Ds. A. Schot - Lukas 13 : 23 - 24

De enge poort

Lukas 13
Een vraag voor de poort
Een strijd door de poort
Een zoeken buiten de poort

Lukas 13 : 23 - 24

Lukas 13
23
En er zeide een tot Hem: Heere, zijn er ook weinigen, die zalig worden? En Hij zeide tot hen:
24
Strijdt om in te gaan door de enge poort; want velen, zeg Ik u, zullen zoeken in te gaan, en zullen niet kunnen;

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 116: 2, 5
Lezen : Lukas 13: 22-30
Zingen : Psalm 118: 9, 10
Zingen : Psalm 66: 5
Zingen : Psalm 119: 1, 17

Gemeente, de tekst waarbij wij u met de hulp van de Heere willen bepalen, kunt u vinden in het u voorgelezen Schriftgedeelte, Lukas 13 vers 23 en 24:

En er zeide een tot Hem; Heere, zijn er ook weinigen die zalig worden? En Hij zeide tot hen: Strijdt om in te gaan door de enge poort; want velen (zeg Ik u) zullen zoeken in te gaan, en zullen niet kunnen.  

Gemeente, wij schrijven onder deze tekst: De enge poort.

We letten op drie gedachten.
1. Een vraag voor de poort. We lezen: En er zeide een tot Hem: Heere, zijn er ook
 weinigen die zalig worden? 
2. Een strijd door de poort. En Hij zeide tot hen: Strijdt om in te gaan door de enge poort. 
3. Een zoeken buiten de poort. We lezen verder: Want velen (zeg Ik u) zullen zoeken in te gaan, en zullen niet kunnen.

1. Een vraag voor de poort 

Gemeente, deze tekst sprak de Heere Jezus tijdens Zijn omwandeling op aarde. Eerder hebben wij stilgestaan bij Zijn prediking in de synagoge van Nazareth. We hebben toen gehoord dat er onder de hoorders geen plaats was voor Zijn boodschap. Zij kenden zich niet als armen, als gebrokenen, als gevangenen. 
De Heere Jezus is nu op reis naar Jeruzalem. Hij heeft in het negende hoofdstuk al tegen Zijn discipelen gezegd dat Hij Zijn aangezicht richt om naar Jeruzalem te reizen (Luk. 9:51). En ook in dit hoofdstuk lezen we: En Hij reisde van de ene stad en vlek tot de andere, lerende, en richtende Zijn reis naar Jeruzalem. 
Het doel van de reis is dus Jeruzalem. 
Onderweg doet de Heere verschillende vlekken aan, dat zijn heel kleine dorpjes. Onderweg predikt de Heere Jezus het Woord van God. Dat doet Hij als Machthebbende. We zullen horen wat de uitwerking daarvan is, want op de boodschap die de Heere Jezus brengt, komt een reactie. Er staat in onze tekst: En er zeide een tot Hem: Heere, zijn er ook weinigen die zalig worden? 

We zouden eigenlijk wel iets meer willen weten van de man die deze vraag stelt, maar daar is verder niets van bekend. Het is gewoon iemand uit de mensen, die om Jezus heen staan.
Gemeente, misschien is het ook maar goed dat wij de naam van deze persoon niet kennen. Misschien heeft de Heilige Geest het juist daarom niet vermeld, zodat we onszelf zouden afvragen: Ben ik het soms die deze vraag stelt? Want die vraag zou ook onder ons kunnen leven.
En er zeide een tot Hem: Heere, zijn er ook weinigen die zalig worden?  
Uit deze vraag blijkt wel hoe die man de Heere Jezus ziet. Dat is niet negatief. Misschien hebben wij meteen een negatief beeld van hem, omdat wij het antwoord weten dat aan hem gegeven wordt. Maar toch zou ik deze man niet bij voorbaat zo willen afschilderen.
In de eerste plaats valt uit zijn vraag op dat hij de Heere Jezus hoogacht. Hij noemt Hem ‘Heere’. Heere, zijn er ook weinigen die zalig worden? Hij gelooft, dat de Heere Jezus hem daar een antwoord op kan geven. Hij beseft dat mensen dat antwoord niet hebben, maar hij acht de Heere Jezus zó hoog dat hij gelooft dat Hij het getal van de gezaligden kan noemen. Hij heeft wel gemerkt dat de Heere Jezus bovennatuurlijke wijsheid heeft.
In de tweede plaats heeft deze man ook iets gezien wat anderen niet gezien hebben, namelijk dat de komst van de Heere Jezus te maken heeft met de zaligheid van zondaren. Veel mensen zagen daaraan voorbij, maar deze man niet. Hij beseft dat de Heere Jezus en de zaligheid van zondaren samengaan. Alleen – voor hoeveel mensen? Is de Heere Jezus voor alle mensen gekomen, of maar voor weinig mensen? Daar wil hij meer duidelijkheid over hebben. Dat blijkt uit zijn vraag: Heere, zijn er ook weinigen die zalig worden? 

Bent u ook weleens met die vraag bezig geweest? Deze man is op dit punt wel een voorbeeld voor ons, gemeente, want hij is bezig is met zalig worden. Wij moeten ook zalig worden. Bent u daar ook mee bezig geweest? Jonge mensen, hoeveel minuten zijn jullie in de achterliggende week bezig geweest met het onderwerp ‘zalig worden’? Ik zeg bewust: minuten. Ik heb het niet over uren. De zaak is het zó waard dat ik beter zou kunnen vragen: Hoeveel uren ben je bezig geweest met het onderwerp ‘zalig worden’? Want dat is toch het allerbelangrijkste onderwerp in ons leven, gemeente? Deze man is daar tenminste mee bezig. Daarin is hij voor ons een voorbeeld. 

We weten niet precies hoe hij die vraag heeft bedoeld. Zo zou het ook hier in de gemeente kunnen zijn, dat we er wel mee bezig zijn geweest. Maar op welke manier? Met welke bedoeling?
Kijk, die vraag: Zijn er ook weinigen … zou uit nieuwgierigheid kunnen voortkomen. Deze man weet dat niet alle mensen zalig worden. Een deel van de mensen zal niet zalig worden, en een deel van de mensen wel. Dat heeft de Heere Jezus ook heel duidelijk geleerd: Velen zijn geroepen, weinigen uitverkoren (Matth.20:16). Dus niet alle mensen zijn uitverkoren. Maar hoeveel mensen zijn er wel uitverkoren? En hoeveel zijn er verworpen?
Ik denk dat dit een vraag is die ook onder jonge mensen ook leeft.  Jullie zijn nogal eens bezig met het stuk van de uitverkiezing. Dat is niet zo gemakkelijk. We zouden best willen weten hoeveel en wie er uitverkoren zijn. Met die vragen kun je voortdurend bezig zijn. Wij weten dat niet. Er is ook geen mens die ons daar een antwoord op geven kan. Het is voor ons verborgen.
Het zou kunnen dat deze man de vraag stelt om te weten hoe groot de kans is dat iemand uitverkoren is of niet. Zijn het er maar weinig, die uitverkoren zijn?
Maar als het zo is dat ook jij in je leven veel bezig bent met de uitverkiezing, dan hoop ik dat je straks ook goed luistert naar het antwoord dat de Heere Jezus geeft. 

De vraag zou ook uit ernst gesteld kunnen zijn. Sommige mensen – dat is in de tijd van de Heere Jezus zo geweest, en dat is in onze tijd nog zo – spreken zo gemakkelijk over ‘zalig worden’. Ze doen net alsof je zalig wordt als je naar de kerk gaat en belijdenis doet. Ze zeggen: Alle mensen die naar de kerk gaan, die belijdenis gedaan hebben en netjes leven, zullen zalig worden. Ze hebben toch geen grote zonden gedaan? God is toch barmhartig? Dan mag je er toch van uitgaan dat je niet verloren gaat?
Maar het zou best kunnen dat deze man daar helemaal niet zo gemakkelijk over denkt. Hij maakt zich grote zorgen als hij ziet hoe andere mensen daarover praten en denken. Hij weet: Nee, zo gemakkelijk gaat dat allemaal niet. 
Zijn er ook weinigen die zalig worden? Is het niet zo, dat veel mensen daar veel te ruim  en te gemakkelijk over denken?

Het zou ook een opstandige vraag kunnen zijn, gemeente. Is het dan werkelijk maar voor zo weinig mensen? Trekt de Heere Jezus de grenzen niet veel te scherp? Hij heeft in Mattheüs 7 gesproken over de enge poort, de brede poort en de brede weg. Over de brede weg lees je dat er velen zijn die daarop wandelen. Over de enge weg lees je dat er maar weinigen zijn. Weinigen vinden die poort. Er zijn er maar weinigen die door die poort ingaan.
Het zou best kunnen zijn – en misschien is dat in de gemeente ook wel zo – dat er bij mensen opstand leeft in het hart. Dat je denkt: Ja, moet dat zo moeilijk? Wordt dat nu allemaal zo scherp getrokken? Moet dat nu zo? Zelfs bij de discipelen lezen we dat. 
Toen de rijke jongeling bij de Heere Jezus geweest was, zich bedroefd omkeerde en bij Hem wegliep – toen was er wrevel in het hart van de discipelen. Ze keken elkaar aan en ze keken die rijke jongeling na. Ze hebben tegen elkaar gezegd: Wie kan dan zalig worden? (Matth.19:25). Met andere woorden: Als het zo moet, is zalig worden een totaal onmogelijke zaak. Dan komt er niemand in de hemel.
De vraag uit opstand en ergernis. Zijn er ook weinigen die zalig worden? Zijn het er werkelijk maar zo weinig?

Het zou ook een vraag kunnen zijn uit ongeloof. Deze man gelooft dat de Heere Jezus gekomen is om zondaren zalig te maken; dat verband heeft hij wel gelegd. Hij luistert naar de prediking van de Heere Jezus en hij kijkt naar de vrucht. Hij ziet wat wij vandaag ook zien: de meeste mensen leggen de boodschap naast zich neer. Hij zou gedacht kunnen hebben: Ja, U bent daarvoor gekomen en U bent daar wel mee bezig, maar is het geen hopeloze missie? Moet U eens kijken wat er onder Uw prediking gebeurt. De mensen vinden het wel mooi en ze luisteren wel, maar in de vrucht van het leven merk je er niets van. Is het werkelijk zo, dat U maar zo weinig vrucht hebt op Uw prediking? Zijn er weinigen die zalig worden? 

Gemeente, zo kan die vraag verschillende achtergronden hebben, ook in ons hart. Bij de een kan het ernst zijn, en bij de ander opstand. Bij de een kan het nieuwsgierigheid zijn, en bij de ander ongeloof. Hoe zijn wij bezig met de dingen over het zalig worden?
Als je deze vraag leest, mis je daar iets in. Jongens en meisjes, wat mis ik in deze vraag? Wel, deze man vraagt niet: Heere, kan ik zalig worden? Ach, al zouden alle mensen zalig worden, en ik niet, dan is het voor mij een verloren zaak. Nee, ik houd mij  niet bezig met andere mensen, maar het gaat mij in de eerste plaats om mezelf. Ik ben op reis naar de eeuwigheid en ik kan voor God niet bestaan. Is er voor mij nog een mogelijkheid van zalig worden?
De pinksterlingen, die gegrepen werden door de preek van Petrus (Hand. 2:37), vroegen: Wat moet ik doen om zalig te worden? Ook in de geschiedenis van de apostelen in de gevangenis in Filippi gebeurde het dat de stokbewaarder zó ontzet was dat hij vroeg: Lieve heren, wat moet ik doen, opdat ik zalig worde? (Hand.16:30). Voor die mensen was het een persoonlijke zaak. Zij horen: Geloof in den Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden. Dat mis je bij deze man. Hij vraagt wel: Zijn er ook weinigen die zalig worden?  Maar hij doet net alsof het voor hem persoonlijk niet belangrijk is.

We zouden kunnen zeggen: Ja maar man, wat heeft het voor zin om daarmee bezig te zijn? Het gaat om jou! Je ziet jezelf voorbij. Daar ligt de grote haper in het leven van deze vragensteller. Daar ligt misschien ook wel de grote haper in uw en in ons leven, dat we daar te weinig mee bezig zijn.
We zijn bezig met anderen. We zijn bezig met degenen die wel en niet aan het Avondmaal gaan. We zijn bezig met … vult u maar in. Maar hoeveel uren zijn we bezig met onze eigen ziel, die verloren is en op weg is naar de eeuwigheid?

Een vraag voor de poort. De man kent die poort niet. Hij staat er nog voor. En hij heeft een vraag. Hij brengt die vraag wel op het goede adres. We gaan dus naar onze tweede gedachte: Het antwoord van de Heere Jezus.

2. Een strijd door de poort

En Hij zei tot Hem .… De Heere Jezus geeft hem geen rechtstreeks antwoord. Dat had Hij wel kunnen doen. Op die vraag zijn namelijk heel directe antwoorden te geven. 
De Heere Jezus had kunnen zeggen: Man, dat gaat je helemaal niets aan. Alleen God weet dat. De Heere had hem zo de mond kunnen snoeren. 
De Heere had kunnen zeggen: Evenwel  het vaste fundament Gods staat, hebbende dit zegel: de Heere kent degenen die de Zijnen zijn (2 Tim.2:19), en daar moet jij het maar mee doen. 
De Heere had tegen hem kunnen zeggen: Nee, het zijn er niet zoveel. Het is maar een hele kleine minderheid. Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren (Matth.20:16). Als je kijkt naar degenen die met het Evangelie in aanraking komen, zijn het er maar weinig. Als je kijkt naar de wereldbevolking, is het procentueel inderdaad maar een klein kuddeke.
De Heere zou tegen hem kunnen zeggen: Je ziet het goed, man, je ziet het scherp. Het zijn er niet zoveel. Tegen Zijn discipelen zegt de Heere Jezus: Vrees niet, gij klein kuddeke, want het is uws Vaders welbehagen ulieden het Koninkrijk te geven (Luk.12:32).
De Heere had die man ook een ander antwoord kunnen geven. De Heere had tegen hem kunnen zeggen: Weinigen?  Weinigen? Welnee!  Het zal een grote schare zijn, die niemand tellen kan, uit alle natie en geslachten en volken en talen (Openb.7:9). Als ze daar straks zullen staan, op de jongste dag, zijn zij die toegebracht zijn door de arbeid van de Heere Jezus Christus, ontelbaar. Hij zal hen als loon op Zijn arbeid hebben en aan Zijn Vader voorstellen. Maar de Heere zegt ook niet: Man, u denkt veel te arm. U denkt veel te klein. Het zijn er heel veel!
De Heere Jezus had kunnen zeggen: Nou, Ik wil je er wel dit van zeggen: Het is een bepaald soort mensen dat zalig zal worden. Als je hen overziet, zijn het voornamelijk mensen die geen aanzien hadden. Het zijn niet vele wijzen naar het vlees, niet vele machtigen, niet  vele edelen (1 Kor.1:26). Het zijn over het algemeen geen belangrijke mensen. Er zitten wel rijke en voorname mensen tussen, maar het merendeel niet. Want het dwaze der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou; en het zwakke der wereld heeft God uitverkoren opdat Hij het sterke zou beschamen. En het onedele der wereld en het verachte heeft God uitverkoren, en hetgeen niet is, opdat Hij hetgeen iets is, teniet zou maken (1 Kor.1:27,28). Maar dat zegt de Heere ook niet.

De Heere geeft een ander antwoord, gemeente. Hij zegt: Strijdt om in te gaan. Dat is het enige juiste antwoord op al de vragen die we overdacht hebben. 
Deze tekst wordt vaak verkeerd geciteerd. Heel vaak wordt gezegd: Strijdt gij om in te gaan. Maar dat staat er niet. Het woordje ‘strijdt’ staat hier in het meervoud. Kijk maar, er staat: En Hij zei tot hen; dat is meervoud. Er staat niet: Hij zei tot hem; dat is enkelvoud. Vaak wordt dit zo uitgelegd, dat de Heere Jezus tegen deze man zegt dat hij moet strijden om in te gaan. 
Maar gemeente, het is niet alleen de boodschap voor hem, het is de boodschap voor hén. Die man staat daar met zijn vraag en de Heere Jezus heeft die vraag gehoord. Dan kijkt Hij al de mensen aan, die daar staan. En Hij zegt tegen hen allen, niemand uitgezonderd: Strijdt om in te gaan. Een bevel, maar ook een belofte. Niemand komt in de hemel zonder strijd. Aan het zalig worden is een grote strijd verbonden; voor deze man, voor u persoonlijk en voor ons allen.

In de oorspronkelijke taal wordt een woord gebruikt voor strijden dat eigenlijk ‘kampvechten’ betekent. Dat betekent: strijden onder grote inspanning. De Heere Jezus zegt eigenlijk tegen deze man: Man, het is een worsteling. Het gaat absoluut niet vanzelf. Het is een zware worsteling.
Heb je wel eens de geschiedenis gelezen van Jakob bij de Jabbok? De strijd die hij daar gevoerd heeft? Welnu, zo zal het gaan, in die weg zal het gaan. 
Ken je die strijd uit Psalm 116? Want dat is de weg waarin mensen zalig worden. Het gaat in diepe strijd. 
De Heere Jezus bedoelt natuurlijk niet dat je het door te strijden verdienen kunt, want er valt helemaal niets te verdienen. Maar Hij bedoelt dat het niet zonder strijd kan. Iedereen die zalig wordt, zal moeten strijden.

Waarom zegt de Heere Jezus dat zo? Ik kan me voorstellen dat dat ook ergernis geeft in uw of in jouw hart: Moet dat nu zo? Stoot de Heere Jezus die man niet af?
Zou de Heere Jezus niet veel beter kunnen zeggen: O man, er is een overvloed van genade. Er is genade, overvloeiende voor de grootste der zondaren. Ook voor jou. Echt waar! Waarom zegt de Heere Jezus dat niet? Waarom maakt de Heere Jezus het zo moeilijk? Waarom noemt Hij deze kant van het ingaan in het Koninkrijk der hemelen? Er zijn toch ook plaatsen in de Bijbel waar de Heere Jezus ruim spreekt? Waarom spreekt Hij hier zo nauw?
Wel, als er plaats is voor genade, is de Heere Jezus ruim. Maar hier is geen plaats voor genade. Hier staat niet iemand die beleefd heeft dat hij de rampzaligheid verdient. Kijk, als die man gekomen was als de tollenaar in de tempel, denk ik dat hij een ander antwoord had gekregen. Maar gemeente, hier is geen plaats voor genade, en daarom wijst de Heere Jezus hem op de noodzaak om te leren kennen wat hij niet kent. 

Strijdt om in te gaan. Daar wordt ook niet de strijd mee bedoeld die ieder mens wel kent. Als ik vanaf de preekstoel zou vragen: Steek je vinger eens op als je nooit strijd hebt, weet ik niet of er nog een vinger omhoog zou gaan. Ieder mens heeft een strijd op deze aarde. Maar het is niet altijd een goede strijd.
Welke strijd wordt hier bedoeld? De strijd om in te gaan door de enge poort. En dat gaat alleen in een weg van geestelijke strijd. Anders kom je er nooit doorheen.
Strijdt om in te gaan door de enge poort. 
Er is meer over de enge poort gepreekt. De enge poort wordt in deze verzen ook als een beeld gebruikt. Je moet denken aan een huis. In vers 25 wordt gesproken over ‘de Heer des huizes’. Je zou kunnen zeggen dat het hier gaat over het huis van de hemelse heerlijkheid. Het gaat hier over de hemel. En hoe kom je in de hemel? Dan moet je door de poort. Hoeveel poorten zijn er naar de hemel? Er is maar een poort. En die poort is eng, die poort is nauw. 

Nee, dat huis is niet eng of klein. Dat huis is ruim. Daarover heeft de Heere Jezus gesproken in Zijn afscheidswoord tot de discipelen. Hij zei toen: In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden (Joh.14: 2). Het is een groot huis.
Maar de poort is eng. Om in dat huis te komen moet je dus door de enge poort. En dat is niet gemakkelijk, dat kost uiterste moeite, dat is een voortdurende strijd. Op een andere manier kun je er niet in komen. Je kunt niet over de muur klimmen. Mensen die over de muur klimmen, zijn dieven en moordenaars. 

U zegt misschien: Dominee, stelt u het nu niet te scherp voor? Nee, het zijn de woorden van de Heere Jezus. Hij preekt zo. Ik spreek Hem alleen maar na als Hij het heeft over de enge poort.
Ja, zegt u misschien. Ja, maar in de Heere Jezus is toch ruimte van zalig worden? En we hebben toch gehoord uit de Dordtse Leerregels dat het offer van de Heere Jezus genoegzaam is voor de ganse wereld? Dan hoef je toch niet te spreken over een enge poort? Dan kan het toch voor iedereen? Voor alle mensen? Jawel, het zou inderdaad genoeg zijn voor heel de wereld. Maar het is niet bestemd voor de hele wereld.
Hoe krijgt dat zijn toepassing in het hart? Daarover gaat het hier. Dat gebeurt in een weg van strijd, gemeente. Als de Heilige Geest zondaren toebrengt en hun leert dat ze door de enge poort moeten, dan is dat een geweldige strijd. 

U vraagt wat voor strijd dat is. Wel, het is een enge poort. Stel je een heel klein poortje voor, jongens en meisjes, een poortje dat zo groot is als je zelf bent, geen millimeter groter. Wat moet er gebeuren als je daar doorheen wilt? Dan moet je alles afleggen. Stel je voor dat dat poortje zo smal is dat mijn dikke jas, dat zelfs mijn kleren nog teveel zijn. En je wilt toch door die poort. Wat moet er dan gebeuren? Dan moet je je jas uitdoen, dan moet je je kleren uitdoen. Zo is het met deze poort. Er wordt weleens gezegd: Daar kan alleen maar een naakte zondaar doorheen, want je kunt niet zalig worden en vasthouden aan alles wat je hebt. Dat kan niet.
Je kunt niet door de enge poort en alles meenemen. Nee, weet je wat sommige mensen willen? Die willen de wereld blijven dienen en de zonde blijven doen. Dat doen ze allemaal in hun rugzak, en dan willen ze zo door de enge poort. Maar dat kan niet.
Wie door de enge poort wil, moet dat allemaal afleggen. Die moet dat achter zich laten. En dat is een strijd. Want we zijn wel bereid om iets los te laten, en zelfs om veel  los te laten. Maar we zijn niet bereid om alles los te laten. Dat is een strijd. De ongerechtigheden hebben de liefde van ons hart. Daaraan zitten we zo vast. 

Ik denk ook aan wat wij opgebouwd hebben aan eigen gerechtigheid; die willen we vasthouden. We vinden onszelf nog niet zo slecht. We zijn er soms dag en nacht mee bezig geweest. Je kunt toch niet zeggen dat dat allemaal niets te betekenen heeft? 
Nee, dat heeft geen waarde, dat heeft geen grond op reis naar de eeuwigheid. Dat moet je allemaal kwijt. En dat wil ik niet kwijt. Dat moet ik afleggen. Dat kost strijd.

Om door die enge poort te gaan, gemeente, moet ik afscheid nemen van heel de wereld. En dat wil ik niet.
Om door die enge poort te gaan moet ik afscheid nemen van al mijn vroomheid als grond voor de eeuwigheid. En dat wil ik niet. 
Voelt u wel, dat kost strijd. Wij willen niet ontkleed worden, we willen overkleed worden. Wie met de gerechtigheid van de Heere Jezus Christus overkleed wordt, moet eerst afgebroken worden. En dat betekent strijd. 

Strijdt om in te gaan. Beste man, je moet al je wijsheid afleggen; je zit nog veel te veel te redeneren. Al die wijsheid, alles wat je denkt te weten, moet je kwijt. Weet je wat er over moet blijven? Een mens die het niet meer weet. Ja, maar dat wil ik niet. Nee, maar toch moet het zo. Kijk gemeente, dat kost strijd.
Strijdt om in te gaan. Wij willen wel door de enge poort, maar dan met een opgeheven hoofd, en dat kan niet. Die poort is te smal. Er waren poorten in Jeruzalem waar je alleen doorheen kon als je diep boog. Zo is het met deze enge poort. Je kunt daar niet rechtop doorheen, maar alleen gebogen, als een onwaardige.
Wij zijn hoogmoedige mensen; we willen niet buigen. Maar als je door die enge poort gaat, moet je diep buigen. Maar we willen overeind blijven. We moeten ons echter leren verootmoedigen. Je kunt er alleen op je knieën doorheen.
Strijdt om in te gaan door de enge poort. Waarom kost dat zoveel strijd? Wel, omdat je daar alleen maar zélf doorheen kunt gaan. Sommige mensen willen met hun vader of  hun moeder meereizen, of met de dominee. Of ze willen de hand van hun kind vasthouden. Of …  Maar dat kan niet. Genade is persoonlijk. Genade kun je niet delen. Je kunt het niet doen met de genade van je vader of je moeder. Je kunt er alleen maar doorheen als een arme, verloren zondaar. Ook al ben je geboren uit godvruchtige ouders, je kunt dat niet als grond aanvoeren. En dat kost strijd.
Strijdt om in te gaan. Waarom? Omdat er geen huichelaar door die poort kan; die komt er nooit doorheen. Alleen de oprechten zullen daar doorheen gaan. Ach, het is een weg, gemeente, om oprecht te worden.

Moet je eens kijken bij Adam en Eva. Zijn ze oprecht als de Heere hen arresteert? Nou, een klein beetje, maar ze beginnen elkaar wel te beschuldigen. Ze moeten zelf de schuld worden. Het is een weg om voor de dag te komen, om te zeggen: Heere, Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig. Ik doe me wel beter voor, maar er is in mij ook helemaal niets dat deugt. Het kost strijd om eerlijk gemaakt te worden.
Het gaan door die enge poort geeft een strijd in de weg van de rechtvaardigmaking. Denk maar aan het leven van Luther. Hij moest alles kwijt. 
Het geeft ook een levenslange strijd in de weg van de heiligmaking. Denk maar aan wat de apostel Paulus daarvan zegt: om nu alles schade en drek te leren achten om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijn Heere (Filipp.3: 8). Dat kost strijd, want er is zoveel wat zich daartussen dringt, dat zich voordringt en wat we voortdurend, in de weg van strijd, weer aan de kant moeten schuiven.

Het is een strijd. Want als je ingaat door de enge poort, zul je ook beleven wat de Heere Jezus gezegd heeft: Indien u de wereld haat, zo weet dat zij Mij eer dan u gehaat heeft. (Joh.15:18). Dan krijg je alles tegen, de wereld, de duivel en je eigen vlees. Vroeger had je geen last van hem, maar nu krijg je last van de duivel. Je krijgt ook last van jezelf, van je eigen hart. Dat is niet gemakkelijk, want je moet van jezelf nog zoveel verliezen.
Strijdt om in te gaan door de enge poort. Da Costa schrijft heel eerlijk: ‘Het is een strijd. Ik heb het ondervonden en ik ondervind het nog.’ En als ik het nu aan Gods kinderen vraag, denk ik dat ze allemaal zullen zeggen: Dominee, u hebt gelijk. Ik heb er vroeger ook wel eens anders over gedacht. Maar ik ben erachter gekomen dat het een strijd is en een strijd blijft. 
Strijdt om in te gaan door de enge poort. Er is een bekend lied dat je wel eens hoort zingen: Ik zie een poort wijd open staan, waardoor het licht komt stromen, waardoor ik vrijelijk heen mag gaan om vrede te bekomen. Er staat dus toch een poort open? Nou, inderdaad, ik zal  niet zeggen dat die poort niet open staat. Want als dat niet zo zou zijn, kon ik wel thuisblijven. Maar ik zeg wel – en dat realiseert men zich veel te weinig – dat die poort eng is en de weg nauw. Je komt er alleen maar doorheen in de weg van zelfverloochening en diepe verootmoediging. 

Ik zeg ook dat die poort gezócht moet worden. De Heere Jezus heeft dat ook gezegd. Een brede poort hoef je niet te zoeken, die zie je al uit de verte. Maar weinigen zijn er die deze nauwe poort vinden. Er zijn er ook weinig die deze poort nodig vinden. Men vindt het niet nodig om tegen de zonde te strijden, om de eigengerechtigheden af te leggen, om alles aan de kant te leggen en Jezus alleen over te houden. En dat moet.
De Heere Jezus zegt: Strijdt om in te gaan. Hij zegt niet: Het is genoeg als je weet dat die poort er is. Ik denk dat er heel wat kerkmensen zijn, gemeente, die genoeg hebben aan de wetenschap dat er een poort is. Ja, die is er! Maar je moet er doorhéén. Je kunt er niet ómheen. Er is maar één poort tot het huis der zaligheid. Je kunt er niet óverheen, je kunt er niet langs, maar je moet er doorheen. Dat is een heel persoonlijke zaak. 
En met alle vragen die deze man stelt, kun je nog gemakkelijk buiten die poort blijven. Maar voor de poort is nog niet door de poort.

Misschien weten we veel over die poort. Misschien kunt u precies zeggen hoe nauw en hoe eng die poort is. En misschien bent u het met me eens dat veel mensen er te gemakkelijk over denken. Misschien vindt u ook: die poort moet niet te ruim worden voorgesteld. Maar ja, als je er nu zelf buiten staat … U moet er doorheen. En ik moet er doorheen. Niemand van ons kan er ómheen.
Wat betekent het gaan door die poort eigenlijk? Is dat de wedergeboorte? Nee, hier niet. Het gaan door de poort betekent het bekleed worden met de gerechtigheid en de heiligheid van de Heere Jezus Christus. 
En dat is niet een ogenblik – ja, bij God vandaan wel – maar het gaan door die poort is voor Gods kinderen een levensles. Je kunt niet zeggen dat die strijd niet meer nodig is als de Heere in je leven gekomen is. Zolang de oude mens in ons leeft, blijft het een strijd. 
Strijdt om in te gaan door de enge poort. Gemeente, rust toch niet tot je weet dat je in die enge poort bent. Rust niet buiten de gerechtigheid van de Heere Jezus Christus. Dat is de boodschap! Als je niet strijdt om door die poort te gaan, gemeente, gaan we met al onze discussies verloren.

We gaan over tot onze derde gedachte, maar voor dat we daar nog iets van zeggen  zingen we Psalm 66, en daarvan het vijfde  vers:

Een net belemmerd’ onze schreden;
Een enge band hield ons bekneld;
Gij liet door heerszucht ons vertreden;
Gij gaaft ons over aan ’t geweld;
Hier scheen ons ’t water t’ overstromen,
Daar werden wij gedreigd door ’t vuur;
Maar Gij deed ons ’t gevaar ontkomen,
Verkwikkend ons ter goeder uur. 

3. Een zoeken buiten de poort

Want velen, zeg Ik u, zullen zoeken in te gaan, en zullen niet kunnen.  
Die man krijgt een antwoord op zijn vraag of er weinig mensen zalig worden. De Heere zegt eigenlijk indirect: Velen niet. Velen die denken dat ze zalig zullen worden, zullen niet zalig worden. Ze zullen zoeken in te gaan en zullen niet kunnen.
Velen zullen wel zalig worden. Weet je wie? Ze worden hier genoemd: Abraham, Izak, Jakob. Waren dat zulke bijzondere mensen? Nee, Jakob was een hielenlichter, een bedrieger. Maar hij is wel zalig geworden. 
Was Abraham zonder zonden? Nee, absoluut niet! 
En de profeten? Jona? O, Jona, met hem was nogal wat mis. Met de richter Simson ook. Nee, dat waren ook zondige mensen die het niet verdiend hadden, en die toch mogen aanzitten met Abraham, Izak en Jakob. Waarom? Omdat ze in de weg van strijd zichzelf mochten verliezen. 

Kijk, als ik het mag samenvatten gaat daar de strijd over. Die strijd is: jezelf verliezen. En dat is nu het allermoeilijkst voor een mens, gemeente. Het is een levenslange strijd. 
Dat is met Abraham gebeurd. En ook bij Jakob. Daar heeft de Heere wegen voor gebruikt. En ze zijn de strijd te boven! 
Er wordt wel eens gezegd: Die is de strijd te boven. Die is gekomen aan de andere kant van de poort. Daar is geen strijd meer. Daar zijn mensen bij die het nooit hadden kunnen denken. In vers 30 staat het: En ziet, er zijn laatsten die de eersten zullen zijn, en er zijn eersten die de laatsten zullen zijn. Wat een wonder! In dat huis komt een schare die niemand tellen kan, uit alle geslachten, volken, natiën. Daar heeft de Heere Jezus voor hen een woning bereid. 
Maar velen zullen niet in kunnen gaan. Ze staan bij de poort, ze kloppen eropt, ze willen erdoor. Ze zoeken in te gaan, maar het gaat niet.
Maar er staat toch: Zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden? (Luk. 11:9). Wel, maar het gaat hier over de gelijkenis van de bruiloftszaal, gemeente. En op een gegeven moment gaat de deur dicht. Dat is wat hier gezegd wordt.
Ze gaan zoeken als het te laat is. De bruiloftszaal is dicht. Dan kun je kloppen en zoeken wat je wilt, maar die deur gaat niet meer open, net als bij de dwaze maagden. De heer des huizes heeft de deur gesloten.

Welke mensen zijn het, die te laat zullen zoeken? Dat zijn de mensen die hier nooit geleerd hebben dat de poort eng is. Die komen er dan pas achter dat ze een misrekening gemaakt hebben. En dan willen ze gaan doen wat hier in hun leven had moeten gebeuren. Maar dat kan niet meer.
Dat zijn mensen die de strijd niet nodig vonden. Ze zeggen: Ach welnee, je moet dat niet zo scherp voorstellen. Niemand is zonder zonde. Er is bij de Heere Jezus zoveel genade te verkrijgen. God is barmhartig en liefdevol. Welnee, je hoeft zeker niet te twijfelen. Als je het goed meent, zul je vast en zeker in de hemel komen. Die dominees van de Gereformeerde Gemeenten maken het allemaal veel te moeilijk. Daar moet je je oren niet naar laten hangen. Er is helemaal geen strijd. Hoe kom je daar nu bij? 
Maar dan zullen ze er straks achter moeten komen wat de Heere Jezus hier zegt: Want velen, zeg Ik u, zullen zoeken in te gaan, en zullen niet kunnen. Dat wil zeggen: zij die proberen op allerlei manieren binnen te komen.
Het zijn rechthebbende mensen. Maar in de weg van strijd leert de Heere Zijn kinderen hun rechten te verliezen. Alles wat overblijft, is een naakte zondaar. Dat hebben deze mensen nooit geleerd. Ze staan bij de poort en ze zeggen: Heere, Heere, doe ons open, doe ons open! Wij horen er ook bij! Het zijn geen rechteloze mensen, het zijn rechthebbende mensen. Ze hebben nooit geleerd hun rechten te verliezen. En dat had wel  gemoeten. Ze hadden moeten leren dat er maar één grond is, één gerechtigheid, en dat hebben ze op aarde niet geleerd. Ze eisen dat de deur ook voor hen geopend wordt. Ze zeggen: Wij zijn toch ook kinderen van God?

Weet je wat de Heere Jezus van hen zegt? Hij zegt tegen hen: Ik zeg u, Ik ken u niet vanwaar gij zijt; wijkt van Mij af, alle gij werkers der ongerechtigheid! (Lukas 13:27). 
Dan zeggen die mensen: Ik? Een werker der ongerechtigheid? Nota bene, wij hebben aan dezelfde tafel gezeten. Wij hebben in Uw Naam geprofeteerd. Wij zijn uiterst godsdienstig. Wij hebben ons hele leven besteed in Uw Koninkrijk. Durft U te zeggen dat wij ongerechtige mensen zijn?’
Het zijn inderdaad geen grove spotters, gemeente. Maar de mensen die hier op de deur staan te kloppen, beseffen niet dat ze de hel verdiend hebben. Het zijn farizeeërs,  schriftgeleerden, Gergemmers, SGP’ers. Het zijn mensen die het allemaal goed bedoeld hebben. Maar ze zijn nooit hun rechten kwijtgeraakt. Dit zijn niet de mensen die zeggen: Ach, zou het voor mij nog kunnen?  Ik ben zo slecht. Ik ben zo door en door verdorven. Het zou een wonder zijn. Alle hemelklokken zullen luiden, als ik ooit binnenkom. Nee, dat zeggen ze niet. Ze zien zich als gerechtigden, als rechthebbende mensen, die zeggen: Doe ons open, doe ons open! Tot aan de poort houden ze hoop, dus tot aan het sterven. In het sterven verwachten ze dat de hemelpoort voor hen zal opengaan. Maar ze zijn buiten Christus. En buiten Christus is er geen zaligheid. Er is maar één gerechtigheid; er is maar één poort.

Strijdt om in te gaan door de enge poort. Hoe is het met die vrager afgelopen? Ik weet het niet. Misschien is er toen een strijd begonnen in zijn leven en heeft hij zichzelf leren kennen. Dat zou heel goed kunnen. Ik hoop het. Misschien heeft hij het wel naast zich neergelegd en gedacht: Ook deze rabbi maakt het veel te moeilijk. Het zou kunnen. Ik weet het niet.
Het is eigenlijk maar goed dat het er niet staat, want dan zouden we met die man bezig zijn. Maar we moeten met onszelf bezig zijn. Het is een boodschap voor mij en voor u. 
Strijdt om in te gaan door de enge poort. Ik hoop dat we onszelf daarvoor over mogen krijgen, gemeente. Je moet wat kwijt, zal Jezus betekenis krijgen! Ik moet al mijn kennis verliezen, zal Hij mijn Leermeester zijn. Dat is een voortdurende strijd, want het verstand dringt zich altijd op.
Ik moet al mijn heiligheid verliezen en mijn onreinheid inleven. Ik val mezelf zo bitter tegen, opdat Jezus mijn Hogepriester zal zijn.
Ik moet al mijn gerechtigheid inleveren als een wegwerpelijk kleed, opdat Christus mijn gerechtigheid worden zal.
In die weg word je rechteloos. In die weg wordt Jezus alles. Dan mag je Hem leren kennen in Zijn ambten, in Zijn weldaden en in Zijn verdiensten. 

Dat is geen gemakkelijke weg, maar wel een weg die goed afloopt. Als ze straks door de poort zijn, zal de strijd voor Gods kinderen ten einde zijn. Dan kunnen ze zeggen: Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geëindigd, ik heb het geloof behouden; Voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid welke mij de Heere, de rechtvaardige Rechter, in dien dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen die Zijn verschijning liefgehad hebben (2 Tim.4:7 en 8).
Je zegt misschien: ‘Dominee, nou ja, ik heb geen zin in die strijd.’ Weet je, ik kan het me nog voorstellen ook, echt waar. Maar probeer eens rustig na te denken. Hoelang duurt ons leven op deze aarde? Honderd jaar? Heel weinig mensen worden dat. Maar stel je voor dat je honderd jaar mag worden, en dat ik zeg: ‘Joh, doe er maar niet zo moeilijk over, en neem het ervan.’ Dan komt de eeuwigheid. Hoelang duurt de eeuwigheid? Honderd jaar? Nee, daar komt nooit een einde aan.
Stel je voor dat je honderd jaar op de aarde rust gehad hebt. En dan komt er een strijd die nooit eindigen zal. Dat is nog eens verschrikkelijk! Altijd: Had ik maar, had ik maar!
Maar stel dat je honderd jaar op deze aarde altijd van binnen strijd hebt tegen de zonde, tegen jezelf, tegen de wereld. Maar dan komt er straks een moment dat er geen strijd meer is. Dán ben je de strijd te boven, dan komt er ook nooit meer strijd. 
Wat is nu het beste? Je mag zelf kiezen wat het beste is. Zo de Heere God is, volgt Hem na, en zo het Baäl is, volgt hem na (1 Kon.18:21).

Amen. 

Slotzang: Psalm 119:1,17

Welzalig zijn d’ oprechten van gemoed,
Die, ongeveinsd, des HEEREN wet betrachten;
Die Hij op ’t spoor der godsvrucht wand’len doet;
Welzalig die, bij dagen en bij nachten,
Gods wil bepeinst, en Hem, als ’t hoogste goed,
Van harte zoekt met ingespannen krachten.

Leer mij, o HEER’, den weg, door U bepaald,
Dan zal ik dien ten einde toe bewaren;
Geef mij verstand, met Godd’lijk licht bestraald;
Dan zal mijn oog op Uwe wetten staren;
Dan houd ik die, hoe licht mijn ziel ook dwaalt;
Dan zal zich ’t hart met mijne daden paren.