Ds. R. Kattenberg - Lukas 2 : 9-11a

De kerstboodschap in de velden van Efratha

Lukas 2
Die wordt verkondigd door een hemelse bode
Die wordt gebracht aan vrezende herders
Die heeft als inhoud: de geboren Zaligmaker

Lukas 2 : 9-11a

9. En ziet, een engel des Heeren stond bij hen – dat zijn de herders - en de heerlijkheid des Heeren omscheen hen, en zij vreesden met grote vreze. 10. En de engel zeide tot hen: Vreest niet, want ziet ik verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal; 11a. Namelijk, dat u heden geboren is de Zaligmaker.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 8: 1, 4 en 9
Lezen : Lukas 2: 8-20
Zingen : Psalm 149: 1 en 2
Zingen : Lofzang Zacharias vs. 4
Zingen : Lofzang Maria vs. 3 en 6
Zingen : Psalm 71: 14

Met ’s Heeren hulp, gemeente, bedien ik u vanmiddag het Woord van God uit Lukas 2, de verzen 9, 10 en 11a.

 

  9.  En ziet, een engel des Heeren stond bij hen – dat zijn de herders - en de heerlijkheid des Heeren omscheen hen, en zij vreesden met grote vreze.

10.  En de engel zeide tot hen: Vreest niet, want ziet ik verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal;

11.  Namelijk, dat u heden geboren is de Zaligmaker.

 

De kerstboodschap in de velden van Efratha

 

  1. Die wordt verkondigd door een hemelse bode.
  2. Die wordt gebracht aan vrezende herders.
  3. Die heeft als inhoud: de geboren Zaligmaker.

 

  1. Die wordt verkondigd door een hemelse bode

Blijdschap. Gemeente, wie kan daarover spreken in de wereld van vandaag? Wie durft daarover te spreken in deze wereld? Blijdschap? Je leest van terreur, oorlogen en  aanslagen. Hongersnood, ziekte, huwelijksmisère, problemen hier, problemen daar, moord, doodslag, onthoofding, IS… Het is een eindeloze rij woorden die alle hetzelfde aanduiden: wie durft er over blijdschap te spreken?

 

Wie durfde dat zo’n tweeduizend jaar geleden? Wie kon toen spreken over blijdschap in Israël?  Blijdschap? Keizer Augustus uit Rome geeft de toon aan. Koning Herodes, een nazaat van Ezau, regeert over het volk van Jakob. Als je zoekt naar nakomelingen van het huis van David, moet je een lantaarn bij je hebben om uiteindelijk toch nog iemand te vinden. Blijdschap? Wie sprak er toen over blijdschap? Wie durfde er toen over blijdschap te spreken? Wie durft het vandaag?

 

Gemeente, weet u Wie? God! God spreekt over blijdschap. In een wereld vol van zonde, bloed en vuur en rookpilaren komt Hij met de verkondiging van blijdschap. Ja, zelfs van gróte blijdschap. De klokken luiden en het is de beste boodschap die ooit gebracht werd. 

 

Denkt u zich eens in, gemeente, deze wereld: enkel donkerheid en duisternis. Dan plotseling: het licht gaat aan. In een wereld vol van dode zondaren komt de verkondiging van leven. Vergeving wordt geproclameerd vanuit de hemel, met betrekking tot zonde en ongerechtigheid. Zaligheid wordt verkondigd in een verloren wereld.

 

Hoe kan dat? Hoe is dat mogelijk? Vanwaar die boodschap? Vanwaar die blíjde boodschap? Wel, het Kind is er! Het Kínd is er. Daarom kunnen de engelen straks ook zeggen: De vrede is er, want de Vredevorst is er. Het Kind is er: Gods Zoon.

 

Kerstfeest brengt de accolade aan tussen de hemel en de aarde. Immanuël, God met ons. Christus, de Heere, in de stad van David.  Daarom blijdschap. God heeft gedacht aan Zijn genade.

 

Weet u, hoe u zich dat voor moet stellen? U zegt: Nee. Ik ook niet. Hoe is dat, het binnenste van het hart van God? Wat God naar buiten toe geopenbaard heeft, daarvan zingen wij: Hij heeft aan Zijn genade gedacht, Zijn trouw aan Israël nooit gekrenkt. God?

 

Ja, als het gaat om het Kerstfeest, wijst het Woord van God met de vinger naar boven. Als het gaat om het kerstevangelie, wijst de vinger ook horizontaal. Van de kribbe… Ja, waarheen, dacht u? Naar Golgotha.

 

Maar wat heeft het kruis van Golgotha nu te maken met het Kind van Bethlehem? Alles, gemeente! Als u dat verband niet ziet en als dat verband u niet gepreekt wordt, valt u in de valkuil van de gezelligheid en van de romantiek.

 

Meisjes en jongens, Kerstfeest is niet het feest van: Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw. Kerstfeest is het feest van de rauwe werkelijkheid van onze schuld, van onze zonden, van onze verlorenheid voor het aangezicht van God.

 

Kerstfeest komt uit de hemel, naar een verloren wereld. Kerstfeest komt van en begint bij en in God. Dat is nu welbehagen: het binnenste van het hart van God. Dat de Heere zegt: U mag in Mijn hart kijken en u mag zien wat er uit Mijn hart komt. Zo lief heb Ik de wereld gehad, dat Ik Mijn eniggeboren Zoon heb gegeven, opdat een ieder die gelooft in Hem niet verderven zal, maar het eeuwige leven zal hebben (naar Joh.3:16). Het is de zoekende zondaarsliefde van de God van de hemel.

 

God zoekt ook vandaag. Wie zoekt Hij? Mensen zoals u, zoals jij, zoals ik. Mensen, zoals wíj zijn. Zulke mensen? U denkt misschien dat U iets bijzonders moet zijn. God zoekt het verlorene, gemeente. Een wereld, verloren in zonde en schuld.

 

God zoekt…. U niet. Paulus zegt: Er is niemand die naar God vraagt. Niemand die God zoekt (Rom.3:11). Denkt u zich dat eens in. Kijkt u zo eens van bovenaf, in uw gedachten, vanuit de hemel naar deze wereld. Een gekrioel van mensen, zeven miljard. Er zijn nauwelijks plaatsen te vinden waar geen Kerstfeest gevierd wordt. Tussen al die mensen  is er niet eentje die naar God vraagt. Samen zijn we afgeweken en onnut geworden. Niet één die God zoekt.

 

Maar nu komt het kerstevangelie. Nu zegt de Heere: Ik zoek het verlorene. Allen zijn we afgeweken, allemaal onnut geworden. En nu dit: God vraagt naar mensen. U zegt: naar mij? Jazeker. Dacht u van niet? Naar jou? Nou, en of. Kerstfeest, feest van de genade van God. Kerstfeest. De Heilige Geest wijst ons heel nadrukkelijk naar Boven. De verkondiging van de grote blijdschap,

 

Kerstfeest maken wij niet. Ook niet met alle toestanden daaromheen. Kerstfeest máák je niet, Kerstfeest kun je krijgen. Gód maakt Kerstfeest, het komt bij Hém vandaan. Dat blijkt immers. Want er is een engel, een bode van de Heere, een bode die bij God vandaan komt.

 

Het Evangelie maakt er ons opmerkzaam op als we lezen: En ziet … Let erop. Houd eens even de pas in en kijk eens wat er gebeurt! In Efratha’s velden staat een engel bij de herders.

 

Hij stond bij hen. Een engel des Heeren stónd bij hen. Dus u moet niet aan een zwevende figuur in het luchtruim denken, die de boodschap laat horen. Nee, de engel staat met ‘met beide benen’ - tussen aanhalingstekens - op de grond. Dáár, bij de herders, in Efratha’s velden die de wacht houden over hun kudde. Zomaar. Plotseling. Ineens. Ongedacht en onverwacht brengt de hemel de verbinding tot stand met de aarde.

Gemeente, dat is altijd het verrassende van het werk van God. Dat ongedachte, onverwachte, dat plotselinge. In de bediening van de verzoening raakt de Heilige Geest mensenharten aan. Zomaar ineens.

 

Vandaag? Dat mag je toch hopen, nietwaar? Bij wie? Bij u, bij jou. Een verbinding rechtstreeks vanuit de hemel naar de plek waar u zit. Is dat niet te ver gezocht? Welnee, God zoekt het verlorene. Het is heel persoonlijk. Dan weet u wat er gebeurt in uw leven. Dat kun je niet programmeren, dat kun je niet op een computer zetten, dat lees je ook niet af van internet of wat dan ook.

 

Dat werk van God zoekt ook geen aanknopingspunten in u. God zoekt niets in u. God weet dat er bij u niets te vinden is dan alleen maar alles wat tegen u getuigt. Wat onbegrijpelijk is dan de genade van God en de liefde van God, als Hij Zijn hand legt op iemand zoals u. Als de Heere Zijn hand legt op eentje zoals jij bent.

 

Zomaar plotseling staat die engel des Heeren daar bij de herders. Een bode van de hemel. Maar niet alleen een bóde van de hemel. Ook de hemel zelf. De God des hemels. Want zo lezen we: En ziet, een engel des Heeren stond bij hen én de heerlijkheid des Heeren omscheen hen. 

 

De heerlijkheid des Heeren. U voelt het wel een beetje aan, denk ik, de heilige tegenwoordigheid van God, de grootheid van God. De majesteit van God. Zoals we daarvan zingen: Hem dekt met majesteit der wolken donkerheid.

 

Over De heerlijkheid des Heeren lees je vaak in het Oude Testament.  We denken aan de wolk zoals die was boven de tabernakel. Kinderen weten dat ook wel. Een wolk was de vertegenwoordiging van God en wees op de aanwezigheid van God. In al Zijn grootsheid en in al Zijn heerlijkheid, in al Zijn luister, in al Zijn pracht. Alleen onder het Oude Testament was die heerlijkheid des Heeren altijd ‘omwolkt’, omgeven. Zeg maar: ‘ingepakt’, dan snappen kinderen het ook.

 

Nu met Kerstfeest is de heerlijkheid des Heeren ‘uitgepakt’ en zij openbaart zich in volle kracht en majesteit. Wie zal de heerlijkheid des Heeren zien en wie zal dan leven? Dat was al zo onder het Oude Testament, vandaar die verhulling. Als je die heerlijkheid des Heeren onbedekt zou zien, zou je dood neervallen.

 

En kijk nu eens naar de herders, gemeente. Nota bene, zij staan er middenin. Midden in die heerlijkheid des Heeren. Er valt er niet eentje dood neer. Ze worden niet door de heerlijkheid des Heeren ‘beschenen’,  dat zou al geweldig zijn, maar ze worden door de heerlijkheid des Heeren ‘omschenen’. De heerlijkheid des Heeren omscheen hen. Dus ze staan er middenin.

Kijk je naar boven: het licht van de heerlijkheid des Heeren. Kijk je opzij: het licht van de heerlijkheid des Heeren. Kijk je naar beneden: het licht van de heerlijkheid des Heeren. Aan alle kanten. Volkomen. Aan alle kanten licht.

 

Alle licht dat wíj kennen, schijnt óver ons. Alle licht dat wij kennen geeft ook een schaduw. Maar deze heerlijkheid des Heeren, waarin de herders zich bevinden, dit kerstlicht, dat kent geen schaduw. Dat is overal licht. Dan heb je nergens schaduw. Het licht omschijnt de herders. Dus geen schaduw. Integendeel. Dat licht komt de schaduwen verdrijven. Zelfs de zwarte schaduw van de dood. De nacht van de zonde moet verdwijnen.

 

Want wat gebeurt hier? Hier worden in zichzelf zondige mensen opgenomen in de heilige tegenwoordigheid van God. Ze staan midden in de heerlijkheid des Heeren. Ze brengen het er levend vanaf, ze komen niet om. Hoe kan dat? Het Kind is er: de Zoon van God, van wie het straks zal gelden dat de duisternis Hem zal omsluiten. Dat zal gebeuren op Golgotha.

 

Golgotha heeft alles te maken met dit stukje van het kerstevangelie. Licht omschijnt de herders. Er is er Eén Die afdaalt in de buitenste duisternis. Het licht dat de herders omschijnt, is verdiend door Christus Jezus aan het vloekhout der schande. De herders staan midden in de heerlijkheid des Heeren als vrucht van het werk van de Zoon van God, tot in de Godverlatenheid. Hier is het als het ware voor de herders: de Heere is bij ons, wie zouden we vrezen?

 

Maar op Golgotha hoor je: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?

En van de zesde ure aan werd er duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe, En omtrent de negende ure riep Jezus met een grote stem, zeggende: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? (Matth.27:45, 46).

 

Hij in de duisternis, opdat mensenkinderen omschenen zullen worden met het licht van de heerlijkheid des Heeren.

 

Zalig als u in dát licht wordt gezet, als dat licht in uw leven schijnt. Al is het wel, dat, als u in die heerlijkheid des Heeren en het licht daarvan gezet wordt, vréés niet achter zal blijven. Zo lezen we het ook van de herders: En zie, een engel des Heeren stond bij hen  en de heerlijkheid des Heeren ‘omlampte’, omscheen hen, én zij vreesden met grote vreze.

 

Onze tweede gedachte na het zingen van de Lofzang van Zacharias, het vierde vers.

 

Dus wordt des Heeren volk geleid,

Door ’t licht, dat nu ontstoken is,

Tot kennis van de zaligheid,

In hunne schuldvergiffenis;

Die nooit in schoner glans verscheen,

Dan nu, door Gods barmhartigheên,

Die, met ons lot bewogen,

Om ons van zond’ en ongeval t’ ontslaan,

Een ster in Jakob op doet gaan,

De Zon des heils doet aan de kimmen staan.

 

De kerstboodschap in de velden van Efratha, Die wordt verkondigd door een hemelse bode.

 

  1. Die wordt gebracht aan vrezende herders

Want, zo lezen we van de herders: zij vreesden met grote vreze. Die herders schrikken wel van wat er zo plotseling gebeurt. Het licht, aan alle kanten in hun leven. Overal: schaduwloos licht… Dan is het niet te verwonderen dat er sprake is van vrees, van terugdeinzen. Van: wat overkomt ons? Gemeente, wij hebben zulke omstandigheden ook weleens: Wat gebeurt er nu toch?

Zo is het ook voor deze broeders. Ze vrezen, ze sidderen. Daar zit ook iets van bangheid in… Maar ook iets van het ontzagwekkende, het ingrijpende, waarop ze zelf geen grip hebben. Het komt over hen, zonder dat ze enige invloed daarop kunnen hebben.

 

Wat moet je ervan zeggen, gemeente, als de hemel neerdaalt op de aarde? Dat weet u ook niet. Dat wisten de herders ook niet. Dat weet niemand. De Bijbel zegt wel: Wie zal God zien en leven? Dat zie je dus bij die herders ook. Ze vreesden. Dat er iets van de hemel komt, dat is wel duidelijk voor hen.

 

Ja, als er iets van de hemel komt, is dat duidelijk voor een mens. Als er iets van de hemel komt in uw hart en uw leven, als het licht valt in de duisternis van je bestaan, zie je wat het licht openbaar maakt in je leven. Het licht openbaart je zonden en je ongerechtigheid. Het licht maakt immers de duisternis openbaar? En als je er dan middenin staat…

Weet u wat dat zeggen wil,  midden in die omlamping van de heerlijkheid des Heeren? U staat midden in dat licht. U kunt er ook niet uit. U kunt niet naar boven, niet opzij, niet naar beneden. Want overal is het licht, teken van Gods tegenwoordigheid.

 

Vrezen, onder de indruk zijn van het ontzagwekkende gebeuren. U zegt: Wat is dat nu toch? Je wilt er wel uit, maar je kunt er niet uit. ‘k Wou vluchten, maar ik kon nergens heen, zodat mijn dood voor handen scheen. In heel de Schrift kom je steeds opnieuw ‘vrezende mensen’, bevende mensen tegen, omdat ze staan in de lichtglans van God de Allerhoogste.

 

Gemeente, in de tegenwoordigheid verkeren van God, hoe dan ook, betekent dat alles u ontvalt. Misschien bent u weleens geopereerd… Dan weet u, één van de laatste dingen, voordat je weggereden wordt naar de operatiekamer is: u krijgt een operatiehemdje aan en misschien nog wel een paar sokken en dat is het dan. U houdt niets over. Zó ga je weg.

 

Als u staat in de tegenwoordigheid van de hoogheilige God, ontvalt u alles. Al uw goede werken, al uw vroomheden, al uw rechtzinnigheden. Want als die God in het recht gaat treden en gadeslaân uw ongerechtigheden, waar zult u dan blijven? O God, dan heb ik geen bestaan. Als u ziet wie u bent, als u ontdekt hoe uw hart is, wat kun je dan anders verwachten dan de dood?

 

En zij vreesden – niet zomaar, nee – met grote vrees. Dus, het is niet oppervlakkig, maar het grijpt in hun leven in aan alle kant. Straks is het grote blijdschap, hier is het grote vrees. Als u nog nooit voor God gevreesd hebt, gemeente, nog nooit dat terugdeinzen gekend hebt, het overweldigende van de Majesteit en de heerlijkheid van God, is het dan wel ooit licht geweest in uw leven?

 

Kijk, de herders… De hemel gaat open, de tegenwoordigheid van God wordt merkbaar. Wat kun je anders verwachten dan dat de hemel de rekening presenteert? Daar staan ze.  Nietige mensen, zondige mensen, kleine mensen, verloren mensen… Dat moet het einde zijn. Hier kan niemand verder.

 

Hoor, de engel gaat spreken: En de engel zeide tot hen: Vreest niet. Vrees niet, want ziet, ik verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal.

 

Maar dat is toch wat! Ga eens even bij die herders staan. Je wordt ook omlampt  door dat licht, je doet je ogen dicht…. en? Wat gebeurt er? Aanstonds komt de slag… En dán de boodschap: Vreest niet! We zeggen weleens: Dat is ongehoord. Dit is werkelijk: ón-gehoord. Dit is nog nooit gehoord.

 

Vreest niet! Weet u wat dat betekent? Herders, u denkt dat ik u kom bezoeken vanwege uw zonden, u zal ombrengen en zal doen omkomen. Maar herders, zo staat de zaak in de hémel níet. Zal ik u eens wat vertellen? In de hemel staat het er voor u heel anders voor. Weet u wat? In de hemel wacht u louter genade, vergeving van zonden, leven, zaligheid tot in eeuwigheid.

 

De engel komt niet om de herders te zeggen: Ik kom bij u en ik houd u uw zonden voor ogen. Ik stel u uw dood voor ogen. Nee, ik verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal. Grote blijdschap.

 

Wie staat er ook nu in de lichtglans van de heerlijkheid van God? Jij, u, in deze kerstdagen? Wie zit erin opgesloten, in die zin dat je geen kant op kunt? Dat u zegt: Heere, ik kom er niet uit… Ik zei het u al: ‘k Wou vluchten en ik kan nergens heen. De dood voor ogen. Als u zegt: O God, het kán niet! U loopt klem. U komt als in een straat met een bord: doodlopende weg.  Voor u eindigt de weg ook... Hier kom ik niet uit.

 

Moet u horen! Kerstfeest vandaag. De engel zegt: Ik verkondig u grote blijdschap… Gróte blijdschap die al den volke wezen zal. Vrees niet!

 

Maar dan zegt uw hart: Ja maar, Heere, dat kán toch niet? Daar hebt u gelijk in. Het kan ook niet. Maar Kerstfeest zegt: Het gebeurt wél! Dat is het wonder, gemeente. Wonderen kunt u niet verklaren. Wonderen kunt u ook niet doen. Wonderen doet er maar Eén: God. God doet duizend wonderheên. Hier heeft u er een. Ook in uw eigen leven? Het kán niet en het gebeurt tóch.

 

Maar uw schuld dan? Uw zonde? Heel uw hart, alles klaagt je aan. Daar weten de herders ook van. Daar stuiten die herders ook op bij het bezoek van de hemel. Daar staat niet voor niets: ze vreesden met grote vreze.

 

Wat zijn die herders voor mensen? Dat zijn net zulke mensen, zoals u en ik.  Heel gewoon, niets bijzonders. Zondige mensen. Waarom gebeurt dan niet wat ze zelf verwachten? Dat ze sterven zullen? Waarom spreekt de aarde niet en opent de aarde de mond niet, zodat ze verslonden zullen worden in verderf en in ondergang?

 

Op de aarde staat een kribbe in Bethlehem. In die kribbe ligt de Zoon van Gód, de Zaligmaker der wereld. Hij ligt daar in het donker. Dat licht van de hemel dat zou Hém moeten 'omlampen', dat zou Hem moeten omschijnen. Hij is toch de Rechtvaardige? Hij is toch de Heilige? Hij is toch de Zondeloze? Hij is toch de Reine? Hij is toch God uit God en Licht uit Licht? Waarachtig God uit waarachtig God?

 

Hét Licht ligt in het donker. Dat is Borgtocht: ‘Ik voor u’, anders moest u de eeuwige dood sterven. De Zoon van God, in het donker en de herders, de zondige mensen, in het licht.

 

Hij, de Eeuwige, door Wie alle dingen geschapen zijn, Hij in doeken gewonden en in duisternis. Dát is het geheim dat de herders worden omschenen zonder dat ze sterven. Om Jezus’ wil. Om Zijnentwil. Dat is het geheim, dat hun leven verlicht wordt en dat God wil wonen bij zulke mensen als zíj zijn.

 

Heel simpel en tegelijkertijd diep ingrijpender kan het niet. Zoals onze kinderen het zeggen: Om Jezus’ wil. Waarom blijven die herders in leven?  Om Jezus’ wil. Waarom om Jezus’ wil? Híj gaat de dood in. Dat duurt nog even, drieëndertig jaar. Hier wordt het voorschot genomen op de Borgtocht, zoals Hij die volbrengen zal.

 

Daarom, geen verterend vuur hier voor de herders, maar het vriendelijk licht van Gods aangezicht, dat troost verspreidt voor harten in smarten. Jezus is hier. Want Gij weet de genade van God, dat Hij om uwentwil arm geworden is, terwijl Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede rijk zoudt worden (naar 2Kor.8:9).

 

Gemeente, wat een wonder. Kijk nog eens. Het ene moment, dat vrezen. Dat geeft iets aan van de doodsnood, en dan geen uitzicht. Twee tellen later: grote blijdschap. Het ene moment als het ware afdalen in de diepte van de dood en van ondergang. Het andere moment opgenomen worden op de ladder naar de hemel toe en naar de zaligheid. Grote blijdschap. Het ene moment: één voet in de dood. Het andere moment: de andere voet in het eeuwige leven. Zomaar, ineens.

 

Vrees niet. Het helpt niet, gemeente, als de ene mens dat tegen de ander zegt. Het is goed bedoeld, maar uiteindelijk kun je de ander er niet mee helpen. Als heel je leven een geopend boek is voor het aangezicht van God. Als je er weet van hebt dat je met een heilig God te doen hebt…

Zeg Gij tot mijn ziel: Ik ben uw Heil alleen (naar Psalm35:3).  Daar gaat het de oprechte van hart toch om? Al spreekt iedereen je zalig, maar God niet, dan heb je nog niets. Maar, als God het doet, is het ook een volkomen werk.

 

God geeft ook de reden aan, waarom. God geeft ook de diepste oorzaak aan. Vreest niet. Dat de Heere dat laat zeggen door de engel heeft een deugdelijke grond: Want zie, ik verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal. Wat is dat dan? Namelijk, dat u heden geboren is de Zaligmaker. Onze derde gedachte.

 

We zingen eerst uit Maria’s lofzang, de verzen drie en zes; Maria’s lofzang, het derde en zesde vers.

 

Hoe heilig is Zijn Naam!

Laat volk bij volk tezaam

Barmhartigheid verwachten;

Nu Hij de zaligheid,

Voor die Hem vreest, bereidt,

Door al de nageslachten.

 

Hij heeft, na lang geduld,

Met goederen vervuld

Der hongerigen monden;

Hij zag geen rijken aan;

Maar heeft z’, in hunnen waan,

Gans ledig weggezonden.  

 

De kerstboodschap in de velden van Efratha: verkondigd door een hemelse bode, 

gebracht aan vrezende herders, met als inhoud: de geboren Zaligmaker.

    

  1. Die heeft als inhoud: de geboren Zaligmaker

Vreest niet, want zie, ik verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal – die heel het volk ten deel zal vallen - namelijk, dat u heden geboren is de Zaligmaker.

Al den volke, dat wil dus zeggen: heel het volk. Dat is Israël. Op dat volk rusten de beloften. Heel het volk zal in de blijdschap delen. Dat is de belofte die de Heere toegezegd heeft.

 

Maar het zal ook over de grenzen van Israël heen gaan tot aan de einden van de aarde. De Heere Jezus heeft dat Zelf ook gezegd. Als Hij Zijn werk volbracht heeft, zegt Hij: Gaat dan heen, onderwijst al de volken. Predikt het Evangelie aan alle creaturen (Matth.28:19, Mark. 16:15). Laat overal de kerstklokken luiden en laat de boodschap horen: grote blijdschap – grote blijdschap. Al de volken: heel de wereld rond.

 

Gemeente, wat een groot hart moet God dan hebben, als Hij zó de boodschap laat brengen over het rond van deze aarde. Héden is u geboren de Zaligmaker.  Om Hém gaat het. Die grote blijdschap is direct verbonden aan de Heere Christus. Daarom, die ruimte in het Woord, die breedte van dat Woord. Want dat betekent dat die blijdschap aan allen verkondigd zal worden, zonder onderscheid. Grote blijdschap. Nu sluit God niemand uit. Het is een wereldwijde aangelegenheid.

 

Als u vraagt: Is dat woord op mij betrokken? Antwoord: ja. Als je zegt: Is het ook op míj van toepassing? Het antwoord: ja. Hier legt God Zijn hart open. Grote blijdschap wordt verkondigd, zelfs voor de voornaamste van de zondaren.

Het Kind is er. Het wordt u verkondigd. In Christus alléén. In Zijn werk alléén, in Zijn Persoon alléén. Heden is Hij u geboren.

Die vreugde en het Kind in de kribbe, die vreugde en de Heere Jezus, die horen onlosmakelijk bij elkaar. Vreugde en de Heere Christus. Daarom is er ook zo’n diepe ernst in de bediening der verzoening. Want nog een keer: dat woord geldt u en dat geldt jou, heel persoonlijk.

 

Grote blijdschap, zegt de Heere, laat Ik u verkondigen. Als daardoor uw hart niet breekt, waar zou uw hart dan wel door moeten breken? Dan zal het niet verbroken worden. Lager kan God niet afdalen. Verder kan God Zijn hart niet openleggen, want alles wat erin is, heeft Hij geopenbaard.

 

Wees er dan van overtuigd dat in de wereld van vandaag de Heilige Geest werkt. Want als we staan voor de vraag: Verwacht u nog wat van het Koninkrijk van God? Je zou zeggen: Alle moed wordt ons benomen en alle uitzicht is verdonkerd. Er is geen eer meer te behalen.

 

De Heere zegt: De Heilige Geest werkt, dwars door alles heen. Hij gaat voor niets en voor niemand opzij. Ook niet voor alle gruwelen, alle goddeloosheden, alle duivelse machten. Hij breekt door alles heen. Dát is het rijke én dat is het onthullende.

 

Want de zonde is geen bagatel, geen bijkomstigheid, geen kleinigheid. Geen vergissing, waarvan je zegt: O, die kan ik wel weer ongedaan maken. Zelfs in een sorry-cultuur gaat dat niet op ten overstaan van God. Geen sprake van. Onze zonden, uw ongeloof roept een vreselijke werkelijkheid op.

 

Dat is ook Kerst: de werkelijkheid van oordeel en van gericht. Van ons uit gezien: onherroepelijk. Als het gaat om uw zondig bestaan, om uw verloren bestaan voor God? Redt u het dan? Dan redt u het niet. Ik, jij, ook niet.

 

Maar nu komt de hemelse boodschap: U is heden geboren de Zaligmaker. Ja, de Redder. Zo Eén hebben we nodig. Als u klem zit, als u er niet uitkomt of jij meisje, jongen. Als alle wegen in de dood eindigen en alle andere wegen opgebroken zijn… De weg naar Bethlehem, die ligt open.  De weg die uitloopt op het leven, op het eeuwige leven. Hier is de Redder.

 

Zalig maken, dat wil zeggen: bevrijden van de zonde. Dat zalig maken - dat woordje redden - heeft wel de specifieke betekenis van ‘redden uit het verderf’. Redden als u op het randje van het ravijn staat en u dreigt erin te storten. Redden, als iemand net nog onder de spoorbomen doorgegaan is en de trein komt eraan en de motor slaat af. Je kunt nog net… Dat was op het nippertje. Dus, zó dicht bij het gevaar zijn, bij het omkomen zijn. Ontrukt worden aan dat alles. Niet ondergaan in de golven, waarin je dreigt te verzinken.

 

Er is er Eén Die afgedaald is, dieper dan de diepste diepte van de golven. Er is er Eén, Die doorgegaan is en Die afgedaald is tot in de diepte van de Godverlatenheid. Eén is er afgedaald, zo diep, zo diep als u en jij en ik verloren liggen. Eigenlijk nog dieper.

Zie het gebeuren. Een zondaar in de diepte van de dood, van verderf en van ondergang. Nedergedaald ter helle. Hij de Zoon van God, opdat Hij Zijn doorboorde handen eronder zou kunnen zetten en u zou dragen tot het licht des levens.

 

Dan is alle romantiek verdwenen in het kerstevangelie of in het kerstoverdenken. Kerstfeest laat horen: Zó diep, o mens, is uw duisternis, zó groot is uw schuld, dat God er Zelf aan te pas moest komen. En God ís eraan te pas gekomen.

 

Bij deze boodschap wordt alles wat van ons is, weggevaagd. Bij deze boodschap is er het Kind alléén. Het Kind in de kribbe alléén, want Híj is de Man van smarten. Híj zal de dood overwinnen. Dat is de boodschap van de genade van God. Vanuit die genade is er de verkondiging van de grote blijdschap. De grond van de waarachtige blijdschap is in Christus alleen.

 

U staat op een afstand? U durft niet dichterbij te komen? U zegt: Ach Heere, hoe moet het in mijn leven? Als u naar die herders kijkt… Ja, die herders… Als u maar als zo’n herder was… Wees dat maar. Meer is niet nodig.

 

De herders, ze vormden het uitschot van de maatschappij. Ze mochten geen getuige zijn voor de rechtbank en ze telden eigenlijk niet mee. Ziet u hoe de hemel juist bij hen komt? De heilige ironie naar Jeruzalem toe. Want van Jeruzalem zou je toch verwachten: híer zal de Messias komen? Nee, zegt God, dáár. Opdat niemand zal zeggen: Het is voor mij te groot of het is voor mij te hoog. Als u niet te hoogmoedig bent om met de herders op één lijn gesteld te worden, dan is er hoop. Zoals er ook hoop voor hén was.

 

Want het Kind is er. Jezus is er. Hij is gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren was (Luk.19:10). Hoort u het? Gekomen om te zoeken wat verlóren was. Is Hij zo bij u, is Hij zo bij jou als het ware onder handbereik?

 

Herders, grote blijdschap! Ook vandaag? Voor u? Voor jou? De voornaamste van de zondaren? Hoor het! Heden is Hij ú geboren: de Redder, de Zaligmaker, Jezus Christus, de Heere.

Amen.

 

Slotzang: Psalm 71 vers 14

Ik roem, o eeuwig Alvermogen,

‘k Roem Uw gerechtigheid,

Die zoveel glans verspreidt,

Zo heerlijk schittert uit den hoge.

O Heer’ der legerscharen,

Wie kan U evenaren?