Ds. C.G. Vreugdenhil - Lukas 22

Onderwerp

Lukas 22
18. God roept gevallen mensen tot de zaligheid (3 en 4, 7- 8)
Die roeping is al verkiezing
Die roeping is ernstig en welmenend
Deze prekenserie is eerder uitgegeven door de Gereformeerde Gemeente Rotterdam-Zuidwijk.
 

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 48: 4 en 6
Lezen : Lukas 22: 1 - 14
Zingen : Psalm 81: 1, 4, 7 en 12
Zingen : Psalm 108: 2 en 3
Zingen : Pslam 105: 5

De Dordtse Leerregels, Hoofdstuk 3 en 4, par.7-8:

 

3/4-7 Deze verborgenheid van Zijn wil heeft God in het Oude Testament aan weinigen ontdekt, doch in het Nieuwe Testament (het onderscheid der volken nu weggenomen zijnde) heeft Hij haar aan meer mensen geopenbaard. Van welke onderscheiden uitdeling de oorzaak niet moet gesteld worden in de waardigheid van het ene volk boven het andere, of in het beter gebruik van het licht der natuur, maar in het gans vrije welbehagen en de onverdiende liefde Gods; waarom ook diegenen, wien buiten, ja tegen alle verdiensten zo groot een genade geschiedt, haar met een nederig en dankbaar hart moeten erkennen, maar in de anderen, wien deze genade niet geschiedt, moeten zij met den apostel de gestrengheid en rechtvaardigheid van Gods oordelen aanbidden en die geenszins curieuslijk onderzoeken.

3/4-8. Doch zovelen als er door het Evangelie geroepen worden, die worden ernstiglijk geroepen. Want God betoont ernstiglijk en waarachtiglijk in Zijn Woord wat Hem aangenaam is, namelijk dat de geroepenen tot Hem komen. Hij belooft ook met ernst allen, die tot Hem komen, en geloven, de rust der zielen en het eeuwige leven.

 

God roept gevallen mensen tot de zaligheid

 

We letten op twee gedachten:

     1. Die roeping is al verkiezing

     2. Die roeping is ernstig en welmenend

 

1. Die roeping is al verkiezing

 

Jongens en meisjes, wat zouden jullie raar opkijken als er volgende week zondag een slot op de kerkdeur zou zitten en er niet één plaats meer zou zijn waar het Evangelie verkondigd werd. Toch weten we dat er heel veel landen in de wereld zijn, waar slechts in heel weinig steden en dorpen een kerk is. Er zijn zelfs landen waar de kerk nauwelijks getolereerd wordt, om maar te zwijgen van die landen waar de kerk helemaal verboden is en christenen gemarteld worden en in gevangenissen zitten. Dat er in ons land een christelijke kerk is ontstaan, is ook niet te danken aan de gretigheid waarmee onze voorouders, de Batavieren, het Evangelie ontvingen.

Ook in ons land zijn martelaren geweest onder zendelingen, denk maar aan Bonifatius. Wij vinden het best vanzelfsprekend, dat wij het Woord van God mogen hebben, maar dat is het allerminst. Daar mogen we wel verwonderd over zijn. Wat een voorrechten: een christelijke gemeente, gedoopt, een christelijk gezin, een christelijke school. Dat jij het Woord van God mag hebben en horen, terwijl er zovelen zijn, die dat niet horen, dat is alleen te danken aan de verkiezende liefde van God. Wees er dankbaar voor en luister altijd goed, want zo wil de Heere je zalig maken.

 

In de hoofdstukken 3 en 4 tekenen de Dordtse Leerregels ons de weg van de bekering; de wedergeboorte. Ze zijn begonnen bij de goede schepping, ze hebben onze diepe en totale val in Adam getekend. Ze hebben laten zien dat de heidenen niet tot de zaligheid kunnen komen langs de weg van het natuurlijke licht en de godsdienstige mens niet langs de weg van de wet.

Maar hoe dan wel? Kort en krachtig hebben de vaderen in par.6 beleden: Hetgeen dan noch het licht der natuur noch de wet doen kan, dat doet God door de kracht des Heiligen Geestes, en door het woord of de bediening der verzoening.

 

Zover waren wij gekomen. God doet het Zelf. God doet dat door de kracht van Zijn Geest en door de verkondiging van Zijn Woord. Hij bezaait de akker van het mensenhart met het goede zaad van het Evangelie. Zo trekt Hij mensen, die totaal van Hem vervreemd zijn tot Zich, door middel van de prediking. Petrus zegt: Gij die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk, uit onvergankelijk zaad (1 Petr. 1: 23).  Dat het zaad van het Woord gestrooid wordt is op zichzelf al verkiezende genade van God. Daarom is het al een ongelofelijk wonder als wij onder de bediening van de verzoening mogen verkeren. Als die er niet is, dan is het immers onmogelijk om zalig te worden. Dat die bediening er is, is geen logische zaak, maar een groot wonder. Dat hebben wij te danken aan de gang van Gods verkiezing door de geschiedenis van de volkeren heen.

Alleen genade!

 

In ons, of in welk volk dan ook, ligt niet de oorzaak van het feit dat daar langer of korter het licht van het Evangelie heeft geschenen. De remonstranten dachten juist wel zo. Ze dachten dat het ene volk beter had opgepast dan het andere door 'het licht van de natuur' beter te gebruiken. De komst van de Evangelieprediking zou dan eigenlijk een soort beloning zijn voor goed gedrag. Dan zou Nederland al zoveel eeuwenlang het Woord hebben en bijvoorbeeld de Papoea's op Irian Jaya niet omdat wij beter waren dan zij. Maar dat is niet waar. Het hangt alleen af van de onverdiende liefde van God. Lees maar in par.7a:

Van welke onderscheiden uitdeling de oorzaak niet moet gesteld worden in de waardigheid van het ene volk boven het andere, of in het beter gebruik van het licht der natuur, maar in het gans vrije welbehagen en de onverdiende liefde Gods;

Het Evangelie, de roeping tot het heil, wordt hier de verborgenheid van Gods wil genoemd. Wij noemen de Bijbel niet voor niets Gods bijzondere openbaring. Wie onzer had dat Evangelie zelf kunnen ontdekken? Wie onzer had geweten dat God in Christus ons genadig wil zijn, als God Zelf het niet geopenbaard had? Niemand. God moet Zijn wil onthullen, openbaren.

Deze verborgenheid van Zijn wil heeft God in het Oude Testament aan weinigen bekend gemaakt.

Aan Adam en Eva openbaarde God Zijn wil in de moederbelofte en daarmee aan het hele menselijke geslacht. Dat was een openbaring van Zijn wil, want Adam kende God niet meer. Eigen schuld! Moedwillig geluisterd naar de stem van de boze. Van God weggevlucht. Onboetvaardig. Hij was zo dwaas om te denken dat die vijgenbladeren hem voor God konden bedekken. Hij was zo vervreemd van de waarheid dat hij meende met een grote mond Gods claim te kunnen afwenden. ‘Die vrouw!’ Maar wat deed de Heere? Hij openbaarde niet Zijn toorn, maar Zijn genadige wil in de moederbelofte. Op dat dieptepunt in het leven van Adam en Eva kwam God met het Evangelie van Zijn Zoon. Eeuwige liefde! Dat Evangelie mochten Adam en Eva aan al hun kinderen en kleinkinderen doorgeven. God wil dat het nageslacht van Adam Hem zal kennen, ook na de zondeval. God zondert niemand uit.

 

Want wat gebeurde er? Kaïn ging weg van voor het aangezicht van God. Kaïn wendde zich af en zijn nageslacht zakte meer en meer weg, vervreemdde meer en meer van Gods geopenbaarde wil. Er kwam een generatie die er niets meer van wist. Daarvan was God de schuld niet, maar Kaïn. En toen? We kennen de geschiedenis van de zondvloed. Toen de eerste wereld na 2000 jaar was vastgelopen in zonde en geweld, bracht God het oordeel van de zondvloed over hen.

 

Met Noach en de zijnen maakte de Heere een nieuw begin. Hij mocht met zijn acht zielen de ark binnengaan. Zij allen mochten weten van Gods geopenbaarde wil. Maar de geschiedenis herhaalde zich. Opnieuw vervreemdde het menselijke geslacht van de openbaring van Gods wil. Ook de tweede mensheid liep vast in opstand tegen God, zoals die tot uitdrukking kwam in de torenbouw van Babel. Ook daarover kwam het oordeel van God. Ze werden verstrooid. In die verstrooiing ging ieder zijn eigen weg en diende zijn eigen god. Wat ons opvalt is, dat we God de schuld niet kunnen geven van het feit dat zo weinigen onder Oude Testament God hebben gekend.

 

De schuld ligt bij Adam en zijn nageslacht, Noach en zijn nageslacht. Zij hadden het aan hun kinderen moeten vertellen. Ieder moest het horen. God wilde die onkunde niet. Dat was een schuldige onkunde. Dat het er zo weinigen waren, was de schuld van de mens. Als onze kinderen de Bijbel niet goed kennen, geen zuiver beeld van God hebben en vervreemden van Zijn dienst, heeft dat alles te maken met onze opvoeding. Wij zijn hierin niet lijdelijk, maar voor honderd procent verantwoordelijk. Als u wil dat uw nageslacht ook zo in onwetendheid en duisternis ten onder gaat, moet u zwijgen over God. We leren ze van alles om door de tijd te komen, maar over het ‘enige Nodige’ zwijgen we.

Wat gebeurde er na Noach? God liet het menselijk geslacht niet totaal in de duisternis wegzakken ondanks dat het dat verdiend had. Hij openbaarde de verborgenheid van Zijn wil aan Abraham. Dat was het derde begin. God laat de mensheid niet los. Hij wil alle volkeren onder één Hoofd samenbrengen namelijk Jezus Christus. Als middel tot dat doel kiest Hij nu voor de vorming van een eigen volk, dat een eigen weg zal gaan door de geschiedenis. Een volk met een eigen roeping en bestemming. Via dat volk zal uiteindelijk aan alle volkeren de zegen van God geschonken worden.

 

Waarom koos God Abraham? Was hij beter of geschikter dan andere zonen van Sem, Cham of Jafeth? Leefde hij dichter bij de Heere? Nee, dat was pure verkiezing! Gods welbehagen. Geen vriendjespolitiek. Dat God Abraham verkoos om Zijn openbaring te ontvangen was een aanbiddelijk wonder van verkiezende liefde. Toen God Abraham riep was het droevig met hem en zijn familie gesteld. Herdersvorst in Ur, die met zijn vaderen de maangodin Sin diende en de zonnegod en de sterren. Zover was het dus gekomen met de nakomelingen van Sem. Met die mensen maakte God een nieuw begin. De Bijbel zegt: Er is niemand die God zoekt. Ieder leeft van nature bij zijn eigen gedachten, zijn eigen goden.

 

Voor de roeping van Abraham is dus geen enkele verklaring in hemzelf. Hij was niet de meest brave in zijn geslacht. Het geheim is Gods genadige verkiezing. Geen redenen in de mens. Dat is een troost! God neemt redenen uit Zichzelf. Anders was Hij in mijn en uw leven ook nooit begonnen. Abraham was niet beter dan de rest. Maar God strekt Zijn hand naar hem uit. Pure genade, verkiezing, welbehagen. De Heere is de eerste. Hij vraagt naar ons, voordat wij naar Hem vragen. Hij roept, voordat we naar Hem gaan roepen en gehoorzamen. Hij roept en is de eerste. Daarom zitten wij hier in kerk onder de openbaring van de levende God.

Daarom roept Hij ons, gevallen mensen, tot de zaligheid.

 

Te midden van de vele volkeren ging God Zijn weg met één enkel volk. Aan Abraham en zijn nageslacht betrouwde Hij Zijn heilgeheimen toe om die te bewaren en zo een toonbeeld van de levende God te zijn te midden van de volkeren. Aan dat volk alleen heeft de Heere Zijn Naam, Zijn rechten en Zijn inzettingen bekend gemaakt. Zo zingen wij met Ps. 147 dat God aan Jakob zijn woorden bekend maakte en aan Israël Zijn inzettingen en recht. En zo met geen volken wilde handelen. Israël werd door God uitverkoren om de weg der zaligheid te vernemen. Israël werd verkoren om Gods wil geopenbaard te krijgen. Wat dat betreft kan op het totaal van de wereldbevolking gezegd worden:

Deze verborgenheid van zijn wil heeft God in het Oude Testament aan weinigen bekend gemaakt.

Maar we zagen reeds dat ze het wel hadden kunnen weten. Ze hebben het zelf verduisterd en zich ervan afgekeerd. God treft geen schuld. Slecht een enkele heiden werden naast Israël toegebracht. Denk aan Rachab en aan Ruth uit Moab.

Maar tegelijk had God aan Abraham de verborgenheid van Zijn wil aangaande de heidenen geopenbaard. De Heere sprak immers reeds tot Abraham dat in hem al de geslachten van de aarde gezegend zouden worden. En dat is gebeurd. Par.7 gaat dan ook verder met de zinsnede:

doch in het Nieuwe Testament (het onderscheid der volken nu weggenomen zijnde) heeft Hij haar aan meer mensen geopenbaard.

Wat een wonder! Op de Pinksterdag nam God de 'middelmuur', dit is de ceremoniële wet, de muur die scheiding aanbracht tussen de Joden en de heidenen, weg. Gods wil werd vanaf nu niet meer alleen aan het volk Israël geopenbaard. Integendeel, de Heere gaf het bevel om dit Evangelie nu te gaan verkondigen aan alle volkeren, aan ieder schepsel. Israël heeft de Messias verworpen, het Evangelie komt nu tot heidenen. In de Handelingen zien wij de apostelen uitgaan naar de einden van de aarde. Wat een wonder! Meer en meer mensen mogen de verborgenheid van Gods wil horen. Hoe wonderlijk is dat gegaan! We zien Paulus vanuit Jeruzalem helemaal tot in Rome trekken.

 

Langs de wegen in het Romeinse rijk zien wij zendelingen naar het Noorden trekken. Frankrijk, Engeland, Nederland. Ja, zij zijn ook bij ons gekomen. We lezen: Heeft Hij haar aan meer mensen geopenbaard. Maar zolang alle mensen deze wil van God nog niet kennen, mogen en moeten wij met het Evangelie verder trekken. De opdracht blijft nog steeds gelden: Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb. En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Amen (Matth. 27: 19 en 20). Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden (Mark. 16: 16).

Maar wat is het een verkiezing van God dat ons land daar al zo vroeg onder mocht vallen en al zolang onder mag vallen en dat de Heere ons vanwege onze ondankbaarheid niet in de duisternis heeft laten terug zakken. We hadden en hebben dat wel verdiend. Dat dit echt kan gebeuren zien we aan de zeven gemeenten in Klein Azië.

Dit wonder wordt des te groter, wanneer wij gaan beseffen en beamen wat par.7 verder zegt:

van welke onderscheidene toebedelingen de oorzaak niet moet gesteld worden in de waardigheid van het ene volk boven het andere.

Laten wij eens naar die onderscheiden bedelingen gaan. Waarom koos en verkoos God het volk Israël? Behaagde dat volk God meer dan de andere volkeren? Was dat volk meer geschikt voor de genade? Was dat volk meer ontwikkeld? Maakte dat volk een beter gebruik van het natuurlijke licht dan de andere volkeren? Dat zij verre! Ga maar kijken in Egypte, waar de wieg stond van Israël. Ga maar kijken in de perioden van de richteren en in die van de koningen. Als het aan Israël gelegen had, dan hadden zij net eender geleefd als de heidenen, want van nature waren zij uit de heidenen en als de heidenen. Abraham was niet beter dan wie ook in zijn tijd.

 

Maar waarom koos God dan Israël? Dat is nooit te begrijpen. Zo laat de Heere dat ook schilderen door de profeet Ezechiël (Ezechiël 16:4-9). God tekent daar Israël als een kind dat in het bloed van de geboorte te vondeling gelegd werd. Niemand verzorgde dat kind. Niemand zag ernaar om. Integendeel, ik lees in Ezechiël 16:5: Geen oog had medelijden met u om zich over u te erbarmen; maar gij zijt geworpen geweest op het vlakke des velds, om de walgelijkheid van uw ziel, ten dage toen gij geboren waart.

Dus op zichzelf was dat volk niet begeerlijk, maar walgelijk. Maar wat deed de levende God? In vers 6 zegt de Heere: Als Ik bij u voorbijging zo zag Ik u, vertreden zijnde in uw bloed, en Ik zeide tot u in uw bloed: Leef; ja, Ik zeide tot u in uw bloed: Leef.

 

De Heere heeft Zich ontfermd. Hij heeft Israël gewassen en gereinigd en aangenomen tot Zijn volk. Hij heeft Israël bekleed met de fijnste klederen. Dan tekent de Heere hoe Israël voorspoedig opgroeide. Ik lees dan in vers 14: Daartoe ging van u een naam uit onder de heidenen om uw schoonheid; want die was volmaakt door Mijn heerlijkheid, die Ik op u gelegd had, spreekt de Heere Heere. De schoonheid van Israël is de heerlijkheid Gods. Met andere woorden: Israël werd niet door God uitverkoren vanwege zijn heerlijkheid. De volkeren vonden niets begeerlijks in dat verachte slavenvolk in Egypte en God vond die heerlijkheid ook niet.

Nee, het ging net andersom. Israël werd schoon en begeerlijk omdat God in Zijn ontfermende liefde uit louter genade dat volk verkoos en maakte tot Zijn eigendom. Daarom moet de reden van Israëls uitverkiezing, als voorwerp van Gods genadige roeping, niet gezocht worden in dat volk, maar in het soevereine welbehagen en de onverdiende liefde van God. In één woord: verkiezing! Met welk doel? Om Gods openbaring te verspreiden over de gehele wereld. Daar hebt u de zendingstaak van Israël. Daar hebben ze tot nog toe weinig van verstaan. Israëls verkiezing was er één tot dienst aan de volkeren. Tot Abraham sprak God: In u zullen alle geslachten van het aardrijk gezegend worden (Gen.12: 3).

 

Wat een voorrecht dat wij nu mogen leven onder de bedeling van het Nieuwe Testament. Na Pinksteren is de stroom van het Evangelie buiten haar oevers getreden. Deze bedeling is veel rijker en ruimer. Onderwijst alle volken. Dat is genade, uitverkiezende en onverdiende liefde van God. In ons land is geen dorp of stad waar geen kerk is. Niemand wordt verhinderd om een Bijbel te kopen en erin te lezen. Waarom waren wij zo snel aan de beurt? Waarom bleven wij zolang aan de beurt? Was Nederland beter? Nee. Is Nederland beter? Integendeel, in het buitenland worden wij niet ‘het Israël van het Westen’ genoemd, maar ‘het Sodom en Gomorra van het Westen’. Toch mag de roeping van het Evangelie nog steeds doorgaan. Daar is geen enkele verklaring voor dan alleen het soevereine welbehagen en de onverdiende liefde Gods.

 

Wij zijn uit louter onverdiende genade bevoorrecht boven vele andere volken. Worden wij daar nu wel eens klein onder en aanbidden we God daarvoor? Hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zo grote zaligheid geen acht nemen (Hebr. 2: 3). Dan zal het Tyrus en Sidon verdraaglijker zijn in de dag van het oordeel dan ons, die onder zo'n duidelijke verkondiging van het Woord gezeten hebben. Als we dat zien, gebeurt er iets. Dan kunnen wij niet meer God ter verantwoording roepen voor onze rechtbank met de vraag wat Hij doet met de heidenen die nog nooit van Zijn Woord gehoord hebben. Wij beseffen dat niemand het verdiend heeft. Wij voelen dan de verantwoordelijkheid dat wij zo'n bevoorrechte positie innemen. Als het Evangelie ons gered heeft, dan gebeurt er iets met ons. Lees maar mee in par.7b:

waarom ook degenen, wien buiten, ja, tegen alle verdiensten zo groot een genade geschiedt, haar met een nederig en dankbaar hart moeten erkennen.

 

Twee vruchten worden hier genoemd: een nederig hart en een dankbaar hart. Als wij Gods openbaring werkelijk verstaan dan verheffen wij ons niet boven anderen, maar dan worden wij klein, heel klein onder onverdiende genade. We lopen dan over van dankbaarheid en prijzen Gods goedheid.

Maar hoe zit dat dan met het feit dat niet iedereen deze genade ontvangen heeft? Wel, dan moeten we, lees het slot van par.7:

Met den Apostel, de gestrengheid en rechtvaardigheid van Gods oordelen aanbidden, en die geenszins nieuwsgierig onderzoeken.

 

Wij kunnen God niet beschuldigen. Wij weten dat Hij rechtvaardig is. God zou zelfs rechtvaardig geweest zijn, als Hij aan niemand Zijn wil geopenbaard had. Dan gaan wij die geheimen niet nieuwsgierig onderzoeken als een rechter. Weet u wat er wel gebeurt? Er komt zendings- en evangelisatiedrang, bewogenheid met de naaste, die ten dode wankelt. Wie uit onverdiende genade door God Zelf uit duisternis geroepen is, die zal deze genade niet voor zichzelf kunnen houden. Genade maakt gunnend. Genade maakt mensen die erop uittrekken om ook anderen te onderwijzen over die ene Naam, Die onder de hemel gegeven is tot zaligheid. Dan ga je getuigen in de omgeving waar je woont en werkt.

 

Het zendingswerk is in Gods welbehagen, in Zijn verkiezend handelen opgenomen. Het is voor ieder, die iets van Gods vergevende liefde in Christus heeft leren kennen, een onverdraaglijke gedachte, dat er op deze aarde nog zoveel mensen rondlopen, die Jezus' Naam nooit hoorden. Nog altijd zijn er arbeiders nodig en financiële offers. Denk eens aan die geschiedenis in 2 Koningen 7. Toen de melaatsen bij poort van Samaria zagen dat de Syriërs hun tentenkamp verlaten hadden, zeiden ze: Wij doen niet recht, deze dag is een dag van goede boodschap, en wij zwijgen stil. Toen gingen die stakkerds het in de stad vertellen. Hoeveel te meer zullen wij dan de ‘dag van de grote verlossing’ verkondigen in een wereld vol wanhoop. Paulus zegt op de Areopagus: God dan, de tijden der onwetendheid voorbij gezien hebbende, verkondigt alle mensen alom dat ze zich bekeren (Hand. 17: 30).

Want Jezus komt ten gerichte!

 

Tegenwoordig wordt wel gesproken over een ‘consumptief christendom’. Waar echter werkelijk genoten wordt in de gemeenschap met God, daar willen we het ook aan anderen vertellen. Mensen, Jezus leeft! Een vol hart en een zwijgende mond passen niet bij elkaar. Vol ijver geef je dan het Woord door. Het heimwee naar de spoedige wederkomst van Christus, doet ons des te ijveriger aan de slag gaan. Want Jezus komt niet, voordat het Evangelie alle volkeren heeft bereikt. God gaat in Zijn verkiezend welbehagen door de eeuwen heen.

 

Rijk en ruim laat Hij Zijn Evangelie aanbieden, opdat de mensen tot het geloof worden gebracht. Daarover gaat par.8.

 

Voor we daarop letten, zingen we eerst uit Psalm 108 de verzen 2 en 3.

 

Ik zal, o HEER’, Uw wonderdaân,

Uw roem den volken doen verstaan;

Want Uwe goedertierenheid

Is tot de heem’len uitgebreid;

Uw waarheid heeft noch paal noch perk,

Maar streeft tot aan het hoogste zwerk.

Verhef U boven ’s hemels kringen,

En leer al d’ aard’ Uw grootheid zingen.

 

 Zo word’ Uw dierbaar volk in ’t end

Bevrijd van rampspoed en ellend’.

O God, verlos ons door Uw hand;

Verhoor ons, zend ons onderstand.

Gij hebt, tot onze vreugd, voorspeld,

En in Uw heiligdom gemeld,

Dat Sichem mij zijn vorst zou heten,

En ik het dal van Sukkoth meten.

 

2. De roeping door het Evangelie is ernstig en welmenend

 

Par.7 zei: Dat wij mochten opgroeien onder Gods openbaring en roeping is op zichzelf al verkiezing. Nu zegt par.8: Gods openbaring van en roeping tot de zaligheid is ernstig en welmenend.

We volgen nog steeds de lijn dat het Evangelie niet te danken is aan ons beter zijn dan anderen, maar louter te herleiden tot Gods verkiezende liefde.

Ook op dit ogenblik verkeren wij onder dat Evangelie. Ook nu worden wij door God geroepen tot de zaligheid. Eenieder van ons, hoofd voor hoofd en hart voor hart.

 

Waarom wordt dit aspect nu ter sprake gebracht? Omdat de remonstranten het verwijt maakten dat de Gereformeerden het Evangelie niet meer konden preken, als zij uiteindelijk toch de verlossing van de mens gingen herleiden tot Gods eeuwig welbehagen. Zij zeiden dat de roeping zo niet ernstig gemeend kon zijn. Als de mens zelf niet kan kiezen en God het geloof moet geven, dan stelt Zijn roepen van die mensen aan wie Hij het geloof niet geeft, niets voor. God roept hen zonder dat Hij besloten heeft hen het geloof te geven. Dan kun je niet zeggen dat God hun zaligheid wil.

 

Die redenering klinkt inderdaad heel logisch. Je kunt er eigenlijk niets tegen inbrengen. Maar tegelijk bedenk ik dat niet alleen de remonstranten zo redeneren. Binnen bepaalde stromingen in de Gereformeerde Gezindte wordt ook zo gedacht. Met exact dezelfde redenering verzetten zij zich tegen de gedachte dat de beloften van het Evangelie aan allen zonder onderscheid moeten worden voorgesteld. Om de logische redenering niet te doorbreken heeft men het onderscheid gemaakt dat het aanbod voor iedere hoorder is en dat de beloften alleen voor de uitverkorenen zijn. Maar wat bied je aan, als je de belofte van het Evangelie niet voorstelt met ‘bevel van geloof en bekering’?

Alleen al op grond van het feit dat iemand die onbekeerd is niet weet of hij uitverkoren is, mag je toch zeggen: ‘Het kan voor iedereen. Want het is mogelijk dat je er toch bij hoort en mogelijk aan het einde van je leven gegrepen wordt.’

 

Dat lijkt ruim, maar het is niet Bijbels. Hier is niets meer terug te vinden van de ‘eis tot bekering en geloof’. Het lijkt zelfs veel op de leer van de remonstranten, alleen de conclusie van de remonstranten is anders. De remonstranten zeggen: ‘Deze redenering van de ultragereformeerden, namelijk dat God het eigenlijk niet meent als Hij de mensen tot zaligheid roept door het Evangelie, is verwerpelijk en daarom preken wij dat Jezus voor iedereen de mogelijkheid verworven heeft om zelf te gaan geloven. ’Het wordt je aangeboden dus kun je ook zelf beslissen om het aan te nemen.’

 

Maar hoe komen we hieruit? Wat is waar? Heel eenvoudig. Neem het bevel: Bekeert u en gelooft het Evangelie (Mark. 1: 15). De remonstrant zegt: Dus kan de mens dat zelf, want anders zegt God onzin. Mensen op de lijn van ultragereformeerd zeggen: Het staat er wel, maar we kunnen het niet, en daarom meent God het niet zonder meer. Wat dan wel? Kunnen wij dan in eigen kracht geloven? Luister, Augustinus zegt: God vraagt hier van ons wat wij niet kunnen, opdat wij zouden weten wat wij van Hem moeten vragen.

We moeten niet logisch redeneren, maar we moeten aan de voeten van Jezus buigen: Gij Zoon van David, ontferm u mijner (Matth. 15: 22). We moeten denken vanuit het Woord en God geloven op Zijn Woord. Vandaar dat de Dordtse Leerregels in par.8 belijden:

doch zovelen als er door het Evangelie geroepen worden, die worden ernstiglijk geroepen.

 

Voordat de Dordtse Leeregels hier gaan spreken over de persoonlijke genade van de wedergeboorte, willen ze hier toch eerst nog eens uitdrukkelijk spreken over het ‘algemene aanbod van genade’. De Bijbelse volgorde in onze ervaring is roeping en verkiezing. We moeten niet de verkiezing vooropzetten en zo de roeping van de kracht beroven. God roept ons door het Evangelie tot de zaligheid. Zo spreekt de Schrift. Het is Godslasterlijk om te denken dat God Zijn roepen niet ernstig zou menen. God meent wat Hij zegt. Denk aan de ‘gelijkenis van de nodiging tot het avondmaal’ uit Mattheüs 22, dat we samen gelezen hebben. Deze gelijkenis is er een bewijs van hoe ernstig en dringend de Heere roept. In Lukas 14 staat er zelfs: Dwing ze om in te komen.

Degenen die de nodiging afslaan mogen zich niet beroepen op het besluit van God. Zij hebben de roeping veracht en smaken daarom het avondmaal niet. Als de samenvatting van een gelijkenis is dat er vele geroepen werden, maar weinigen uitverkoren waren, dan mag dat niet teruggeprojecteerd worden, alsof de nodiging niet gemeend was. Nee, die conclusie wordt getrokken omdat de meesten verstek lieten gaan. Zij worden in de gelijkenis genoemd de onwilligen (vers 3), verachters (vers 5), de vijanden (vers 6) en de man zonder bruiloftskleed (vers 11). Deze laatste werd niet buitengeworpen omdat hij niet welkom was, maar omdat hij gekomen was zonder bruiloftskleed.

 

In vers 10 staat: Allen, zowel de goeden als de kwaden waren genodigd. Als de Heere Jezus dan aan het eind zegt: Velen geroepen, weinigen uitverkoren, is dat Zijn conclusie aan de hand van het gedrag van de genodigden. Tot allen kwam dezelfde roepstem: Komt tot de bruiloft. Het is niet zo dat voor bepaalde mensen deze nodiging eigenlijk niet gemeend was. Dat Hij wel iedereen vriendelijk uitnodigt, maar als Hij je niet uitverkoren heeft, dat Hij het dan toch niet meent. Nee, God kan niet liegen en God kan niet huichelen. Daarom staat recht overeind: Doch zovelen als er door het Evangelie geroepen worden, die worden ernstiglijk geroepen. Ga hier niet over redeneren, maar ga van hieruit denken.

U mag God eraan houden en God houdt u eraan.

Want God betoont ernstiglijk en waarachtiglijk in zijn Woord, wat Hem aangenaam is; namelijk, dat de geroepenen tot Hem komen.

 

De Heere Jezus heeft de gelijkenis van de verloren zonen verteld. Voor de één staat de vader op de uitkijk en voor de ander gaat hij naar buiten. Hij betoont, Hij laat zien, Hij bewijst dat het Zijn begeerte is dat degenen die geroepen worden ook komen. Drie keer lezen we in par.8 het woord 'ernstig'. We worden geroepen. God betoont ernstig wat Hij wil. Hij belooft met ernst aan degenen, die tot Hem komen de rust der zielen en het eeuwige leven.

Als God nodigt, oproept: mijn zoon, Mijn dochter, geeft Mij uw hart (Spr. 23: 26). Dan meent de Heere dat ernstig en waarachtig.

Voor het komen tot God ligt de vrijmoedigheid niet in de verkiezing, maar in de roeping. Heeft de Heere Jezus ooit iemand weggezonden?

Luister eens naar de stem van God, Hij zweert:

Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere Heere, zo Ik lust heb in den dood des goddelozen, maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve (Ez. 33: 11).

Luister eens naar de nodiging aan de dorstigen om te komen tot de wateren des heils en te kopen zonder geld en zonder prijs.

Luister eens naar het wenen en spreken van Jezus over Jeruzalem:

Jeruzalem, Jeruzalem, hoe menigmaal heb Ik uw kinderen bijeen willen vergaderen, gelijk een hen haar kuikens, maar gij hebt niet gewild (Matth. 23: 37).

Twijfel niet aan de waarachtigheid van Gods roepen. Geloof die roeping en ga daarmee tot de troon der genade. Wij hebben u te dwingen om in te gaan. Dat is het bevel van de Koning. Dwingt ze om in te gaan, opdat Mijn huis vol worde (Luk. 14: 23). Tegelijk zien wij hoe het God vertoornt als wij aan Zijn roepen geen gehoor geven. Juist omdat wij verloren liggen, roept de Heere: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden (Jes. 45: 22). Het Woord laat zien hoe genadig en blij de Heere is als aan deze roeping gehoor gegeven wordt. Daarom worden wij vermaand: heden Zijn heil- en troostrijk woord te geloven en ons daardoor te laten leiden. Redeneer niet verder, maar kruip naar de Heere en leg u met dit Woord aan Zijn voeten neer. Zoals Ruth aan de voeten van Boaz: Breid uw vleugel over uw dienstmaagd uit (Ruth 3: 9).

Koningin Esther greep de scepter van haar vorst, een tiran; zij wist niet hoe het uit zou vallen.

Wie zich met Gods eigen nodiging neerlegt aan Zijn voeten, die kan de Heere niet wegzenden.

 

Gemeente, als je daar goed over nadenkt, kun je toch niet begrijpen dat er nog íemand is, die zonder het Evangelie zou willen en durven leven. God wijst ons de enige weg terug naar het paradijs, terwijl niemand daarom gevraagd heeft, laat staan het verdiend heeft. Het zou toch voor de hand liggen dat iedereen ogenblikkelijk die weg zou gaan. Toch gebeurt het niet. Hoe velen zitten niet vrijblijvend onder het Woord, alsof ze in een concertzaal zijn. Je hoort het aan maar het verplicht je tot niets. Dat is bij het Evangelie anders. Niet vrijblijvend. Het Evangelie komt pas tot zijn doel in de weg van de gehoorzaamheid aan de roeping. Zou u durven zeggen dat het aan God ligt, als u niet tot God komt en gehoorzaam bent? Kunt u een bladzijde in de Bijbel aanwijzen waar staat dat het God eigenlijk niet zoveel schelen kan wat je ermee doet. Is het zo dat God roept, dat je mag komen, maar je ook gerust mag wegblijven? Nee, Hij betoont ernstig wat Hem aangenaam is: dat u komt.

In iedere preek vloeien de tranen van Christus en druppelt Zijn bloed op de gemeente. Laat u met God verzoenen (2 Kor. 5: 20).

Er is geen voorwaardelijk Evangelie. Een boodschap waarbij je jaar en dag geplaagd wordt met het juk van doen en laten. Of een prediking met: de beloften van God zijn niet voor onbekeerden en zeker niet voor jou en men zegt er dan vaak niet eens bij: Tenzij je tot Jezus komt en in Hem gelooft.

 

God wil niet dat enigen verloren gaan (2 Petr.3:9). God meent het als Hij door middel van Johannes zegt: Wie niet gelooft, is alrede veroordeeld omdat hij niet heeft geloofd in de Naam van de enig geboren Zoon van God (Joh. 3: 18). Hij meent het ook als Hij Christus aanbiedt als gewillige en algenoegzame Zaligmaker. Hebt u nooit gezegd: ‘Heere ik kan U niet missen? Alleen kan ik niet verder.’ Christus wordt aan uw voeten gelegd. Wie door Hem tot God gaat ontvangt rust en vrede met God.

 

U zegt: ‘Dat lijkt haast te groot om waar te kunnen zijn. Had ik maar een bewijs, een teken, dat het echt waar is.’ Luister, God heeft een verbond met ons opgericht. Wij dragen daar het teken van aan het voorhoofd: de Heilige Doop. Nergens verbiedt God om tot Hem te komen met de hand op ons voorhoofd om Hem te herinneren aan Zijn eenmaal gegeven Woord. U mag God op Zijn beloften manen. Het bloed van Christus is op u gesprenkeld. Het is niet zo dat u pas gebruik mag maken van Gods beloften als die bevestigd zijn aan uw hart door de kracht van de Heilige Geest.

Zeker, een belofte uit de Bijbel kan waar zijn voor ons omdat we de waarheid ervan ondervonden hebben. Maar als dat niet gebeurd is, blijft die belofte wel waar. De toestemming om er gebruik van te maken ligt uitsluitend in het feit dat God het gezegd heeft en niet in de kracht, die je eruit ondervonden hebt. Als de Heere zegt: Ik zal uw stenen hart uit u wegnemen en u een vlezen hart schenken (Ez. 11: 19), mag een mens met een stenen hart daarop pleiten, of niet? Hebt u dat ooit gedaan? Gods beloften zijn onvoorwaardelijk. Daarmee staat of valt de hele Evangelieprediking. Daarmee staat of valt onze zaligheid.

 

God doet, wat Hij belooft, lees maar mee in het slot van par.8:

Hij belooft ook met ernst allen, die tot Hem komen en geloven, de rust der zielen en het eeuwige leven.

God roept niet alleen, Hij belooft ook. Zijn beloften willen ons lokken en verzekeren dat wij niet tevergeefs tot Hem zullen komen. De Heere belooft en verzekert ons, ons niet te zullen uitwerpen, maar in plaats daarvan het levende water, rust en vrede voor onze zielen te geven. Die beloften geven ons vrijmoedigheid om de Heere aan te grijpen en met Jakob te zeggen: Ik zal u niet laten gaan, tenzij Gij mij zegent (Gen. 32: 26).

 

Daarin ligt het geheim. Het geheim van het kinderlijk geloven ligt alleen in Gods beloven.

Zo slaan wij 't oog op onze Heer', totdat Hij ook ons genadig zij.

Totdat – en nu niet gaan redeneren vanuit de verkiezing. Nee, de ogen op Christus. Want in Hem zijn alle beloften van God ja en amen. Het oog op Hem, zoals Bartimeüs riep tot deze Zone Davids. Hij riep des te meer.

Zou de Heere het zeggen en niet doen, spreken en niet bestendig maken?

God doet wat Hij zegt.

Knoop dan het slot van par.8 in uw oren, neem het mee en overdenk het. Ja, u mag het geloven in diepste nood van uw leven.

Hij belooft ook met ernst allen, die tot Hem komen en geloven, de rust der zielen en het eeuwige leven.

Amen.

 

Slotzang: Psalm 105:5

 

God zal Zijn waarheid nimmer krenken,

Maar eeuwig Zijn verbond gedenken.

Zijn woord wordt altoos trouw volbracht

Tot in het duizendste geslacht.

’t Verbond met Abraham Zijn vrind,

Bevestigt Hij van kind tot kind.