen met al de heiligen Zijn Naam mogen grootmaken? En volledig tot eer van Hem zullen leven? Zijn er in ons midden die zuchten over zichzelf en die hunkeren naar de toekomende stad?

 

Daar staan we in onze tweede gedachte bij stil. Tot aansporing van de onbekeerden en tot bemoediging van Gods kinderen. We gaan eerst samen zingen. En dat doen we uit Psalm 102, en daarvan het zevende vers:

 

Gij zult opstaan, ons beschermen,

Over Sion U ontfermen;

Want de tijd, Uw stad voorspeld,

Aan haar leed ten perk gesteld,

Die zo lang gewenste dagen

Van Uw gunstrijk welbehagen,

Zijn, o God, in ’t eind geboren;

Gij, Gij zult haar klacht verhoren.       

 

2. Een heerlijke belijdenis

Gemeente, we gaan naar onze tweede gedachte. We lezen in de tekst: Wij zoeken de toekomende stad. Dat is een heerlijke belijdenis. Er zijn mensen die op zoek zijn naar de toekomende stad. Wij zoeken…

Misschien kunt u dit eens onthouden komende week. De wereld bestaat uit twee soorten mensen: er zijn mensen die die stad wél zoeken en er zijn mensen die die stad níet zoeken. Er zijn mensen die alleen denken aan hun agenda en er zijn mensen die in hun leven op zoek zijn naar de stad die fundamenten heeft. Vanaf het begin van de Bijbel komen we deze tegenstelling tegen. Kaïn zocht die stad niet, Abel wel. Ezau had genoeg aan de aarde; Jakob zocht de toekomende stad. Zo is het ook vandaag. We zoeken die stad wel of we zoeken die stad niet. De Heere Jezus heeft daar in de Bergrede bijvoorbeeld duidelijk op gewezen. Er zijn dwaze en wijze bouwers.

Als u bij de niet-zoekers behoort, dan hebt u vanaf nu een belangrijke opdracht: uw knieën buigen en die stad gaan zoeken. Als u thuiskomt, bidt u: ‘Heere, er staat in de Bijbel: Wij zoeken de toekomende stad, maar nu hoor ik bij de niet-zoekers van die toekomende stad. Wilt U mij ook een zoeker maken?’ Ja, zo eenvoudig ligt het! U moet de troon der genade bestormen en zeggen: ‘Heere, er zijn twee soorten mensen, zoekers en niet‑zoekers. Nu hoor ik bij de niet-zoekers. Dat gaat niet goed! Wilt U mij een zoeker maken?’

Jongelui, zullen jullie dat allemaal doen? Vaders en moeders, ouderen? Door de zonde zijn we een zoeker van onszelf, dat weet u. De schrijver zegt hier: Wij zoeken de toekomende stad. Als u een niet-zoeker bent, vraag dan of u zo’n zoeker mag worden.

En als u een zoeker bent geworden – en dat is door genade – dan moet u vragen of de Heere u wil doen vorderen in dat zoeken. De Heere Jezus zegt in de Bergrede tegen de discipelen dat ze het rijk van God moeten zoeken. Meer en meer moet dat in het leven van de rechtvaardigen inhoud krijgen. We zoeken de toekomende stad. Het is net als een lange reis. Daar bereid je je op voor. Daar ben je mee bezig. En voordat je er bent, heb je in gedachten heel wat kilometers afgelegd. Zo ook in geestelijk zin. De rechtvaardigen zijn levenslange zoekers naar de toekomende stad.

 

We gaan nu een paar dingen zeggen over die toekomende stad waaruit het belang van dat zoeken blijkt. De schrijver heeft het beeld van de toekomende stad al eerder gebruikt in de Hebreeënbrief. Abraham bijvoorbeeld – in hoofdstuk 11 – was een rijke en zeer geëerde man, met schapen en runderen. De apostel zegt dat hij verwachtte de stad die fundamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is (Hebr.11:10). Dat stond op nummer één in het leven van Abraham. Dus niet zijn schapen, niet zijn land, zelfs niet in de eerste plaats zijn vrouw, maar de Heere. Hij verwachtte de stad die fundamenten heeft. En in Hebreeën 12:22 komt de schrijver er nog eens op terug: Maar gij zijt gekomen tot de berg Sion en de stad des levenden Gods, tot het hemelse Jeruzalem en de vele duizenden der engelen. De hemel en de komende heerlijkheid is hier dus de stad van de levende God.

 

De toekomende stad. Daar wordt de staat der heerlijkheid mee bedoeld. Je hebt de staat van de zondigheid. Die is door de zondeval gekomen. Door die staat kwam de dood in de wereld. Je hebt ook de staat der genade. Dat is als God een mens bekeert en hij overgaat van het rijk van de duisternis naar het rijk van het licht. Dan gaat hij over uit de staat van de zondigheid in de staat der genade. Als het gaat over onze verhouding tot God, is die staat volledig, maar als het gaat over de vernieuwing van het leven, dan is dat altijd ten dele. Want wij struikelen allen in vele (Jak.3:2). Ten slotte heb je ook de staat van de heerlijkheid.

Dat betekent dat er een plaats is in de toekomst – vandaar ook ‘de toekomende stad’ – waar niet meer gezondigd wordt en waar alles tot eer van God is. Daar is het Lam, daar zijn de engelen en de zaligen. Van die stad, het nieuwe Jeruzalem, wordt in Openbaring gezegd: die daalt uit de hemel neer. We lezen in hoofdstuk 21 vers 10 en 11: En hij voerde mij weg in den geest op een groten en hogen berg, en hij toonde mij de grote stad, het heilige Jeruzalem, nederdalende uit den hemel, van God. En zij had de heerlijkheid Gods, en haar licht was den allerkostelijksten steen gelijk (…). Dus Johannes heeft het nieuwe Jeruzalem – die toekomende stad – al eens van verre gezien.

 

We willen een paar dingen zeggen over die toekomende stad. In de eerste plaats dat wat over die stad gezegd wordt ‘echt waar’ is. Ja, dat klinkt heel eenvoudig, maar dat wil ik toch even eerst benadrukken. Vooral omdat we in een tijd leven waarin er spotters zijn, en die zeggen dat dit kunstig verdichte fabelen zijn die mensen in de kerk elkaar wijsmaken.

‘Dood is dood, hoor! Echt waar! Dood is dood! En na dit leven is er helemaal niks meer.’ Sommige mensen presenteren dat ook als een nieuwe, moderne gedachte en zeggen: ‘Ja, dat hebben we wetenschappelijk vastgesteld: na de dood is er niets meer!’

Petrus zegt: ‘Trek u van die spotters, die zeggen: Waar is de belofte Zijner toekomst? (2 Petr.3:4), maar niets aan.’ Alles wat de Bijbel zegt gaat door! De Bijbel vertelt ons dat die toekomende stad echt waar is. Dat moeten we eerst tegen elkaar zeggen. Indien wij alleenlijk in dit leven op Christus zijn hopende, zo zijn wij de ellendigste van alle mensen, zegt Paulus (1 Kor.15:19).

 

Onze dierbaren zijn aangekomen in een ander Vaderland. Volledig gelukkig! Aangekomen in het land der rust. De Bijbel zegt ons in de eerste plaats: ’Lieve mensen, laat je nooit wijs maken door de duivel of door je hart of door wie dan ook dat dat fantasie is. Dat dat iets is voor die dwaze mensen die in de zeventiende eeuw leefden of iets dergelijks!’

Dit is de gefundeerde hoop van de Christelijke Kerk: de waarheid van de toekomende stad. Als je morgen op je werk komt, zegt een collega bijvoorbeeld: ‘Nou, en er was voetbal, en we hebben gezwommen, en het was heerlijk weer, en…! ‘Zegt u dan: ‘Nou, ik heb een preek gehoord over de toekomende stad. Een geweldige stad. Ik heb een preek gehoord over de toekomstige stad, die van God uit de hemel neerdaalt, voor arme schuldige mensen’?

Misschien zegt u: ‘Ja, maar ik heb er zelf geen deel aan.’ Vertel het toch maar! Vertel maar aan uw medereizigers naar de eeuwigheid dat er in de Bijbel wordt verteld van een Koning en van een toekomende stad.

 

In de tweede plaats is die toekomende stad ‘heerlijk’. Ik heb u iets gelezen uit Openbaring 10 en Openbaring 21, en ik heb u gelezen Hebreeën 2 vers 22. Ik zou nog vele andere teksten meer kunnen lezen uit de Bijbel.

Wat is de heerlijkheid van die toekomende stad? In de eerste plaats: er is geen zonde meer en ook geen dood. Dat is voorbij!

Laat ik een paar dingen noemen die de Bijbel ons leert. God is het fundament van die stad. Die stad is gebouwd op God Zelf, op Gods welbehagen. Die stad is gebouwd door Christus, want Hij is de Koning van die stad. Hij was Koning van die stad, toen Hij vernederd werd en gestorven is. Hij is Koning van die stad, nu Hij weer terug is bij Zijn Vader en bij de heilige engelen. En in die zaligheid ontvangt de Heere Zijn kinderen en is Hij het grote Middelpunt en de heerlijkheid van die stad. De levende Christus is de grote inhoud van deze stad. Hij is het heerlijke middelpunt. We zullen Hem zien gelijk Hij is, zo lezen we de belofte in de Schrift.

 

Waarin is dan die persoon van de Middelaar heerlijk, gemeente? Och, daar in die stad toont Hij Zijn bloed tot een levende offerande. Als dan de gezaligden binnenkomen, worden hun klederen gewassen in het bloed des Lams. Ze worden volledig gereinigd op grond van het offer dat Hij gebracht heeft. De Bijbel vertelt het ons. Soms kun je met heimwee ernaar uitzien: volledig gereinigd te zijn van alle vuil en alle kwaad dat je hier in dit jammerdal aankleeft.

Die stad is heerlijk, vanwege deze Koning en Zijn Geest. Zijn bloed en Zijn Geest Die de gelovigen volledig vernieuwt en kracht geeft om zonder ophouden met de palmtak van de overwinning deze Koning groot te maken. Om het lied te zingen van Mozes en het Lam. Dat gaat ongestoord door, gemeente! Deze Koning en deze stad zijn heerlijk, omdat deze Koning over al Zijn onderdanen waakt en voor hen zorgt. Hij maakt Zich in Zijn volheid openbaar. De dichter van het Hooglied heeft gezongen: Mijn Liefste is blank en rood, Hij draagt de banier boven tienduizend (Hoogl.5:10). En we lezen In de profetie van Jesaja: Uw ogen zullen den Koning zien in Zijn schoonheid (Jes.33:17).

 

Allen, die daar binnenkomen, zullen de Koning aanschouwen. Mag ik het misschien wat ongewoon voorstellen? Ze zullen Zijn tegenwoordigheid merken, Zijn ogen aanschouwen. Christus heeft ook in de verheerlijking een lichaam. Dan zal Hij zorgen voor Zijn schapen. Hij zal hen brengen naar de fonteinen des heils. Dan worden alle tranen – het staat er zo heel mooi in de Bijbel – één voor één uitgewist. Dan zal Hij alle tranen van de ogen afwissen. En ten slotte, als Hij wederkomt, zal de dood verslonden worden tot overwinning. Die verschrikkelijke dood die door de zonde in de wereld gekomen is. Hij heeft die al overwonnen toen Hij stierf op Golgotha. En straks – bij de wederkomst – is de dood voor eeuwig overwonnen. Geen dood meer! Geen rouw! En geen gekrijt!

 

De toekomende stad. Als je daarover nadenkt, niet in de eerste plaats vanuit je gevoel, maar vanuit de Bijbel, en dat in relatie brengt met de dingen die er in je leven gebeuren, dan kun je soms zo blij worden. Zelfs in de grootste smart. Dan kan er zo’n schoon verlangen in je ontstaan dat je plotseling begrijpt wat de apostel bedoelt. ‘Maar blij vooruitzicht dat mij streelt’, zo zingen we in de berijmde psalmen.

 

Maar wij zoeken… Zóéken! Daar moet ik ten derde eens even bij stilstaan.

Ik heb iets gezegd over de waarheid van die stad, ik heb iets verteld over de heerlijkheid van die stad. En ik ga nu nog iets zeggen over het zoeken van deze stad.

Je kunt op twee manieren zoeken. Je kunt bijvoorbeeld gaan surfen op het internet. Dat begrijpt u allemaal wel. Dan ga je van de ene site naar de andere, naar Facebook, Instagram, enzovoorts. Daar kan je verstandig gebruik van maken, maar veel mensen maken er onverstandig gebruik. Dan slobbert dat maar tijd op en die tijd kun je anders besteden. Zo kun je wat surfen, wat ronddwalen op internet en zo kun je ook door het leven gaan. Je wandelt door een winkelstraat en je kijkt hier eens en je kijkt daar eens. Als je vraagt: ‘Wat doe je hier?’, krijg je als antwoord: ‘Ik zoek hier mijn vertier, mijn vermaak.’ Dat is zoeken om te zien, zoeken om de tijd te vullen.

Dat zoeken wordt hier natuurlijk niet bedoeld, dat begrijpt u. Nee, hier wordt een zoeken bedoeld om te vinden. Ik zal een voorbeeld geven om het duidelijk te maken. Je komt ’s avonds laat thuis en je wilt de sleutel van de deur pakken, maar je bent de sleutel verloren. Dan kan de deur niet open. Ja, dan ga je natuurlijk zoeken: ‘Waar ben ik het laatst geweest? Ik ben het laatste in de schuur geweest.’ Dan ga je in de schuur kijken, je doet het licht aan en je haalt alles ondersteboven, want je moet die sleutel vinden. Zonder sleutel kom je immers het huis niet binnen! Zo gebruikt de Heere Jezus dat zoeken in de Bergrede. Want Hij zegt: Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods (Matth.6:33). Zo wordt het hier ook bedoeld: wij zoeken om die stad te vinden. Dus zoeken om te vinden. Dat wordt bedoeld.

 

Gemeente, dat zoeken dat is een genadig en gelovig zoeken. Want van nature zoekt de mens de aardse dingen en wandelt hij wat rond om de tijd te vullen. Hier heb je het genadige zoeken.

Hoe is dat genadige zoeken van die toekomende stad? Dat is een aanhoudend zoeken. Soms worden de gelovigen weleens wat slaperig. Soms raken ze een beetje gewend aan deze wereld. Dan gebruikt de Heere weleens middelen om dat zoeken weer te bevorderen. Dan wordt er soms als het ware een spijker in je leven ingeslagen. Een sterfgeval is bijvoorbeeld zo’n spijker. Er zullen wel mensen zijn in de kerk, die zo’n hele diepe spijker voelen in hun leven. Dat doet zo’n pijn, dat is zo moeilijk! Je praat er eens met iemand over, maar die gaat later ook weer de deur uit. Je praat er eens met een ouderling over, maar dan wordt het ook weer stil. Dan schreeuwt je ziel naar God. En toch heeft God er een bedoeling mee.

 

Ze vroegen eens aan een beeldhouwer die beelden maakt uit een groot stuk marmer: ‘Wat is dat nu eigenlijk, een beeld maken? Kunt u dat eens uitleggen?’ ‘Nou,’ zei die beeldhouwer, ‘dat is heel eenvoudig. Ik hak alles weg wat geen beeld is!’

Gemeente, in het leven van Zijn kinderen – en ik bedoel dat eerbiedig – hakt God alles weg wat niet van Christus is. Dan blijft de grote Zaligmaker over en gaan we Hém aanhoudend zoeken. We gaan op Hem lijken en Zijn beeld vertonen. Het beeld van Hem, Die weende bij het graf van Lazarus, Die worstelde in de hof van Gethsémané en Die – en daar wil ik graag mee eindigen – gekomen is in deze wereld om het verlorene te zoeken. Dan worden we een leerling op de school van Christus.

 

Gemeente, jong en oud, die Koning zoekt nog steeds. Hij klopt op de deur van uw hart. Hij zoekt u nog steeds in de prediking van het Woord. Hij zoekt u nog steeds in de verkondiging van het heilig Evangelie. Hij zoekt jongeren en ouderen. Hij zoekt mensen, die Zijn lof vertellen. Wat doet de mens eigenlijk op aarde? Wat doet een ware prediker op aarde? God grootmaken! Een prediker wijst niet op zichzelf, maar op het Lam Gods dat de zonde der wereld wegneemt. Hij is de enige troost, de enige hoop. Hij zoekt ook vandaag het verlorene.

Zou je er geen zin in krijgen om die Koning te dienen en je leven te besteden tot eer van Zijn Naam?  Echt, Hij is het waard om gediend te worden. Misschien twijfelt u? Zoek dan in de Bijbel en lees daarin. Laat het gewicht van de eeuwigheid wegen op uw hart. Eenmaal staat u voor God. We geloven met de Kerk der eeuwen in de wederkomst ten oordeel. Zoekt de Heere en leeft.

Wat een geluk als we Hem gaan zoeken. Dan zullen we Hem ook zeker vinden. Dat is de belofte die de Heere in de Schrift heeft neergelegd. En Zijn beloften zullen vervuld worden. De Heere is gekomen om het verlorene te zoeken. En als we de Koning vinden, gaat het om Zijn eer en Zijn Naam. Dan zingen we:

 

Zijn Naam moet eeuwig’ eer ontvangen;

Men loov’ Hem vroeg en spa.

De wereld hoor en volg mijn zangen

Met amen, amen na.

 

Amen.

 

Slotzang: Psalm 90 vers 9

 

Laat Uw genâ ons met haar troost verrijken,

En laat Uw werk aan Uwe knechten blijken,

Uw heerlijkheid niet van hun kind’ren wijken;

Uw liefd’, Uw macht behoed’ ons voor bezwijken;

Sterk onze hand, en zegen onze vlijt;

Bekroon ons werk, en nu, en t’ allen tijd.