Ds. L. Huisman - Genesis 12 : 1 - 3

Abrahams roeping

Genesis 12
Een allesomvattende eis
Een rijke belofte
Een machtige steun

Genesis 12 : 1 - 3

Genesis 12
1
De HEERE nu had tot Abram gezegd: Ga gij uit uw land, en uit uw maagschap, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal.
2
En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen!
3
En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 65:1
Lezen : Genesis 12:1-13
Zingen : Psalm 105: 3, 4 en 7
Zingen : Psalm 30: 11
Zingen : Psalm 117

Geliefde gemeente, de tekst uit het Woord van God waarover we willen prediken, vindt u in Genesis 12; de verzen 1 tot en met 3:

 

1. De Heere nu had tot Abram gezegd: Ga gij uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis, naar het land dat Ik u wijzen zal. 2. En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen. 3. En Ik zal zegenen die u zegenen en vervloeken die u vloekt en in u zullen al de geslachten van het aarddrijk gezegend worden.

n Ik zal zegenen die u zegenen, en vervloeken die u vloekt; en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden.

 

Deze tekst predikt: Abrahams roeping.

 

We overdenken drie punten:

 

1. Een allesomvattende eis. Ga uit uw land. Abraham moest alles verlaten: zijn land, zijn familie en het huis van zijn vader.

2. Een rijke belofte. Die lezen we in vers 2: En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken.

3. Een machtige steun: Want Ik zal zegenen, die u zegenen en Ik zal vloeken, die u vloekt en in u zullen al de geslachten des aardrijks gezegend worden.

 

Ten eerste dus:

 

1. Een allesomvattende eis

 

Hoe kan de stroom van de zonde gekeerd worden? Wij, in onze Gereformeerde Gemeenten, tobben niet alleen met dat probleem; in het algemeen leeft dit in de harten van allen die zich christen noemen. Hoe is de aanzwellende stroom van de zonde te keren? Hoe kunnen wij als kerk van God naar buiten toe duidelijk maken dat deze wereld voorbijgaat? Dat een werelds leven een hópeloos leven is? Hoe kunnen wij onze stem laten horen? Hoe kunnen we een krachtig beroep doen op het hart van de kinderen van deze wereld?

 

Helaas klinkt dan vaak – hoewel in verschillende nuances – als antwoord dat wij onze starre houding moeten laten varen en soepeler moeten worden tegenover de wereld. We dienen meer open te staan voor de wereld. Pas dan zullen niet-christenen ons meer erkennen en onze boodschap beter verstaan. Dan zullen ze misschien wandelen in de weg die het Woord van God voorhoudt. We moeten de opgeworpen dammen ondergraven. Wie nog vasthoudt aan de Drie Formulieren van Enigheid en de aloude gereformeerde belijdenisgeschriften wordt immers voor een fundamentalist gehouden? Wie alleen argumenten uit de Bijbel put om de wereld te overtuigen wordt een biblicist genoemd. En wie zegt dat de kerk pas kerk is wanneer het Woord van God wordt gehandhaafd, de sacramenten naar de eis van Gods Woord bediend worden en de kerkelijke tucht gehandhaafd moet worden, wordt kerkistisch genoemd. Zo krijgt ieder die op de bodem wenst te staan van Schrift en belijdenis een etiket opgeplakt. Alle dijken zouden moeten doorgestoken worden om een stem te krijgen in deze wereld…

 

Gemeente, dit alles is niet naar Gods Woord. We moeten constateren dat de kerk wel verwereldlijkt, maar de wereld niet ‘verkerkelijkt’. De kerk vertoont steeds meer de kenmerken van de wereld, maar de kenmerken van het Koninkrijk van God worden daarmee niet meer zichtbaar in de wereld.

Genoemde methode, hoe dan ook toegepast, faalt! Alleen het Woord van God geeft ons een richtsnoer, al eeuwenlang. Dat zien we in onze tekst. Immers, de Heere wil weliswaar dat Zijn Kerk in het midden van de wereld zal spreken, maar dan juist zal getuigen dat ze niet van deze wereld is. Dat geldt voor de tijd van het Oude Testament én voor de tijd van het Nieuwe Testament. De Heere Jezus heeft erover gezegd: ‘Ik bid niet dat Mijn Vader u uit de wereld zal wegnemen. Hij zal u een plaats geven in de wereld, maar Hij zal u bewaren van de wereld.’

Dus de discipelen kregen de opdracht om midden in de wereld te staan en om juist met dat staan in de wereld te laten zien dat ze niet van de wereld waren. De kerk zal alleen staan in de wereld, alleen met haar geloof op God, Die door Zijn kracht de wereld overwint.

Ook in onze tekst vinden we die houding van afzondering. Abram wordt afgezonderd uit de wereld van zijn dagen om een getuige te zijn voor die wereld. Opdat in het geslacht van Abram, in de heilige lijn, het Woord van God getrouw bewaard zou worden.

 

Gemeente, in Genesis 12 vinden we als het ware het beginpunt van de nieuwe mensheid. Abraham wordt daarom genoemd: de vader aller gelovigen.  Niet omdat vóór hem niemand in God geloofde, maar omdat in hem de heilige linie wordt voorgezet. Uit Abraham zullen van geslacht tot geslacht kinderen geboren worden die tot Christus zullen komen, tot aan het einde van deze wereld.

In het vorige hoofdstuk vinden we het heilige geslacht van Sem tot aan Abraham. U kunt daar lezen dat Terah de vader was van Abraham. We lezen er ook over Nahor en Haran, en dat Haran een zoon had die we kennen als Lot. Deze mensen waren na de spraakverwarring bij de bouw van de toren in het Tweestromenland blijven wonen, vlak bij het vroegere paradijs. Tot de dagen van Abraham heeft de Heere daar in Ur Zijn waarheid binnen het nageslacht van de godvruchtige Sem bewaard.

Maar die waarheid werd in de dagen van Abraham bedreigd door het opkomende heidendom. Dat weten we weliswaar niet rechtstreeks uit dit hoofdstuk, maar omdat Jozua dit gezegd heeft. Wanneer hij op het eind van zijn leven het volk vermaant trouw aan de Heere te blijven, zegt hij: ‘U weet toch wat de Heere aan onze voorvaders Terah en Abraham gedaan heeft?’ In Abrahams dagen werden namelijk naast de dienst aan de levende God de afgoden gediend, en daarom zonderde Hij Abraham af om alléén te wonen in het land Kanaän.

Het was niet de eerste keer is dat de Heere tot Abram sprak. Dat staat in het eerste vers van ons hoofdstuk: De Heere nu had tot Abraham gezegd. Dat betekent dat de Heere al tot Abraham gesproken heeft voordat hij uit Haran vertrok. Dat weten we ook uit de rede van Stefanus voor de Grote Raad van de Schriftgeleerden en Farizeeën. Hij heeft toen in het kort de geschiedenis van het volk Israël verhaald en gezegd dat de Heere al aan Abraham verscheen toen hij nog niet in Haran woonde.

 

Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis, naar het land dat Ik u wijzen zal. De Heere wil dat Abram alleen zal wonen. Dit is een allesomvattende eis. Abram moest zijn geboortegrond verlaten waar hij met zijn voorgeslacht eeuwenlang geleefd had. Hij moest daarmee ook zijn maagschap – dat betekent stamverband – vaarwelzeggen.

Abram moest dus zijn familiebanden verbreken. Samen met zijn vrouw, die uit dezelfde stam afkomstig was, zijn vaderlijk huis verlaten, en op weg gaan naar een vréémd, naar een onbekend land, waar hij nog nooit één voetstap gezet had, naar het land dat de Heere hem wijzen zou.

Gemeente, Abram was een mens van gelijke beweging als wij. Ook hij was van nature wereldsgezind. U mag dus niet denken dat hij zonder zonde was, en zonder tegenspreken op weg is gegaan. Nee, er staat dat hij gegaan is door het gelóóf! Paulus zegt dat hij door het geloof Haran verlaten heeft…

Wie ‘geloof’ zegt, die zegt: strijd. Een strijd op leven en dood, een strijd tegen gevoelens van opstand tegen God. Want waar het geloof is, voert het een strijd op leven en dood met het ongeloof.

Ook Abram kende dat! Hij is weliswaar door het geloof op weg gegaan, maar denk nu niet dat dat dit hem geen strijd gekost heeft. Nee, hij moest als het ware door de Heere met horten en stoten worden uitgedreven naar het beloofde land, telkens weer. Dat blijkt al spoedig, want het lijkt erop dat Abram niet zo handelde als God hem bevolen had. Want de Heere had immers gezegd: Ga gij uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis.

Maar wat lezen we in het vorige hoofdstuk?

Niet Abram had de leiding van de emigratie, van de uittocht, maar zijn vader! Zijn vader vertrok samen met hem en zijn andere huisgenoten, waaronder zijn neef Lot. Samen reisden ze naar Haran. Maar Haran is Kanaän niet. Lange tijd hebben ze daar gewoond. Ze hebben in Haran zelfs kinderen gekregen en bezittingen verworven.

Abram heeft zijn reis naar Kanaän dus diverse malen onderbroken. Het heeft de Heere niet behaagd om de bijzondere redenen daarvan ons te openbaren. Maar dat Haran niet Abrams definitieve bestemming was is zeker. Dat vader Terah in Haran overleed is dan ook niet toevallig. Later werd zelfs Lot van zijn zijde weggerukt. Ook dat was naar Gods bestuur.

 

Abraham moet alléén gaan, opdat de waarheid in zijn geslacht bewaard zal blijven totdat Christus komen zou. Ik zeg nog eens: de reis naar Kanaän was voor Abraham een weg van horten en stoten. Het was een weg van strijd tussen geloof en ongeloof. Een weg van álles verliezen om Christus alléén te gewinnen, om het oog op Hem alleen gevestigd te houden, en alleen door Zijn kracht alleen staande te blijven in de weg, in de strijd tegen de zonde. God zet Abraham apart. God vraagt het puur onmogelijke. Want wie kan nu afstand doen van zijn land, van zijn familie, van het huis van zijn vader? Wie kan dat?

Anders gezegd: als het Woord van God tot ons komt – en het komt tot ons allemaal – dan vraagt God daarmee altijd iets wat we zelf niet volbrengen kunnen. Dan vraagt Hij het voor ons verdorven verstand het onredelijke! Jongens en meisjes, jullie horen het goed: voor het verdorven verstand vraagt de Heere het onredelijke. Alles verlaten! Zelfs bloedbanden verbreken om Christus’ wil om alleen te gaan wonen. Je staat apart staan; dat kost pijn, dat kost je vlees en bloed. Maar het móet, het moet om Gods wil!

Want er is geen andere weg naar Kanaän. Er is geen andere weg om gered te worden dan alléén te staan in deze wereld. Alleen met God en alleen met Christus, alleen met uw geloof, met het levende geloof dat God Abram schonk toe Hij hem riep. Alleen door dat geloof, hoewel met strijd, kan Abram op reis gaan.

Ik zeg het nog eens: Het ging met horten en stoten, met veel gebreken, met ongeloof zelfs, maar Abraham zál in Kanaän komen. Hij komt er omdat God getrouw is, omdat Hij Zijn waarheid nimmer zal krenken, omdat Hij Zijn Christus uit het geslacht van Abraham wil doen geboren worden, opdat in het geslacht van Abraham en zijn zaad álle geslachten der aarde zullen gezegend worden.

 

Gemeente, luister eens! God zet de mens alléén. Daartoe roept Hij ook ons. Misschien zitten er nu wel jongeren in de kerk die op het punt staan hun opvoeding overboord te zetten, omdat die band te vast klemt. Het zou kunnen zijn dat je je tijd uitzit op dit moment. Je hoofd boordevol van allerlei gedachten. Stemmen die zeggen: ‘Wat heb je aan zo’n preek? Wat heb je aan de kerk? Wat heb je aan dat onderwijs van je vader en je moeder? Wat heb je aan die Bijbel? Wat kun je ermee in deze wereld? Wat levert het op voor je leven?’

Jongens, meisjes, luister eens! Als je verder denkt dan de zeventig of tachtig jaar van dit tijdelijke leven, als het je ernst is met de zaligheid van je ziel, als je nog gelooft dat er een God in de hemel is voor Wie we straks moeten verschijnen om verantwoording af te leggen voor onze goede of slechte daden, dan moet je alléén wonen. God roept je dan op dit moment op om je af te zonderen van de wereld.

Ja, dat kost pijn. Je moet er ontzettend veel voor overboord zetten. Je moet dan álles verlaten wat je ziel verbindt aan de zonde en aan de wereld. Maar, jongeren, God weet dat dit strijd en moeite kost. Abraham was niet geestelijker dan wij. Het ging bij hem ook niet vanzelf. Het ging alleen maar door het geloof. Omdat het geloof de band is met God. Omdat het geloof verder ziet dan wat zichtbaar en tijdelijk is.

Dat geloof houdt geen rekening met vader en moeder. Het rekent niet met een dikke portemonnee en een goede baan, met lieve vrienden en vriendinnen. Het geloof houdt alleen maar rekening met God. Met God, Die zegt: ‘Ga uit uw land om Mijnentwil. Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis, naar het land dat Ik u wijzen zal!

Die roeping waarmee God tot een zondaarshart komt en daarmee binnendringt in ons leven, is een teken van verkiezing. Hij dóet het, ook vandaag, als een teken van Goddelijke verkiezing. Omdat God Abram verkoren heeft, daarom heeft Hij hem geroepen en daarom moet Abraham alléén wonen. Alleen in Kanaän, in het land dat de Heere hem wijzen zal.

 

Gemeente, we horen Abraham niet vragen: Naar welk land moet ik gaan? Wat levert me dat aan voordeel op?

Nee, op vragen van ongeloof krijg je geen antwoord. Abraham weet dat als God met hem meegaat, dat het hem dan aan niets ontbreken zal. Want Abraham was een gelovige. God heeft in deze roeping het geloof in zijn hart gelegd. God spreekt: ‘Ik zal u dat land wíjzen!’

Maar, het is niet zo dat wie alles verlaat in het duister moet dwalen. Of alles maar moet nemen zoals het valt. Nee, zo werkt God niet. Wanneer de Heere zondaren roept, dan zegt Hij: ‘Ga naar het land dat Ik u wijzen zal!’

Er zijn mensen die om Gods wil wel veel verlaten, maar ze gaan niet op weg naar het land dat God hen wijst. Dan wordt, zoals de Heere Jezus zegt, je levenshuis wat schoongemaakt en weggedaan wat verkeerd is. Maar die ene duivel haalt zeven andere binnen. De Heilige Geest komt er intussen niet in. Het loopt slecht af; de duivel neemt bezit van zo iemand. Een wettisch mens, in wie de Heilige Geest niet woont, is een zegen voor de satan maar een afschuw voor Christus.

Nee, wanneer de Heere roept en lokt: ‘Verlaat uw land, uw familie, het huis van uw vader’, dan klinkt de boodschap: ‘Ga naar het land dat Ik u wijzen zal!’ Ik zal het u wijzen. En al zegt u op dit moment: ‘Ik zie er niets van’, dan zegt God: ‘Let op Mij! Let op Mijn vinger, let op Mijn hand, want Ik zal u het land wijzen.’ Of wanneer u zegt: ‘Heere, U weet toch dat de zonde me de dood geworden is en dat ik U heb liefgekregen? Maar zal het nog wel goedkomen? Ik zie het land Kanaän maar niet.’ Luister dan naar wat de Heere zegt: ‘Let op Mij! Let op Mijn vinger, want Ik wijs u het land Kanaän.’

 

Gemeente, God is voortdurend bezig u dat land te wijzen. Ik hoor u zeggen: ‘Maar ik zíe het niet! Wat baat het me op dit moment?‘

O, wacht dan, wacht slechts op de uitkomst van de weg des Heeren! Want het voordeel zal u straks pas in de schoot vallen. Wees niet als een dwaze erfgenaam die een erfenis voortijdig wil ontvangen. U kunt er nog niet verstandig mee omgaan, u zou die erfenis erdoorheen jagen. Want Salomo zegt: Als een erfenis in het eerste verhaast wordt, zo zal haar laatste niet gezegend worden (Spr.20:21). U moet niet willen zien of tasten, niet altijd vragen: ‘Heere, wat is het voordeel? Laat me nu eens zien wat ik heb aan de dienst van God. Hoeveel meer vreugde heb ik dan in mijn hart boven de kinderen van de wereld?’ Nee, de Heere zegt: ‘Let op Mijn vinger, op Mijn hand. Ik zal u het land wijzen. Al ziet u het nu nog niet, als u God Zelf maar ziet. Als u maar let op het Woord. Als u zich door het geloof maar vasthoudt aan Gods getuigenis. Want de goddelozen zullen verstoten worden tot in de diepten van de hel. Maar wie op God vertrouwt, op Hem alleen, zal omringd worden met Zijn goedertierenheid.

Al gaat u dan als een blinde door de duisternis van de nacht, als u maar vasthoudt aan het Woord van God. Dat heeft Abraham mogen doen. Hij heeft, zoals Paulus schrijft, niet getwijfeld door ongeloof. Niet dat Abraham nooit getwijfeld heeft, maar zijn ongeloof heeft hem niet weerhouden om naar Kanaän te gaan. Door het geloof heeft hij overwonnen. Maar nog eens: Abraham was geen heilige. Geen engel zonder zonde. Abraham was een mens zoals wij.

Nu in de tweede plaats:

 

2. Een rijke belofte

 

Ik – de Heere – zal u tot een groot volk maken en u zegenen en uw naam groot maken. Dat zal Ik doen. Het was de belofte die de Heere aan Abraham deed. Neem het eerst maar letterlijk. Wat was in die tijd een groter zegen dan veel kinderen te hebben en een groot volk te mogen worden?

Abraham zal zijn naam groot maken… Dat was ook een zegen, want een goede naam is beter dan olie. De naam van Abraham zal klinken in alle geslachten, tot aan de dag van Jezus Christus. En noemen we nog steeds niet met ere de naam van vader Abraham? Verblijden we ons niet in onze geestelijke vader? Heeft Jezus Zelf niet gezegd dat degenen die Abrahams werken doen Abraham’s kinderen zijn? Ook wij mogen ons toch beroemen Abrahams zaad te zijn? Nee, niet naar het vlees, zoals de Farizeeërs deden, maar naar de Geest van God.

In het zaad van Abraham, in Jezus Christus worden wij gezegend met tijdelijke en eeuwige zegeningen. Daarom hebben wij Abraham, onze vader, de vader aller gelovigen, lief. En mogen we ons verheugen straks voor eeuwig in Abrahams schoot te mogen liggen. 

 

Ik zal u tot een groot volk maken en Ik zal u zegenen. Dat gebeurt door een weg van afzondering van de wereld.

Misschien vraagt u nu wel: Maar dat kan de Heere toch veel beter in het Tweestromenland doen, in Ur? Daar leefde Abraham toch al met zijn gezin? Hij kan toch beter in dat land tot een groot volk worden en zich een grote naam maken?

Gemeente, de praktijk is dan dat de nakomelingen van Abraham zich vermengen met de kinderen van de wereld. Nee, alleen wanneer Abraham en zijn geslacht zich zal afzonderen kan zijn naam groot en bekend worden. Alleen wanneer het volk van God met de Heere leeft, dan is de Kerk krachtig. Alleen als de Kerk als een eenzame door de wereld doolt, maar dicht bij Christus leeft, verbonden aan het Woord van God, alleen dan heeft ze kracht. Pas dan kan God iets met die kerk doen. 

Maar zodra de kerk tot een compromis genegen is, zodra ze zich gaat inlaten met de wereld, zich met die wereld gaat vermengen en de grenzen vervagen, dan is het zout smakeloos geworden. Dan zegt God: ‘dat zout dient nergens toe dan op de mesthoop geworpen te worden.’ Dan geeft de lamp geen licht meer. Alleen dan kan God Abraham tot een zegen stellen.

God zegent Abraham, God zegent Zijn Kerk, Hij is Zijn Gemeente genadig, Hij geeft Zijn gelovigen vrede en Zijn Heilige Geest, opdat de Kerk tot een zegen zal zijn, opdat Gods Naam verheerlijkt zal worden. Maar zodra de Kerk een grootheid wordt op zichzelf, zodra ze zelfgenoegzaam gaat zeggen: ‘Wij… onze gemeenten, onze kerk’, dan heeft ze afgedaan. Dan hebben onze gemeenten geen betekenis meer, dan geven we geen licht meer. Maar zolang we gezegend worden kunnen we tot een zegen zijn. Opdat Gods naam aan de wereld zou worden bekend gemaakt.

 

Geliefde gemeente, wees een zegen! Dat is het doel, daartoe zegent de Heere Abraham. Daartoe geeft Hij Zijn volk steeds weer door het geloof te mogen staan. Als we ons wat minder zouden schamen voor de Naam des Heeren, zouden meer vreugde, meer blijdschap, en meer zegen in ons eigen hart ervaren. Maar juist omdat we zo weinig tot een zegen zijn, daarom wórden we ook zo weinig gezegend. Het is een wisselwerking. Geloof toch dat God ons dáártoe verkoren heeft, opdat Zijn Naam verheerlijkt worde. Wees een zegen! Dát was de boodschap die Abraham van God meekreeg.

Maar als Abraham zélf daaraan werkte, als hij niet lette op die vinger van God, ging het verkeerd. Bijvoorbeeld toen hij vanwege de honger naar Egypte uitweek. In ongeloof zei hij toen tegen Farao die Sara als vrouw wilde hebben: ‘Ze is mijn zuster’. Tóch waakt God, als Farao achter die leugen komt, over Abraham op zijn dwaalweg. Ondanks Abraham zal God Zijn Woord bevestigen! Farao geeft Abraham zijn vrouw terug.

U zult wellicht zeggen: nou, dat zal Abraham geen tweede keer doen!

Nee, een poosje later doet hij precies hetzelfde bij koning Abimelech.

Maar dan is het wéér God die er een punt achter zet, die er een dikke streep onder zet, die Abimelech straft. Dan redt God Zijn verdwaalde kind Abraham wéér!

En als Abraham aan het eind van zijn leven denkt dat er niets meer van terecht zal komen, neemt hij zijn dienstmaagd als vrouw. Weer wijkt hij af, weer houdt hij zijn oog niet op God geslagen, weer let hij niet op Gods Woord! Weer gaat Abraham te rade bij vlees en bloed. Het heeft hem zelfs zijn kind gekost. Hij moet zijn eigen vlees en bloed, Hagar en Ismaël, wegsturen, de woestijn in. Omdat hij niet geluisterd heeft naar de Heere!

Maar ondanks dit alles zal God Zijn waarheid nimmer krenken. Hoort u dat? Als Abraham maar let op Gods vinger, dan wordt hij gezegend. Dan mag hij tot een zegen zijn. Maar als hij in moedeloosheid of ongeloof zelf aan het werk gaat, kijk, dan komt het telkens verkeerd uit.

 

Gemeente, is dit alles ook niet de praktijk van ons leven? We luisteren zo weinig naar God. We letten zo weinig op Gods vinger. We durven het zo weinig te wagen met het Woord van God. We letten zo op de omstandigheden. Zo negeren we het Woord van God. Zo zoeken we het compromis, zo zoeken we de vrede tussen God en de wereld. Zo zoeken we de synthese terwijl God de antithese gegeven heeft: de volstrekte tegenstelling tussen de wereld en de kerk. God roept ons tot eenzaamheid, om alleen te staan, alleen met God, alleen met het Woord.

 

En Ik zal zegenen die u zegenen, en vervloeken die u vloekt; en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden. Kijk, dat was de steun en de sterkte die God aan Abraham beloofde. Dat is onze derde gedachte, maar laten we eerst zingen uit Psalm 33 vers 10:

 

Zijn machtig arm beschermt de vromen

En redt hun zielen van den dood;

Hij zal hen nimmer om doen komen

In duren tijd en hongersnood.

In de grootste smarten,

Blijven onze harten

In den Heer' gerust;

'k Zal Hem nooit vergeten,

Hem mijn Helper heten,

Al mijn hoop en lust.

 

3. Een machtige steun

 

We zongen zojuist: Ik zal Hem nooit vergeten, Hem mijn Helper heten. Is dat waar voor ons? Voor Abraham wel! Al heeft hij dan vaak het rechte pad verlaten, toch was het waar: ik zal Hem nooit vergeten, Hem mijn helper heten. Want de Heere had gezegd: Ik zal zegenen die u zegenen en vervloeken die u vloekt en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden.

Was Abraham dan zo’n voorname man dat elk mens die Abraham vloekte, vervloekt werd? En dat elk mens die Abraham zegende, gezegend werd?

Welnee, ik zeg het nog eens: Abraham was een man van gelijke beweging als wij.

Maar wat bedoelt de Heere dan?

Wel, uit Abrahams geslacht zal Christus geboren worden. Want er staat in het laatste gedeelte van onze tekst: en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden. Abraham heeft in het geloof Christus mogen ontvangen. Hij heeft ernaar verlangd Zijn dag te zien. Jezus zegt: Abraham, uw vader, heeft met verheuging verlangd, opdat hij Mijn dag zien zou; en hij heeft hem gezien, en is verblijd geweest (Joh.8:56). Abraham heeft Jezus Christus gezien door het geloof. Hij heeft die belofte van God ontvangen. Zoals Adam en Eva in het paradijs de Christus gezien hebben in de moederbelofte, zo heeft Abraham Hem ook aanschouwd. Hij heeft de smaadheid van Christus gekozen zoals later ook Mozes zal doen. Mozes heeft het hof van Farao verlaten omdat hij de smaadheid van Christus’ volk omhelsde, om met dat volk te leven en te sterven.

 

Geliefde gemeente, iedereen die Abraham bemint heeft ook Abrahams Zoon lief! Iedereen die Abraham vervloekt, die vervloekt Abrahams Zoon! Beseft u dat? Die lijn moet u doortrekken. Iedereen die Gods volk liefheeft, heeft ook Christus lief. De apostel Johannes schrijft: Wij weten, dat wij overgegaan zijn uit den dood in het leven, dewijl wij de broeders liefhebben; die zijn broeder niet liefheeft, blijft in den dood (1Joh.3:14). Wie vijand van het volk van God is, die is vijand van Christus! Want in het volk van God wordt Christus aanschouwd.

Is dat ook het volk waarmee u wilt leven en sterven? Met al hun gebreken? Van Abraham staan maar enkele gebreken opgetekend. Hij had er nog veel meer. Het volk van God van vandaag heeft óók veel gebreken. We belijden het zelf als eerste! We zeggen met de bruid in het Hooglied: Ziet mij niet aan, dat ik zwartachtig ben, omdat mij de zon heeft beschenen (Hgl.1:6). Het volk van God stemt hartelijk in met de bruid: Ik ben zwart door de zonde, zwart als de tenten van Kedar’.

 

Ze beamen het. U heeft toch het volk van God wel lief? Hoewel ze zwart zijn? Hoewel u er veel ondeugden van weet op te noemen? Hebt u ze lief, omdat u in dat volk Christus aanschouwt? Omdat u in het werk dat God in Zijn volk doet, het werk van God ziet?

Draagt u ook daarom de smaadheid van dat volk mee?

Kom, hieraan kunt u het weten.

Of schaamt u zich nog dat u bij het volk van God hoort?

Weet u wat hier staat? Ik zal zegenen die u zegenen. Maar er staat ook: en vervloeken die u vloekt! Het is van tweeën één: we zijn of Abraham’s kinderen of we zijn kinderen van de satan. We zijn gezegend of we zijn vervloekt. Reizen we samen met Abraham naar Kanaän of reizen we naar die poel die brandt van vuur en sulfer?

Nogmaals: het is van tweeën één. Dit is een kenmerk: zegent u Abraham om Christus’ wil? Omdat Abraham Christus draagt, omdat Christus in Abraham openbaar komt? Jongeren, heb je het volk van God lief om de genade die de Heere in hun hart openbaart? Omdat Hij in hen barmhartigheid en rechtvaardigheid openbaart?

De rechtvaardigheid openbaart Hij door hun zonden te vergeven en die te leggen op het Offerlam. En de barmhartigheid openbaart Hij door hen de gerechtigheid van het vlekkeloos Lam toe te rekenen en door ze op te nemen in Zijn eeuwige heerlijkheid.

 

Gemeente, dan wordt die band aan Abraham zo nauw. Ja, u mag het ook letterlijk nemen. Dan kan er weleens een verlangen zijn om die vader der gelovigen te mogen ontmoeten voor de troon van God, en om met Abraham, Izak en Jakob te mogen spreken over de wonderen der verlossing, die eertijds aan werd gedaan.

Maar het geldt altijd en alleen voor het geestelijk zaad van Abraham. De Heere Jezus heeft tot de Joden gezegd: ‘U denkt wel dat u Abraham’s kinderen bent, maar als je werkelijk een kind van Abraham bent, dan zou je ook Abrahams werken doen. Maar nu probeert u Mij te doden. Dat heeft Abraham niet gedaan.’ Ze meenden hiermee de zuiverheid van Abraham’s leer te bewaren, maar ze hebben Christus, het Zaad van Abraham, gedood.

Het is geen denkbeeldig gevaar dat we ons beroemen op de uitwendige voorrechten van het Genadeverbond terwijl we in ons hart vijand van Sion zijn, terwijl we het volk van God niet van harte liefhebben. O, dan spreekt ook vandaag het Woord van God tot u: Ik zal vervloeken, die u vloekt!

Ontzaglijke tijding! Omdat de aanranding van Gods volk de aanranding is van Gods oogappel. Omdat Christus Zijn werk in Zijn volk openbaart. Ik zal vervloeken, die u vloekt!

Maar het Woord van God roept u ook toe: Ik zal zegenen, die u zegent…

Wat een troostvolle boodschap voor een hulpeloos volk. Wat een troostvolle boodschap voor bekommerde zielen, voor ellendigen en nooddruftigen, die zich níet tot Abraham’s kinderen durven te rekenen, maar die toch Abraham liefhebben, die het volk van God liefhebben, die met dat volk wensen mee te reizen. Die met Groenewegen zeggen: ‘Ik hoef niet vooraan te staan, als ik dan maar mee mag gaan.’ Die willen leven met Abraham en met hem willen meegaan naar het land dat God hen wijzen zal. Die letten op Gods Woord en afzien van de omstandigheden en die leunen op God…

 

Kent u dat? Dat alleen zijn met God? Wát de mensen ook zeggen, wát uw eigen hart ook zegt? Zeg met Samuël: ‘Spreek, want uw knecht hoort! (1Sam.3:10). Ik hef tot U, o God der goden, mijn ziel op. Op U zijn mijn ogen geslagen. Ik vertrouw op U, verlaat mij niet.’

Kent u die taal? O, dan krijgt u een liefde tot de dienst van God. Dan zegt u misschien: ‘Ja maar, ik zie zo weinig van Kanaän; ik zie zo weinig van die zegeningen die God beloofd heeft aan Abraham.’

Dat kan; Abraham heeft óók de belofte niet in haar volle lengte en breedte en diepte gezien. Maar wat heeft Hij gedaan? Hij heeft het oog geslagen op Hem die de belofte gegeven heeft en die heeft gezegd: ‘Hij die trouw is, zal mijn voet voeren uit des bozen netten.’

Nee, hij heeft Kanaän nooit in bezit gekregen. Hij heeft er geen enkele voetstap de zijne kunnen noemen. Hij bezat er niet meer dan één grafspelonk, waar hij zijn geliefden heeft neergelegd en die grafspelonk heeft hij nog met zijn eigen geld gekocht. Want voor de rest bezat hij niets. Maar toch zegt de apostel, dat hij uitgegaan is, niet wetende waar hij komen zou, en dat hij niet door ongeloof getwijfeld heeft aan de beloften Gods.

Zoals Abraham, zijn ook zijn zonen Izak en Jakob geweest! Ze zijn bewoners geweest van het land Kanaän; ze hebben gezworven door het land dat God hen toegezegd had. Daarom zegt de apostel: Indien zij aan dat vaderland gedacht hadden van hetwelk zij uitgegaan waren, zij zouden tijd gehad hebben om weder te keren; Maar nu zijn zij begerig naar een beter, dat is naar het hemelse (Hebr.11:15,16).

 

Ik weet dat er hier mensen zijn die zeggen: ‘O God, al kom ik dan nóóit in de hemel, maar teruggaan naar Ur der Chaldeeën, dat nooit meer. Al zou ik dan nooit een zoon van Abraham genoemd worden, laat me dan toch met Abrahams volk leven zolang ik op aarde ben’.

Kijk, gemeente, jongeren, daar heb je nou de Kerk – met een hoofdletter – de ware Kerk. De roeping is niet alleen belangrijk, of het feit dat God een zondaar van de dood in het leven overbrengt, maar er is ook een lijn; een lijn die het hele leven voortgaat. Steeds opnieuw worden we geroepen om als een afgezonderd volk te leven, om onder het vaandel van Christus onze weg te gaan; alleen, alleen met Christus, alleen met God, met het oog op Hem geslagen.

 

Kom, wees eens eerlijk voor God. Is Abraham u lief? Is het volk van God úw volk? Ziet u in dat volk hetzelfde leven waarnaar uw hart uitgaat?

Dan heeft diezelfde God die Abraham riep, ook u geroepen!

Dan bent bereid alles te verlaten en om alles prijs te geven. Dat gaat niet zonder strijd. Maar uiteindelijk zal het leven van Abraham zegevieren, omdat het leven is uit de eeuwige God, Die niet zal laten varen het werk van Zijn handen.

En mocht u er soms over denken terug te keren naar het vaderland dat u verlaten hebt, u hebt de tijd om terug te keren. Houd dan op met bidden en zoeken, met vragen naar de Heere. Vloek dan dat volk van God, zweer je doop af en leef vrolijk in de wereld.

Maar dat is onmogelijk! ‘Nee Heere, o God, dat nooit weer!’

Nee, dan is dat volk van Abraham, omdat de dienst van God hen lief geworden is, omdat het Zaad van Abraham hen te lief geworden is.’ Dit zijn nu degenen die Abraham’s werken doen. Ze beminnen Jezus Christus in Gods kinderen. Ze zijn vertrokken uit hun geboorteland. Ze letten op de vinger des Heeren. Het zijn mensen die met een teer hart zingen: ‘Heere, wijs Gij mij toch Uwe wegen, die Gij wilt dat ik zal gaan.’ Ze zijn verlangend de voetstappen van de Heere te mogen horen en om de zoom van Zijn kleed aan te raken. Ze hebben geen ander verlangen dan in het tranendal van het leven achter Hem te wandelen. Om eens, met een eeuwige vreugde, samen met Abraham Christus te mogen aanschouwen.

 

In u zullen al de geslachten des aardrijks gezegend zijn. Hier ontvangt Abraham Christus te midden van zijn verlatenheid. Toen hij alles prijsgaf, alles verliet wat hem dierbaar was, toen ontving hij Christus uit Gods hand als zijn trouwe Borg en Zaligmaker. Op Hem heeft hij het anker van de hoop laten vallen. Daar heeft het ‘amen’ van Abraham geklonken. Nu kan hij op weg gaan naar Kanaän!

Geloof het toch, jongens en meisjes, en allen die God nog niet vrezen, geloof toch dat als je met Abraham je zondige leven vaarwelzegt, dat je dan meer terugkrijgt dan wat je achter je laat. Je krijgt God terug en Zijn Christus. Je krijgt al de vromen ervoor terug die op de aarde zijn en al in de hemel zijn. Ze wachten op je. Want de zielen onder het altaar roepen: Hoe lang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet van degenen die op de aarde wonen? (Openb.6:10). Ze roepen om de verlossing van de strijdende Kerk.

Maar het volk van God is door dit moeitevolle tranendal op weg naar het Kanaän dat boven is. En zo waarachtig als God aan het zaad van Abraham het beloofde land tot een erfenis heeft toegezegd en gegeven op Zijn tijd, zo zeker zal ook onze getrouwe God en Zaligmaker ons aan het eind van onze levensweg in het Vaderland hierboven brengen, in het Kanaän der rust, waar we dan eeuwig zullen wonen, met Abraham, Izak en Jakob.

 

Amen.

 

Psalm 117:

 

Loof, loof den Heer’, gij heidendom;

Gij volken, prijst Zijn naam alom.

Zijn goedheid is, in nood en dood,

Voor ons, Zijn volk, oneindig groot;

Zijn waarheid wankelt nimmermeer.

Zingt, Hallelujah, zingt Zijn eer!