Ds. J. Driessen - Openbaring 22 : 14

Een wondere belofte

geboden reiniging
geschonken bevoegdheid
genoten zaligheid

Openbaring 22 : 14

Openbaring 22
14
Zalig zijn zij, die Zijn geboden doen, opdat hun macht zij aan den boom des levens, en zij door de poorten mogen ingaan in de stad.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 119: 17 en 18
Lezen : Openbaring 22
Zingen : Psalm 51:5
Zingen : Psalm 65: 2
Zingen : Psalm 118: 10

Geliefde gemeente,

Er ligt een jaar achter ons en een nieuw jaar heeft zijn intrede gedaan. Het jaar onzes Heeren 20.. . Wat zal het jaar brengen? Zal de wereld haar einde bereiken? Wat zal de toekomst brengen? Voor onszelf, onze gezinnen, ons land, ons volk, voor de kerk des Heeren? Het zijn vragen waarop wij het antwoord schuldig moeten blijven. Niemand van ons kan er wat van zeggen.

Als je om je heen kijkt in de wereld, kan vrees je hart vervullen. Hier hoor je van oorlogen, daar van revolutie, daar van hongersnood. Als we zien naar ons eigen land en volk, is er ook bepaald geen reden om ons te verheugen. Dat is nog wel niet zozeer vanwege een economische crisis, maar veel meer vanwege het verlaten van de God des levens! Meer en meer wordt afgeweken van Gods heilige en heilzame geboden. Wat wordt het in alles openbaar dat er van de mens, hoe groot en sterk hij zich ook waant,  geen verwachting is! Wat kunnen we beter doen dan elkaar bij het begin van dit nieuwe jaar bevelen aan Hem Die de Alfa en de Omega is! Het Begin en het Einde! Zijn raad zal bestaan. Ook in dit jaar – het jaar onzes Heeren 20.. – werkt de Heere voort aan Zijn heerlijk doel!

 

Daarvan spreekt het Schriftwoord dat we deze dienst met elkaar overdenken en dat u vindt in het u voorgelezen hoofdstuk: Openbaring 22, daarvan het veertiende vers. We lezen daar het Woord van God:

Zalig zijn zij die Zijn geboden doen, opdat hun macht zij aan de Boom des levens en zij door de poorten mogen ingaan in de stad.

 

Dit Schriftwoord bepaalt ons bij een wondere belofte. Deze belofte spreekt ons van:

1. geboden reiniging;

2. geschonken bevoegdheid;

3. genoten zaligheid.

 

  1. Geboden reiniging

Wie de Openbaring aan Johannes leest, merkt dat alles zich richt op het einde. Dikwijls verschrikkende, maar soms ook vertroostende beelden van wat spoedig komen zal, trekken aan het oog van Johannes voorbij. Hij moet opschrijven wat hij ziet. Ook zij die na hem komen, moeten de woorden van deze profetie horen. Zij zullen erdoor gewaarschuwd of erdoor getroost worden. Gewaarschuwd, omdat ze in hun zonden blijven volharden en zich tot God niet bekeren. Getroost, omdat ze mogen weten en horen: God bewaart Zijn kerk door de eeuwen heen, tot op de dag van Christus. Met het oog op die dag moet Johannes alles wat Hem geopenbaard is, bekendmaken: En Hij zeide tot mij: Verzegel de woorden der profetie dezes boeks niet, want de tijd is nabij. (Openb.22:10). De laatste dingen beginnen zich te voltrekken. En dan, als alles zich voltrokken heeft, komt Christus om aan een ieder te vergelden gelijk zijn werk zal zijn.

 

Dit Schriftgedeelte roept ons op, ouderen en jongeren, om daar ernstig rekening mee te houden en dit ter harte te nemen! Het roept ons op onszelf de vraag te stellen: als dan de tijd nabij is en als de dag van Christus komt, hoe zal het dan voor míj zijn? Hoe leef ik met het oog op die dag? Er zijn velen die daarmee niet rekenen en deze waarschuwing niet ter harte nemen. Alles heeft immers al zo lang geduurd: ruim twintig eeuwen zijn al voorbijgegaan en nog is het einde niet.

Petrus wees er al op dat in het laatste der dagen spotters komen zullen, die zeggen: Waar is de belofte Zijner toekomst? Want van dien dag dat de vaders ontslapen zijn, blijven alle dingen alzo gelijk van het begin der schepping (2Petr.3:3,4).

Zelfmisleiding met het oog op die dag is een groot gevaar en zal ertoe leiden dat die dag ons zal overvallen zoals een dief in de nacht. En met het oog daarop zegt Petrus tegen zijn lezers: Hoedanigen behoort gij te zijn, in heilige wandel en godzaligheid, verwachtende en haastende tot de toekomst van de dag Gods (2Petr.3:11,12).

Waarom? Vanwege de eer van God én ook omdat de tegenstelling tussen goddeloosheid en vreze Gods zich meer en meer zal openbaren. Het is de tegenstelling tussen het vrouwenzaad en het zaad van de slang, die in Genesis 3 al genoemd wordt: de strijd tussen de Geest en het beest. Deze tegenstelling zal ten slotte de wereld beheersen. Niet de tegenstelling tussen arm en rijk, niet de tegenstelling tussen oost en west, maar de tegenstelling tussen óngerechtigheid en gérechtigheid, tussen vuilheid en heiligheid.

 

Om dat laatste gaat het! Naarmate de tijd dichterbij komt, de tijd van Jezus’ komst, zal dat steeds duidelijker worden. We hoeven geen moeite te doen om dat in onze tijd steeds duidelijker te zien. Johannes zegt het hier heel scherp: Die onrecht doet, dat hij nog onrecht doe; en die vuil is, dat hij nog vuil worde; en die rechtvaardig is, dat hij nog gerechtvaardigd worde; en die heilig is, dat hij nog geheiligd worde (Openb.22:11). Met andere woorden: het is alles óf niets. Tweeslachtigheid met het oog op de tijd die nabij is – de wereld wat en God wat – is ónmogelijk! Dat kon trouwens al nooit, maar in het laatste van de dagen zal helemaal duidelijk worden tot welk rijk wij behoren.

 

Als we het eerste deel van het elfde vers lezen, lijkt het er misschien op dat de Bijbel aanspoort tot zonde: Die onrecht doet, dat hij nog onrecht doe; en die vuil is, dat hij nog vuil worde (Openb.22:11). Is dat een aansporing tot zonde? Nee! Het gaat hier om zondaren die al zó vaak gewaarschuwd zijn dat ze zich niet meer láten waarschuwen. Ze zijn als het ware stenen die steeds harder van een berg naar beneden rollen en ten slotte in het ravijn neerstorten. Zó is het leven van hen die de zonde blijven liefhebben en in ongerechtigheid, in vuilheid willen verder leven. Zó’n leven, wil Johannes zeggen (wil de Héére zeggen!), wordt steeds sneller meegesleurd in het verderf.

 

Gemeente, we kunnen niet met de zonde spelen. Wij kunnen niet denken: ik stop ermee, zodra het te gevaarlijk wordt. Als we leven met de gedachte: eerst nog leven, eerst nog van de zonde genieten, in de veronderstelling dat we ons later nog wel kunnen bekeren, vergissen we ons vreselijk! Dan komen we ten slotte zo ver, dat we de vaart die we in de zonde gekregen hebben, niet meer kúnnen stoppen. De Heere houdt er uiteindelijk mee op om op te roepen tot bekering: wie blijft kiezen voor de weg van de zonde, zal die weg tot het einde toe moeten aflopen. Denk maar aan Judas. De Heere Jezus zegt tegen hem: wat gij doet, doe het haastelijk (Joh.13:27). De Heere laat Judas los en geeft hem over in de macht van de boze. We lezen dan ook: toen voer de satan in hem (Joh.13:27). Wie vuil wenst te blijven, zal steeds vuiler worden en er is geen weg meer terug!

 

Maar daar staat óók tegenover: En die rechtvaardig is, dat hij nog gerechtvaardigd worde; en die heilig is, dat hij nog geheiligd worde (Openb.22:11). Ook dat zal in het laatste van de dagen steeds duidelijker worden: hoe meer in het laatste van de dagen de zonden openbaar zullen worden, hoe meer dat Gods kinderen moet prikkelen tot een leven in heiligmaking, in de vreze Gods. Kortom: het wezen van de dingen komt steeds meer openbaar, komt steeds meer tot volle ontwikkeling en rijpheid. En dán, dán komt Jezus: En zie, Ik kom haastelijk en Mijn loon is met Mij, om een iegelijk te vergelden gelijk zijn werk zal zijn. Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde, de Eerste en de Laatste. Zalig zijn zij die Zijn geboden doen, opdat hun macht zij aan de Boom des levens en zij door de poorten mogen ingaan in de stad. Maar buiten zullen zijn de honden en de tovenaars en de hoereerders en de doodslagers en de afgodendienaars en een iegelijk die de leugen liefheeft en doet (Openb.22:12-15).

Een héérlijk genadeloon zal er zijn voor hen die uit Christus vruchten hebben gedragen, maar een vréselijk loon voor hen die de weg van de zonden bléven gaan! De dienst van de Heere, zo blijkt hier, loopt uit op eeuwige vreugde; maar de dienst van de zonde eindigt in smart en wroeging. Dáárom wordt de kerk in onze tekst opgeroepen om de goede strijd van het geloof te strijden. Zalig zijn zij die Zijn geboden doen!

 

Het eerste deel van onze tekst is in sommige handschriften, die de Statenvertaling nog niet kenden, anders weergegeven. Er staat namelijk in sommige handschriften: ‘Zalig zijn zij die hun klederen wassen’ in plaats van Zalig zijn zij die Zijn geboden doen. U zegt: ‘Dat lijkt een heel groot verschil.’ In werkelijkheid, gemeente, is dat verschil niet zo groot, zoals we zullen zien. Zalig zijn zij die Zijn geboden doen (Openb.22:14). Wat wil dat zeggen?

Is dat zoals de rijke jongeling dat deed? Nee! Het gaat hier juist over mensen die dat leven zoals dat van de rijke jongeling zijn kwijtgeraakt en die met Asaf hebben leren betuigen: O God, ik ben een groot beest bij U (Ps.73:22). Het gaat hier over mensen die eraan ontdekt zijn dat ze, hoewel ze misschien niet in uiterlijke zonden leven, allerlei boosheid in hun hart omdragen.

Zalig die Zijn geboden doen. Dat zijn zij van wie de Heere Jezus zegt: Niet een iegelijk die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet de wil Mijns Vaders Die in de hemelen is (Matth.7:21). Wanneer de Heere ons in de weg van de ontdekking de wet als een spiegel voorhoudt, belijd je juist: Ik heb al Uw geboden, Heere, overtreden met gedachten, woorden en werken. Wat wordt er dan een hartelijke begeerte in je hart geboren om naar al Gods geboden te leven! Dan wordt die weg van God immers de kenbron van je ellende en ook een túchtmeester tot Christus.

Maar dan wordt die wet ook een regel van dankbaarheid voor je! Dan zeg je met David: Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting de ganse dag! (Ps.119:97). Dan is er een hartelijke begeerte om zonder zonde naar al Gods geboden te leven! Niet als de rijke jongeling die vroeg: ‘Wat ontbreekt mij nog?’, maar omdat de Heere het zo waard is! Omdat Zijn geboden ons een gezel zijn geworden op onze levensweg!

Zalig zijn zij die Zijn geboden doen. Niet uit wettische dienstbaarheid dus, maar vanuit het heilige verlangen, door de Geest Gods gewerkt, om tot eer van de Heere te mogen leven. Dan is het zoals de apostel het zegt: ik heb een vermaak in de wet Gods naar de inwendige mens (Rom.7:22).

Zalig zijn zij die Zijn geboden doen, opdat hun macht zij aan de Boom des levens. Als je het tweede deel van de tekst leest, kun je het misschien helemaal niet meer begrijpen. Dan ben je geneigd om te zeggen: ‘Is dat niet het verbond van de werken? Is het dan zo dat zij die Gods geboden doen, macht krijgen over de Boom des levens?’

Nee, zo is het niet! Want de Boom des levens, zo weten we, hoorde bij het werkverbond, waarbij de Heere volkómen gehoorzaamheid eiste. Adam is door de Heere zo geschapen dat hij God volkomen lief kón hebben. Als hij gehoorzaam was geweest, als hij Gods geboden gehouden had, zou Adam het eeuwige leven gekregen hebben. Wanneer Adam staande was gebleven, wanneer Hij niet in de zonde gevallen was, dán zou Zijn macht geweest zijn aan de Boom des levens. Macht betekent hier: bevoegdheid. Adam zou bevoegdheid gekregen hebben om te eten van de Boom des levens.

We weten echter hoe het gegaan is: Adam is gevallen. Hij is weggejaagd uit het paradijs, opdat hij van die Boom des levens niet zou eten! De bevoegdheid, de macht tot de Boom des levens, heeft Adam verspild. Het recht tot de Boom des levens werd voor Adam afgesloten. Daarom werden er voor de ingang van het paradijs ook cherubim met een uitgetrokken zwaard geplaatst. Die cherubim, die heilige engelen, stonden daar als bewakers van de toegang tot de Boom des levens. Nooit meer zou een mens kunnen gaan tot de Boom des levens, want die engelen hanteerden een vurig zwaard in opdracht van God.

 

Het leven is door ons niet meer, nooit meer te bereiken! Er is een ontzaglijk diepe kloof tussen God en ons ontstaan. Een kloof die niemand anders dan wijzelf gemaakt hebben. Hoe kan die kloof overbrugd worden?

Die kloof kan alleen maar van een ándere kant overbrugd worden! Dat wonder is ook gebeurd! In plaats dat de Heere de eeuwige straf voltrekt aan schuldige mensen, heeft Hij gedachten des vredes over mensen die Hem de rug hebben toegekeerd! Hij zendt Zijn Zoon in de wereld, Die als de Knecht des Heeren álles zal doen. Alles wat wíj – u, jij, ik! – bij de Boom van het Leven hadden moeten doen. Hij is gehoorzaam geweest tot de dood, ja, tot de dood des kruises en heeft daarmee de weg tot de Boom des levens weer ontsloten! Het gesloten paradijs is door Hem geopend, waardoor de gemeenschap met God weer mogelijk is! Daarom kan de Bijbel afsluiten met het nieuwe paradijs waarin de Boom des levens staat, van maand tot maand gevende Zijn vrucht en de bladeren van die Boom zijn tot genezing der heidenen (Openb.22:2).

Er is zaligheid voor rampzalige zondaren! Wie worden zalig? Dat zegt onze tekst: zalig zijn zij die Zijn geboden doen (of: zalig zijn zij die hun klederen wassen). Want nogmaals: er is geen tegenstelling tussen deze twee zinnetjes. Het eerste is alleen maar mogelijk door het tweede, want: zalig zijn zij die zijn geboden doen.

 

‘Wat moet ik doen met Gods geboden?’ vroeg de Heere Jezus eenmaal aan de Joden of, liever gezegd: de Joden vroegen dat aan de Heere Jezus. ‘Wat is het werk dat wij moeten doen?’ vroegen zij. Die mensen komen tot deze vraag, omdat de Heere tegen hen gezegd heeft: Werk niet om de spijs die vergaat, maar om de spijs die blijft tot in het eeuwige leven (Joh.6:27)! Die mensen begrijpen de Heere niet. Ze denken dat de Heere hen aan het werk wil zetten, dat Hij hun van Godswege een aantal nieuwe regels wil voorschrijven. En overtuigd als die mensen zijn van hun eigen bereidwilligheid en van hun eigen bekwaamheid om de geboden van God te onderhouden, vragen ze: Wat zullen wij doen opdat wij de werken Gods mogen werken? (Joh.6:28). Zeg het ons maar! Waarmee kunnen we ons aangenaam maken voor God? Zeg het ons en we zullen direct aan het werk gaan om het eeuwige leven te beërven!’

Wat zegt de Heere Jezus dan? Hij zegt: Dit is het werk Gods dat gij gelooft in Hem Die Hij gezonden heeft (Joh.6:29). De Heere wil hiermee niet zeggen dat geloof vrucht is van onze eigen akker, dat we zelf dat geloof wel kunnen werken. Want hoe staan wij mensen tegenover God in het licht van Zijn alwetendheid, van Zijn heiligheid? Wat zegt de Bijbel van u en van mij? We zijn onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad! Dat gold in 20.. en dat zal nog net zo zijn in 20.. Ons kleed, zoals we dat van nature dragen, is door de zonde onrein en vuil! We zijn allen totáál verwerpelijk in het oog van Hem Die te rein van ogen is om het kwade te kunnen aanschouwen! In heel deze wereld is geen macht te vinden die dat vuile, onreine kleed reinigen kan! De Heere zegt ervan: Al wiest gij u met salpeter en naamt u veel zeep, zo is toch uw ongerechtigheid voor Mijn aangezicht getekend (Jer.2:22).

Met dat woord snijdt de Heere alle vergeefse arbeid van onze eigen gerechtigheid af, óók al die vergeefse arbeid om onszelf tot geloof in Hem op te werken. Wanneer de Heilige Geest je ogen opent voor de absolute onmogelijkheid om zelf je vuile klederen te wassen, zie, dán komt de vraag naar voren: Is er enig middel om de welverdiende straf te ontgaan en wederom tot genade te komen?

Gemeente, hier wordt gesproken over mensen die uit ervaring weten dat er geen weg meer is van de aarde naar de hemel. Hier wordt gesproken over mensen die als het ware gedaagd worden voor het zwaard van de heilige engelen, voor het zwaard van de wrekende gerechtigheid en zo alle grond in hun eigen gerechtigheid verloren hebben. Ze hebben met de apostel leren zeggen: Ik acht ook alle dingen schade te zijn om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijn Heere (Fil.3:8). 

 

2. Geschonken bevoegdheid

Maar, zult u zeggen: ‘Hoe zit het dan met dat zwaard? Dat kan toch niet? Stapt de Heere dan over Zijn recht heen?’ Nee, beslist niet! De Heere heeft van dat zwaard, bij monde van Zijn profeet, immers gezegd: Zwaard, ontwaak tegen Mijn Herder en tegen de Man Die Mijn Metgezel is (Zach.13:7). Sla die Herder en de schapen zullen vrijuit gaan! Dat zwaard heeft de Zoon van Gód getroffen! Dat zwaard van de gerechtigheid heeft Jezus, hangend aan het vloekhout des kruises, doen klagen: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? (Matth.27:46). Het vlammende zwaard van de Godsgerechtigheid heeft Híj opgevangen in Zijn middelaarshart.

Ziet u? De Heere Zelf gaf een reinigingsmiddel!  Jezus heeft voor armen en ellendigen, voor kreupelen en lammen, voor blinden een weg gebaand naar de Boom des levens! Hij heeft een geheiligd recht, een geschonken bevoegdheid verworven tot de vruchten van de Boom des levens. Een recht, gegrond in Zijn volbrachte werk. O, wonder van Gods welbehagen, van de vrije gunst die eeuwig God bewoog! Zalig zijn zij die Zijn geboden doen, opdat hun macht zij aan de Boom des levens! Zalig die de toevlucht mag nemen tot de fontein van Jezus’ bloed, om daarin reiniging te vinden van al Zijn zonden! De Heere belooft dat wie met zijn schulden, met zijn verloren bestaan, tot Hem de toevlucht neemt, het eeuwige leven ontvangt! Laat hij dan een groot zondaar zijn, laat hij in zichzelf totaal verfoeilijk zijn, laat Gods wet, Gods recht hem veroordelen, laat het geweten hem aanklagen dat hij tegen al Gods geboden heeft gezondigd en geen daarvan gehouden heeft – nochtans zegt de belofte van het Evangelie dat God Zijn Zoon voor zodanigen in de wereld zond! De belofte zegt dat God Zijn Zoon voor zodanigen tot zonde gemaakt heeft, opdat zij zouden leven door Hem!

 

Zalig zijn zij die Zijn geboden doen! Zalig zijn zij die hun klederen wassen! Wie door Hem gewassen is, zal ook gedrongen worden in de wegen van de Heere te wandelen. Niet om daarmee wat te verdienen, maar om in waarachtige dankbaarheid, in oprechtheid voor het aangezicht van de Heere te mogen leven. Dan wandel je niet meer naar het vlees, maar naar de Geest! Dan is het inderdaad: zalig zijn zij die Zijn geboden doen, want Zijn juk is zacht en Zijn last is licht! Alléén in de reinigmaking van onze zonden in Zijn bloed, alléén daarin is macht, is bevoegdheid om te eten van de Boom des levens en om tot in eeuwigheid te leven!

Om door die Boom des levens gevoed te worden, moeten we dus van zijn vrucht éten! Vanuit onszelf hebben wij niet de minste behoefte aan die vruchten van de Boom des levens. Dan weten we niet wat het is om te hongeren en te dorsten naar de gerechtigheid van Christus. We leven werelds en voeden ons met de draf van de ongerechtigheid. We leven godsdienstig en voeden onszelf met de spijze van de eigengerechtigheid. Dan leven we eigenzinnig en proberen onszelf te voeden langs de weg van het gebroken werkverbond. Op die manier willen we weer op onze plaats voor God komen om zó te eten van de boom des levens.

Het is ons mensen zó eigen om het Evangelie te veranderen in een nieuwe wet, altijd weer het goede van onszelf te denken en altijd meer – ook aan het begin van een nieuw jaar – onszelf proberen wijs te maken dat het ons toch op de een of andere manier wel een beetje lukken zal. We gaan aan het werk. We gaan de hemel bestormen met onze goede dingen. Zo zullen we nog een beetje hoop koesteren.

 

Maar wat is het nodig dat we ontdekt worden aan alles, gemeente! Anders blijft het bij ons altijd zoals het was bij de rijke jongeling die Gods geboden onderhield. Waarom? Om te kunnen leven bij zijn éigen mogelijkheden! Maar onze wegen zijn en blijven wegen van de dood! Van onze wegen geldt: uit u geen vrucht meer in der eeuwigheid (Matth.21:19). Het is nodig om dat bij bevinding te leren, want dan komt er plaats voor deze wonderlijke belofte: Zalig zijn zij die Zijn geboden doen, opdat hun macht zij aan de Boom des levens (Openb.22:14).

De Boom des levens. Wat is die Boom dus? ‘Dat is Jezus en al Zijn weldaden’, zo zeggen onze kanttekeningen. De Boom des levens is eigenlijk het kruis van Christus. Het kruis van Golgotha is voor de Kerk de Boom des levens; en de druppels van het zoenbloed van de Zaligmaker zijn de kostelijke vruchten die vallen in de wonden van je ziel. Die Boom des levens, zegt de Bijbel, staat in het nieuwe Jeruzalem.

Dat lezen we in het slot van de tekst: en zij door de poorten mogen ingaan in de stad (Openb.22:14). Hier, aan deze zijde van het graf, mogen Gods kinderen weleens een voorsmaak van deze Boom des levens hebben. Immers, als het geloof geloven mag en op de Heere Jezus mag zien, zijn dat de vruchten van de Boom des levens. Gods Kerk mag de zoetheid ervan genieten, maar de volle genieting wordt voor straks bewaard, voor het ogenblik dat zij door de poorten mogen ingaan in de stad!

Dat is ons derde aandachtspunt, maar we zingen eerst uit Psalm 65, daarvan het tweede vers.

 

Een stroom van ongerechtigheden
Had d' overhand op mij;
Maar ons weerspannig overtreden
Verzoent en zuivert Gij.
Welzalig, dien Gij hebt verkoren,
Dien G' uit al 't aards gedruis
Doet naad'ren, en Uw heilstem horen,
Ja, wonen in Uw huis.

 

3. Genoten zaligheid

Zalig zijn zij die Zijn geboden doen, opdat hun macht zij aan de Boom des levens en zij door de poorten mogen ingaan in de stad (Openb.22:14).

Waarom gingen de Joden vroeger zo graag naar Jeruzalem? Dat weten de kinderen wel! Waarom gingen de Joden graag naar Jeruzalem? Omdat het zo’n mooie stad was? Ja, dat ook wel, denk ik. Maar vooral omdat in Jeruzalem de tempel stond, omdat de Heere daar wilde wonen, omdat de Heere daar Zijn gemeenschap wilde doen ervaren. Daarom zongen de pelgrims als ze naar Jeruzalem gingen: ‘Jeruzalem, dat ik bemin! Wij treden uwe poorten in!’

Dat gold voor het aardse Jeruzalem en dat geldt nu in veel hogere zin voor het Jeruzalem dat boven is: de Godsstad die, naar Gods gemaakt bestek, in eeuwigheid zal rijzen! De Heere heeft Zijn Zoon, Die Hij in deze wereld gezonden heeft, opgedragen om naar dat hemelse ontwerp die stad te bouwen. Hij is in de wereld gekomen en Hij is over de aarde gegaan als Eén Die klagen moest: De vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des mensen heeft niet waar Hij het hoofd nederlegge (Matth.8:20). Hij heeft Zichzelf gegeven om de toorn van God te dragen. Hij heeft die stad bereikt door Zichzelf te geven in de allerdiepste versmaadheid en angst van de hel. Voor Hem was er geen plaats in Jeruzalem! Waarom niet? Opdat Hij voor goddeloze zondaren een woning bij de Heere bereiden zou. Opdat Hij zou kunnen zeggen bij Zijn hemelvaart: Ik ga heen om u plaats te bereiden (Joh.14:2). Welke plaats? De plaats waarover in onze tekst gesproken wordt: en zij door de poorten mogen ingaan in de stad (Openb.22:14).

Dát is de verwachting van Gods Kerk! En soms, soms zien ze met verlangen uit naar het ogenblik dat het werkelijkheid zal worden. Dat is geen dagelijks werk. Waarom niet? Omdat ook Gods kinderen zoveel zonde aankleeft en omdat ze zo dikwijls met schrik ontdekken dat ze zo ver van God afleven. Omdat ze de ondervinding van Zijn genade en van Zijn gemeenschap zijn kwijtgeraakt. Dan zien ook Gods kinderen soms met schrik dat de dagen, de maanden, de jaren voorbijvliegen!

Er zijn echter ook weleens ogenblikken dat ze blíj zijn dat de jaren voorbijgaan. De jaarwisseling is voor Gods kinderen echt niet altijd een neerslachtige aangelegenheid, want ze weten: het oude moet voorbijgaan, opdat straks alles nieuw zal worden. Opdat vervuld zal worden: en zij door de poorten mogen ingaan in de stad (Openb.22:14).

 

Zij mógen ingaan! Dat benadrukt de eenzijdige genade van God. Zíj die bevoegdheid, macht ontvangen tot de Boom des levens, mógen ingaan, omdat hun Zaligmaker die poorten geopend heeft. Dat heeft Hij al gedaan in de stille vrederaad. De poorten van dat nieuwe Jeruzalem heeft Hij ook geopend toen Hij buiten de stad gegaan is en Hij Zijn kruis gedragen heeft, buiten de legerplaats. Hij heeft de toegang verworven, zodat Gods kinderen mogen ingaan!

Dat mógen ingaan wil ook zeggen dat het voor hen een eeuwig wonder zal zijn, wanneer de Heere voor hén de poort zal openen! Hoe gaan ze in door de poort? Ze gaan door de poort als naakte zondaren, want binnen de poort worden ze bekleed met wisselklederen, die gewassen zijn in het bloed van het Lam, tot bedekking van de schande van hun naaktheid.

Er staat: ze mogen door de poorten ingaan. Let u op de meervoudsvorm? Johannes zegt in het eenentwintigste hoofdstuk: Van het oosten waren drie poorten, van het noorden waren drie poorten, van het zuiden drie poorten, van het westen drie poorten  (Openb.21:13). Die twaalf poorten zien op de verschillende wegen die de Heere met Zijn kinderen gaat. De een komt door de Noorderpoort en de ander zal ingaan door de Zuiderpoort. De Heere gaat met ieder van de Zijnen een eigen weg, naar dat elk van node heeft.

De een wordt geleid met lieflijkheid en veel vertroosting. Hij of zij mag zoals Ethan zingen van Gods goedertierenheden! Maar de Heere heeft ook Hemans: mensen die dag aan dag doodbrakende zijn. Maar Hij leidt hen allen door de poorten! Hoe verschillend ook, ze komen allemaal in de stad. De een lieflijk, de ander langs afgronden van ontdekking en weer een ander schreeuwend en struikelend of met een bijzonder kruis op zijn rug. Weer anderen die soms de wanhoop nabij zijn, omdat de duivel hen van alle kanten bespringt. Er zijn heel veel verschillende mensen! En tóch vinden al die mensen elkaar op de plaats waar ze zondaar voor de Heere geworden zijn. Waar ze het recht van God leerden billijken en waar Jezus Christus hun noodzakelijk en dierbaar geworden is!

Gemeente, in de stad is een schare die niemand tellen kan! Een schare van ouderen en jongeren! Van kinderen! Een schare waarvan geldt: Hun blijdschap zal dan onbepaald, door ’t licht dat van Zijn aanzicht straalt, ten hoogste toppunt stijgen! Alle rouw, moeite en verdriet zullen zijn weggedaan en de laatste snik op aarde zal samenvallen met de eerste juichtoon hierboven, als ze door de poorten mogen ingaan in de stad.

 

Deze stad mogen wij u verkondigen! Deze stad mag ik u aanprijzen! Al Gods dienaren zouden de lieflijkheid van de stad en de heerlijkheid van de Koning van die stad wel zó aan het hart willen leggen dat zondaren, ouderen en jongeren, er jaloers op zouden worden. Dat ouderen en jongeren er zin in krijgen om de stad en vooral om de Kóning van die stad van gánser harte te gaan zoeken en te gaan dienen!

Wanneer de apostel in de Hebreeënbrief spreekt over de keuze die Mozes in zijn leven mocht doen, zegt hij: Want hij, Mozes, zag op de vergelding des loons (Hebr.11:26). Mozes zag waar het met Egypte op uitliep en waar het met de Kerk van God op uitloopt.

Zet dat maar eens naast elkaar, gemeente, op deze eerste dag van het nieuwe jaar! Zet dat naast elkaar: waar u met de wereld terecht zult komen, als u onbekeerd sterft en als u, jij onbekeerd, zonder de Heere, Hem zult ontmoeten. Daartegenover, wat het zal zijn als God Zijn kinderen voor eeuwig thuishaalt en zij door de poorten mogen ingaan in de stad.

Wat een eeuwig onderscheid, gemeente, tussen het woord dat wij overdachten en het woord dat erop volgt: Zalig zijn zij die Zijn geboden doen opdat hun macht zij aan de Boom des levens en ze door de poorten mogen ingaan in de stad, maar buiten zullen zijn de honden en de tovenaars en de hoereerders en de doodslagers en de afgodendienaars en een iegelijk die de leugen liefheeft en doet (Openb.22:14-15).

Buiten zijn de honden. Dat wil zeggen: buiten zijn de mensen die een heidens leven leiden, die de Heere niet vrezen. Waar zoek je die mensen? Ja, die zoek je in de wereld, hé? Maar weet je waar je hen ook vindt? Je vindt ze ook in de kerk! Ú wordt bedoeld! Ú die aan uw zonden vasthoudt! Ú wordt bedoeld die zonder de Heere leeft! Jíj wordt bedoeld die Jezus maar laat kloppen op de deur van je leven! Ú wordt bedoeld die het bloed van het Lam versmaadt! U zult, als u zich niet bekeert, búiten zijn, voor eeuwig! Daar zullen mensen zijn die meenden in te gaan en die zullen roepen: ‘Heere, Heere, doe ons open! Hebben we niet in Uw naam gegeten en gedronken? Hebben we niet in Uw naam belijdenis gedaan? Avondmaal gevierd?’ Maar Hij zal zeggen: ‘Ik heb u nooit gekend! Ik heb u nooit uw zonden horen belijden. Ik heb u nooit als een tollenaar bij het bloed van het Lam gezien.’

 

Bunyan zegt ergens: ‘Toen zag ik een weg die liep van de hemelpoort naar de hel.’ Rampzalig die buiten zijn! Zolang we op aarde zijn, gemeente, bevatten deze woorden een bedreiging in de genade. Dat wil zeggen: niet een bedreiging waarvan de uitvoering achterwege zal blijven, maar een bedreiging die ons wil aansporen om het heil in Christus te zoeken, zodat de gedreigde straf ons niet zal treffen. O, zoek dan toch! Zoek dan toch het heil dat nóóit vergaat! Omdat u het zelf niet verdienen kunt, wordt het u geschonken door een Zaligmaker Die alles volbracht heeft! Omdat u zelf de koopprijs niet betalen kunt, wordt het om niet geschonken aan hen die begeren om te kopen, zónder prijs en zónder geld. Omdat u er zelf de waarde niet van kunt zien, wordt het door de Heilige Geest begeerlijk gemaakt voor verloren zondaren.

Daarom, daarom wordt u vandaag, op de eerste dag van het nieuwe jaar, het Evangelie verkondigd! Daarom mogen Gods dienaren uitgaan en ook op 1 januari zeggen: ‘Ziet toch! Ziet toch het Lam van God Dat de zonde van de wereld wegneemt! Zalig die in Zijn bloed hun kleren leren wassen! Zij ontvangen macht tot de Boom des levens en zullen straks door de poorten ingaan in de stad, want God bouwt – ook in dit nieuwe jaar – voort aan Zijn koninkrijk. Hij is de Eerste en de Laatste. De Eerste om onze wankele voeten te richten op de weg des vredes en de Laatste om de Zijnen te doen ingaan in het nieuwe Jeruzalem.

 

O, gemeente, meisjes en jongens, echt, nóg is er plaats! Hoort toch: Die onrecht doet, dat hij nog onrecht doe. En die vuil is, dat hij nog vuil worde en die rechtvaardig is, dat hij nog gerechtvaardigd worde. En die heilig is, dat hij nog geheiligd worde. En zie, Ik kom haastelijk en Mijn loon is met Mij, om een iegelijk te vergelden gelijk zijn werk zal zijn (Openb.22:11,12). Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de gemeente zegt!

Amen.

 

Slotzang: Psalm 118: 10

 

Dit is, dit is de poort des HEEREN;
Daar zal 't rechtvaardig volk door treên,
Om hunnen God ootmoedig t' eren,
Voor 't smaken Zijner zaligheên.
Ik zal Uw naam en goedheid prijzen;
Gij hebt gehoord; Gij zijt mijn geest,
Door Uw ontelb're gunstbewijzen,
Tot hulp, en heil, en vreugd geweest.