Ds. C.G. Vreugdenhil - Nehemia 8 : 10 - 19

De doorwerking van het luisteren naar Gods wet

ze wenen in diepe verslagenheid (vers 10)
ze maken een grote blijdschap (de verzen 11 tot en met 13)
ze vieren het Loofhuttenfeest (de verzen 14 tot en met 19)

Nehemia 8 : 10 - 19

Nehemia 8
10
En Nehemia (dezelve is Hattirsatha) en Ezra, de priester, de schriftgeleerde, en de Levieten, die het volk onderwezen, zeiden tot al het volk: Deze dag is den HEERE, uw God, heilig; bedrijft dan geen rouw, en weent niet; want al het volk weende, als zij de woorden der wet hoorden.
11
Voorts zeide hij tot hen: Gaat, eet het vette, en drinkt het zoete, en zendt delen dengenen, voor welken niets bereid is, want deze dag is onzen HEERE heilig; zo bedroeft u niet, want de blijdschap des HEEREN, die is uw sterkte.
12
En de Levieten stilden al het volk, zeggende: Zwijgt, want deze dag is heilig, daarom bedroeft u niet.
13
Toen ging al het volk henen om te eten, en om te drinken, en om delen te zenden, en om grote blijdschap te maken; want zij hadden de woorden verstaan, die men hun had bekend gemaakt.
14
En des anderen daags verzamelden zich de hoofden der vaderen van het ganse volk, de priesters en de Levieten, tot Ezra, den schriftgeleerde, en dat, om verstand te bekomen in de woorden der wet.
15
En zij vonden in de wet geschreven, dat de HEERE door de hand van Mozes geboden had, dat de kinderen Israels in loofhutten zouden wonen, op het feest in de zevende maand;
16
En dat zij het zouden luidbaar maken, en een stem laten doorgaan door al hun steden, en te Jeruzalem, zeggende: Gaat uit op het gebergte, en haalt takken van olijfbomen, en takken van andere olieachtige bomen, en takken van mirtebomen, en takken van palmbomen, en takken van andere dichte bomen, om loofhutten te maken, als er geschreven is.
17
Alzo ging het volk uit en haalden ze, en maakten zich loofhutten, een iegelijk op zijn dak, en in hun voorhoven, en in de voorhoven van Gods huis, en op de straat der Waterpoort, en op de straat van Efraimspoort.
18
En de ganse gemeente dergenen, die uit de gevangenis waren wedergekomen, maakten loofhutten, en woonden in die loofhutten; want de kinderen Israels hadden alzo niet gedaan sinds de dagen van Jesua, den zoon van Nun, tot op dezen dag toe; en er was zeer grote blijdschap.
19
En men las in het wetboek Gods dag bij dag, van den eersten dag tot den laatsten dag. En zij hielden het feest zeven dagen, en op den achtsten dag den verbodsdag, naar het recht.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 113: 1 en 2
Lezen : Nehemia 8
Zingen : Psalm 149: 1, 3 en 5
Zingen : Psalm 138: 1 en 2
Zingen : Psalm 119: 83

Het tekstgedeelte voor de prediking vindt u in Nehemia 8, de verzen 10 tot en met 19. We lezen daarvan nu alleen de verzen 10 en 11:

 

10. En Nehemia (dezelve is Hattirsátha) en Ezra, de priester, de schriftgeleerde, en de Levieten, die het volk onderwezen, zeiden tot al het volk: Deze dag is den Heere, uw God, heilig; bedrijft dan geen rouw, en weent niet; want al het volk weende, als zij de woorden der wet hoorden.

11. Voorts zeide hij tot hen: Gaat, eet het vette, en drinkt het zoete, en zendt delen dengenen, voor welken niets bereid is, want deze dag is onzen Heere heilig; zo bedroeft u niet, want de blijdschap des Heeren die is uw sterkte.

 

Het thema voor de prediking is: de doorwerking van het luisteren naar Gods wet.

We letten op drie aandachtspunten:

1. ze wenen in diepe verslagenheid (vers 10);

2. ze maken een grote blijdschap (de verzen 11 tot en met 13);

3. ze vieren het Loofhuttenfeest (de verzen 14 tot en met 19).

 

1. Ze wenen in diepe verslagenheid

Gemeente, als dominee vraag je jezelf weleens af: werken mijn preken eigenlijk nog wel iets uit? Het is heerlijk als je de kinderen en de jongelui ziet luisteren. Het is een fijne ervaring als het echt stil is in de kerk en de mensen vergeten hun snoepje te nemen en hun neus op te halen. Maar ... gebeurt er ook echt iets? Werkt de preek iets uit? Wat is het effect? Werkt de Geest echt? Wat verandert er wezenlijk bij u, en is dat ook te merken in uw leven?

 

De uitwerking van de lezing van de wet op het plein voor de Waterpoort in Jeruzalem op de nieuwjaarsdag van onze tekst is bijzonder groot. Als het volk de woorden van de wet hoort, begint het te huilen.

Ziet u nog voor u wat we de vorige keer hebben gezien? Als één enig man hebben de Joden zich verzameld op het plein voor de Waterpoort. Er is een verlangen om Gods Woord te horen. Ze vragen of Ezra het wetboek van Mozes wil halen en hun daaruit voor wil lezen. En het volk luistert met echte belangstelling, zeg maar gerust: met een heilbegerige honger, die gewerkt is door de Heilige Geest. Vers 4 zegt: ‘en de oren van het volk waren naar het wetboek’. Ze hebben er oren naar. Er is contact; de Heere spreekt en het volk luistert.

Indrukwekkend. Heerlijk. God is goed.

 

Daar staat Ezra, op z’n houten preekstoel, speciaal voor deze gelegenheid gemaakt. Hij heeft een boodschap voor het volk. Alle ogen zijn op hem gericht als hij gaat staan en de boekrol opent. Ook de jongeren hebben belangstelling: ‘allen die verstandig waren om te horen’ (de verzen 3 en 4).

Ezra opent de boekrol. Uit eerbied gaat het volk staan. Daarna looft Ezra de Heere. Het volk stemt in met ‘amen’ en eigener beweging knielt het neer voor deze grote en heilige God. Een indrukwekkend begin van de dienst. Leest u maar mee in de verzen 6 en 7: En Ezra opende het boek voor de ogen des gansen volks, want hij was boven al het volk; en als hij het opende, stond al het volk. En Ezra loofde den Heere, den groten God; en al het volk antwoordde: Amen, amen! met opheffing hunner handen, en neigden zich, en aanbaden den Heere, met de aangezichten ter aarde.

Heerlijk als je zo met heel je hart ‘amen’ mag zeggen op het Woord van God.

 

Daarna gaat de dienst verder. Ezra leest voor en de Levieten gaan rond onder die schare van 40.000 man om het gelezene te vertalen uit het Hebreeuws in het Aramees en om het Woord uit te leggen en toe te passen.

Wat hebben we dat nodig, gemeente, uitleg van het Woord. En toepassing, actualisering: wat we ermee moeten morgen en overmorgen. Als u de Bijbel niet begrijpt, kan het Woord niet doorwerken in uw leven. U moet zich afvragen: wat betekent dit gedeelte nu persoonlijk voor mij?

Ik moet u dat aanwijzen. Het moet midden in uw leven komen te staan. De Heilige Geest wil de praktische uitleg en toepassing van het Woord gebruiken om u de weg te wijzen op alle kruispunten van uw leven. Maar ook om u een indruk te geven van Gods grootheid en goedheid, van Zijn zondaarsliefde en gewilligheid om u zalig te maken.

En in het licht van die overweldigende heerlijkheid van God en Zijn dienenswaardigheid komt er verbreking van uw hart en besef van uw eigen verdorvenheid vanwege de zonde.

 

In het slot van vers 10 lezen we: want al het volk weende, als zij de woorden der wet hoorden. Waarom wenen ze, nu alles voor elkaar is?

Omdat het Woord hun schuld voor God openlegt. Omdat ze vanuit de heilsgeschiedenis zien hoezeer ze als volk steeds zijn afgeweken en hoe daarnaast alleen de trouw van de Heere hen heeft bewaard bij Zijn dienst. Ze hebben nu wel de zegen van een herstelde muur, maar dat is niet genoeg; er is meer nodig. Het gaat er nu om dat de Heere weer gevreesd en gediend wordt met heel het hart.

Alles overweldigt die mensen bij de Waterpoort zó dat ze in tranen uitbarsten. Ze worden overstelpt door emotie. Het Woord werkt iets uit.

Daar begon ik toch mee, met die vraag: gebeurt er nog iets onder de preek? Werkt het Woord iets uit?

Hier lezen we het. Ze voelen zich diep geraakt. Er komt een algemene verslagenheid en droefheid.

 

Dat kunt u toch wel volgen, gemeente? De wet van God werkt immers als een spiegel waarin je jezelf gaat zien. Je ziet wie je had moeten zijn en je ziet wat je ervan gemaakt hebt. Het is alsof er een blinddoek van voor je ogen wordt weggenomen.

De Israëlieten gaan beseffen hoe ze geleefd hebben, wat ze nagelaten hebben en wie ze geweest zijn tegenover de God van het verbond. De Heere heeft recht op hen. Ze zien hun zonden, hun afwijken en verlaten van Gods wet. ‘Wij zijn van ‘t heilspoor afgegaan.’ Ze erkennen hun ontrouw en ongehoorzaamheid. En ze krijgen er oprecht berouw over, spijt. Het staat er zo aangrijpend: al het volk weende, als zij de woorden der wet hoorden. Zeg maar gerust: er kwam een hartelijke droefheid dat ze God door hun zonden vertoornd hadden.

Herkent u het in uw eigen leven? Heere, ik heb gezondigd en gedaan wat kwaad was in Uw ogen.

 

Vrijwel iedere opwekking gaat gepaard met zo’n overvloed aan tranen. Waar God aan het werk is, komt er verootmoediging en berouw over de zonde.

U hebt vast weleens gehoord van de Nijkerkse beroerten. In dit Veluwse dorp gebeurde op 16 november 1749 iets heel opmerkelijks. Dominee Gerardus Kuyper preekte over een tekst uit Psalm 72: Is er een hand vol koren in het land op de hoogte der bergen, de vrucht daarvan zal ruisen als de Libanon (Ps.72:16). De volgende avond hield de predikant naar aanleiding van de dienst een soort catechisatie voor ouderen. En bij die nabespreking ontstond grote beroerte onder de aanwezigen. Een ooggetuigenverslag vertelt: ‘Tranenbeken werden gestort, en tegen het eind van de bijeenkomst werd veel geween gehoord.’

Dat is het begin geworden van een geweldige opleving op de Veluwe. De welvarende en oppervlakkig levende bevolking werd getroffen door de pijlen van Gods Woord en keerde zich onder tranen tot Hem.

 

Gemeente, wat gebeurt er vandaag bij ons als we kijken in de spiegel van Gods wet?

Wij zijn daar zo aan gewend. We weten niet beter dan dat elke zondagmorgen de wet wordt voorgelezen. Horen we het nog? Treffen de geboden ons niet meer als pijlen in ons hart? We laten het gedachteloos over ons heen gaan.

Dan ligt het toch niet aan God als we de pijn van de ontdekking aan onze zonde niet voelen. De wet stelt ons net zo schuldig als die Joden toen. Wie schrikt er nog van op? Hebben we God liefgehad boven alles en onze naaste als onszelf?

Moeten we ons niet weg schamen? Hoe vaak zijn we niet drukker met het dienen van de moderne afgoden dan met de gehoorzaamheid aan de levende God? Besef het eens. Je hart zetten op dode dingen, geld of spullen, dat wat vergaat en verroest meer aandacht geven dan de levende God, die goede God, Die ons spaart en draagt en zegent, die God Die zo dienenswaardig is en te prijzen tot in eeuwigheid. Hij is waardig om te ontvangen alle aanbidding en eer.

God liefhebben boven alles, dat is de vervulling van de wet; deze liefhebbende God geen verdriet doen met je zonden, niet aan Hem voorbij leven, Hem verheerlijken. Is dat niet de grootste aanklacht van Gods Woord tegen ons: u hebt God niet verheerlijkt? Dat is het doel van ons leven.

Hoe vaak draait ons leven niet om een groot stuk eigenbelang: eigen eer, eigen positie, eigen toekomst? God wil dat we daarover in de schuld komen. Ja, we staan allemaal schuldig, maar beseffen we het ook? Ook als u de Heere kent, groeit u nooit boven de verootmoediging uit. Telkens weer is het nodig dat ons hart wordt verbroken en dat we buigen voor de Heere vanwege zoveel dingen die scheef liggen, die verkeerd gegaan zijn: zonden waarin we gevallen zijn, of zonden van nalatigheid, als we nagelaten hebben om het goede te doen, bijvoorbeeld onze naaste zegenen die ons kwaad berokkende en voor hem bidden.

 

Er zijn christenen die menen dat station van verootmoediging en schuldbelijdenis ver achter zich te hebben. Ze willen daar niet meer van weten. Dat hebben ze eens gedaan en nu prijzen ze alleen de genade.

Gemeente, als je zo doet, sta je ook boven Paulus, die belijdt: als ik het goede wil doen, ligt het kwade mij bij. Als we eerlijk zijn, moeten we zeggen dat er vaak nog zoveel halfheid en lauwheid in ons leven is, waardoor we schuldig staan voor Gods aangezicht. En dat brengt je telkens weer op de knieën. De adelstand in het leven van een christen is en blijft de bedelstand. En daar begint telkens weer de vernieuwing. Daar ligt het begin van een geestelijke opleving, persoonlijk en kerkelijk.

Toch moeten we wel waken voor een misverstand. Hoezeer de droefheid over onze zonden ook noodzakelijk is, het is nooit een doel op zichzelf. Zondekennis moet ons altijd uitdrijven naar Hem bij Wie vergeving en vernieuwing is, naar de Heere Jezus Christus, Die aan het vloekhout van het kruis voor de zonde gestorven is. Al zouden we ons leven lang over de zonde klagen en verder niet, dan zouden we nog verloren gaan. De droefheid naar God is onmisbaar, want zij werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid. En om dat laatste gaat het uiteindelijk. Het gaat om het delen in het heil, om de blijdschap vanwege de vergeving en het leven voor God. Daar moet het allemaal op uitlopen.

 

Tot zover ons eerste aandachtspunt: ze wenen in diepe verslagenheid. Onze tweede gedachte is:

 

2. Ze maken een grote blijdschap

We lezen nog eens vers 10: En Nehemia (dezelve is Hattirsátha) en Ezra, de priester, de schriftgeleerde, en de Levieten, die het volk onderwezen, zeiden tot al het volk: Deze dag is den Heere, uw God, heilig; bedrijft dan geen rouw, en weent niet; want al het volk weende, als zij de woorden der wet hoorden.

Nehemia en Ezra die tranen verbieden – heel wonderlijk is dat. De Levieten gaan dan de rijen door en brengen het volk tot bedaren, tot beheersing van hun tranen.

Met tranen moet je altijd oppassen. Als mensen beginnen te huilen, wil dat nog niet altijd zeggen dat het tranen zijn die in de fles van God bewaard worden. Het is niet de bedoeling dat we geestelijk rendement uit onze tranen halen. Veel mensen huilen immers heel gemakkelijk bij alle mogelijke gelegenheden. We moeten ervoor waken dat we hen emotioneel manipuleren en dan een appel gaan doen op hun gevoelens. Wat ik bedoel te zeggen is dit: met tranen moet je ook voorzichtig zijn.

 

Daarom hoeft het ons niet te bevreemden dat de leiders het volk oproepen om niet te wenen. Nehemia’s naam gaat hier voorop. Hij stond op deze dag een beetje in de schaduw van Ezra, de schriftgeleerde. Maar nu grijpt hij samen met Ezra in. Deze dag is den Heere, uw God, heilig, zeggen ze; bedrijft dan geen rouw, en weent niet.

Deze dag, de nieuwjaarsdag, is de eeuwen door een jubeldag, een dag waarop de ramshoorn weerklinkt en het volk wordt samengeroepen om te offeren en te bidden. Dat mag geen dag van rouw en weeklacht zijn. Dat strijdt met het karakter van deze dag. De eerste dag van het jaar is bepalend voor heel het jaar, vooral déze nieuwjaarsdag. Na zo lange tijd staan de muren weer overeind en wordt er een nieuw begin gemaakt. Het Woord komt op de preekstoel op het plein voor de Waterpoort. Nu mag er blijdschap zijn, vreugde vanwege de grote dingen die de Heere aan het volk gedaan heeft, onverwacht en onverdiend.

Niet dat die tranen van het volk niet serieus genomen worden of dat de leiders van het volk de breuk op het lichtst willen helen. Dat is allerminst het geval. Die droefheid hoort er wezenlijk bij. Over een paar dagen, als de Grote Verzoendag gehouden zal worden (op de tiende van de maand), is er alle gelegenheid om te vasten en boete te doen. Maar vandaag mag de blijdschap overheersen. Op dit ogenblik passen geen tranen. Deze dag is bestemd om de Heere te loven en te prijzen voor Zijn goedheid en trouw, die Hij zo rijk heeft bewezen.

 

Alles op z’n tijd in het leven met de Heere. Daarin is een tijd om te wenen, maar ook een tijd om blij te zijn. De Heere heeft recht op een verbroken hart, maar ook op een verblijd hart. Verblijdt u in den Heere te allen tijd (Filip.4:4). Een vermaning tot vreugde, niet vanuit het hart van de mens, maar vanuit het hart van God. Daarom zegt Nehemia in vers 11: deze dag is de Heere heilig.

Ze moeten zelfs een feestmaal aanrichten. Lees maar mee in vers 11: Voorts zeide hij tot hen: Gaat, eet het vette, en drinkt het zoete, en zendt delen dengenen, voor welken niets bereid is, want deze dag is onzen Heere heilig; zo bedroeft u niet, want de blijdschap des Heeren die is uw sterkte.

Bij vreugde en blijdschap hoort een feestmaaltijd. Ze moeten naar huis om lekkernijen en zoete dranken klaar te maken. Echt oosters: bij vreugde hoort een maaltijd. En ze moeten delen sturen aan degenen voor wie niets bereid is. Dat zijn volgens de wet de armen, de weduwen en de wezen.

Dat is een praktische aanwijzing voor ons, gemeente. De armen moeten delen in onze overvloed. Ze moeten ook deelgenoot worden van die grote vreugde die het kennen van God met zich meebrengt. Als we een feest houden, moet dat zijn tot eer van God, en degenen die het minder hebben, moeten erin delen. Als dat niet gebeurt, worden we daarin veroordeeld door de wet van God.

Praktisch christendom. Denk maar eens na over wie u zou kunnen laten delen in uw rijkdom.

 

Deze dag heeft de Heere gemaakt, zeggen Ezra en Nehemia, om verblijd te zijn. Geen tranen en geen treurig gezicht. Houd die tranen maar voor later. Vandaag mag er vreugde zijn in de Heere.

Het is goed, gemeente, om zo de gangen van het geloofsleven naar de Schrift in het oog te houden. In die blijdschap krijgt God de eer; daarin mag God verheerlijkt en geprezen worden. Zo mag vooral de zondag voor ons echt een feestdag zijn, de dag waarop we de heilsdaden van God gedenken, zijn feestdagen. ‘Het past ons psalmen aan te heffen, die lieflijk zijn en harten treffen.’

Wij kunnen soms zo door somberheid bevangen zijn dat we veel te klein denken van Gods genade. Zeker, de droefheid naar God is een geestelijke zaak, maar Gods genade is meer. De blijdschap om de vergeving en de zekerheid van Zijn liefde is meer. Die God Die de zonde veroordeelt, is Dezelfde als Die Zijn Zoon gaf tot verzoening. Het berouw over de zonde en de blijdschap in de vergeving zijn twee kanten van dezelfde munt.

 

We moeten goed beseffen dat de droefheid over de zonde wezenlijk is, maar niet het hoogste en ook niet het eigenlijke. Onwillekeurig vestigen we in de droefheid over de zonde de aandacht op onszelf. We moeten beseffen dat de heiligheid van de Heere meer is dan de droefheid over onze onheiligheid. Het gaat om de verheerlijking van God. Die is van veel groter gewicht dan de gestalten van ons hart.

En dat moet je leren, gemeente, om van jezelf af te zien en op God te zien. Hoe moeilijk het ook zijn kan in je persoonlijk leven, we hebben het ook echt weleens nodig dat we vermaand worden tot vreugde. Zie toch niet alleen op jezelf en je zonden. Hef je hoofd eens op: zie op Jezus; zie op het bloed van het Lam.

Dan komt er vreugde in je hart, blijdschap in het proeven van Gods vergevende liefde. Dan is er alle reden tot vreugde. Deze God is onze God, de Verbondsgod, mijn hemelse Vader, Die alle kwaad van mij zal weren of ten beste keren. Blijdschap in de vergeving van zonden. Door genade ben ik een kind van God. In Christus is er zo’n echte, diepe blijdschap. Dan ga je zingen: Ik ben zeer vrolijk in den Heere (Jes.61:10), omdat God er vreugde in heeft dat ik als een arme zondaar bij Hem schuil en Hem alleen vertrouw in Zijn liefde. ‘'k Stel mijn vertrouwen op de Heer’, mijn God, want in Zijn hand ligt heel mijn levenslot.’

 

We lezen in het slot van vers 11: de blijdschap des Heeren die is uw sterkte.

Is dat de blijdschap ín de Heere, omdat Hij zoveel weldaden schonk en je in Hem je zaligheid mag vinden, of gaat het om de blijdschap die de Heere Zélf heeft over het werk van Zijn handen, een blijdschap ván de Heere?

Beide vertalingen zijn mogelijk: de vreugde ván God en de vreugde ín God.

De blijdschap ván God betekent dat het gaat om de blijdschap die in de Heere Zelf is. Dan betekent het: deze dag is heilig, want nu is God Zelf verblijd dat Zijn volk weer achter herbouwde muren woont met een herstelde eredienst. Daar kent God Zelf vreugde over: vreugde over Zijn eigen werk, over het werk van de verzoening, dat er voor de zonde betaald is en dat er op rechtsgronden vrede verworven is.

Die blijdschap mag onze sterkte en toevlucht zijn. Maar dan wordt die blijdschap die de Heere heeft, ook onze blijdschap. En dan komen we toch uit bij de vertaling: blijdschap ín de Heere. Dat is de echte blijdschap van een christen: in de Heere Jezus Christus.

Het Evangelie van Christus alleen geeft blijdschap – in de Heere. Hij weende over Jeruzalem. In Zijn lijden kwam Hij met sterk geroep en tranen tot God: Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat dezen drinkbeker van Mij voorbijgaan! (Matth.26:39). Maar de droefheid van Golgotha is veranderd in de vreugde van Pasen. Alles, alles is voldaan. Christus heeft al Gods deugden in ere hersteld.

En die blijdschap mag je sterkte zijn, als je ziet dat God je ontvangen wil. Waar Jezus is, daar is blijdschap. Als we op Jezus zien, is er blijdschap; en gebrek aan blijdschap is gebrek aan het zien op Jezus.

 

Gemeente, dat maakt onze blijdschap zo uniek – totaal anders dan de blijdschap die de wereld te bieden heeft. Dat plezier is ten diepste geen blijdschap. Jongelui, de wereld geeft geen echte vreugde, hooguit wat surrogaat. De blijdschap in God blijft, omdat God Zelf blijft. Ook als alles wordt aangevochten, zoals bij Habakuk. Vol schrik ziet hij de toekomst voor zich. Donkere tijden breken aan. Geen bloesem aan de vijgenboom, geen rund in de stal, geen druif aan de wijnstok ... En toch blijft Habakuk doorzingen: ‘Nochtans zal ik van vreugde in de Heere opspringen en mij verheugen in de God van mijn heil.’ Die blijdschap in de Heere doortintelt je hele bestaan en is niet afhankelijk van de omstandigheden.

Waarom klagen en mopperen christenen toch zoveel? Waarom zeggen jongeren dat ze de blijdschap missen in de kerk?

Omdat we te weinig onze vreugde in de Heere zoeken, in Zijn trouw en goedheid. Wie daaruit leeft, kan er weer tegen en tegenop. Die blijdschap verdrijft allerlei sombere gedachten en houdt de duivel op een afstand. Dat geeft moed om te werken, om te leven, om kinderen op te voeden en je naaste te dienen in deze godvergeten wereld.

De kanttekening op de Statenvertaling tekent hierbij aan: de oorzaak die God u geeft om blij te zijn over Zijn voorgaande en tegenwoordige weldaden moet uw hart troosten en u goede moed geven.

Daar kunt u morgen ook uit leven, gemeente. Hoe meer blijdschap we mogen ervaren in de Heere, des te meer zal er van ons uitstralen. Je wordt een blijmoedig christen.

 

We lezen nu vers 13: Toen ging al het volk henen om te eten, en om te drinken, en om delen te zenden, en om grote blijdschap te maken; want zij hadden de woorden verstaan, die men hun had bekend gemaakt.

Prachtig.

Tot zover ons tweede aandachtspunt: ze maken een grote blijdschap.

Voor we verdergaan, zingen we uit Psalm 138 de verzen 1 en 3:

 

‘k Zal met mijn ganse hart Uw eer

vermelden, Heer’,

U dank bewijzen;

‘k zal U in ’t midden van de goôn,

op hogen toon,

met psalmen prijzen;

ik zal mij buigen, op Uw eis,

naar Uw paleis,

het hof der ho - ven,

en, om Uw gunst en waarheid saâm,

Uw groten naam

eerbiedig loven.

 

Dan zingen zij, in God verblijd,

aan Hem gewijd,

van ’s Heeren wegen;

want groot is ’s Heeren heerlijkheid,

Zijn Majesteit

ten top gestegen;

Hij slaat toch, schoon oneindig hoog,

op hen het oog,

die need’rig knie - len;

maar ziet van ver met gramschap aan

den ijd’len waan

der trotse zielen.

 

3. Ze vieren het Loofhuttenfeest

We lezen eerst vers 14: En des anderen daags verzamelden zich de hoofden der vaderen van het ganse volk, de priesters en de Levieten, tot Ezra, den schriftgeleerde, en dat, om verstand te bekomen in de woorden der wet.

Met die oproep tot blijdschap laten de mensen in Jeruzalem zich door Nehemia en Ezra naar huis sturen. De volgende morgen vindt er opnieuw een samenkomst plaats. Nu zijn het alleen de familiehoofden, de priesters en de Levieten die zich rond Ezra verzamelen.

Om wat te doen?

Wel, in die kleinere kring wordt de studie van de wet voortgezet.

Gemeente, dat is leerzaam voor allen die op de een of andere manier een taak hebben in Gods Koninkrijk. En zo’n taak heeft iedere christen. Het is heel belangrijk dat we regelmatig de Bijbel bestuderen, onmisbaar dat geestelijke leiders voortdurend zich bezinnen en blijven studeren. U kent dat oude gezegde wel: een dominee die niet studeert, is niet bekeerd. Daar is veel van waar. Hoe kun je anderen leiden en helpen als je zelf niet telkens put uit het levende Woord? Niets is zo verrijkend en verrassend dan bezig zijn met de Bijbel.

 

En wat gebeurt er in Jeruzalem?

Ook daar doen ze een geweldige ontdekking. Als je in het Woord leest, doe je altijd ontdekkingen. Ze lezen iets in de Thora waar ze enorm van opkijken. We lezen dat in vers 15: En zij vonden in de wet geschreven, dat de Heere door de hand van Mozes geboden had, dat de kinderen Israëls in loofhutten zouden wonen, op het feest in de zevende maand.

Ze ontdekken dat God aan Israël heeft opgedragen om het Loofhuttenfeest te vieren van de 15e tot de 21e van deze maand (Tisjri).

 

Op dat feest moest Israël terugdenken aan de tocht door de woestijn naar Kanaän. Veertig jaar hadden ze niet in stenen huizen gewoond, maar in tenten en hutten van loof. Ieder jaar moesten ze daaraan terugdenken.

Dat was enerzijds verootmoedigend: die veertig jaar was niet nodig geweest; dat kwam door hun ongehoorzaamheid. Het spoorde ook aan tot herdenking van Gods trouw: al die jaren had Hij hen gespaard. Beide zaken mochten ze niet vergeten.

Vandaar de instelling van het Loofhuttenfeest. Zeven dagen lang woonde men dan in hutten van loof: boomtakken en twijgen. Iedereen moest eropuit trekken naar het gebergte om de benodigde materialen voor de loofhutten te halen: twijgen van de olijfwilg, van de mirtenboom, van de palm en van loofbomen. Van al die takken en bladeren maakten ze een soort hutje, jongens en meisjes. Israël vierde dan feest. Ze moesten vooral vrolijk zijn voor het aangezicht van de Heere. Zo dacht Israël aan de uittocht uit Egypte en Gods bewaring in de woestijn. Maar op dat Loofhuttenfeest vierden ze ook het eind van de oogst, met name van de olijven en de druiven.

Zo wees het Loofhuttenfeest op Gods bewarende hand (de woestijntijd) en Gods verzorgende hand (het oogstfeest).

 

Die ontdekking van het Loofhuttenfeest in deze feestmaand doen ze in Jeruzalem tijdens het lezen van de wet. Het duurt niet lang of de gevolgen van deze ontdekking worden merkbaar in de heilige stad. Je ziet ze in Nehemia 8 vers 17 de bergen ingaan om het benodigde materiaal te halen. Overal verschijnen de soeka’s, de hutten van takken en bladeren: op de daken, in de tuinen, in de voorhoven van de tempel en op de pleinen van de Waterpoort en de Efraïmpoort. Het wordt een groot en geweldig feest, waar iedereen aan deelneemt en waar een grote vreugde van afstraalt. We lezen dat in de verzen 18 en 19: En de ganse gemeente dergenen, die uit de gevangenis waren wedergekomen, maakten loofhutten, en woonden in die loofhutten; want de kinderen Israëls hadden alzo niet gedaan sinds de dagen van Jésua, den zoon van Nun, tot op dezen dag toe; en er was zeer grote blijdschap. En men las in het wetboek Gods dag bij dag, van den eersten dag tot den laatsten dag. En zij hielden het feest zeven dagen, en op den achtsten dag den verbodsdag, naar het recht.

Er is zeer grote blijdschap. En iedere dag lezen ze de Bijbel. Dat was waarschijnlijk het nieuwe, dat vanaf de tijd van Jozua niet meer was gebeurd.

 

Hoe belangrijk is het toch dat bij alles wat we doen de Bijbel opengaat. Wat gaat er veel mis als dat niet gebeurt en het gezag en het juiste verstaan van de Schrift niet meer tot z’n recht komen. Dat was Israël overkomen en dat gebeurt in de kerk ook.

Dat zoveel christenen de Joden veracht en vervolgd hebben, kwam omdat ze bevooroordeeld de Bijbel lazen. Dat de kerk zo laat met zending en evangelisatie begonnen is, kwam omdat bepaalde gedeelten van de Bijbel over het hoofd werden gezien.

Waarom is de toekomstverwachting zo lang een stiefkind geweest in de kerk en waarom was er in de regel zo weinig oog voor de gaven van de Geest?

Omdat het Woord op die punten niet eerlijk kon uitspreken.

U moet maar denken: waar het Woord geen heerschappij heeft, gaan de dingen gegarandeerd fout. Dat is een les voor ons. We mogen wel bidden: Heere, leid ons door Uw Geest in alle waarheid.

Het Woord moet open. En we moeten ook niet selectief lezen en preken. Het ‘sola scriptura’ moet onlosmakelijk verbonden zijn met het ‘tota scriptura’: het Woord alleen, maar ook het Woord helemaal. Dan zullen we oude en nieuwe schatten mogen opdelven – tot onze eigen blijdschap, maar ook tot zegen van allen aan wie we het Woord mogen doorgeven.

 

De Israëlieten vieren het Loofhuttenfeest. En ze lezen iedere dag in het wetboek. U begrijpt dat ook daar die grote blijdschap niet los van staat. De God van hun vaderen, Die in vorige eeuwen Zijn volk gezegend heeft, omringt hen nog met Zijn genade. Een week lang feest, om te gedenken aan Gods bewarende en zorgende hand. Wat is Hij dat waard. Dat is gelovig feestvieren – bij een geopende Bijbel.

Een les ook voor ons. Het gebeurt wel dat er bij het begin van een feest even uit de Bijbel wordt gelezen, maar dat de Bijbel daarna dichtgaat en er feest wordt gevierd op een manier die in niets meer herinnert aan de Bijbel. Een werelds feest. ‘s Middags de kerkdienst voor het bruidspaar en dan ‘s avonds een muziekbandje en soms zelfs een bende.

Zo niet, geliefden.

 

Ten slotte, gemeente, kom ik nog even terug op het begin. Werkt het Woord nog wel iets uit? Gebeurt er nog wat onder de preek? En erna ...?

Het is toch een troost dat we mogen weten dat het Woord van God nog net zo levend en krachtig is als in de tijd van Nehemia. De Geest van God werkt nog even verootmoedigend en vreugde gevend als toen. Die diepe verslagenheid, die grote blijdschap en de gehoorzaamheid aan Gods wet (dat schitterende feest) zijn vandaag nog net zo actueel als tweeënhalfduizend jaar geleden. Als u goed oplet, ziet u daarin de bekende drie ‘stukken’ van ellende, verlossing en dankbaarheid.

Als een tiener of een volwassene een nieuw leven mag vinden in de Heere Jezus Christus, als een slaaf van allerlei zondige gewoonten daarmee ophoudt en vrede vindt in het bloed van Christus, dan komt er naast de droefheid over de zonde een hartelijke vreugde door Christus in God. Er komt een leven in dankbaarheid aan de Heere. Dan krijgt je leven iets feestelijks. De heerlijkheid van het eeuwige bruiloftsfeest werpt zijn stralen over je aardse leven hier en nu. Je krijgt er zo’n zin in om God te behagen in de gehoorzaamheid aan Zijn geboden: ‘Ik, Heer’, die al mijn blijdschap in U vind, hoop op Uw heil, met al Uw gunstgenoten; ‘k doe Uw geboôn oprecht en welgezind; Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten.’

 

Staat u daar nog buiten? Geen droefheid? Geen blijdschap? Geen gehoorzaamheid? Geen feest?

Ik neem u mee naar het Loofhuttenfeest in Johannes 7. Daar staat Jezus voor in de tempel. De waterplenging is ten einde – het beeld van de steenrots in de woestijn en het water dat eruit tevoorschijn kwam. Jezus stond en riep: Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke. Die in Mij gelooft (…), stromen des levenden waters zullen uit zijn buik vloeien (Joh.7:37‑38).

Verwerp deze Jezus toch niet. Uw zondige lippen mogen deze stroom van Goddelijke liefde aanraken en indrinken. Uw lippen kunnen dit water niet verontreinigen. Integendeel, zij zullen er zelf door gereinigd worden. Jezus is de geslagen steenrots en wie in Hem gelooft, zal leven, eeuwig leven.

Amen.

 

Slotzang: Psalm 119 vers 83

 

Wat vreê heeft elk, die Uwe wet bemint!

Zij zullen aan geen hinderpaal zich stoten.

Ik, Heer’, die al mijn blijdschap in U vind,

hoop op Uw heil met al Uw gunstgenoten;

‘k doe Uw geboôn oprecht en welgezind;

Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten