Ds. C. Harinck - Zacharia 3 : 4

De gerechtvaardigde Jósua

Het wegdoen van zijn vuile klederen.
Het aandoen van de wisselklederen.
Dit is de tweede preek van een serie van drie preken, overgenomen uit 'Die Jeruzalem verkiest' van ds. C. Harinck, uitgegeven door Den Hertog B,V. Houten in 2000 
 

Zacharia 3 : 4

Zacharia 3
4
Toen antwoordde Hij, en sprak tot degenen, die voor Zijn aangezicht stonden, zeggende: Doet deze vuile klederen van hem weg. Daarna sprak Hij tot hem: Zie, Ik heb uw ongerechtigheid van u weggenomen, en Ik zal u wisselklederen aandoen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm116: 1
Lezen : Zacharia 3
Zingen : Psalm 103: 5, 6 en 7
Zingen : Psalm 85: 1
Zingen : Psalm 32: 1

Gemeente,

in Romeinen 8:30 lezen wij: 'Die Hij tevoren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaar­digd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.' Men noemt dit: 'de gouden keten van het heil.' De woorden zijn als een ket­ting: de ene schakel is verbonden met de andere. Het is een keten die begint in de eeuwige voorverordinering en die ein­digt in de eeuwige heerlijkheid. Hoe sterk is een ketting? Het antwoord is: zo sterk als de zwakste schakel. Een ketting mag er sterk en imponerend uitzien, maar indien er slechts één zwakke schakel in zit, bepaalt die zwakke schakel de sterkte van de ketting. Wanneer we met die kennis naar deze gouden keten van heil kijken, mogen wij vaststellen dat zij niet één zwakke schakel heeft. Het leert ons dat Gods heil geen zwakke schakels heeft. Waar God uitverkoren heeft, daar zal Hij ook roepen, rechtvaardigen en verheerlijken. De Heere zal het werk van de genade, dat Hij begonnen is door ons krachtig te roe­pen en te bekeren, voleindigen tot op de dag van de Heere Jezus Christus. Het is daarover dat wij willen spreken.

 

 Onze tekst kunt u vinden in Zacharia 3:4, waar wij lezen:

 

Toen antwoordde Hij, en sprak tot degenen die voor Zijn aangezicht stonden, zeggende: Doet deze vuile klederen van hem weg. Daarna sprak Hij tot hem: Zie, Ik heb uw ongerechtigheid van u weggenomen, en Ik zal u wissel­klederen aandoen.

 

Onze tekst spreekt over:

De gerechtvaardigde Jósua

 

Wij letten op:

 

1. Het wegdoen van zijn vuile klederen.

2. Het aandoen van de wisselklederen.

 

1. Het wegdoen van zijn vuile klederen.

De vorige maal hebben wij gezien hoe Christus het opnam voor Jósua, die beschuldigd werd door satan. De Engel des HEEREN, de Zoon van God, riep het de duivel toe: 'De HEERE schelde u, gij satan! ja, de HEERE schelde u, Die Jeruzalem verkiest.' Christus heeft satan gewezen op de verkiezing Gods. Dat deed satan verstommen. Op de verkiezende liefde van God lopen al de plannen van de duivel stuk. Toen de satan de mens zover gebracht had dat hij opstond tegen God, meende de duivel dat hij Gods voornemen met de mens voorgoed ver­ijdeld had. De mens zou zijn Schepper nooit meer liefhebben en gehoorzamen. God zou nooit anders kunnen dan toornen op de gevallen mens. Gods rechtvaardigheid verbood Hem immers om aan de mens nog enige gunst te bewijzen. Satan meende de mens even ellendig gemaakt te hebben als zichzelf. God zou nooit meer in gunst tot de mens kunnen terugkeren. Maar met één ding had de duivel geen rekening gehouden, namelijk met de verkiezende liefde van God. Hij had niet kun­nen denken dat de eeuwige liefde Gods zou vallen op gevallen mensen en dat de Heere uit enkel barmhartigheid, zonder te letten op de waardigheid van mensen, zondaren zou verkiezen om eeuwig bij Hem te wonen.

 

De verkiezende liefde van God is de nederlaag van de duivel. Christus heeft de satan daarop gewezen toen hij Jósua voor God beschuldigde. Satan had veel aan te merken op Jósua. Jósua kon en mocht geen priester zijn. God kon en mocht niet in gunst tot het volk van Juda terugkeren. Jósua stond immers voor God, bekleed met vuile klederen. Er scheen niets tegen in te brengen te zijn. Het recht was aan de zijde van de satan. De Heere Jezus wees de duivel echter op iets waar satan niets op kon aanmerken. Hij wees hem op de eeuwige verkiezende liefde van God. De mensenmoorder is toen afgedropen. Satan heeft zijn aanklach­ten moeten intrekken.

De profeet Zacharia heeft dit alles tot zijn verwondering in het nachtgezicht gezien. Hij zag hoe de Engel des HEEREN het opnam voor de onreine hogepriester en het schuldige volk van Juda.

 

Maar met dit alles stond Jósua nog bekleed met zijn vuile klederen. In het derde vers wordt nadrukkelijk gezegd: 'Jósua nu was bekleed met vuile klederen, als hij voor het aangezicht des Engels stond.' Al is satan gescholden, de duivel verjaagd, al heeft de Heere Jezus Christus gesproken van de eeuwige verkiezende liefde Gods en gezegd: 'Is deze niet een vuurbrand uit het vuur gerukt?' - met dit alles is Jósua niet verlost van zijn vuile klederen. Hij is nog steeds ongeschikt voor het priesterambt. In deze klederen mag en kan hij de dienst der verzoening voor Juda niet uitoefenen.

 

Zo kan het zijn met overtuigde zondaren, die door het Evan­gelie zijn getroost. Zij hebben te midden van de aanklachten van de Wet en satan de stem van Christus gehoord, die hun toe­riep: 'Vrees niet, Ik ben de Eerste en de Laatste; en Die leeft, en Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid.' Zij hebben door het geloof het oog op Christus mogen slaan, Die satan op het kruis de kop vermorzeld heeft en aan Gods gerechtigheid heeft voldaan. Wat zagen zij een dierbaarheid en heerlijkheid in de gekruisigde Christus! Het maakte hun harten brandende als bij de Emmaüsgangers. De liefde van Christus om Zich voor goddelozen over te geven, vervulde hen met verwondering en hoop. Wat opende zich hier een ruimte van zalig worden, zelfs voor de grootste van de zon­daren. Maar met dit alles zijn zij toch nog bekleed met vuile klederen. Voor hun gevoel missen zij de volle vergiffenis van hun zonden. Zij zijn nog zo vol van twijfel of Christus wel voor hen gestorven is en of zij wel deel aan Christus hebben. Het pak van schuld is nog steeds op hun rug. Het licht wil maar niet doorbreken. Zij kunnen zo terugvallen in de oude twijfel en zich afvragen: 'Behoor ik wel tot hen voor wie Chris­tus Zijn leven heeft afgelegd op het kruis?' Daarbij komt dat hun levenskleed zo vuil blijft. Hun hart schijnt alleen maar bozer te worden. Er is geen verbetering waar te nemen. Wat struikelen zij dagelijks in vele opzichten!

 

In zo'n stand kan een kind van God verkeren, nadat men toch de troost van het Evangelie gesmaakt heeft. Wij mogen hier inderdaad een zekere stand in zien in het genade- en geloofsle­ven van Gods kinderen. De Bijbel leert ons dat er standen zijn in het geestelijke leven. Ten eerste leert ons de Schrift dat de­genen die nu schapen zijn in Christus' kudde, toch eenmaal lammeren waren. Al Gods kinderen worden als lammeren in Christus' kudde geboren. Ten tweede leert ons de Bijbel dat er groot geloof is en klein geloof. De één bezit een verzekerd geloof en kan met Paulus zeggen: 'Ik weet en ben verzekerd!' De ander bezit een zeer aangevochten geloof en roept met de vader van de maanzieke knaap: 'Heere, ik geloof, kom mijn ongelovigheid te hulp!' Er zijn door onweder voortgedrevenen en ongetroosten en er zijn kinderen Gods voor wie de zalig­heid vaster is dan toen zij in het eerst geloofden.

Er zijn stan­den in het leven der genade. Wij mogen alleen van die standen geen stations en klassen maken, alsof Gods kinderen in te delen zijn in soorten en klassen. De één is dan een beter chris­ten dan de ander. Wij vergeten dan één belangrijke zaak, na­melijk dat de grootste genade die een zondaar ontvangen kan, de genade van de nieuwe geboorte is. Hierin zijn al Gods kin­deren gelijk. Aan hen allen is hetzelfde grote wonder verricht; zij zijn allen uit de geestelijke dood levend gemaakt. Eerst na­dat we dit goed begrepen hebben, mogen we spreken over standen in de genade. Dat betekent dan niet dat de ene christen voor God waardevoller is dan de andere of dat de ene christen hoger staat dan de andere. Het verschil is, volgens de Bijbel, een verschil in de mededeling van genadegaven, die God uit­deelt zoals Hij wil. Het is een verschil in de mate en de sterkte van het geloof.

 

Zo is er inderdaad een volk dat met vuile klederen voor God gestaan heeft; maar, 0 wonder, in die nood heeft de Zalig­maker Zich aan hen ontdekt. Hij wilde het voor hen opne­men. Waar zij moesten verstommen, wilde de Heere Jezus Zich hun zaak aantrekken. Hij wilde satan, die hen dag en nacht benauwde en hen wees op de vuile klederen, als het ware wegjagen. Zo hebben zij het ervaren. Toen Jezus door het Evan­gelie tot hun benauwde ziel sprak, moest satan op de vlucht gaan. Wat was er toen een grote blijdschap, zekerheid en vrede in het hart. Het kan ook niet anders. Wanneer Christus het voor ons opneemt, wanneer de zondaar de Zaligmaker in het oog heeft, dan is er vrede en blijdschap in het geloven. Maar wanneer daarna dat gezegend geloofsgezicht verdonkerd wordt door de aanvechtingen van satan, de twijfel en het ongeloof, is het alsof wij nog steeds bekleed zijn met onze vuile klederen.

Zulke gelovigen missen de zekere en vaste troost dat hun vuile klederen zijn weggenomen en hun schuld door Christus' bloed is verzoend. Wat kan dan de pijnigende vraag terugkomen of zij wel werkelijk deel aan Christus hebben, of alles wat zij in Christus gezien hebben en wat zij door het geloof omhelsd hebben, hun wel werkelijk van God is toegerekend. In hun beleving staan ze voor de Heere nog in hun vuile klederen en missen zij de zekerheid van hun zaligheid. De bevestiging van de Heilige Geest ontbreekt hun. Het ontbreekt hun aan de vrijspraak van God dat al hun zonden om Christus' wil verge­ven zijn. Jósua had meer nodig dan een verdediging tegen de beschuldigingen van Satan. Zijn vuile kleed moest weggedaan worden. Om hun verontrust geweten gerust te stellen en de twijfel te overwinnen, moet God het aan hun hart door Zijn Woord verzegelen dat hun zonden zijn vergeven en hun mis­daad is weggenomen.

 

De Engel des HEEREN is dan ook met Zijn reddend werk ver­der gegaan. Hij schold niet alleen de duivel, Hij joeg niet al­leen satan weg, maar Hij nam Jósua de vuile klederen af en bekleedde hem met wisselklederen. Wij lezen in onze tekst: 'Toen antwoordde Hij, en sprak tot degenen die voor Zijn aangezicht stonden: Doet deze vuile klederen van hem weg.' In het nachtgezicht ziet de profeet Zacharia engelen staan voor het aangezicht van de Engel des HEEREN. En nu hoort hij Chris­tus die engelen een opdracht geven. De Heere Jezus beveelt de engelen: 'Doe deze vuile klederen van Jósua weg.' De Engel beveelt dus; Christus treedt hier bevelend op.

 

Christus is niet alleen de Dienstknecht Die Zich vernederd heeft tot in de dood, ja de dood des kruises, Hij is ook de bevelende Koning. De macht om te bevelen rust op Zijn genoegdoening. Hij heeft de wet volkomen alles gegeven wat deze eiste, namelijk een vol­maakte gehoorzaamheid. Hij heeft Gods recht volkomen genoeggedaan. Hij heeft nu recht van spreken en kan eisen: 'Doet deze vuile klederen van hem weg.' Christus is niet alleen de lijdende Borg, maar ook de bevelende Voorspraak. Hij heeft door Zijn verzoenend lijden en sterven al de aanklachten van de duivel ongeldig gemaakt. Niets en niemand kan de zalig­heid van Gods uitverkorenen nu nog verhinderen. Daarom kan Hij de engelen bevelen.

 

Christus wil de vuile klederen ver­wijderd hebben. Hij zegt: 'Doet ze van hem weg!' Hij wil die vuile klederen niet langer aan de hogepriester zien. De engelen gehoorzamen Zijn bevelen en doen Jósua de vuile klederen uit. Zo wordt Jósua verlost van zijn vuile gewaad, dat hem als hogepriester schandelijk en verdoemelijk maakte voor God.

 

Het valt op dat Jósua zelf zijn vuile klederen niet uitgedaan heeft. De engelen hebben dit gedaan. Jósua is hier passief ge­weest. Hij ondergaat het. Hij brengt niets aan en brengt niets mee. Hij verlost zichzelf niet. Hij wordt van zijn vuile klederen verlost. Jósua doet hier zelf niets. De vuile klederen worden hem uitgedaan. Naar goed reformatorisch gebruik noemen wij dit: de passieve rechtvaardiging van de onreine en schul­dige zondaar. Wij rechtvaardigen onszelf niet, maar wij wor­den door het geloof gerechtvaardigd. Wij brengen onszelf niet in een staat van vrede met God, maar wij worden door Chris­tus in een staat van vrede met God gebracht.

 

Tegenover de roomse leer dat een mens zichzelf in een staat van rechtvaar­digheid met God brengt, stelden onze vaderen dat de zondaar in het stuk van de rechtvaardigmaking passief is. De zondaar zelf brengt hier niets in en brengt niets aan, maar ontvangt door het geloof. God doet hier het werk. De vuile klederen worden Jósua uitgedaan. Hij deed dit zelf niet. Dat zou een op­gave zijn die de mens nooit kan volbrengen. Indien de Engel des HEEREN Jósua geboden had: 'Jósua, doe je vuile klederen uit!' zou dit een opgave zijn geweest die Jósua nooit had kun­nen volbrengen.

 

Een Evangelie dat zegt dat wij onszelf moe­ten reinigen en onszelf moeten rechtvaardigen, is niet het Evan­gelie van God. Sommigen zeggen wel dat dit het echte Evan­gelie is. Zij leren dat de zondaar niet tot Christus komen mag tenzij hij zich verbeterd en geheiligd heeft. Zij stellen allerlei voorwaarden aan de zondaar die tot Christus wil gaan. Maar dat is niet Gods Evangelie van hoop, maar het menselijk en duivels evangelie van wanhoop. Wanneer wij niet tot Chris­tus mogen komen met ons vuile kleed, zullen wij nooit tot Hem kunnen komen. Wij kunnen zelf onze vuile klederen niet uitdoen. De zonde is een besmetting waarvan wij onszelf niet kunnen reinigen.

 

Gods kinderen weten dit. Zij hebben geprobeerd om zich van de zonde te ontdoen. Vanaf de dag dat de liefde van God in hun hart is uitgestort, de zonde hun tot smart is geworden en zij de dienenswaardigheid van God hebben gezien, is het hun begeerte geworden om niet te zondigen. Zij wensen God te dienen, kon het zijn zonder ooit meer te zondigen. Zij zouden de zonde met wortel en tak willen uitrukken. Maar de zonde kleeft hen aan in alles wat zij doen, denken en spreken.

De verdorvenheid van onze natuur is dikwijls als een onzichtbare vijand. Hij verbergt zich soms geruime tijd in een verborgen schuilhoek, zodat wij denken dat hij overwonnen en dood is, maar dan ineens springt de zonde op onze rug en blijken zon­den die wij dachten overwonnen te hebben, nog springlevend te zijn.

 

Gods kinderen weten: 'Ik kan zelf mijn vuile klederen niet afleggen!' Zij hebben met alle kracht geprobeerd om de zonde de baas te worden. Zij hadden God zó lief, de zonde was hun tot zo'n bittere smart, zij wilden zonder zonde voor God leven. Biddende en worstelende hebben zij getracht om de zonde de baas te worden en voor het aangezicht des Heeren te verschijnen in een rein en zuiver gewaad. Zij hebben getracht God tevreden te stellen met hun tranen en verbeteringen. Hun oude schulden hebben zij geprobeerd af te betalen met goede werken en te voldoen met boetedoeningen.

 

Vanuit deze smartelijke ervaringen bezitten Gods kinderen een zelfkennis die hen met Paulus doet belijden: 'Ik weet, dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont.' Zij kunnen het vuile kleed maar niet afleggen. Zij kunnen niet één zonde overwinnen en niet één penning van de oude schuld bij God betalen. Zij moeten zeggen: 'Ik kan mijn schuld alleen maar iedere dag meerder maken.' Ziende op hun vuile klederen, roepen zij: 'Ga niet in het gericht met Uw knecht; want niemand die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn.' In Gods gericht staan zij als Jósua de hogepriester, bekleed met vuile klederen. Zij kunnen zich niet van hun vuile zondaarskleed ontdoen.

 

Maar nu zegt het Evangelie dat dit ook niet hoeft. De Heere Jezus heeft dat voor Zijn rekening genomen. Hij heeft ons vuile kleed gedragen toen Hij aan het hout der vervloeking voor de zonde betaalde en de ongerechtigheid verzoende. Hij heeft kunnen uitroepen: 'Het is volbracht!' Jezus kan dan ook bevelen: 'Doet deze vuile klederen van hem weg.' Nu mogen wij ons laten zaligen. Wij moeten, om van ons vuile kleed af te komen, juist ophouden met verbeteren en werken. Zo godde­loos, onrein, schuldig en vloekwaardig als wij zijn, moeten wij ons in Christus' armen werpen. Wij moeten op Zijn roe­pende stem komen met onze vuilheid, verkeerdheid en doem­waardigheid en zeggen: 'Tot Wie zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens.'

 

Wat moesten de ellendigen en schuldverslagenen meer afzien van geschiktheden in zichzelf en meer letten op de algenoeg­zaamheid en bereidwilligheid van de Zaligmaker Jezus. Dat zou ons ertoe brengen om, van alles afziende, onze schuld en nood op Christus te wentelen en Hem aan te grijpen als de verzoening voor onze zonden. Het begrip passieve rechtvaar­digmaking betekent immers niet dat wij het maar moeten af­wachten en ons geloof niet actief zou moeten zijn. Het wil zeggen dat wij ons pogen om door werken en verdienen zalig te worden, opgeven, en ons in het geloof verlaten op de vol­komen gerechtigheid van Christus. Juist op het niets meer kunnen en willen aanbrengen van onszelf komt het aan.

Calvijn omschrijft het begrip passieve rechtvaardigmaking daarom juist als de ware geloofsbeoefening en zegt: 'Het geloof brengt niets aan God, maar het stelt de mens veeleer leeg en arm voor Gods aangezicht, opdat hij (dat is de hand van het geloof), gevuld wordt met Christus en Zijn genade.'

Wij moeten op­houden met werken, want, zo schrijft de apostel: 'Doch de­gene die niet werkt, maar gelooft in Hem Die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardig­heid' (Rom. 4:5).

 

Maar wat is het moeilijk voor ons om be­treffende werken en verdienen passief te zijn en God Zijn werk te laten doen. Wij kunnen niet God Zijn werk laten doen. Wij zijn altijd maar zélf bezig om zelf wat aan te brengen en tot stand te brengen. Konden wij maar een traan of een goede gestalte meebrengen, dan zou het voor ons gemakkelijker liggen. Maar om helemaal niets te doen en ons als een doemschuldig zondaar te laten redden, wat is dat tegen de hoog­moed van onze gevallen natuur!

Het grote stuk in de recht­vaardiging van de zondaar is dan ook om niets te doen, om je te láten zaligen. Dáárin ligt het grote geheim van de passieve rechtvaardigmaking. Het moet zover met ons komen dat wij niet meer werken kunnen. Wij moeten niets meer overhouden om ons op te beroepen dan Gods loutere barmhartigheid.

Wat een zegen om daartoe gebracht te worden! Dan kunnen en willen wij ons voor God niet meer opknappen. Dan zoeken wij Gods vonnis over de zonde ook niet meer te ontgaan, maar dan nemen wij een welgevallen aan de straf van onze ongerechtigheid. Die zondaar zegt: 'Heere, zie hier ben ik nu, met mijn vuile levenskleed. Ik ben gekomen omdat ik Uw belofte geloof dat er geen verdoemenis is voor hen die in Chris­tus geloven. Ik kan en wil nergens meer heen zien dan naar Zijn kruis en gerechtigheid; ik laat mij verder geheel in Uw handen vallen.'

 

Gemeente, wat zal het dan meevallen! Dan zult u zien wat God doet. Hij zal die zondaar niet vertrappen en verdoemen, maar zeggen wat de Engel des HEEREN zei: 'Doet deze vuile klederen van hem weg.' Zo worden wij door het geloof ge­rechtvaardigd.

 

De Engel des HEEREN gaf Jósua daarna de verzekering van zijn rechtvaardiging voor God. Wij lezen: 'Daarna sprak Hij tot hem: Zie, Ik heb uw ongerechtigheid van u weggenomen, en Ik zal u wisselklederen aandoen.' Tot hiertoe had Christus alleen tot de engelen gesproken, maar nu spreekt Christus tot Jósua de hogepriester en zegt tot hem: 'Zie, Ik heb uw on­gerechtigheid van u weggenomen, en Ik zal u wisselklederen aandoen.' De Heere Jezus verzekert Jósua van de vergeving van zijn zonden. Met Goddelijke autoriteit roept Hij het Jósua toe: 'Ik heb uw ongerechtigheid van u weggenomen.'

Het is een woord van vrijspraak. Zijn ongerechtigheden, dat is alles wat niet recht is, zijn weggedaan. Zij zullen nooit meer gezien worden. God heeft ze achter Zijn rug geworpen. Jósua ont­vangt daarin een rijke zegen. De Heere gaf Jósua de verzeke­ring van de vergeving van zijn zonden. Wanneer de Engel des HEEREN dit woord tot Jósua niet gesproken had, had er iets ontbroken aan zijn verlossing.

 

Een mens kan wel zeggen: 'Ik heb dit gevoeld en dat meegemaakt'; men kan soms indruk­wekkende verhalen vertellen, maar dat heeft allemaal zoveel waarde niet. Veel waardevoller is wat Gód tot ons spreekt. David kon zeggen: 'Ik heb het zelf uit Zijn mond gehoord.' Gods kinderen hebben deze Goddelijke verzekering zo nodig. Zij hebben de vrijspraak van God nodig.

 

Deze geestelijke zegen is dikwijls omhuld met een waas van geheimzinnigheid. Het zou dan gaan over een visionair gebeuren waarin men de tussentredende Borg ziet, de hemelse Rechter met een hoor­bare stem hoort spreken en van de Heilige Geest het zegel op de vrijspraak ontvangt. Maar de vrijspraak van schuld en straf voor eenieder die in de gekruisigde Christus gelooft, vinden wij gewoon in de Bijbel. Evenals wij in de Schrift lezen dat eenieder die niet gelooft, zal verdoemd worden. Wij moeten dus beginnen met te zeggen dat de vrijspraak van de gelovigen in de Schrift te vinden is.

Dit is echter niet genoeg, tenminste niet voor een waarlijk verontrust en veroordeeld geweten. Velen zeggen in grote oppervlakkigheid: 'Het staat in de Bij­bel dat wie in Christus gelooft, vergeving der zonden ontvangt door Zijn Naam. Nu, dat geloof ik. Ik geloof in Jezus en daar­om zijn al mijn zonden mij vergeven.'

Maar zo werkt dat niet bij een zondaar, die in zijn vuile klederen en beschuldigd door satan voor God staat. Het staat inderdaad wel in de Bijbel dat er geen verdoemenis is voor hen die in Christus Jezus zijn. Maar bèn ik in Christus Jezus? Is dat woord van vrijspraak wel voor mij?

Dat is de strijd van Gods kinderen. Hun geloof wordt aangevochten. Hun geweten is verontrust en kan niet tot rust gebracht worden door allerlei redeneringen. Zij heb­ben nodig dat God spreekt in hun hart; zij hebben nodig dat de Heilige Geest met Zijn getuigenis de boodschap van Gods vrijspraak in hun hart afkondigt. Dan worden de twijfel en de vrees uit het hart verdreven. Dan mogen zij zeggen: 'Ik heb het zelf uit Zijn mond gehoord.' Dat is de zegen die Jósua hier ontvangt.

 

De Heere zegt nadrukkelijk tot hem: 'Zie, Ik heb uw onge­rechtigheid van u weggenomen.' Die verzekerdheid van de vergeving van alle ongerechtigheid wordt door velen van Gods kinderen gemist. Al hebben zij het geloof in Christus be­oefend, toch missen zij dikwijls de vaste troost en zekerheid van hun rechtvaardiging voor God.

Het minste, ware geloof rechtvaardigt voor God. Zij zullen niet omkomen die als dood­schuldige zondaren naar Christus opzien, zoals de gebeten Israëlieten naar de koperen slang zagen. Wat dat betreft is er leven, eeuwig leven in één blik op Christus. Maar de troost en de zekerheid daarvan te bezitten, is een andere zaak.

De Hei­lige Geest vestigt die zekerheid in ons door de beloften van het Evangelie. Zijn allesoverwinnend getuigenis verdrijft alle angst en twijfel.

Dit hebben Gods kinderen zo nodig. Voor onze zekerheid blijven wij afhankelijk van de Heilige Geest en Zijn vertroostend werk in ons hart. Valse zekerheid geeft de mens aan zichzelf. Dit is ten diepste vermetelheid en geen geloefs­zekerheid.

 

De zekerheid van het geloof is een werk van de Heilige Geest. De zekerheid dat ons de zonden zijn vergeven en wij kinderen Gods zijn en eeuwig zullen blijven, bezitten de gelovigen naar de mate van hun geloof. Zo belijden wij in de Dordtse Leerregels: 'Van deze bewaring der uitverkorenen tot de zaligheid en van de volharding der ware gelovigen in het geloof, kunnen de gelovigen zelf verzekerd zijn, en zij zijn het ook, naar de mate des geloofs, waarmede zij zekerlijk ge­loven dat zij zijn en altijd blijven zullen ware en levende leden der Kerk, dat zij hebben vergeving der zonden en het eeuwige leven', waarbij wij met Van der Groe wel moeten aantekenen dat de laatste Godsontmoeting de beste verzekering brengt.

 

Nu is er echter nog een moeilijkheid. Sommigen zullen mis­schien zeggen: 'God de Vader is toch Rechter? Die had hier moeten spreken. Er is hier geen echte vrijspraak. Hier spreekt God de Zoon. Er heeft hier dus geen echte rechtvaardiging in de vierschaar der consciëntie plaatsgevonden.' Allereerst moe­ten wij weten dat toen de Heere Jezus de verlamde te Kaper­naüm genas, Hij ook eerst zei: 'Zoon! wees welgemoed; uw zonden zijn u vergeven.' De Farizeeën murmureerden daar­over en zeiden: 'Wie kan de zonden vergeven, dan alleen God?' Christus heeft toen nadrukkelijk verklaard dat Hij macht had om de zonden te vergeven. Hij sprak geen ijdele woorden tot de geraakte, toen Hij zei: 'De zonden zijn u vergeven.'

Even­min sprak Hij bedrieglijk, toen Hij tot de zondares zei: 'Uw zonden zijn u vergeven.' Op grond van Zijn genoegdoening heeft Christus macht om de zonden te vergeven. Zijn vergeven van de zonden is een bewijs dat Hij gelijk is aan de Vader.

 

Ik denk dat wij te veel een bepaald systeem aan de Schrift willen opleggen. Het woord van vrijspraak waarmee God de ziel van een vrezende en doemschuldige zondaar vrijmaakt van alle vrees en twijfel, is een woord van zodanige kracht dat die mens zich het hoofd niet breekt of dit nu door de Vader, de Zoon of de Heilige Geest gesproken is. Het is God Die recht­vaardigt, en wie zal dan verdoemen? Het wordt ervaren als een vrijsprekend vonnis van God! Het is een woord dat de kracht bezit om de hel toe te stoppen en de hemel voor ons te openen.

0, dat is een woord dat zaligheid en vrijheid, vrede en blijdschap in ons hart brengt. Het is krachtig genoeg om alle vrees en twijfel te verdrijven. Wanneer God door de belof­ten van het Evangelie aan ons hart verzegelt dat onze zonden ons om Christus' wil vergeven zijn, mogen wij met David zeg­gen: 'Ik heb het zelf uit 's Heeren mond gehoord.' Hoe belang­rijk is dit allesoverwinnend getuigenis van de Heilige Geest!

 

Niemand kan van ware vrede tot zijn eigen ziel spreken, als niet eerst Gód van vrede tot zijn hart gesproken heeft. Deze zegen ontving Jósua, De HEERE zei tot hem: 'Zie, Ik heb uw ongerechtigheid van u weggenomen.' Wat is dát inderdaad een rijke zegen! Wie zal ooit met woorden kunnen zeggen wat er in het woord van Gods vergiffenis te vinden is? Wie zal ooit kunnen zeggen wat voor rijkdom er voor de zondares was in de uitspraak van Jezus: 'Uw zonden zijn u vergeven'? Wie zal ooit kunnen zeggen wat voor rijkdom er voor de moordenaar op het kruis was in de woorden die Christus sprak: 'Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn'? Zo kunnen mensen­woorden niet vertolken wat voor rijkdom er ligt in het woord van de belofte, waarmee het Gode behaagd heeft onze ban­den los te maken, onze vrees te verdrijven en het aan ons hart te bevestigen dat wij deel aan Christus en Zijn gerechtigheid hebben.

 

Jósua werd verlost van zijn vuile klederen. Hij ontving daarbij nog een andere zegen, want de Engel des HEEREN zei: 'En Ik zal u wisselklederen aandoen.' Daarop letten wij in de laatste gedachte, als we spreken over:

 

2. Het aandoen van de wisselklederen

 

De Engel des HEEREN zei tot Jósua: 'en Ik zal u wisselklederen aandoen.'

Wisselklederen waren feestgewaden. Zij waren zeer kostbaar. Wij lezen in de Schrift dat Jozef zijn broers elk een wisselkleed gaf. Benjamin gaf hij zelfs vijf wisselklederen. Jósua wordt zo'n wisselkleed aangedaan. De Heere Jezus neemt niet alleen het vuile kleed weg, maar geeft Jósua ook een nieuw kleed. In vuile klederen stond hij eerst voor Gods aangezicht, nu staat hij voor de Heere in een nieuw kleed, waarschijnlijk een nieuw hogepriesterlijk kleed.

De Heere Jezus neemt niet alleen het vuile zondenkleed van Zijn volk weg, Hij bekleedt Zijn kinderen ook met een nieuw kleed, namelijk het kleed des heils en de mantel der gerechtigheid. De Heere doet geen half werk. In de rechtvaardiging van de zondaar voor God worden onze zonden ons niet toegerekend, en wordt Christus' gerech­tigheid ons wel toegerekend.

Het gaat in de rechtvaardiging over twee zaken. Het gaat over niet toerekenen en wel toe­rekenen. De Schrift noemt de mens welgelukzalig 'die de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent' (Ps. 32:2). De Schrift noemt verder de zondaar gered die de rechtvaardigheid toegerekend wordt (Rom. 4: 11). Dat is het genadewonder in onze rechtvaar­diging. De Heere rekent ons de zonden niet meer aan. Zij staan niet meer op onze rekening. In plaats daarvan rekent Hij ons de gerechtigheid van Christus toe en zet Hij de gerechtigheid van Christus op onze rekening. Het gaat in de rechtvaardiging niet alleen om de vergeving van de schuld, maar ook om het ontvangen van de volkomen gerechtigheid van Christus.

 

Het wordt ons in dit nachtgezicht van Zacharia duidelijk uit­gebeeld. Jósua worden niet alleen de vuile klederen afgeno­men, hij ontvangt ook een geheel nieuw kleed. Het heeft alles te maken met de bekende ongelijke ruil.

Christus neemt de zonden van Zijn volk en zij ontvangen Zijn volkomen gerechtigheid. Het deed Luther in verwondering zeggen: 'Heere Je­zus, Gij zijt mijn gerechtigheid, en ik ben Uw zonde.' Zo wordt het ook door Gods kinderen ervaren. De Heere neemt niet alleen onze vuile klederen weg. De door het geloof in Christus gerechtvaardigde zondaar zal ook zeggen dat de Heere in plaats daarvan hem de volkomen gerechtigheid van Christus heeft toegerekend. De gerechtvaardigde mag roemen: 'Ik ben zeer vrolijk in de HEERE, mijn ziel verheugt zich in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de klederen des heiIs, de mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan' (Jes. 61:10).

Hetwissel­kleed dat Jósua ontvangt, ziet op het kleed van Jezus' gerech­tigheid. Het is een kleed dat al onze zonden bedekt. Met dit kleed bekleed kunnen wij in het oog van God bestaan. Jezus' gerechtigheid is het kleed van de gelovige.

 

Wisselklederen werden Jósua aangedaan.

Weer ontmoeten wij hier het passieve. Zij wórden hem aangedaan. De gerechtigheid van Christus wordt ons toegerekend. Wij rekenen ons­zelf niet rechtvaardig, maar God verklaart ons in Christus rechtvaardig, zó rechtvaardig alsof wij zelf voor al onze zon­den betaald en alle gerechtigheid volbracht hadden.

Zo wer­den Jósua de vuile klederen uitgedaan en nieuwe klederen aangetrokken.

 

De profeet Zacharia heeft dit alles in het nacht­gezicht zien gebeuren. Hij is vervuld met verwondering over wat er met Jósua gebeurt. Hij kan zich ten slotte niet meer inhouden en roept uit: 'Laat ze een reine hoed op zijn hoofd zetten.' Zacharia begeert dat de engelen Jósua de priesterlijke hoed op het hoofd zullen zetten. Het is zijn verlangen dat de Heere het herstel van Jósua en het volk van Juda compleet zal maken. Hij verlangt dat de Heere de kroon op Zijn werk zal zetten en Jósua weer als hogepriester zal herstellen.

De Heere heeft dat verzoek ingewilligd. Wij lezen: 'En zij zetten die reine hoed op zijn hoofd.' Daar stond Jósua weer in een rein gewaad. Hij droeg weer de priesterlijke hoed met de hoofdband, waarop geschreven stond: 'De heiligheid des HEEREN'. Nu kon hij weer hogepriester zijn. Hij droeg weer de priesterlijke hoed, een teken van zijn hogepriesterlijke waardigheid.

 

Een volkomen herstelling hebben we hier. Het ziet in dit visi­oen op de wederaanneming van het volk van Juda als Gods verbondsvolk. Het leert ons verder dat Gods verlossing een volkomen verlossing is.

De zonden worden Gods kinderen zó volkomen vergeven dat ze in Gods gericht nooit meer gedacht zullen worden. Zij zijn in een staat gebracht waaruit ze nooit meer kunnen vallen. De Heere herstelt hen vooral weer tot dienst.

Jósua kan en mag nu zijn ambt weer bedienen.

Gods herstel bestaat uit de oprichting van het beeld Gods in ons. Hij maakt ons weer bekwaam en gewillig om Hem te dienen. In het verdere nachtgezicht wordt dit duidelijk gemaakt.

 

Tot besluit lezen wij: 'En de Engel des HEEREN stond daarbij.' Ei­genlijk staat er alleen maar: 'En de Engel des HEEREN stond.' Hij was erbij als Getuige en hechtte Zijn goedkeuring aan alles wat de engelen deden.

Gemeente, zo moet het ook bij ons zijn. Zo moet het zijn met al onze bevindingen en ervarin­gen: God moet ervan afweten. Gods kinderen mogen zeggen: 'En de Engel des HEEREN stond daarbij.'

 

Zingen wij nu eerst Psalm 85:1:

 

Gij hebt Uw land, 0 HEER', die gunst betoond,

Dat Jakobs zaad opnieuw in vrijheid woont;

De schuld Uws volks hebt G' uit Uw boek gedaan;

Ook ziet Gij geen van hunne zonden aan;

Gij vindt in gunst, en niet in wraak, Uw lust;

De hitte van Uw gramschap is geblust.

o heilrijk God, weer verder ons verdriet;

Keer af Uw wraak, en doe Uw toorn teniet.

 

Jósua stond voor God, bekleed met vuile klederen. De onreine hogepriester is het beeld van het volk van Juda, maar tegelijk van ons allen. Zo ziet God ons, gemeente. Zo zijn wij allen in het oog van een heilig en rechtvaardig God. Wij staan voor Hem, bekleed met vuile klederen. Wanneer wij de ba­lans van ons leven opmaken, wat liggen er dan een smetten op ons levenskleed! Wat een zonden zijn door ons bedreven in gedachten, woorden en werken!

En wij kunnen zelf ons kleed niet reinigen. De Heere zegt: 'Al wiest gij u met salpeter, en naamt u veel zeep, zo is toch uw ongerechtigheid voor Mijn aangezicht getekend.'

 

Wij maken de schuld dagelijks nog meer­der. Gemeente, weten wij dat? Hebben wij geprobeerd ons kleed te reinigen? Dan pas weten wij echt dat wij ons kleed niet kunnen reinigen. Dan is het geen koude constatering meet; maar wordt het met smart beleden: 'Ik weet dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont.' Wat een onmogelijkheid om ons vuile kleed te reinigen!

Maar wat onmogelijk is bij de mensen, is mogelijk bij God. Het bloed van Christus kan het bewerken. Van dat bloed zegt de Schrift: 'En het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.' Er kun­nen zonden in ons leven zijn waar wij met niemand over dur­ven of kunnen spreken, maar er zijn geen zonden die Jezus' bloed niet kan wegnemen. Wanneer wij op ons vuile kleed zien, moeten wij wanhopen; maar wanneer wij zien op het bloed van Christus, is er hoop voor de grootste van de zonda­ren.

 

'Maar', zo hoor ik u zeggen: 'ik kom daar niet voor in aanmerking. Ik ben niet geschikt genoeg om door Jezus gerei­nigd te worden. Ik bezit niet genoeg berouw, ik heb geen ge­loof; het wordt met mij niet beter; maar eerder slechter. Nee, voor mij is dat niet.' Inderdaad zijn er mensen die leren dat, tenzij de zondaar zich eerst geheiligd en verbeterd heeft en weet het ware berouwen het ware geloof te bezitten, hij niet tot Christus mag gaan. Je moet daar zekere geschiktheden voor bezitten, zo zeggen zij. Zij vergeten echter dat niets ons zo geschikt maakt voor Jezus, en niets Jezus zo geschikt maakt voor ons, dan onze vuilheid en verlorenheid.

 

Wie is geschikt om gereinigd te worden? Is het niet de onreine? Wie is ge­schikt om een gave te ontvangen? Is het niet de bedelaar? Wie is geschikt voor Jezus? Het is de arme, schuldige en onreine zondaar, die in zichzelf en van zichzelf niets bezit dat Gods genade verdient en waardig is. Onze lompen, ellenden en noden zijn de beste aanbeveling om tot Christus te gaan. Probeer het eens. Ga eens zo tot Hem en u zult de waarheid van Jezus' woord ervaren: 'Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaar­digen, maar zondaars tot bekering.'

 

Een bekend kunstschilder zag op een hoek van een straat in Parijs een markante bedelaar staan, die op een viool speelde. Hij was zo onder de indruk van de verschijning van de bede­laar dat hij naar hem toeging en zei: 'Je kunt 500 gulden ver­dienen als je morgen naar mijn atelier komt en ik je mag schil­deren.' De bedelaar ging daarmee akkoord. De volgende dag knapte hij zich helemaal op. Hij waste zich en deed zijn beste pak aan. Hij moest immers model staan bij een voornaam kunstschilder. Toen hij daar kwam, zei de schilder echter tegen hem: 'Zo kan ik je niet gebruiken!'

Zie, gemeente, dat zegt de Heere nu ook tot ons. Zolang wij ons proberen op te knappen, kan de Heere Jezus ons niet gebruiken. Je zult vuil en in lompen tot Hem moeten gaan, en als je daartoe niet bereid bent, zul je nooit tot Hem kunnen gaan.

 

Jósua is passief geweest in het uittrekken van zijn vuile klederen en ook in het aandoen van de wisselklederen.

Wat is het moei­lijk om op te houden met werken! Wij willen altijd iets meer zijn dan een verdoemelijk zondaar voor God. De moeilijkheid zit in de gemakkelijkheid. Dáár zit het bij u op vast. U wilt nog altijd iets aanbrengen, iets meebrengen, iets betekenen. De Syriër Náäman wilde alles doen, behalve zich eenvoudig baden in de rivier de Jordaan. Wat is het nodig te sterven aan de wet der werken! U tobt en zoekt en slaaft, maar werd u eens eerlijk voor God, dan zou u zeggen: 'Heere, hier ben ik nu; ik heb alIeen maar schuld en vloek, ik ben Uw vonnis, Uw oordeel dubbel waardig; maar ik hoor dat het bloed van Jezus Christus reinigt van alIe zonde.' Voor zulken wil Christus het opnemen. Hij wil de duivel, die ons zo benauwt, schelden en tot onze ziel spreken: 'Ik heb uw ongerechtigheid van u weg­genomen.' Wat hebben we dat laatste nodig, dat de Heere Zelf tot onze ziel spreekt.

 

Wij belijden met de Dordtse Leer­regels dat de verzekerdheid van het geloof niet tot stand komt door middel van enige bijzondere openbaring, buiten het Woord van God om. Zo'n verhaal klinkt misschien wel prach­tig, maar zo vestigt God de verzekerdheid niet in een bestre­den zondaarshart. God doet dit door de beloften van het Evan­gelie. Het alIesoverwinnend getuigenis van de Heilige Geest paart zich aan de belofte en maakt dat Gods kinderen mogen zeggen: 'Ik heb het Zelf uit des Heeren mond gehoord.'

Sta daarnaar en zeg: 'Heere, ik kan pas dan gerust zijn als ik het uit Uw eigen mond horen mag; spreek Gij tot mijn ziel: Ik ben uw heil.'

 

'En de Engel des HEEREN stond daarbij.' Ja, de Heere moet ervan afweten, van alIes wat wij verrellen. Hij moet er­van afweten. Misleid uzelf en andere mensen niet. De Heere stond erbij. Zo moet het ook bij ons zijn. God moet ervan afweten. Al geloven mensen het dan niet, als de Heere er maar bij staat en ervan afweet. Zijn goedkeuring is immers alIes.

 

Tot slot, gemeente, stond u ooit zó voor God als Jósua, be­kleed met vuile klederen? Hebt u uzelf zo Ieren kennen? Bleef u toen niets anders over dan met vuile klederen tot een roe­pende en nodigende Zaligmaker te vluchten? Vrees dan niet. Hoeveel strijd en onzekerheid uw deel ook mag zijn, het is zo waar wat de bekende Samuël Rutherford gezegd heeft: 'Nooit ging die mens verloren die in zijn nood het aangezicht naar Christus heeft gekeerd.'

Amen.

 

Slotzang: Psalm 32: 1

 

Welzalig hij wiens zonden zijn vergeven;

Die van de straf voor eeuwig is ontheven;

Wiens wanbedrijf, waardoor hij was bevlekt,

Voor ’t heilig oog des HEEREN is bedekt.

Welzalig is de mens wien ’t mag gebeuren,

Dat God naar recht hem niet wil schuldig keuren,

En die, in ’t vroom en ongeveinsd gemoed,

Geen snood bedrog, maar blank’ oprechtheid voedt.