Ds. J. Driessen - Openbaring 21 : 6 - 7

De laatste boodschap

Een boodschap voor bezinning
Een boodschap vol vertroosting
Een boodschap tot bemoediging

Openbaring 21 : 6 - 7

Openbaring 21
6
En Hij sprak tot mij: Het is geschied. Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde. Ik zal den dorstige geven uit de fontein van het water des levens voor niet.
7
Die overwint, zal alles beerven; en Ik zal hem een God zijn, en hij zal Mij een zoon zijn.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 103: 8
Lezen : Openb. 20: 11- 21:8
Zingen : Psalm 84: 1, 4 en 5
Zingen : Psalm 138: 4
Zingen : Psalm 42: 3

Gemeente,

 

Het Schriftwoord dat we met de hulp van de Heere met u in deze avond willen overdenken, vindt u in het gedeelte dat ons gelezen is, Openbaring 21, de verzen 6 en 7:

 

En Hij sprak tot mij: Het is geschied. Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde. Ik zal de dorstige geven uit de fontein van het water des levens voor niet.

Die overwint, zal alles beërven; en Ik zal hem een God zijn en hij zal Mij een zoon zijn.

 

Het thema van de preek is: de laatste boodschap.

Deze boodschap is:

1. Een boodschap voor bezinning;

2. Een boodschap vol vertroosting;

3. Een boodschap tot bemoediging.

 

  1. Een boodschap voor bezinning

Op deze laatste avond van het jaar 20.. gaan onze gedachten terug naar wat er is gebeurd. De laatste avond van het jaar is immers een avond om te gedenken. Niet een avond van valse romantiek. Niet een avond van sentiment, maar om tot bezinning te komen! Om erbij stil te staan dat er weer een jaar van ons leven voorbij ging. Een jaar dat nooit meer terugkeert en waarvan geldt waarmee onze tekst begint: Het is geschied.

Ook in 20.. moesten lief en leed gedragen worden. Lief: dat is er gelukkig ook geweest. Gode zij dank ontvingen we persoonlijk en als gezinnen en gemeente veel zegeningen. Maar: er is ook droefheid! Er zijn er onder ons óók die geliefden door de dood moesten verliezen. En ook daarvan geldt: Het is geschied.

 

Wat worden we in de laatste kerkdienst van het jaar bepaald bij de vergankelijkheid van het leven. Bij het feit dat ons leven maar zo kort is: Het is geschied.

Zoals dat geldt van het voorbij gevlogen jaar, zo zal dat straks gelden voor het leven van ons allemaal. Niet voor niets zegt de Bijbel: Aangaande de dagen van onze jaren, daarin zijn zeventig jaren of zo wij zeer sterk zijn tachtig jaren (Ps.90:10).

 Een jaar lijkt heel wat. Als je nu 35 jaar bent en je mag 75 jaar worden, dan heb je nog 40 jaar voor je liggen. Dat is een hele tijd. Maar als je nu 35 jaar bent en je wordt maar 36 jaar, dan heb je geen 40 jaar meer voor je, maar slechts één jaar. En hoe vlug is één jaar voorbij! Denk maar aan de Oudejaarsdag vorig jaar: het is nog maar pas geleden. Wij vliegen daarheen en we brengen onze jaren door als een gedachte (Ps.90:9-10).

Zo vlug, zo snel leven we. Wat is het voor ons allen, ouderen en jongeren, nodig om te leren bidden: Leer ons alzo onze dagen tellen dat wij een wijs hart bekomen (Ps.90:12). Hoe nodig is het om tot bezinning te komen! En wat is het ook nodig dat we ons niet alleen realiseren dát wij daarheen vliegen, maar dat we ons ook afvragen wáárheen we vliegen. Want het Woord van God zegt het ons: Het is geschied!

 

Johannes, de grijze apostel, is verbannen naar het eiland Padmos. Ver van de bewoonde wereld. Ver van de gemeente die hij dienen mocht. Maar: niet ver van de hemel! Door de mensen is hij verlaten, maar de Heere doet hem Zijn gemeenschap rijk ervaren. Hij toont aan Johannes een heel aantal visioenen. Waarom? Dat zegt het eerste en het laatste hoofdstuk van de Openbaring: Om Zijn dienstknechten te tonen de dingen, die haast geschieden moeten (Openb.1:1).

Zijn dienstknechten. Dat zijn zij die, net als Johannes, hun leven gesteld hebben in dienst van hun Koning. Zij voor wie God het enige Richtsnoer voor hun leven is. Dat moet ons allen wel dringen tot de vraag: Ben ík een dienstknecht, een dienstmaagd van de Heere Jezus? Behoor ík Hem toe? Want de Openbaring is ten diepste niet gegeven voor naamchristenen: om in dagen van mooi weer te kijken hoeveel voordeel je maatschappelijk of kerkelijk uit de naam ‘christen’ kunt trekken. Maar de Openbaring is tot troost en bemoediging voor hen die door goddelijke genade als een slaaf de Koning toebehoren. En Hem dienen. …om Zijn dienstknechten te tonen de dingen die met haast geschieden moeten (Openb.1:1).

Johannes mocht zien waar de geschiedenis van deze wereld op uit zou lopen. Ik hoorde een grote stem uit de hemel, zeggende: Ziet, de tabernakel Gods is bij de mensen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn. En God Zelf zal bij hen en hun God zijn. En God zal alle tranen van hun ogen afwissen; en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan (Openb.21:3-4)

Johannes hoort de stem van God Zelf, Die zegt: Het is geschied. Dat Woord, gemeente, zal straks klinken aan het einde van deze aardse bedeling, wanneer de raad van God met de wereld zijn doel bereikt heeft. Die boodschap klinkt straks, maar klinkt ook vanavond. Want dit woord is óók van toepassing op de volvoering van Gods raad voor dít jaar. Ook van 20… geldt over enkele uren: Het is geschied. Dit Woord wil ons tot bezinning brengen.

 

Wat is er dit jaar veel gebeurd. Het is allemaal geschiedenis geworden. Een jaar waarin we veel gedaan hebben. Waarin we ook veel verzuimd hebben. We hebben immers nagelaten wat we wél hadden moeten doen? Als we daaraan denken, kunnen we niet anders zeggen dan: ‘Ga niet met mij in het gericht, Heere, want ook dit jaar is een jaar van zonden geweest. Met mijn gedachten, mijn woorden en daden.’

Het is geschiedenis geworden. Alles wat we aan zonden gedaan hebben. Alles wat u en ik verkeerd deden. Inderdaad, wat gebeurd is, komt niet meer terug. Behálve onze schuld. Daar komt Gód op terug, omdat de zonde die we gedaan hebben, schuld heeft gemaakt. God ziet die zonde en schuld niet door de vingers. Hij komt daarop terug in uw en jouw leven en in mijn leven, want er is een gedenkboek voor Zijn aangezicht. Gemeente, het is echt niet nodig om over onze schouder naar onze buurman of buurvrouw te kijken. Als de Heere Zijn boek over ons eigen leven opendoet, waar zullen we ons dan bergen? Alles wat wij geprobeerd hebben weg te dringen, is immers in de eeuwige gedachten van God bewaard. Een zee van tranen kan die zonde en schuld niet afwassen. Een boek vol van beloften ook niet. Vol zijn van goede voornemens kan die zonde en schuld die we gemaakt hebben, ook niet wegnemen. Het is alléén het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, dat die zonden kan afwassen. Dat bloed is nodig voor uw, voor jouw en voor mijn hart!

 

Het is geschied. Dat geldt ook van alle zegeningen die de Heere u en mij heeft gegeven. Er zijn zóveel zegeningen van de Heere, zóveel weldaden geweest! Iedere dag weer heeft de Heere ons overladen met datgeen wat voor ons onderhoud nodig was: voedsel, kleding, enzovoort. Elke dag was er weer genoeg. Elke dag was er overvloed.

Natuurlijk, de één heeft misschien meer gekregen dan de ander. De één heeft meer kracht gekregen en misschien ook meer gezondheid dan de ander. Maar: we moeten toch allemaal zeggen: Het heeft ons aan niets ontbroken! Allen moeten we belijden: ‘Heere, U deed niet naar mijn zonden. U hebt niet gedaan naar wat ik me waardig gemaakt heb.’

Moeten we dat alles niet opmerken? Ziet u er de hand van God niet in dat u hier nog bent? Dat u nog leeft? Was Zijn goedertierenheid niet elke morgen nieuw over u? Hoe wonderlijk heeft Hij misschien in een weg van tegenspoed, van moeite, van kruis en verdriet, geholpen en heeft u in die weg van druk aan de Heere beloofd om het voortaan anders te doen. Wat is daarvan terecht gekomen? U bent het misschien allemaal vergeten! De Heere heeft het echter níet vergeten! Ook van alle zegeningen die de Heere ons gegeven heeft, geldt: er is een gedenkboek voor Zijn aangezicht. De Heere weet precies aan wie Hij Zijn zegeningen geeft. En ook daar komt Hij eenmaal op terug.

 

Het is geschied. Dat geldt ook van de genadetijd. Dat geldt van de genademíddelen, die God ons in 20.. heeft gegeven.

Een heel jaar lang heeft Hij geklopt aan de deur van ons hart en gezegd: Ik raad u dat gij van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden; en witte klederen, opdat gij moogt bekleed worden, en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde; en zalf uw ogen met ogenzalf, opdat gij zien moogt (Openb.3:18).

Een jaar lang hebt u gelegenheid gehad om u te bekeren tot de Heere met uw hele hart. En hoeveel dagen, hoeveel kostbare genadetijd hebt u verknoeid, verbeuzeld met zoveel dingen die geen enkele waarde hebben, met het oog op de grote eeuwigheid? Het is geschied.

Die verbeuzelde genadetijd komt nooit meer terug. Althans, in dít leven niet. Maar stráks wel: als God u rekenschap vraagt van uw rentmeesterschap. Wat heeft de Heere u genodigd! Dringend, welmenend, betuigend dat Hij in uw dood geen lust had, maar daarin dat u zich tot Hem zou bekeren en leven! Dit jaar had het jaar van uw bekering kunnen zijn. Wat erg als dit jaar een jaar van verharding geworden is. Wat erg als u ook dit jaar de prediking van het Woord naast u neergelegd hebt en het voor kennisgeving hebt aangenomen. Uzelf gepantserd hebt tegen al de dringende roepstemmen van God! Misschien wegschuilend achter de muren van uw onmacht, terwijl u zich in werkelijkheid met uw onwil en vijandschap van uw hart wilde handhaven. Verbeuzelde genadetijd, die nooit meer terugkomt!

Maar weer zeg ik het u, gemeente: God komt er wél op terug! Hij zal straks zeggen: Brengt ze hier en slaat ze hier voor Mij dood die niet gewild hebben dat Ik koning over hen zou zijn (Luk.19:27). Weet toch, dat als de boodschap van het Evangelie voor ons niet een kracht van God tot de zaligheid is, het door onze eigen schuld een kracht van God tot rámpzaligheid is! Omdat u geweigerd hebt om te buigen. Omdat u geweigerd hebt om u gewonnen te geven. Omdat u geweigerd hebt om met de zonden te breken en de Heere te voet te vallen en te bedelen: O God, wees mij zondaar genadig (Luk.18:13).

 

Het is geschied. Dat zal straks (en wie weet hoe spoedig!) ook gelden voor ons leven hier op aarde. Voor de één zal dat zijn in zijn jeugd. Voor de ander in zijn ouderdom. Niet alle mensen worden oud. Er zijn er ook die jong worden weggenomen. Daar hoor je elke dag weer van, hetzij door een ongeluk, hetzij door een ziekte. Er zijn mannen en vrouwen die in de kracht van hun leven, in het midden van hun jaren worden weggenomen. En ook al zouden wij heel oud worden, van uw leven en van mijn leven wordt straks gezegd: Het is geschied. Dan is het voorbij. Dan kunt u het nooit meer over doen. Zoals de boom dan gevallen is, zo zal hij blijven liggen. Eeuwig wel of eeuwig wee. Waar zal dan uw plaats zijn?

Dring die gedachte niet weg! Waar zal uw, waar zal jouw plaats zijn? Als u nog voor eigen rekening leeft, bedenk dan vanavond nog hetgeen tot uw eeuwige vrede dient. Ook vanavond, deze laatste dag van het jaar, staat de Heere aan de deur van uw hart in het gewaad van Zijn Woord en zegt: Wend u naar Mij toe, wordt behouden! (Jes.45:22)

 

Het is geschied. Dat woord geldt ook hen die de Heere vrezen. Wie was de Heere voor u? Wie bent u voor de Heere geweest in het jaar dat geschiedenis is geworden? Wat een veelheid van zegeningen, van bemoeienissen van de Heere en wat een veelheid van zonde en afmakingen daar tegenover van onze kant! Wat een trouw en goedheid van de Heere en wat een ontrouw, wat een lusteloosheid, wat een slaperigheid aan onze kant! Wat zijn er veel redenen om vanavond heel diep te buigen en reiniging te zoeken in het bloed van het Lam van God!

Het is geschied. Een boodschap, gemeente, die tot bezinning roept. Maar ook een boodschap vol van vertroosting. Want: Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde. Ik zal de dorstige geven uit de fontein van het water des levens voor niet.

 

  1. Een boodschap vol vertroosting

Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde. We weten: de alfa is de eerste letter van het Griekse alfabet en de omega is de laatste letter.

We zouden in het Nederlands zeggen: ‘Ik ben de a en de z.’ Dan heb je alle letters. Meer heb je niet. Voor de a is er niks en na de z komt er niets. Zo zegt de Heere hier: ‘In Mij is álles! Vóór Mij is er niets. Ná Mij komt er niets. Ik ben het Begin en het Einde.’ Met andere woorden: ‘Hoe ver je ook teruggaat, je ziet geen prehistorie, maar je ziet Mij, Door Wie alle dingen geworden zijn. Alle dingen zijn door Mij geschapen en Ik ben het Einde. Niet de ondergang van deze wereld is het einde. Niet de dood is het einde. Nee, Ík ben het Einde. Alles loopt uit op de grote dag van Mijn toekomst. Ik zal verschijnen in al Mijn heerlijkheid. Alle knie zal zich voor Mij buigen. Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde.’

Dat is voor de Kerk tot grote troost. Laat er dan heel veel veranderen en laat er veel gebeuren, al veranderde de aarde haar plaats (Ps.46:3), al kwam alles op zijn kop te staan, al zou er met de kerk ook van alles en nog wat gebeuren, al zou ze in de verdrukking komen, al zou de deur van de gevangenis voor u en mij opengaan, dan nóg is daar die troost: Ik, Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde! De Heere verandert niet. Níets loopt Hem uit de hand! Hij is het Begin. Hij is het Einde. Hij staat aan het begin van de geschiedenis en ook aan het eind. Alles is maar niet onderworpen aan een ijzeren wetmatigheid van opgaan, blinken en verzinken. Nee, de geschiedenis is eigenlijk één rechte lijn naar de grote dag van de toekomst van de Heere Jezus Christus. Hij regeert. Hij heeft alle macht. Niet de duivel, niet de mens, maar God regeert. Hij is eeuwig Dezelfde. Mensen kunnen misschien zeggen: Laat ons hun banden verscheuren en hun touwen van ons werpen, maar: Die in de hemel woont, zal lachen (Ps.2:3,4).

 

Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde. Dat is ook van toepassing voor Gods kinderen persoonlijk. Waar de Heere tot zaligheid gaat werken, kan geen macht van de hel dat werk vernietigen. Waarom niet? Omdat de Heere de Zijnen liefheeft met een eeuwige liefde. Daarom blijft Hij ondanks alle zonde en ontrouw toch de Zijnen liefhebben tot het einde toe en doet de Heere voor hen alle wegen van druk en kruis, van moeite en tegenspoed medewerken ten goede. Natuurlijk, als deze verdrukking er is, is dat voor de Kerk geen vreugde. Maar daarna, zo zegt de apostel, geeft zij van zich een vreedzame vrucht der gerechtigheid dengenen, die door dezelve geoefend zijn (Hebr.12:11), zodat ze met David tóch leren zingen: ‘Het is goed voor mij verdrukt te zijn geweest, opdat ik dus Uw Goddelijk recht zou leren.’

 En ondanks al die ontrouw en afmakingen van hun kant, blijft de Heere tóch de Zijnen aanzien in hun Zaligmaker, in Christus, in Wie Hij hen verkoren heeft vanaf de grondlegging der wereld. Oók in hun laatste aanvechting en strijd, óók in hun laatste duisternis zal Hij hen niet begeven en niet verlaten. Daarom, vreest niet, gij klein kuddeken, want het is Uws Vaders welbehagen, ulieden het Koninkrijk te geven (Luk.12:32). Immers, Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde. En Ik zal de dorstige geven uit de fontein van het water des levens om niet.

 

Een dorstige is iemand die gebrek heeft aan water. Dat is in het natuurlijke zo en dat is in het geestelijke ook zo. Een geestelijk dorstige is iemand die gebrek heeft aan levend water. Dat is iemand die om God verlegen is geworden. Bent u, ben jij zo’n dorstige? Van nature is niemand dat. Een mens, zoals hij van nature is, dorst naar de wereld. Naar geluk, voorspoed en genot. Naar geld en alles wat van de wereld is en naar wat de wereld te bieden heeft. Wat is het erg, gemeente, als we proberen om onze dorst te lessen met het water van deze wereld, met het water van de zonde, want uiteindelijk drink je je daar dood aan! Daarom, wat een zegen als zonde en wereld je hart niet meer vervullen kúnnen en je gaat beseffen wat het betekent om God kwijt te zijn.

Een mens die dorst in geestelijke zin, is een mens die dorst naar God, naar de gemeenschap met de Heere. Hoe komt dat toch? Wel, die dorst naar de gemeenschap met de Heere kómt ook van de Heere. Dat werkt nu de Heilige Geest in je hart. En die Geest is óók vandaag nog gewillig om dat werk bij u en bij jou te verheerlijken. Uit onszelf zullen we niet naar God dorsten, maar de Héére werkt dit in ons hart. En nogmaals, de Heere is ook gewíllig om dat in uw, in jouw hart te werken.

Degene die naar God gaat dorsten, gaat die dorst, dat gemis en gebrek ook aan de Heere bekendmaken. Hoe doet hij dat? Dat doet hij biddend, worstelend. Dat vertelt hij niet direct tegen anderen, maar hij zoekt het verborgene op. Dan buigt hij zijn knieën voor de Heere en vraagt: ‘Kom alstublieft ook in míjn hart, in míjn leven! Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo dorst mijn ziel naar U, o God! (Ps.42:2,3). Of luister eens naar de dichter van Psalm 63: ‘O HEER’, Mijn ziel en lichaam hijgen en dorsten naar U in een land, dat, dor en mat, van droogte brandt, waar niemand lafenis kan krijgen.’

Nogmaals: kent u, ken jij die dorst? Weten we bij ondervinding wat voor dorst dit is? Dat is nou een dorst die alléén door de Heere Zelf gelest kan worden. En wat is het daarom een wonder dat de Heere zegt: Ik zal de dorstige geven uit de fontein van het water des levens om niet. De Heere heeft in Zijn Zoon een Fontein geopend voor het huis van David, en voor de inwoners van Jeruzalem, tegen de zonde en tegen de onreinigheid (Zach13.1). Uit die Fontein wordt het water van het leven ontvangen.

 

Water des levens. Wat is dat? Dat zijn ál de heilverdiensten van de Heere Jezus Christus. Het is alles wat Hij verdiend heeft, door Zijn komst in deze wereld, door Zijn gaan van kribbe naar kruis! Om voor naar God dorstende zondaren genade én vrede én verzoening én gemeenschap met de Heere te verwerven! En nu zegt de Heere: ‘Ik zál dat geven. Ik zal dat geven aan de dorstige.’

Let op, gemeente! Hij zegt: ‘Ik zal dat géven.’ Daar hoeft dus helemaal niet voor betaald te worden. Waarom niet? Daar ís al voor betaald! Met de prijs van het dierbaar en kostbaar bloed van Jezus Christus, de Zoon van God. Hij heeft dat water des levens, al die zegeningen, al die weldaden van het genadeverbond, gekocht en betaald met de prijs van Zijn eigen bloed. Om ze aan dorstigen, ouderen en jongeren, te kunnen geven en om ze om niet te kunnen geven zonder prijs en zonder geld (Jes.55:1). Uit enkel genade.

 

Als u denkt zélf nog wel te kunnen betalen en denkt het zelf nog wel in orde te kunnen maken met de Heere, dan is dit woord voor u een ergernis. Maar als u niks meer hebt om te betalen, wanneer u zeggen moet naar het rechtvaardig oordeel van God tijdelijke en eeuwige straf verdiend te hebben en op zoek bent naar een Middel om die welverdiende straf te ontgaan en weer tot genade te komen; wanneer u de Heere niets meer hebt aan te bieden dan een verzondigd en schuldig leven en tóch dorst naar Zijn gemeenschap, dán wordt het voor u een groot en een eeuwig wonder om uit het Evangelie te mogen horen dat de prijs van dit levende water betaald is. Volkómen betaald! Betaald door Hem, Die gezegd heeft, toen Hij hing aan het vloekhout der schande: Mij dorst! (Joh.19:28). Er is betaald door Hem, Die de eeuwige dorst waaronder wij voor eeuwig hadden moeten versmachten, heeft willen ondergaan. Er is betaald door Hem, Die door Zijn werk de fontein van heil deed ontspringen. Zelfs voor de grootste van de zondaren.

Zou er iets zaliger zijn dan om door water uit deze Fontein gelaafd te worden? Zou er iets zaliger zijn dan om als een arme zondaar of zondares aan Jezus’ voeten te verkeren? Zich te wassen in het water van deze Fontein met de vrijmoedigheid van het geloof? Dat geeft vrede in je hart. Een vrede die álle verstand te boven gaat. Ik zal de dorstige geven uit de fontein van het water des levens voor niet. Hoe noodzakelijk is het om deze dorst te kennen. Niet om met die dorst te betalen. Dát nooit. Maar als je die dorst niet kent, verlang je ook niet naar de Fontein. Dan ben je ook niet zalig. Dan ben je rámpzalig!

 

Gemeente, wees nu eens eerlijk vanavond. Meisjes en jongens, wat is nou voor jullie het belangrijkste in dit leven? Waar dorst uw, jouw hart naar? Naar de Heere? Naar Zijn gunst? Naar Zijn gemeenschap? Er zijn mensen genoeg die naar de hemel verlangen, maar die nooit naar God leerden dorsten. Dan kan dit woord hen ook niet vertroosten. Maar aan dorstigen naar Gód wordt hier een rijke troost geboden: Ik zal de dorstige geven uit de fontein van het water des levens om niet.

Een boodschap vol vertroosting bevat dit woord, voor hen die buiten en zonder de Heere niet meer kunnen leven. Die mensen worden niet alleen rijk vertroost, maar ze worden door de Heere ook bemoedigd. Want de Heere zegt: Die overwint, zal alles beërven. En Ik zal hem een God zijn en hij zal Mij een zoon zijn.

 

We zingen daarvan uit Psalm 138: 4:

 

            Als ik, omringd door tegenspoed,

            Bezwijken moet,

            Schenkt Gij mij leven;

            Is ’t, dat mijns vijands gramschap brandt,

            Uw rechterhand

            Zal redding geven.

            De Heer is zo getrouw als sterk;

            Hij zal Zijn werk

            Voor mij volen-den,

            Verlaat niet wat Uw hand begon,

            O Levensbron,

            Wil bijstand zenden.

           

3. Een boodschap tot vertroosting

Die overwint. Om te kunnen overwinnen moet je strijden. Iemand die overwint, heeft dus strijd gevoerd met zijn vijanden. Dat is ook hier het geval. En dan is het duidelijk dat het hier niet gaat over de strijd die naar het woord van Job ieder mens op aarde heeft te voeren. Het gaat hier niet over de zogenaamde strijd om het bestaan. Nee, het gaat hier over de goede strijd van het geloof. Die strijd kennen wij van nature niet. Integendeel: van nature voeren we strijd aan de kant van Gods vijanden. Dan verzet onze wil zich tegen Góds wil. Nooit zullen we die strijd tegen de Heere opgeven, of de Heere Zélf moet ons door de almachtige kracht van Zijn genade overwinnen. Als dat waar wordt in je leven, krijg je ook andere vijanden: de duivel, de wereld, je eigen boze hart, je verdorven vlees.

 

In de eerste plaats de duivel. Hij is de vijand van al Gods kinderen. Hij legt zich er niet bij neer dat hem zijn prooi ontgaan is. Hij stelt álles in het werk om te proberen die prooi weer in zijn greep te krijgen. De duivel, gemeente, is een vijand van de zaligheid van uw ziel. De duivel wil níet dat u behouden wordt! En als het hem niet lukt om zondaren die door de genade van God overwonnen zijn uit de hemel te houden, zal hij wel proberen om de hemel uit het hart van Gods kinderen te houden.

De tweede vijand is de wereld. En weer: van nature zijn wij er allemaal een vriend van. Een mens, hoe godsdienstig hij ook mag zijn, is van nature geen vijand van de wereld. Maar, als de Heere door Woord en Geest in je hart gaat werken, komt er een breuk met die wereld. Dan wordt je een vijand van de wereld! Is dat in uw leven al gebeurd? Is dat in jouw leven al waar geworden? Is dat in dit jaar gebeurd of is dat daarvoor al werkelijkheid geworden? Dat moet immers gebeuren, gemeente, zal het wél met ons zijn. Want, zo zegt Jacobus in zijn brief: Weet gij niet, dat de vriendschap van de wereld vijandschap Gods is? Zo wie dan een vriend der wereld wil zijn, wordt een vijand van God gesteld (Jak.4:4). De Heere Jezus zegt heel nadrukkelijk dat we niet beiden tegelijk kunnen dienen: u zult óf de Heere dienen óf de wereld dienen. Wie dient u? Wie dien jij? Je kunt niet van twee walletjes eten.

Dan is er nog een derde vijand. Ons eigen boze vlees. Ons eigen verdorven hart. Dat is ook een vijand! Eigenlijk is dat de ergste van alle drie. Want het is de vijand die je altijd met je meedraagt. De wereld kan je nog voor een poosje ontvluchten: je gaat in een kamertje apart zitten en je doet de deur goed dicht. De wereld is dan buiten. Maar je boze en onreine hart gaat mee naar binnen. Dat heb je áltijd bij je. Begrijp je nu, meisjes en jongens, wat David bad? Schep mij een rein hart o God! en vernieuw in het binnenste van mij een vaste geest (Ps.51:12).

 

Strijd dus tegen de driehoofdige vijand: duivel, wereld en eigen vlees! Iedereen die deze strijd leert strijden, moet ervaren dat hij in zichzelf geen kracht heeft tegen die grote menigte. Maar nu wil de Heere hen in die strijd bemoedigen. Hij zegt: Die overwint, zal alles beërven. Laat de strijd dan zwaar zijn, maar wéét dat de overwinning zeker is! Het is niet zo dat die overwinning door óns behaald moet worden! Nee, die overwinning ís al behaald. Behaald door Hem, Die aan het vloekhout van de schande de driehoofdige vijand al verslagen heeft. Hoe meer je nou je eigen krachteloosheid in de geestelijke strijd inleeft, des te meer zul je ook uitgedreven worden naar Hem, in Wie alles is wat machteloze en krachteloze strijders in zichzelf nodig hebben. Die overwint, zal alles beërven. Dat is: alles wat de Heere Jezus verworven heeft. De volle zaligheid. Al hetgeen de Heere weggelegd heeft voor degenen die Hem vrezen. Dat wordt als een erfenis ontvangen.

 

Je weet: een erfenis krijg je. Die wordt je in de schoot geworpen. Een erfenis kun je nooit zelf verdienen. Die wordt ontvangen omdat een ander het verdiend heeft, omdat een ander het in zijn testament aan je vermaakt heeft.

Zo is het ook hier. Het is door de Ander verdiend. Denk maar aan wat Paulus schreef aan de gemeente van Korinthe: Want gij weet de genade van onze Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, opdat gij door Zijn armoede zou rijk worden (2 Kor.8:9).

Voor wie is dus de erfenis? Voor hen die overwonnen zíjn en die zélf overwinnen. Voor hen, die in de geestelijke strijd aan de kant van God gevallen zijn en die leerden strijden. Zij zijn het die hier de boodschap tot bemoediging uit de mond van de Heere mogen horen. De Heere laat hun als het ware de kroon zien. De kroon van de overwinning die ze uit genade zullen ontvangen. Ze worden aangevuurd door Hem om in de strijd vol te houden. Wat is dat: volhouden in de strijd? Dat is bidden: ‘Heere, omdat we van onszelf al zo zwak zijn dat we niet één ogenblik zouden kunnen bestaan en ook onze doodsvijanden, de duivel, de wereld en ons eigen vlees, niet ophouden om ons aan te vechten; zo houdt ons toch staande. Sterkt U ons door de kracht van Uw Heilige Geest, opdat we in de geestelijke strijd niet onder liggen, maar altijd sterke wederstand doen. Totdat we eindelijk, ten enenmale de overhand behouden’ (HC zondag 52). In de kracht van de grote Overwinnaar, zullen we de overwinning behalen en de erfenis ontvangen.

Wat houdt die erfenis in? Ik zal hen tot een God zijn en hij zal Mij tot een zoon zijn. Eigenlijk is niet onder woorden te brengen wat dat wil zeggen. Daar zijn mensentongen te arm voor. ‘Ik zal hen tot een God zijn’ wil zeggen: ‘Ik zal hem ten volle verzadigen met Mijn beeld.’ De Heere laat hen dan soms iets smaken van Zijn heerlijke gemeenschap, van Zijn gunst, zodat ze met Asaf mogen zeggen: Het is mij goed nabij God te wezen (Ps.73:28). Maar zo spoedig soms kan die gemeenschap met de Heere weer verbroken worden door hun eigen zonden. Dan wordt die gemeenschap weer verstoord. Als de strijd echter voorbij is, de strijders aan het einde van de loopbaan gekomen zijn en het lichaam van de zonde en de dood mogen afleggen, wacht hun een zaligheid die geen oog heeft gezien, die geen oor heeft gehoord en die in het hart van geen mens is opgeklommen en die God bereid heeft voor dien die Hem liefhebben.

 

Ik zal hen tot een God zijn en hij zal Mij tot een zoon zijn. Ook dat laatste betekent een geweldige rijkdom. Johannes schrijft dat in zijn brief: Nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen (1 Joh.3:2). Dat wil zeggen: kinderen van God hebben het recht gekregen om ook werkelijk kinderen van God genoemd te worden. Ze ontvangen daarvan ook de verzekering in het hart. Maar de volle heerlijkheid ervan is nog niet geopenbaard. Die wacht nog. Dat wordt nu in onze tekst onder woorden gebracht met de woorden: en hij zal Mij een zoon zijn. God zal Zichzelf aan de Zijnen wegschenken. Meer dan Zichzelf kan God niet geven: dat is de volle zaligheid.

 

Wat zijn zij gelukkig, gemeente, die die zaligheid beërven zullen! Zou u daar niet heilig jaloers op zijn? Wat baat het u als u de hele wereld gewint en als uw ziel schade lijdt? Eeuwig schade lijden zal het deel zijn van allen die zich tot het einde toe onder de roepstemmen van het Evangelie verharden. We lezen dat in vers 8: maar de vreesachtigen en ongelovigen (…), is hun deel in den poel, die daar brandt van vuur en sulfer; hetwelk is de tweede dood.

Vreesachtigen en ongelovigen. Dat zijn dus de mensen die de goede strijd schuwen. In hun hart is niet die hartelijke betrekking op de Heere. Niet dat hartelijke voornemen: aangaande mij en mijn huis, wij zullen den Heere dienen (Jozua 24:15). Omdat ze zichzelf niet overhebben voor de Naam en de zaak des Heeren. Omdat ze niets kennen van dat zichzelf verloochenen. Daarom volharden ze in al die andere zonden die hier worden genoemd. Ze leven voort naar het goeddunken van hun boos en verdorven hart. Ze leven zomaar hun eigen leventje, van de ene dag in de andere. Zij buigen niet voor God en vragen niet: Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal? Voor hen is er geen troost en geen bemoediging. Voor hen is daar die indringende waarschuwing: als dat nu zo blijft, zal uw deel, de plaats waar u heen gaat, de poel zijn die brandt van vuur en sulfer, hetwelk is de tweede dood.

 

De tweede dood. De eerste dood is begonnen in het Paradijs. Dat is de geestelijke dood. Zo zijn we allemaal op de wereld gekomen. Dood in zonden en misdaden. Die geestelijke dood heeft tot gevolg dat we ook de lichamelijke dood moeten sterven. Die lichamelijke dood loopt uit op de eeuwige, de tweede dood als er géén bekering, géén wedergeboorte komt. Uit die eerste, geestelijke dood, is opwekking mogelijk. Uit de lichamelijke dood zult u opstaan als Jezus komt op de wolken des hemels. Uit de tweede dood zal echter nooit iemand opstaan. Dat is de eeuwige dood.

 

En nu is het van tweeën één. We zijn óf op reis naar het Koninkrijk van God óf we zijn op reis naar de poel die brandt van vuur en sulfer. Een derde mogelijkheid is er niet. Als de Heere nu vannacht komt? Als u 1 januari niet beleeft? Als vannacht de roep gehoord wordt: Het is geschied, zal het dan goed zijn als Hij u en jou zal onderzoeken? Laat u toch waarschuwen! Laat u toch met God verzoenen!

 

Het is geschied. Dat woord zal straks, als het klinkt uit de mond van de hemelse Boodschapper, ook tot blijdschap zijn. Tot blijdschap voor allen, die de Heere leerden verwachten. De strijd zal niet altijd duren. Satan, de verklager der broederen, zal niet eeuwig het laatste woord hebben. Want als dít woord – het is geschied – gehoord wordt, zo zegt Guido de Brès in zijn laatste artikel van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, dan zal alsdan hun verlossing ten volle volbracht worden. En zal vervuld worden: Ik zal hem een God zijn en hij zal Mij een zoon, een dochter, zijn. 

Amen.

 

Slotzang: Psalm 42: 3

 

O mijn ziel, wat buigt g' u neder?
Waartoe zijt g' in mij ontrust?
Voed het oud vertrouwen weder;
Zoek in 's Hoogsten lof uw lust;
Want Gods goedheid zal uw druk
Eens verwiss'len in geluk.
Hoop op God, sla 't oog naar boven;
Want ik zal Zijn naam nog loven.