Ds. C. Harinck - Leviticus 7 : 11

De wet van het dankoffer

de behoefte aan dit offer
de eisen bij dit offer
de maaltijd na dit offer

Leviticus 7 : 11

Leviticus 7
11
Dit is nu de wet des dankoffers, dat men den HEERE offeren zal.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 116: 7
Lezen : Leviticus 3: 1-11 en Leviticus 7: 11-17
Zingen : Psalm 107: 6, 10, 11
Zingen : Psalm 118: 14
Zingen : Psalm 66: 7

Gemeente, dankbaarheid is een groot en belangrijk deel van de godsverering.

Onze catechismus spreekt over drie stukken: ellende, verlossing en dankbaarheid. Meestal denken wij dat het laatste stuk minder belangrijk is. Maar de godsdienst, de ware godsverering, bestaat vooral uit dankbaarheid. Daarom is de hemel een plaats van danken, loven en God verheerlijken.

Daartoe worden wij op aarde ook opgeroepen. Het moet op aarde beginnen, willen wij het in de hemel kunnen voortzetten.

 

Naar aanleiding van Leviticus 7 vers 11 wil ik dan ook stilstaan bij wat dankbaarheid is. We lezen daar:

 

Dit is nu de wet des dankoffers, dat men den Heere offeren zal.

 

De tekst spreekt over: de wet van het dankoffer.

We letten achtereenvolgens op:

 

1. de behoefte aan dit offer;

2. de eisen bij dit offer;

3. de maaltijd na dit offer.

 

1. De behoefte aan dit offer

Het boek Leviticus vinden wij meestal maar een moeilijk boek. Het staat vol met voorschriften hoe God gediend moet worden in de tabernakel en later in de tempel. Het gaat over allerlei soorten offers. Het gaat over de kleding van de priesters, over reinigingswetten, over heilige dagen en feesten.

Dikwijls gaat het over allerlei kleine bijzonderheden, bijvoorbeeld welk deel van het offer bestemd is voor de priester en welk deel voor de offeraar, wat er met de as moet gebeuren die achterblijft op het altaar, wat voor kleur de strikjes moeten hebben aan het kleed van de hogepriester, in welke richting de priester en de offeraar moeten kijken als ze een offer omhoog heffen. Allerlei kleine bijzonderheden worden in het boek Leviticus besproken.

 

Toch noemt Calvijn de dienst van de ceremoniën het Evangelie van het Oude Testament voor het volk van Israël. Want heel die dienst was een spiegel waarin Christus en het Evangelie zichtbaar werden. We hoeven alleen maar de Hebreeënbrief te lezen om te beseffen hoe waar dat is: al de schaduwen en al de in onze ogen onbetekenende zaken hebben een rijke vervulling in Christus.

Het boek Leviticus is dan ook vol van lering voor de kerk van het Nieuwe Testament. We doen onszelf als nieuwtestamentische gemeenten eigenlijk tekort door dat boek dikwijls gesloten te laten. Het is zelfs zo dat alleen het Nieuwe Testament geen Bijbel is; de Bijbel is Oude en Nieuwe Testament.

 

In Leviticus gaat het in de eerste zeven hoofdstukken over verschillende offers. Vijf offers worden genoemd: het brandoffer, het zondoffer, het schuldoffer, het spijsoffer en het dankoffer. In Leviticus 7 gaat het vanaf het elfde vers vooral over het dankoffer. We lezen: Dit is nu de wet des dankoffers, dat men den Heere offeren zal.

Onder de vele offers die gebracht werden, waren ook dankoffers. De Heere gaf door middel van die dankoffers aan de Israëlieten de mogelijkheid om hun dank te tonen. Dankoffers waren niet bedoeld om de zonden te verzoenen; ze waren specifiek bedoeld om God dank toe te brengen, bijvoorbeeld voor herstel na ziekte, voor verhoring van het gebed, of voor het ontvangen van een bijzondere zegen.

Het dankoffer wordt dikwijls een gelofte-offer of ook wel een lofoffer genoemd. We komen dat in de Bijbel vooral in het boek van de psalmen tegen, vaak in verband met de verhoring van het gebed. We horen David bijvoorbeeld zeggen: Mijn geloften zal ik den Heere betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk (Ps.116:14). En in Psalm 107, die we net gezongen hebben, gaat het steeds over redding uit een bepaald gevaar. Ze zijn bevrijd van de wederpartijders. Ze hebben te midden van honger en dorst van de Heere eten ontvangen. God heeft in de gevaren van de zee en van stormen beveiligd. Ze dwaalden in woestijnen en wildernissen, maar de Heere bracht hen weer op de rechte weg. En dan volgt steeds: Laat hen voor den Heere Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen der mensen (Ps.107:8,15,21,31). In vers 22 vers lezen we: En dat zij lofofferen offeren, en met gejuich Zijn werken vertellen.

Dat was dus het doel van het dankoffer: de Heere lof toebrengen en met gejuich Zijn daden en werken verkondigen.

 

Wanneer werd er een dankoffer gebracht?

Het antwoord is eenvoudig: als ze dankbaar waren voor iets, als ze behoefte voelden om de Heere te danken.

Het dankoffer was geen ‘moeten’. Het dankoffer wordt in de Bijbel een vrijwillig offer genoemd. Veel offers móesten worden gebracht; die mochten niet nagelaten worden. Denk maar aan het morgenoffer en het avondoffer, offers bij de nieuwe maan, enzovoorts. Maar wat het dankoffer betreft, liet God de Israëlieten helemaal vrij. Het moest een vrijwillig offer zijn. Het moest spontaan uit het hart komen om de Heere daardoor dank te brengen.

Ze brachten dank voor een bijzondere zegen die ze van God hadden ontvangen: voor de oogst natuurlijk, maar heel vaak ook voor de kinderzegen, voor genezing na ziekte, voor verlossingen uit gevaar, voor ontvangen vergeving van bedreven zonden, voor de overwinning op de vijanden die benauwden.

De Heere had een weg geopend om Hem dank te brengen wanneer er maar behoefte aan was. Die weg was het dankoffer. Aan het dankoffer lag dus een reden ten grondslag.

 

Gemeente, aan ware dankbaarheid ligt ook nu een reden, ja, een behoefte ten grondslag.

Vandaag hebben wij dankdag. Maar hebben wij in ons hart echt de behoefte om God te danken en te erkennen?

Wat heeft de Heere ons weer rijk willen zegenen! Er was weer een oogst. Er was kracht om ons werk te doen. We kregen verstand om te studeren. Er was brood om te eten, kleding om aan te trekken. Er waren scholen, mogelijkheden tot studie. Er waren medicijnen ten tijde van ziekte, en bij ouderdom en zwakheid waren er mensen die ons verzorgden. Wat hebben wij reden om dankbaar te zijn.

Maar al hebben wij veel redenen om dankbaar te zijn, dat wil nog niet zeggen dat wij ook de behoefte hebben om dankbaar te zijn. Wat is dat belangrijk, gemeente, dat er in ons hart een behóefte is om de Heere te danken, dat er iets leven mag van wat er geschreven staat in Psalm 116: Wat zal ik den Heere vergelden voor al Zijn weldaden, aan mij bewezen? (Ps.116:12).

 

Ze dankten de Heere als ze zegen hadden ontvangen. Maar het is ook nodig om de Heere te danken als er géén zegen ontvangen is. En wat is dat moeilijk! Ja, aan onze kant is het bijna onmogelijk om in tegenspoeden, ziekte en kruis de Heere te danken.

En toch komen we het enkele malen in de Bijbel tegen. We lezen in de Schrift dat mensen in tegenspoed en ellende God de dank en de eer toebrengen. Habakuk zegt: Zo zal ik nochtans in den Heere van vreugde opspringen, ik zal mij verheugen in den God mijns heils (Hab.3:18). En als Jeremia op de puinhopen van de tempel zit, dankt hij God en zegt hij: Het zijn de goedertierenheden des Heeren, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben (Klaagl.3:22).

 

Een dankoffer kwam dus voort uit behoefte van het hart. Maar aan een dankoffer waren ook bepaalde voorschriften verbonden. En daarop letten we in onze tweede gedachte, als we spreken over:

 

2. De eisen bij dit offer

Er waren voorschriften waaraan het dankoffer moest voldoen. Een Israëliet die zijn dankbaarheid wilde tonen, moest een rein dier brengen van het grote vee of van het kleinvee, dus een rund, een bok, een ram, of een geit of lam. Het moest een rein dier zijn. Het tweede vereiste was dat het een dier moest zijn zonder enig gebrek. Je bewees God geen dankbaarheid als je een ziek dier uit je kudde bracht, een dier dat waarschijnlijk toch dood zou gaan. Het moest dus een rein dier én een gezond dier zijn.

De offeraar moest het dier zelf slachten. Het werd niet door de priester geslacht. Dat is ook iets wat alleen maar bij het dankoffer hoort; het onderscheidt het dankoffer van de andere offers. En het moest recht tegenover het brandofferaltaar geslacht worden, zegt de Wet des Heeren.

Eigenlijk moest alles van de offeraar uitgaan. Hijzelf verkoos het dier dat hij wilde brengen en hijzelf moest het geslachte dier aan de Heere ten offer brengen. En hij moest het dicht bij het brandofferaltaar offeren. Dat wil zeggen: dicht bij de plaats waar de zoenoffers werden gebracht.

 

Nadat het dier geslacht was, werd het bloed opgevangen en sprengden de priesters dat bloed rondom het brandofferaltaar. Vervolgens werden het vet en ook de vette stukken op het altaar verbrand. Apart wordt de vetstaart genoemd: de dikke vette staart werd apart verbrand. Een nauwkeurig omschreven manier van offeren.

Daarna gebeurde er iets bijzonders. In Leviticus 3 wordt gezegd: En de zonen van Aäron zullen dat – dus dat vet, die vetste stukken van het dier – aansteken op het altaar, óp het brandoffer (…), dat op het vuur is (Lev.3:5). Je moet het eigenlijk zo verstaan dat het dankoffer boven op het brandoffer kwam te liggen. Het dankoffer werd geofferd en verbrand boven op het brandoffer. Het brandoffer was het dagelijkse morgen- en avondoffer. Boven op dat morgen- en avondoffer, dat in zijn geheel werd verteerd, werd het dankoffer gelegd en samen met het brandoffer verteerd.

Er werd dus nooit een dankoffer aan God geofferd zonder dat er tegelijk een brandoffer werd geofferd. Het brandoffer was een offer ter verzoening. Daarbovenop werd het dankoffer aan de Heere geofferd. Er kon dus geen dankoffer zijn zonder brandoffer. De grond van de aanvaarding van het dankoffer was gelegen in de verzoening, die door het brandoffer was aangebracht.

 

Gemeente, het is bijna overbodig om te zeggen dat dit alles op Christus ziet. Onze offers, onze dankoffers kunnen door de Heere niet worden aangenomen tenzij wij ze boven op het brandoffer leggen, boven op het grote zoenoffer dat Christus op het kruis heeft gebracht.

En waarom is dat zo onmisbaar nodig?

Omdat onze dankoffers onvolkomen en met zonden besmet zijn. Zelfs onze meest toegewijde dienst is vol gebrek. Wij kunnen aan God nooit zo’n offer brengen dat rein en zonder zonden is. We kunnen nooit iets offeren waaraan het onvolmaakte niet kleeft. Het beste offer liet altijd nog as na op het offer. En zo is ons beste offer nog altijd met zonden besmet en bevlekt.

Maar het brandoffer verzoende de schuld en daarbovenop legde men z’n dankoffer. Zo mogen wij ons gebrekkige dankoffer brengen en neerleggen boven op het brandoffer.

 

Wat bevat dit een rijke troost – een rijke troost voor mensen die er in hun harten zo diep van overtuigd zijn dat alles wat zij offeren zo gebrekkig is.

Gods kinderen beleven dat. Hoe gebrekkig is onze gehoorzaamheid. Hoe gebrekkig is onze liefde. Hoe gebrekkig is onze dienst. Hoe gebrekkig zijn onze gebeden. Hoe gebrekkig is onze heiligmaking en onze lof en dankbaarheid. Altijd is er het onvolmaakte. Altijd is er het gebrekkige. Het volmaakte ontbreekt steeds en Gods kinderen gevoelen dat. Ze voelen met smart vanbinnen dat ze de Heere nooit zo kunnen dienen als Hij waardig is. Het offer blijft altijd achter bij wat zij de Heere verschuldigd zijn.

We lezen hier dat het dankoffer op het altaar gelegd moest worden waarop kort daarvoor het brandoffer was verbrand. Dat is de volgorde: eerst het brandoffer en dan het dankoffer. Gods kinderen mogen hun gebrekkige dankoffers neerleggen op het volmaakte zoenoffer van onze Heere Jezus Christus. En dát maakt ons offer aanvaardbaar. Dát maakt ons offer een goede reuk voor God. Dan wordt ons dankoffer door God aanvaard en wordt Zijn hart erdoor verblijd.

 

Gelovigen zeggen weleens: God heeft nooit veel plezier van mij gehad.

Enerzijds is dat helaas waar. Maar de Bijbel zegt het toch anders. De Bijbel toont dat God Zich verheugt in Zijn kinderen en dat Hij Zich verheugt in hun dienst en in hun offeranden! De Heere zegt in Leviticus 22 dat het offer, met het hart en overeenkomstig Zijn voorschrift gebracht, Hem aangenaam zal zijn.

Wat beseffen Gods kinderen weinig hoe aangenaam ze zijn in Christus. We zien zoveel op onze tekortkomingen en zo weinig op hoe God in Christus de gelovige ziet. Het kleinste offer van ons, het meest gebrekkige dankoffer, is aangenaam in Gods ogen als wij het op het altaar van Christus’ brandoffer leggen, als wij het in de Naam van de Heere Jezus als een hefoffer tot God opheffen. De Heere verheugt Zich daarin, zoals we lezen in Jesaja 56: Hun brandoffers en hun slachtoffers zullen aangenaam wezen op Mijn altaar (Jes.56:7). De Heere noemt Zijn kinderen ‘hef shiba’: Mijn lust is aan haar (Jes.62:4). De Heere verheugt Zich wanneer Zijn kinderen Hem een dankoffer brengen. En vooral wanneer zij dit niet brengen in hun eigen naam of steunend op hun goede werken, maar als zij, gevoelende dat hun offer zo onvolkomen is, daarbij zien op het offer dat Christus op Golgotha heeft gebracht.

 

De Heere wilde dat Zijn volk zich op de dankdag in Hem zou verblijden. Ze moesten verblijd zijn over de oogst, maar ze moesten het meest verblijd zijn in de Heere. Ze mochten zelfs niet met een droevig gelaat bij Zijn altaar verkeren. Het dankoffer moest een lofoffer zijn – niet alleen een vrijwillig offer, maar een lofoffer: een offer van lof en dank.

Terwijl het dankoffer werd gebracht, werd God dan ook lof toegebracht en geprezen. Men ging zingend rondom het altaar. Denk maar aan Psalm 26: (…) ik ga rondom Uw altaar, o Heere! om te doen horen de stem des lofs, en om te vertellen al Uw wonderen (Ps.26:6‑7). Het volk verblijdde zich op de dankdag in de Heere en bracht Hem lof en heerlijkheid toe.

Jonge mensen, de dienst van God is niet alleen maar somberheid. ‘Gods vriend’lijk aangezicht heeft vrolijkheid en licht voor all’ oprechte harten.’ Echte blijdschap wordt alleen in God gevonden. Wanneer ons hart Hem eens echt loven en danken mag, smaken we iets van wat ze in de hemel altijd doen: God eren en aanbidden. Dat geeft óns blijdschap en dat geeft ook God blijdschap.

 

Bij het dierenoffer moest verder het spijsoffer worden gevoegd. Dat bestond uit koeken, een soort platte broden, die in olie werden gebakken. Dat werd het hefoffer genoemd, omdat het werd opgeheven naar God.

Tijdens het opheffen van de koeken – de broden, zouden wij zeggen – keken de priester en de offeraar in de richting van de tempel of van de tabernakel en liepen ze zachtjes achteruit de voorhof in tot bij het gordijn van het heilige. Ondertussen zei men: ‘Heere, het behoort U toe, maar wij ontvangen het uit Uw hand.’

God gaf heel veel terug van wat zij offerden. God was mededeelzaam. Hij hield niet het hele offer voor Zichzelf. Als we lezen wat God nam en wat Hij teruggaf aan de offeraar, was het maar een gering deel dat Hij voor Zichzelf hield. Het grootste deel van het offerdier en het spijsoffer werd teruggegeven aan de priester en aan de offeraar.

Dat gold vooral voor het dankoffer. Van het dankoffer nam de Heere alleen het vet. De vetste stukken en de staart werden verbrand tot een vuuroffer; de rest was voor de offeraar en de priester die hem bijstond in dat offeren. God wilde dat men daar een maaltijd van zou maken.

 

Daarop letten we in onze laatste gedachte, als we spreken over:

 

3. De maaltijd na dit offer

Na het brengen van het dankoffer was er een maaltijd in de voorhof van de tabernakel en later in de tempel. Die maaltijd werd bereid van het vlees van het offerdier en van de koeken en de olie en de honing van het hefoffer. De gehele familie van de offeraar en de priester en de dienstdoende Levieten en hun gezinnen zaten dan aan de maaltijd. En ook de vreemdeling, de weduwe en de wees en het gewone volk dat op dat ogenblik in de tempel aanwezig was, waren welkom bij deze maaltijd.

We lezen erover in 1 Samuël. Elkana deelde als huisvader de gebraden delen van het offer en de koeken met honing uit aan zijn twee vrouwen en kinderen. Hij gaf Hanna een dubbel deel.

Het was een feestmaaltijd. Zo kwamen families naar de tabernakel en later de tempel om God een dankoffer voor de oogst te brengen en in de voorhof een feestmaal aan te richten.

 

Wat zal dat ook de kinderen geleerd hebben dat God vriendelijk en weldadig is. Wat kregen zij een diepe indruk van Gods goedheid. Het gehele offer kwam Hem toe, maar Hij deelde de offeraar en zijn gezin daar rijkelijk van uit.

Eén ding komt er vooral naar voren: men zat dan niet aan de tafel van de offeraar, maar aan Gods tafel. Gód beschikte een maaltijd. Het offer kwam helemaal Hem toe, maar hij gaf ervan aan de offeraar en de zijnen.

Zo zat men met de priester, de Leviet en de weduwe in Gods woning aan Gods tafel. De maaltijd na het dankoffer was daarom een feest van gemeenschap. Het ging in het dankoffer niet om verzoening, maar om gemeenschap.

 

Wat is ‘gemeenschap’ eigenlijk?

Gemeenschap is ‘delen’; je deelt iets met iemand. Gemeenschap wil ook zeggen dat je iets gemeenschappelijks hebt.

Aan die tafel na dat dankoffer was er gemeenschap. Er was gemeenschap met God. Men zat aan Gods tafel.

Maar, gemeente, kan dat wel? Kunnen wij wel gemeenschap hebben met een heilig God, wij die zondaren zijn, wij die onheilig zijn? Als gemeenschap ‘delen’ betekent, wat kunnen wij dan met een heilig God delen? En als gemeenschap betekent dat je iets gemeenschappelijks hebt waarin je je verblijdt en verheugt, hoe kun je dan gemeenschap hebben met God? We hebben toch niets gemeenschappelijks met God? God is heilig en wij onheilig. Wij bezitten toch niets wat we met God kunnen delen? Van onze beste werken moeten we toch zeggen dat ze met zonden besmet zijn? Van onze boetvaardigheid moeten we zeggen: mijn boetvaardigheid heeft opnieuw boetvaardigheid nodig. Mijn tranen van berouw moeten nog gewassen worden in het bloed van Jezus.

Een maaltijd van gemeenschap houdt ‘delen’ in, iets gemeenschappelijks hebben en dat delen met de heilige God van Israël. Hoe kan dat?

 

Dat kan alleen als er tussen de offeraar en de aanzittende gasten iets gemeenschappelijks is. Dan móet er iets zijn waar zij beiden hun vreugde in hebben. Er móet iets zijn wat ze met elkaar delen. Dan ontstaat er gemeenschap.

En wat is dat, gemeente? Wat bewerkt gemeenschap tussen God en een zondaar? Wat delen ze en waarin verheugen ze zich gemeenschappelijk?

Het antwoord is te vinden in het offer van Christus en in de Persoon van Christus. De waar gelovige en God delen dit met elkaar en verheugen en verblijden zich daarin. Ze verheugen zich in diezelfde Persoon van de Middelaar, in dezelfde God en Zaligmaker.

God verheugt en verblijdt Zich in de gehoorzaamheid, het verzoenend lijden en sterven van Christus. Hij verheugt Zich in het door Jezus Christus aangebrachte offer. God verheugt Zich in de Persoon van de Middelaar. Hij zegt: Ziet, Mijn Knecht, Dien Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Denwelken Mijn ziel een welbehagen heeft! (Jes.42:1).

 

En, gemeente, nu komt daarin aan het licht of u een waar gelovige en christen bent. Want om gemeenschap met God te hebben, moeten wij kunnen zeggen: ook ik heb in die Persoon van Christus al mijn welbehagen. We moeten dit met God delen en hierin met God overeenstemmen. In de Persoon waarin God Zijn vreugde vindt, moeten wij ook onze vreugde vinden. We moeten onze vreugde en blijdschap vinden in de Heere Jezus Christus, in Zijn gehoorzaamheid, in Zijn lijden en sterven voor de zonde, in het werk dat Hij nu als Hogepriester doet in de hemel. Van ons moet gezegd kunnen worden: U dan, die gelooft, is Hij dierbaar (1Petr.2:7).

We vinden vreugde in iemand om wie hij is en wat hij voor ons betekent. Gelovigen die echt gelovigen zijn en hun zaligheid in Jezus Christus zoeken, verheugen zich in de Persoon van Jezus, in Zijn genade, Zijn bereidheid om de schuldige te ontvangen, Zijn zo genadige nodigingen en beloften van zaligheid, maar vooral in de liefelijkheid van Zijn persoon, Zijn heerlijkheid en Zijn allesovertreffende schoonheid.

Dan ontstaat er gemeenschap. Dan stemmen we overeen. Dan denken we hetzelfde als God denkt. Dan denken we precies eender als God denkt over Jezus’ persoon en werk. God en de zondaar mogen dan samen feesten op wat er in Christus Jezus is, in wat Christus heeft verworven. Het hart stemt met God overeen en zegt: ook ik heb in Hem al mijn welbehagen.

 

Zo zaten ze dus aan Gods tafel en ze proefden gemeenschap met God. Maar ze hadden ook gemeenschap met elkaar. Er was ook gemeenschap met de priester en de Leviet, de weduwe en de wees, de vreemdeling en allen die met hen aan de tafel zaten. De offermaaltijd was een gemeenschap van de heiligen. Iedereen aan een en dezelfde tafel, allen aten van hetzelfde offervlees en van hetzelfde brood.

In Christus wordt de ware oecumene beoefend. Daar vallen rangen en standen weg. Daar zijn de gelovigen een eenheid. Het is een eenheid die wordt bewerkt door diezelfde Persoon die ze allen dierbaar achten en liefhebben. Het is een eenheid bewerkt door hetzelfde Offer waarop ze allen bouwen en vertrouwen.

We kunnen wel zeggen dat het gezegende maaltijden in de voorhof van de tabernakel en later in de grote voorhof van de tempel zijn geweest.

 

Die maaltijden duurden soms wel twee dagen. Er mocht niets van overblijven. Alles moest genuttigd worden. Men zat aan een overvloedige maaltijd. Men mocht niet sparen en ook niet mee naar huis nemen. De Heere wilde dat ze zich verblijden zouden en dat ze het goede van Zijn huis zouden genieten.

Het waren ontmoetingsplaatsen van de vromen. Tijdens die maaltijd werd de Heere geprezen en gedankt. Hij werd geprezen en gedankt voor de verhoring van gebeden. Hij werd geprezen en gedankt omdat Hij gered had uit gevaren en uit angsten. Hij werd gedankt en Hem werd lof toegebracht omdat Hij de kinderzegen had geschonken. God werd geprezen en geloofd omdat Hij genezen had en gered had uit ellenden. Des Heeren tent, de tabernakel, hoorde men weergalmen van hulp en heil hun aangebracht.

We lezen erover in het Oude Testament. In Psalm 116 vers 14 staat: Mijn geloften zal ik den Heere betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk. David wilde dat niet alleen doen; hij wilde dat doen in de tegenwoordigheid van al Zijn volk.

We lezen het ook van Jona: Maar ik zal U offeren met de stem der dankzegging; wat ik beloofd heb, zal ik betalen (Jona2:9).

God gebiedt in Deuteronomium 12 vers 7: En aldaar zult gijlieden voor het aangezicht des Heeren, uws Gods, eten en vrolijk zijn, gijlieden en uw huizen, over alles, waaraan gij uw hand geslagen hebt, waarin u de Heere, uw God, gezegend heeft.

En Psalm 26 zegt in de verzen 6 en 7: Ik ga rondom Uw altaar, o Heere! om te doen horen de stem des lofs, en om te vertellen al Uw wonderen. Verklaarders zeggen dat men inderdaad rondom het altaar ging en dat ‘de kelen vervuld werden met de lof des Heeren’.

 

O, gemeente, David had een reden om Gods huis en tempelzangen lief te hebben. Het was goed om daar te verkeren, om rondom het altaar te gaan en de Heere lof en dank toe te brengen. Het was, zouden we kunnen zeggen, gezelschapsleven op z’n best. De vromen ontmoetten daar elkaar. Ze zeiden: ‘Kom, hoor toe, en ik zal je vertellen wat God aan mijn ziel gedaan heeft.’ Het dankoffer eindigt dan ook met lofzangen. We denken aan Psalm 136, Psalm 100 en veel andere psalmen.

De maaltijd was ook een voorbode van de maaltijd in de hemel. Het was een afschaduwing van de hemelse dienst. De Heere Jezus leert het ons: Doch Ik zeg u, dat velen zullen komen van oosten en westen, en zullen met Abraham, en Izak, en Jakob, aanzitten in het Koninkrijk der hemelen (Matth.8:11). Aan Gods maaltijd zullen zij zitten en gemeenschap hebben met God en met elkaar. In de hemel is het één onophoudelijke dankzegging, waarvan we lezen in Openbaring 7 vers 12: De lof, en de heerlijkheid, en de wijsheid, en de dankzegging, en de eer, en de kracht, en de sterkte zij onzen God in alle eeuwigheid. Amen.

 

Laten we er van zingen uit Psalm 118 vers 14:

 

Gij zijt mijn God, U zal ik loven,

verhogen Uwe majesteit;

mijn God, niets gaat Uw roem te boven;

U prijz' ik tot in eeuwigheid.

Laat ieder 's Heeren goedheid loven,

want goed is d' Oppermajesteit;

Zijn goedheid gaat het al te boven;

Zijn goedheid duurt in eeuwigheid.

 

Gemeente, het dankoffer was een door God geschapen gelegenheid, om je dankbaarheid jegens Hem te tonen. Het was een vrijwillig offer. Het had dikwijls te maken met een afgelegde gelofte; daarom werd het ook een gelofte-offer genoemd.

Men was in nood en beloofde: Heere, als U mij redt …

Of men was kinderloos en beloofde: Heere, als U ons de kinderzegen schenkt …

Als God dan verhoorde, was er de weg van het dankoffer. Het dankoffer moest vrucht zijn van een spontane behoefte van het hart.

 

Laten we daar óns hart nu eens naast leggen. Heb je ooit in je leven een spontane behoefte gehad om God te danken? Leefde het diep in je ziel: O mijn God, Gij Koning! ik zal U verhogen, en Uw Naam loven in eeuwigheid en altoos (Ps.145:1)?

Dat hoort bij dat leven dat straks in de hemel volmaakt wordt voortgezet. Daar moet je nu de eerstelingen van kennen om daar straks eeuwig in te mogen delen. We lezen in Psalm 107: Laat hen voor den Heere Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen der mensen.

Laten we daar onze eigen levenspraktijk eens naast leggen, gemeente. Wat zijn we dan ondankbare, God-vergetende mensen. Misschien was u ziek, was u in gevaar, bad u tot de Heere en zei u: Heere, help mij! Heere, geef uitkomst! En toen de Heere uitkomst gaf, vergat u Hem te danken.

 

Dat moet schuld en smart worden. Het moet ons overtuigen van onze zonden. We denken dikwijls dat overtuiging van zonden alleen te maken heeft met diefstal, overspel en andere zonden. Maar overtuiging van zonden wil ook zeggen dat God ons overtuigt van onze ondankbaarheid, hoe wij God vergeten hebben in ons leven, van ondankbaarheid jegens God Die ons heeft welgedaan, Die ons uithielp in noden, van ondankbaarheid jegens God Die nooit tevergeefs werd aangeroepen. Als God je overtuigt, zal je in je hart zeggen: Heere, ik heb U vergeten. Ik heb slechts voor mezelf geleefd. Ik heb alleen in de nood gebeden, maar ik heb U nimmer de dank toegebracht.

Dan zien we tegen Wie we gezondigd hebben: tegen een goeddoend God, een God Die ons gezegend heeft, Die menigmaal heeft gered en heeft verhoord. En dat verbreekt het hart! Dat vervult met die oprechte, hartelijke droefheid jegens de Heere. En dan brengen we Hem het allerbeste offer: een offer van een verbroken hart en een verslagen geest.

 

Kinderen, jonge mensen, wat heeft de Heere jullie veel gegeven. Of vind je het maar gewoon dat je genoeg te eten hebt, dat je studeren kunt? Denk eens aan andere landen, aan wat daar gaande is. Je bent zo bevoorrecht, vooral dat je leven mag in een land waar kerken zijn en het Evangelie verkondigd wordt, waar je hoort van Christus, de Zaligmaker en de Verlosser.

Wat moet je de Heere als dankoffer brengen?

De grote Johannes Calvijn, een grote in het Koninkrijk, zegt het op kinderlijke wijze: ‘Heere, ik offer U mijn hart.’

O, jonge mensen, ik wens dat je de Heere je hart zal offeren, je ganse hart, waar de Heere zo recht op heeft.

 

Volk des Heeren, wat hebben wij veel om dankbaar voor te zijn: dat God naar ons heeft omgezien, dat God tot bekering heeft gebracht en tot geloof in Christus, en dat Hij nooit begeeft en verlaat; Hij blijft trouw aan ontrouwen.

Wat voelen we dan dat God een volmaakt offer, een rein offer toekomt, dat God een offer toekomt waar geen gebrek aan kleeft, dat het allerbeste voor de Heere nog niet goed genoeg is. En wat staan we dan met lege handen … Wat zijn onze offers dan gebrekkig en met zonden besmet … Maar je mag je gebrekkige dankoffer op hetzelfde altaar leggen als waar het zondoffer op is verbrand. Je mag je gebrekkige offer op de genoegdoening van onze Heere Jezus Christus leggen.

Wat is de Heere wijs door ons steeds te laten zien dat onze dank onvolkomen is. Als wij aan al de eisen van de dankbaarheid konden voldoen, dan zouden wij het brandofferaltaar niet nodig hebben. God heeft een volk dat niet alleen voelt niet aan de eisen van de Tien Geboden te kunnen voldoen, maar ook voelt niet te kunnen voldoen aan de eisen van de dankbaarheid.

Maar … de Heere heeft voor een altaar gezorgd, een altaar waarop het brandoffer is verteerd! Er is een volkomen voldoening door Christus aangebracht. Alles wat het altaar aanroert, zal de Heere heilig zijn, staat er in Exodus 29 vers 37.

 

Er was een maaltijd van gemeenschap in de tempel.

Je kunt mensen bij elkaar zetten zoals je schapen en bokken in een hok stopt, en zeggen: je komt hier niet uit voordat je het allemaal met elkaar eens bent. Velen willen op die manier kerken bij elkaar brengen. Maar gemeenschap vieren heeft te maken met delen, met iets wat je gemeenschappelijk hebt. Dan pas kan er eenheid en oecumene zijn. Eenzelfde geloof, eenzelfde bekering en eenzelfde hoop is daarvoor nodig.

En laten we eerst aan God denken. Je kunt pas dán gemeenschap met elkaar hebben wanneer je iets gemeenschappelijks hebt in God. Als je je in dezelfde Christus verheugt als waarin God Zich verheugt, dan kun je gemeenschap hebben met elkaar: (…) en deze onze gemeenschap ook zij met den Vader, en met Zijn Zoon Jezus Christus (1Joh.1:3).

Echte gemeenschap kan er pas zijn wanneer je iets gemeenschappelijks hebt. Gods kinderen hebben dat. Zij delen iets. Ze zoeken allen hun zaligheid buiten zichzelf in de gekruisigde, opgestane Heere Jezus.

 

O, wat waren dat gezegende maaltijden. Wat kenden ook die oudtestamentische gemeenten blijdschap in God. Zij zongen: ‘We gaan rondom Uw altaar en verheffen Uw lof en Uw heerlijkheid!’

Zo hielden zij dankdag. En u?

Er was een vreugdemaaltijd op de dankdag. Die wijst heen naar de hemelse maaltijd, de maaltijd van de bruiloft des Lams, waar Gods kinderen gemeenschap zullen hebben met God en met elkaar. Daar gaat het in vervulling: En zij begonnen vrolijk te zijn (Luk.15:24).

Amen.

 

Slotzang: Psalm 66 vers 7

 

Ik zal het brandaltaar doen roken

van 't edelst' vee uit kooi en stal;

zo worden vet en merg ontstoken,

bij 't lieflijk rijzend lofgeschal;

het reukwerk zal zijn geur verspreiden,

daar ram bij ram wordt aangebracht;

'k zal bok en rund ten offer leiden,

opdat men z' U ter ere slacht'.