Ds. C.G. Vreugdenhil - Efeze 2

Onderwerp

Efeze 2
20. Aan wie de eer toekomt, als we tot geloof en bekering komen (3 en 4,10)
Niet aan de mens
Wel aan de Heere
Het doel van die belijdenis
Deze prekenserie is eerder uitgegeven door de Gereformeerde Gemeente Rotterdam-Zuidwijk.
 

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 107: 1 en 11
Lezen : Efeze 2: 1 - 10
Zingen : Psalm 51: 7, 8 en 9
Zingen : Psalm 111: 1 en 2
Zingen : Psalm 52: 7

De Dordtse Leerregels, Hoofdstuk 3 en 4, par.10:

 

3/4-10 Maar dat anderen, door de bediening des Evangelies geroepen zijnde, komen en bekeerd worden, dat moet men den mens niet toeschrijven, alsof hij zichzelven door zijn vrijen wil zou onderscheiden van anderen, die met even grote of genoegzame genade tot het geloof en de bekering voorzien zijn (hetwelk de hovaardige ketterij van Pelagius stelt); maar men moet het Gode toeschrijven, Die, gelijk Hij de Zijnen van eeuwigheid uitverkoren heeft in Christus, alzo ook diezelfden in den tijd krachtiglijk roept, met het geloof en de bekering begiftigt, en uit de macht der duisternis verlost zijnde, tot het Rijks Zijns Zoons overbrengt, opdat zij zouden verkondigen de deugden Desgenen, Die hen uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht, en opdat zij niet in zichzelf, maar in den Heere zouden roemen, gelijk de apostolische schriften telkens getuigen.

 

Aan wie de eer toekomt, als we tot geloof en bekering komen

 

We letten op drie gedachten:

     1. Niet aan de mens

     2. Wel aan de Heere

     3. Het doel van die belijdenis

 

1.  Niet aan de mens

 

Gemeente, tot u allemaal komt de ernstige en welmenende roepstem van het Evangelie. Allen tot wie het Evangelie komt, worden waarachtig en welmenend geroepen tot de zaligheid. Van God klinkt het ernstige bevel en de waarachtige nodiging: Wendt u naar Mij

wordt behouden (Jes. 45: 22).

Toch laat de Schrift en ook de werkelijkheid zien, dat niet allen die het Evangelie horen ook werkelijk komen. Integendeel, bij velen blijft het Woord toch buiten het hart. Hoe komt dat? Wel, dat hebben wij de vorige maal gezien bij de behandeling van par.9, dat zo begint: Dat er velen, door de bediening van het Evangelie geroepen zijnde, niet komen en niet bekeerd worden, daarvan is de schuld niet in het Evangelie, noch in Christus … maar in degenen, die geroepen worden.

Als dus de mensen, die geroepen worden, niet komen is dat hun eigen schuld. Logischerwijze zou dit betekenen, dat anderen, die geroepen worden en wel komen, dat aan zichzelf te danken zouden hebben, althans, tot op zekere hoogte. Die logische benadering wil par.10 radicaal van de hand wijzen. In par.10 komt aan de orde wat het geheim is wanneer wij wel hebben mogen komen op de roeping van het Evangelie.

Als het ‘niet komen’ eigen schuld is, is dan omgekeerd het ‘wel komen’ eigen verdienste? Zijn het bijzondere mensen die komen? Hebben die wat anderen niet hebben? Nee … lees maar mee in par.10:

Maar dat anderen, door de bediening des Evangelies geroepen zijnde, komen en bekeerd worden ...

 

Ja, Goddank, het gebeurt dat mensen, door de bediening van het Evangelie geroepen zijnde, komen en bekeerd worden. Dat gebeurt met jongeren en ouderen. Dat is de belofte van de Heere, namelijk: Alzo zal Mijn woord, dat uit Mijn mond uitgaat, ook zijn, het zal niet ledig tot Mij wederkeren; maar het zal doen, hetgeen Mij behaagt, en het zal voorspoedig zijn in hetgeen, waartoe Ik het zende (Jes. 55: 11). Het gebeurt dat een vrouw in de kracht van haar leven geroepen wordt, dat ze komt en bekeerd wordt. Het gebeurt met een jong meisje. Het gebeurt met een jongeman van vijfentwintig. Waarom? Zijn die dan te prijzen? Zijn die dan zo goed geweest om te luisteren en voor Jezus te kiezen.

Nee ... lees par.10 maar:

dat moet men den mens niet toeschrijven, alsof hij zichzelven door zijn vrijen wil zou onderscheiden van anderen, die met even grote of genoegzame genade tot het geloof en de bekering voorzien zijn (hetwelk de hovaardige ketterij van Pelagius stelt).

Pelagius leerde dat God door het Evangelie van Christus te laten horen alles gaf wat nodig was. God zorgt op deze wijze voor het ‘kunnen geloven’. Van de mens hangt af het ‘willen geloven’. Maar wat is de consequentie? Dat Gods genade alleen betekent dat allen die het Evangelie horen door God op hetzelfde niveau geplaatst worden en dat vervolgens degenen die gaan geloven dat aan hun eigen wil te danken hebben. Dat het kan is genade, maar dat je het wilt is je verdienste. Het ligt dus aan je eigen vrije wil.

 

In navolging van Pelagius noemden de remonstranten de prediking van het Evangelie een ‘eerste genade'. Als je daarvan maar een goed gebruik maakte en je uiterste best deed, met alles wat in je vermogen ligt, dan ontving je de genade van het geloof. Zo kun je eigenlijk het geloof en de vergeving van zonden verdienen. Zo zou de onwedergeboren mens het vermogen bezitten om die 'eerste genade' goed of verkeerd te gebruiken.

 

In de Bijbel staat de bekering tot God en het geloof in de Heere Jezus helemaal op Gods naam. Denk maar aan Lydia. Haar hart werd door de Heere geopend zodat zij acht nam op hetgeen door Paulus gesproken was. Er is een wonderlijk en diep werk van de Heilige Geest nodig in ons hart, waardoor we van dood levend worden. Dat is een innerlijke omzetting waardoor we voor de majesteit van God gaan vallen en ons aan Hem uitleveren. Dan gaat het erop of eronder. Dan is het omkomen of behouden worden. Niet morgen, maar vandaag.

Morgen kan het al eeuwigheid voor u zijn. Grijpt u dat niet aan? Wat een zegen dat de Heere gewillig is en dat het voor honderd procent genade is. Als wijzelf het geloof zouden moeten doen ontstaan, zou dat gelijk staan met de opdracht om jezelf aan je eigen haren op te trekken uit het moeras. Dat is echt onmogelijk. Zie je dat voor je, jongens en meisjes? Iemand zakt weg in de modder en er staat iemand aan de kant, die zegt: ‘Pak jezelf maar beet bij je haar en trek jezelf maar uit de modder.’ Iedereen begrijpt dat dit niet gaat. Zo is zelfverlossing totaal onmogelijk. Daarom hebben we Christus nodig om ons op te trekken uit onze verlorenheid, waarin we allen van nature zijn weggezonken.

 

Deze gedachte dat je het zelf moet doen in samenwerking met God is heel herkenbaar. Zo wordt het ook in onze tijd nog gedacht en gezegd: ‘Als je wilt, dan kun je nu gaan geloven.’ Je moet nu je hart openzetten voor Jezus, anders kan Hij niet binnenkomen. Je moet Jezus toelaten in je leven. Het ligt voor het grijpen, maar je moet wel willen. Nee, de remonstranten vormen geen uitgestorven ras en Pelagius is niet slechts een man uit het kerkhistorisch museum. Integendeel, dit denken vind je in vele kerken en groepen.

Het lijkt me ook eerlijk om dat concreet aan te wijzen, anders houden we een spiegelgevecht. De gedachtegang, die ik zojuist noemde vinden we volop aanwezig bij een groot deel van de evangelische beweging: Youth for Christ, Flevo-festival, Pinkster-conferentie in Vierhouten en de EO-jongerendag.

Ik wil in alle eerlijkheid onze jongelui en ouderen waarschuwen voor deze dwaling. U weet dat daar mensen worden uitgenodigd om naar voren te komen en op dat moment Jezus aan te nemen. Ik vind dat rieken naar een soort methodisme en evangelische oppervlakkigheid. Kom maar en neem de Heere Jezus aan.

Alsof er in ieders hart altijd plaats is voor het borgwerk van Christus. Alsof je niet vanuit de schuld van je verzondigde leven een Zaligmaker nodig krijgt.

U weet toch het verschil, gemeente, we kiezen niet voor Jezus, zoals voor een idool, maar we vluchten tot Hem, vanuit de nood van ons leven.

Ik zeg niet dat de heerlijkheid van Christus je niet overweldigen kan en dat je daarna je zonden leert kennen, maar het aannemen van Christus door het geloof heeft pas zin als je weet waarvoor je Hem aanneemt, namelijk om met God verzoend te zijn en vergeving van zonden te hebben in Zijn Naam.

Misschien staan uw haren nu overeind en wilt u hiertegen inbrengen dat de Bijbel in Johannes 1:12 toch zegt: Zovelen Hem aangenomen hebben, heeft Hij macht gegeven, kinderen Gods te worden, namelijk, die in Zijn Naam geloven. Dus Johannes was zeker ook een Arminiaan.

Ik heb daar twee antwoorden op.

U moet van vers 12 doorlezen in vers 13 en daar staat: Welke niet uit den bloede, noch uit de wil des vleses, noch uit de wil des mans, maar uit God geboren zijn. Hier blijkt dat aannemen niets te maken te hebben met de vrije wil van de mens of een samenwerkingsverband met God, maar met de wedergeboorte.

Verder, het woordje 'aannemen' in het Grieks wordt hier gebruikt in de zin van ‘ontvangen’. Je houdt je hand op en je ontvangt wat daarin gelegd wordt.

 

Erasmus ging ervan uit dat als God iets beveelt, de mens dan ook moet kunnen doen wat God beveelt, want anders zou dit bevel zinloos zijn. Luther was het daar niet mee eens. Volgens hem werd zo de Heere Jezus en de Heilige Geest en God de Vader buiten spel gezet. Dan zou de mens het heil in eigen hand hebben. Dan is het Evangelie geen Evangelie meer. Augustinus zei: God geeft, wat Hij beveelt.

Zo worden wij op onze plaats gezet als verloren zondaars en zo ontvangt God alleen de eer: Soli Deo Gloria! De Bijbel leert het ons en de gelovigen belijden het: Geloof en bekering ‘schrijven wij Gode toe.’

Ere wie ere toekomt.

 

Vraag het aan degenen die waarachtig de verschijning van Christus hebben lief gekregen: Hoe is dat in uw leven gegaan? Nam u een besluit? Ging het allemaal van u uit? Besloot u het op een dag te gaan geloven? Als het zo was gegaan, dan zou Paulus eeuwig buiten de genade gebleven zijn. Maar dat geldt niet alleen van Paulus, het geldt van allen. Bij de één ligt dat qua omstandigheden duidelijker dan bij de ander, maar voor allen is het inhoudelijk even duidelijk. Het is niet alleen bij die jonge man die eerst op het Evangelie spuugde en na een ernstig auto-ongeluk door God met zichzelf geconfronteerd werd en God ging zoeken. Maar ook bij die vrouw die van kindsbeen af erbij betrokken was.

 

Het is duidelijk dat het komen tot Christus en de bekering tot God, niet aan onszelf kan worden toegeschreven, maar... die eer komt wel toe aan de Heere.

We letten daarop in ons tweede aandachtspunt.

 

2. Wel aan de Heere

 

Als het woord ons geraakt heeft, waar hebben wij dat aan te danken? Wel, met het oog daarop hebben we gelezen in de brief aan de gemeente van Efeze. Als Paulus die gemeente een brief schrijft, dan looft hij de Heere Die hen van voor de grondlegging van de wereld verkoren heeft in Jezus Christus. In die brief begint Paulus met de uitverkiezing. Waarom? Omdat die mensen al tot het geloof gekomen zijn. Toen Paulus in Efeze kwam heeft hij de uitverkiezing niet gepreekt, maar het Evangelie. Toen heeft hij verkondigd dat Jezus in de wereld gekomen is om zondaren zalig te maken. U kunt dat lezen in Hand. 19.

Maar nu die mensen tot geloof gekomen zijn, gaat hij hen het geheim verklaren, dat de prediking in hun leven wel een verrassende wending gebracht heeft, maar dat hun bekering God niet voor een verrassing gesteld heeft. Integendeel, God had hen al eeuwig op het oog. Het feit dat zij tot geloof mochten komen, dat de roeping in hun hart binnendrong mag voor hen een teken zijn van Gods eeuwige liefde voor hen.

 

Nee, Paulus gaat hen niet vragen of zij weten of zij uitverkoren zijn, om hen dan te zeggen dat zij de beloften geloven mogen. Nee, hij begint bij hun geloof in Christus. Want hoe spreekt hij hen aan?

De heiligen, die te Efeze zijn, en gelovigen in Christus Jezus.

Dan schrijft hij in Efeze 1 de verzen 3-5:

Gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus. Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde; Die ons tevoren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in Zichzelven, naar het welbehagen van Zijn wil.

Vervolgens gaat Paulus vertellen wat zij in Christus ontvangen hebben tot roem van Gods genade.

Hij schrijft in vers.7:

In Welken wij hebben de verlossing door Zijn bloed, [namelijk] de vergeving der misdaden, naar den rijkdom Zijner genade.

Hoe dat gegaan is?

Hij schrijft in vers 13:

Welken ook gij [zijt], nadat gij het woord der waarheid, [namelijk] het Evangelie uwer zaligheid gehoord hebt; in Welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte.

 

Gehoord - geloofd - verzegeld. Daar hebben wij de volgorde. Het punt waar Paulus bij aansluit is het horen van het Evangelie en daar direct mee verbonden het geloven van het Evangelie. Maar nu dat gebeurd is neemt Paulus hen mee terug naar de eeuwigheid die achter hen ligt. God had hen al eeuwig op het oog. God heeft Zijn dienaren gezonden. God heeft hen het Evangelie doen horen. Wat heeft God gedaan toen zij het Evangelie hoorden?

Hij heeft hen,

zoals Paulus in hoofdstuk 2 vers 1 schrijft:

mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden.

Toen het Evangelie bij hen kwam waren zij dood, zat er geen druppel genadeleven in hen. Wat wel leefde was de ontbindende werking van de dood, van de misdaden en van de zonden. Aan die dood heeft God hen door het Evangelie ontrukt. Hoe ging dat?

Maar God, Die rijk is in barmhartigheid door Zijn grote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft, ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft [ons] levend gemaakt met Christus; (uit genade zijt gij zalig geworden) (Ef. 2: 4).

 

Paulus schrijft dus niet dat die Efeziërs iets gedaan hebben. Hij schrijft niet: En toen ik bij jullie kwam en jullie mijn boodschap hoorden, waren jullie gelukkig zo goed om te beslissen dat aan te nemen. Nee, onder de prediking heeft God jullie ook levend gemaakt met Christus, zoals Hij ook eens met mij deed. God deed wat onder en met de prediking.

Zijn Naam, Zijn liefde, Zijn rijk-zijn in barmhartigheid moet geprezen worden.

Dat vat Paulus in de verzen 8 en 9 nog eens heel nadrukkelijk samen:

Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; Niet uit de werken, opdat niemand roeme (Ef. 2: 8 en 9).

 

Dat is exact de Bijbelse taal van par.10. Lees nog maar eens mee:

maar men moet het Gode toeschrijven, Die, gelijk Hij de Zijnen van eeuwigheid uitverkoren heeft in Christus, alzo ook dezelfden in den tijd krachtiglijk roept, met het geloof en de bekering begiftigt, en uit de macht der duisternis verlost zijnde, tot het Rijks Zijns Zoons overbrengt, opdat zij zouden verkondigen de deugden Desgenen, Die hen uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht, en opdat zij niet in zichzelven, maar in den Heere zouden roemen, gelijk de apostolische schriften telkens getuigen.

Dat is het geheim. God roept krachtig onder de prediking. Hoe krachtig? Met dezelfde kracht als waarmee Hij Christus heeft opgewekt, dat is een kracht! Dat is een kracht die op aarde niet voorhanden is, want wij zijn niet in staat om een dode levend te maken. Wat doet de Heere tegelijkertijd? Hij begiftigt met het geloof en de bekering. God doet geloven. God brengt tot bekering. Dat geheim moeten wij leren verstaan.

 

Als wij niet geloven, als wij het Woord niet tot ons binnenste laten doordringen dan is het onze eigen schuld zoals wij dat de vorige keer gezien hebben. Maar als het Woord wel doordringt in ons hart dan is dat genade alleen. Kijk, en dat geheim legt Paulus de gelovigen te Efeze uit. Als dat gebeurt, zijn wij ons die dingen niet dogmatisch bewust. Daarom moet de prediking ook niet starten bij en vragen naar de ervaring met de verkiezing. Nee, ik moet u vragen of u levend gemaakt bent met Christus, of u Christus hebt leren kennen. Want die levendmaking uit zich in geloof en bekering.

Zegt u daar van harte amen op?

 

Zeggen wij amen als dat Woord ons veroordeelt en aanzegt dat wij dood waren door de misdaden? Maar mag u tegelijk de kern van de Evangelieboodschap omhelzen namelijk dat God rijk is in barmhartigheid en dat Zijn beloften waar zijn? Hebben wij gezien dat Christus genade kan geven en wil geven? Heeft dat Woord bij ons bekering teweeggebracht? Hebben wij geen vermaak meer in de zonde en verlangen wij naar een heilig leven?

Wel, vanuit dat gegeven mag de Efeziërs het geheim bewust gemaakt worden, dat het Gods levendmakende en onwederstandelijke werk was. Als dat uitgelegd wordt, dan zeggen wij amen. Zo is het gegaan.

 

U hoorde misschien wel duizenden preken. U vond ze actueel of ouderwets, kort of lang, mooi of niet mooi, maar zij veranderden u niet. U was misschien wel eens angstig dat u zo niet kon sterven, maar daar bleef het bij. U miste God niet en u dorstte niet naar God. Maar dat werd anders. U ging ervaren onbekeerd te zijn en geen deel aan Christus te hebben. Het kwam op u af dat al uw godsdienst aan de buitenkant zat en dat hoeren en tollenaren u zouden voorgaan en dat dat nog rechtvaardig was ook. Het begon in uw hart te leven: Ik zal opstaan en tot de vader gaan (Luk. 15: 8). Hoe kwam dat? U had het misschien niet door, maar dat was de levendmakende daad uit de hemel. God opende uw hart. God drong met Zijn Geest binnen en deed u het Woord horen met hart en ziel. Zo zegt de vader in de gelijkenis: Deze mijn zoon was dood en is weer levend geworden (Luk. 15: 24).

 

De kleinste in de genade wijst met verwondering met de vinger van zich af. Heere, dat ik niet afgedwaald en weggedwaald ben, dat is alleen door U. Waarom hebt U mij vastgehouden? Waarom bent U mij te sterk geworden? We vechten het niet aan, maar wij beamen de woorden van par.10: Maar men moet het Gode toeschrijven.

Soli Deo Gloria! Ere wie ere toekomt.

 

Dan gaat het Woord ons vertellen dat dat werk van God de uitwerking is van Zijn eeuwige verkiezende liefde. Dat kun je dan niet begrijpen en niet geloven, maar dat wordt verkondigd, dat wordt aangezegd. Die krachtige roeping is het eerste teken van Gods genadige verkiezing. Als u zegt: O, ik wilde dat ik mocht voelen dat ik uitverkoren ben. Ik verlang er zo naar dat God mij dat openbaart, dan komt u in de knel. Er is geen openbaring van verkiezing los van iets anders, los van de verkondiging, los van de kennis van Christus. Heeft het Woord Gods u getroffen, zodat u niet meer verder kon? Heeft het Woord de uitwerking gekregen dat u ‘op moest staan en tot de vader gaan’? Hebt u Christus leren kennen als de algenoegzame Zaligmaker? Dan is die roeping een onbedrieglijke uitwerking van Gods eeuwige verkiezing.

 

Gods levendmakende genade openbaart zich hierin, zoals par.10 met Efeze 2 zegt: Dat Hij met het geloof en de bekering begiftigt. Dat zijn de vaste, de controleerbare punten. Als wij het ware geloof niet hebben, als wij niet zulk een geloof hebben dat ons bekeert, dan is er geen vrucht van verkiezing. Wat heel concreet is, dat is de vraag: Bent u in het geloof? Dan wel zulk een geloof dat verenigt met Christus en verbonden is met de bekering? Dat is de uitwerking van Gods spreken in ons hart en leven. De uitwerking in de levende droefheid naar God, in het berouw over de zonde, in het haten van de zonde, in het laten van de zonde en het vluchten tot Jezus op allerlei manieren. De jongen die zo aan het voetballen vastzat en iedere wedstrijd persé moest kijken, ziet dan wat belangrijker is dan dat. Dat meisje dat zo met haar uiterlijk bezig was en steeds, tot in de ramen toe keek, of zij er wel goed uitzag, is nu betrokken op haar innerlijk en op God.

 

Als dat gebeurt, hoe komt dat? Die moeder heeft misschien wel duizend keer haar zoon, haar dochter gewezen op het ijdele en vergankelijke van het uiterlijk, maar ze dachten: Mens, zeur toch niet zo. Toen werd het anders. God liet het niet meer aan je eigen, verdorven wil over, maar greep in. Dat is het geheim: geroepen en gegrepen door het Woord, door het Evangelie. Dat wonder legt Paulus uit aan de Efeziërs: Jullie waren dood door de zonden en de misdaden, gelijk ook de anderen. Maar God! O, die twee woorden. Maar God! God greep in. God greep voor eeuwig in. God zag in genade neer. God deed niet naar dat wij verdiend hebben, maar zag ons aan in Christus en verenigde met Christus en maakte levend met Christus.

 

Van hieruit gaat Paulus terug naar de diepste oorzaak en verkondigt de Efeziërs die door het Woord gegrepen zijn: God had u al eeuwig uitverkoren in Christus. God had het al eeuwig besloten om u te redden en u het geloof en de bekering te schenken.

 

Is dat niet rijk? Ik mag u dat Evangelie verkondigen. Ik mag prediken dat Christus zondaren wil zaligen. Tegen degenen die tot dat geloof gekomen zijn, mag ik zeggen: niet uit u, niet uit de werken opdat niemand roeme, maar door Gods genade bent u gered.

 

U, die geroepen bent uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht, verkondig ik, dat God dat door Zijn Woord gedaan heeft omdat Hij u had uitverkoren in Christus. Uw geloof en uw bekering zijn de vrucht van Gods eeuwige verkiezende liefde. Dat het Woord u levend maakte, is het bewijs van uw verkiezing. Die verkiezing die u misschien vroeger vanwege een verkeerd verstaan, benauwde, is uw eeuwige redding.

 

Waarom heeft God dat gedaan? Vanwege Zijn onbegrijpelijke en onmetelijke barmhartigheid. God nam de redenen uit Zichzelf. God deed het om Zijn Naam. Maar waartoe? Dat zien we in onze derde gedachte.

 

We zingen eerst Ps. 111:1,2

 

Looft, Hallelujah, looft den HEER’!

Mijn ganse hart verheft Zijn eer;

Ik zal Zijn Naam en grootheid prijzen;

’k Zal, met d’ oprechten onderling

Vereend, in hun vergadering

En raad, Hem plechtig eer bewijzen.

 

Des HEEREN werken zijn zeer groot;

Wie ooit daarin zijn lust genoot,

Doorzoekt die ijv’rig en bestendig;

Zijn doen is enkel majesteit,

Aanbiddelijke heerlijkheid,

En Zijn gerechtigheid onendig.

 

3. Het doel van die belijdenis

 

Lees het slot van par.10 maar:

en, uit de macht der duisternis verlost zijnde

Hier zitten nog twee dingen in. In de eerste plaats wat God deed en ook waartoe God het deed. Weet u wat God met u gedaan heeft? Het gaat hier over de gelovigen:

En, uit de macht der duisternis verlost zijnde, tot het rijk zijns Zoons overbrengt.

U bent verlost en dat heeft twee kanten. Je bent verlost van en je bent verlost tot. Gemeente, als God zo roept met Zijn Woord, zoals Christus Lazarus riep uit het graf, dan ben je verlost uit de macht der duisternis. Je bent dan voor eeuwig gerukt uit de macht van de duivel en van de eeuwige dood. Daar was God zelf voor nodig. Het is dezelfde kracht als die werkte toen Christus uit de dood opstond. Dat is hetgeen wat God deed.

Maar waartoe deed Hij dat? Nu het slot:

Opdat zij zouden verkondigen de deug¬den Desgenen, die hen uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht.

Juist omdat God het gedaan heeft, kan en moet God alleen geprezen worden. Dat leeft dan diep in je hart: Mijn God, U zal ik eeuwig loven, omdat Gij het hebt gedaan. Dan volgt er als vanzelf een verkondigen van Gods deugden, van Zijn barmhartigheid, van Zijn gerechtigheid, van Zijn heiligheid, van Zijn waarheid, van Zijn genade.

Door al Uw deugden aangespoord, hebt Gij Uw Woord en trouw verheven.

 

Het is de dure roeping van alle gelovigen om God, hun Zaligmaker, met hart en mond te roemen en te prijzen. Verkondig de deugden van de Heere. De deugd van Zijn vrijmacht, Zijn almacht, Zijn liefde, Zijn wijsheid, Zijn goedertierenheid, Zijn genade en Zijn barmhartigheid. Maar dan moet u geen vergissing maken. De apostel bedoelt dat hier niet in algemene zin, maar hij bedoelt dat u moet zeggen, wat u erin gezien hebt. Dat God heilig en rechtvaardig is, kunt u zo wel zeggen, maar wij kunnen daar pas in roemen als we die deugden kennen. Dus niet in het algemeen, maar in het bijzonder, proefondervindelijk moet u ervaren hebben, dat het waar is. Door de Heilige Geest in uw hart. Dat God almachtig is. Dat u anders nooit uit uw doodstaat verlost had kunnen worden. Als u dat ervaren mag, dat God die kooi van de geestelijke dood geopend heeft, kan het niet anders of je gaat spreken over die machtige God, Die je verlost heeft van het verderf. Dat bedoelt de apostel.

 

Dan plaats je jezelf niet in het middelpunt. Het gaat erom dat we de deugden van Hem roemen. Dat zijn deugden, karaktertrekken van God, die Hij verheerlijkt in een mens. Dan spreek je niet als een blinde over kleuren, maar dan weet je waar je het over hebt. Dan spreek je over Hem in je gezin. Of een jongere spreekt over Hem met zijn ouders of vertelt er iets van op huisbezoek.

 

Dan zeg je:

Zal ik eens vertellen, hoe barmhartig God is? De barmhartige God heeft me stilgezet. Weet je wat ik toen geleerd heb? Dat ik niet voor God kon bestaan en dat ik een grote zondaar was. Weet je, wat ik toen gebeden heb? Toen heb ik gesmeekt: ‘O God, verlos mij toch, help toch. God is rechtvaardig. Dat heb ik gevoeld. Die toorn van God in mijn leven, dat ik voor Hem niet kon bestaan. Dat Hij die rechtvaardige God is, maar diezelfde God is zo barmhartig, dat Hij uit eeuwige zondaarsliefde Zijn eniggeboren Zoon niet heeft gespaard, maar Hem heeft overgegeven ook voor mij.’

 

Als je daar dan zelf bij ingesloten mag zijn en je mag iets kennen van de deugden van God, dan spreek je daar heel anders over. Dan spreek je daaruit. Wie er ook op je weg komt, je wil Gods deugden verkondigen. Waar u ook komt, midden in de week, op zondag, op uw werk, in de kerk, in de lofprijzingen, in de diensten; je wil Gods deugden verkondigen. Dan is het werkelijkheid: Laat 's Heeren lof ten hem rijzen, hoe goed is het onze God te prijzen. Zou u in die deugden van God niet roemen? Dat God toch zo'n slaaf van de zonde heeft willen bevrijden en willen aannemen tot Zijn kind en willen aannemen in Zijn dienst om Zijn lof te vertellen.

 

Zo is het onze opdracht, gemeente … om Zijn deugden te verkondigen. Doe het getrouw. Dat is tot eer van de Koning. Niet alleen met woorden, maar ook met daden. De mensen letten op ons en ‘onze woorden alleen’ is goedkoop. De praktijk van de godzaligheid moet te zien zijn in ons leven. Ontvangt God de eer van de genade, die Hij schonk? Komt het stuk der dankbaarheid echt uit de verf in ons leven? Dat is de Heere toch waard. Wat had Hij voor onze verlossing over? Zijn Zoon, Zijn Christus. Wat had die goede Herder ervoor over? Zijn leven stelde Hij voor Zijn schapen. Verheerlijkt dan God in uw leven. Gij die eertijds geen volk waart, maar nu Gods volk zijt (1 Petr. 2: 10). Verkondigt de deugden van de Heere.

 

Ook de deugd van Gods wijsheid.

Dat Hij voor mij een weg heeft uitgedacht om weer met Hem verzoend te worden. In zo'n weg, dat al Zijn deugden verheerlijkt zijn en Zijn recht niet gekrenkt is in het geven en overgeven van Zijn lieve Zoon. Maar ook dat God mijn leven leidt en juist in wegen van beproeving mijn geloof sterkt en loutert. Dat alle dingen moeten medewerken ten goede voor degenen, die God liefhebben (Rom. 8: 28).

 

Wie zou niet verkondigen de deugd van Gods rechtvaardigheid?

Eer Hij de zonde ongestraft liet blijven, heeft Hij ze gestraft aan Zijn dierbare Zoon (Form. H.A).

En de deugd van Zijn almacht

die blijkt daar waar Hij mij heeft willen ophalen uit mijn doodstaat. Zijn almacht blijkt hierin, dat God sterker is dan mijn onmacht. Hij is gekomen om mij daaruit op te halen. Wie daaruit opgehaald wordt, wie uit die duisternis geroepen is, die zal toch roemen in Gods trouw. Al de afgedwaalde schapen zullen, als de Herder ze vindt, roemen in Zijn gunst en in Zijn genade.

Vooral in Zijn oneindige trouw.

Want als we zien wat wij ons hebben waardig gemaakt, dan zou de Heere moeten zeggen: Nu is het genoeg. Nu ben je zo vaak afgedwaald, nu ben je zo vaak in die zonde gevallen. Ik heb je altijd weer opgezocht, maar nu ben Ik het zat en moet je zelf maar zien, dat je weer bij Mij komt. Nee, Hij is de Getrouwe, die het werk van Zijn handen niet laat varen en de afgedwaalde schapen opzoekt.

 

Gemeente, verkondig Zijn deugden. In woorden en met daden, in uw belijdenis en met uw levenswandel. Jullie ook, jongens en meisjes. Kunnen jullie niet vertellen hoe trouw God is? Heeft de Heere dan niet trouw voor je gezorgd? Krijg je geen gezondheid? Mag je studeren of heb je een baan gekregen? Is er dan werkelijk geen reden om de deugden te verkondigen van Hem, Die zo goed voor je is? Brengt het je niet op de knieën en dat je zegt: ‘Heere, als U zo goed voor me bent, wie ben ik dan eigenlijk voor U. O God, ik wil U dienen en liefhebben.’

 

Weet u waar dat verkondigen van Zijn deugden op uitloopt? Dat loopt uit op de eeuwigdurende lofverheffing van het Lam Gods. Dat loopt uit op de eeuwige zaligheid. Dan mogen we voor eeuwig Zijn deugden naar hartenlust verkondigen. Dan zal er nooit meer de disharmonie van de zonde tussen komen. Dan zal er nooit meer eigen eer of eigen vlees, of wat dan ook, tussen komen. Dan zal het eeuwig zijn: jezelf totaal verliezen in de aanbidding van de drie-enige God, om de deugden te verkondigen van Hem, Die ons geroepen heeft uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht.

 

Kijk, en daarom konden de Dordtse vaderen het niet hebben dat de remonstranten de bekering gingen toeschrijven aan de kiezende mens. Het belangrijkste haal je dan bij God weg om het op de mens z’n rekening te schrijven. Gaat het dan niet om een keus? Zeker wel, de onberouwelijke keus moet vallen en met Elia roepen wij ertoe op: Kiest u heden! Die eis klinkt. Maar tegelijk mag ik u verkondigen dat God alles wil doen. Hij wil ook het hart vernieuwen. Hij wil die keus net als bij Ruth in het hart leggen. Zo prijzen wij de Heere voor Zijn genade aan ons bewezen. Och Heere, het is door U, door U alleen om het eeuwig welbehagen.

 

Daarom prediken wij met vrijmoedigheid het Evangelie. Juist omdat de Heere geen voorwaarden stelt in de mens, juist omdat de Heere wil beginnen waar begonnen moet worden, namelijk bij een geestelijk dode mens.

O, wendt u tot Hem. Schep moed uit het behoud van anderen en smeek de Heere, wijzend op uw voorhoofd, op Zijn verbond: Heere, maak mij levend naar Uw Woord. Heere bekeer ons, want Gij zijt de Heere onze God.

 

Ere wie ere toekomt.

Amen.

 

Slotzang: Psalm 52:7

 

Mijn God, U zal ik eeuwig loven,

Omdat Gij ’t hebt gedaan;

’k Verwacht Uw trouwe hulp van boven,

Uw waarheid zal bestaan;

Uw Naam is voor ’t oprecht gemoed

Van al Uw gunstvolk goed.