Ds. C. Harinck - Lukas 10 : 20

De hoogste blijdschap

Lukas 10
De gevaarlijke blijdschap van de zeventigen
De aangeprezen blijdschap van Jezus
De gezegende blijdschap van Gods kinderen

Lukas 10 : 20

Lukas 10
20
Doch verblijdt u daarin niet, dat de geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u veel meer, dat uw namen geschreven zijn in de hemelen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 115: 7
Lezen : Lukas 10: 1-20
Zingen : Tien Geboden: 9
Zingen : Psalm 65: 1,2 &3
Zingen : Psalm 89: 8
Zingen : Psalm 59: 10

Gemeente, misschien hebt u weleens gedacht: Hadden de remonstranten maar gelijk, dan hing de zaligheid niet af van Gods vrije genade, maar van mijn vrije wil. Wij zeggen vooral: Was er maar geen uitverkiezing. De uitverkiezing vinden wij vaak een moed benemende leer. En toch, in de Bijbel wordt de uitverkiezing ons voorgesteld als een bron van troost, van geestelijke vreugde en van verwondering. Hoe kunnen die twee verschillende dingen, moedeloosheid en verwondering over een en dezelfde zaak ontstaan? Hoe kan het zijn dat de een zegt: De verkiezingsleer maakt mij moedeloos; en de ander: De verkiezingsleer vervult mij met vreugde en verwondering? 
Daar willen wij vanuit Schrift een antwoord zoeken te geven. Onze tekst kunt u vinden in Lukas 10:20. Wij lezen daar: Doch verblijdt u daarin niet, dat de geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u veel meer, dat uw namen geschreven zijn in de hemelen. 
 
Het gaat in deze tekst over de hoogste blijdschap. We willen drie punten aan de orde stellen:

1. De gevaarlijke blijdschap van de zeventigen.
2. De aangeprezen blijdschap van Jezus.
3. De gezegende blijdschap van Gods kinderen.

1. De gevaarlijke blijdschap van de zeventigen
We lezen in het eerste vers van Lukas 10: En na dezen stelde de Heere nog andere zeventig, en zond hen heen voor Zijn aangezicht, twee en twee, in iedere stad en plaats, waar Hij komen zou. De Bijbel zegt dus dat de Heere Jezus – naast de bekende twaalf discipelen – zeventig discipelen heeft uitgezonden. Hier wordt gezegd dat Hij nóg eens een keer zeventig jonge mannen uitzond. Hun namen weten we niet. We komen die verder ook nergens tegen in het Nieuwe Testament. Hij verkoos hen uit Zijn volgelingen. Dus Hij moet heel wat volgelingen hebben gehad. Er moeten heel wat jonge mannen Jezus zijn gevolgd. Het optreden van Jezus heeft heel wat meer opschudding in Israël teweeggebracht dan wij gewoonlijk denken. Later zal Paulus zeggen: Het is in geen hoek geschied (Hand. 26:26). Wij denken meestal aan Jezus met een klein getal van twaalf volgelingen. Maar Jezus werd door menigten gevolgd en vooral door jonge mannen. 
Jezus zond dus wéér zeventig discipelen uit om in de dorpen en gehuchten te verkondigen dat de Messias gekomen was. Het getal zeventig heeft wel een symbolische gedachte, als we denken aan de zeventig oudsten die Mozes in zijn werk bijstonden. Maar de nadruk moet toch zijn dat Jezus opníeuw zeventig jonge mannen uitzond om de weg voor Hem te bereiden. 
Hoe Hij hen geroepen heeft, weten we niet. Misschien door hun naam te noemen of hen aan te wijzen. Misschien dat Hij ook Zijn handen op hen heeft gelegd, maar Hij riep ze en Hij zond ze uit, twee aan twee. Er staat: Hij zond ze uit om voor Hem heen te gaan. Zij moesten dus voor Hem uitgaan in de dorpen en in de steden van Galilea. Dat betekende dat ze in die dorpen en steden moesten gaan verkondigen: De Messias is in aantocht, de Koning komt u weldra bezoeken. Ze hebben gepredikt: Bekeert u en gelooft het evangelie. 

Zoals Johannes de Doper als wegbereider voor Jezus heen ging, zo zijn deze zeventig voor Jezus heengegaan. Ze vertelden in de dorpen en in de steden: ‘De Meester komt spoedig, Hij komt ná ons. Bereid u voor om Hem te ontvangen. Breek met uw zonden, en geloof het evangelie.’ 
Jezus heeft hun aanwijzingen gegeven voor het uitoefenen van hun taak. Ze mochten geen buidel meenemen (geen portemonnee) en geen male (geen voorraad eten), en ook geen extra schoenen; bovendien mochten ze niemand groeten op de weg. Ze mochten dus niet doen wat een Oosterse reiziger wél altijd deed. Die nam geld mee, voedsel, een extra paar sandalen; en ze sloten zich aan bij andere reizigers. Oosterlingen talmden nog weleens onderweg. Zij groetten mensen en hadden soms langdurige gesprekken met hen, maar dit alles moesten deze discipelen niet doen. 
Ze moesten zich richten op hun taak: de dorpen en steden bezoeken, en zeggen: ‘De Messias is in aantocht! Onze Meester komt na ons. Bekeert u, en gelooft het evangelie.’ Jezus beval hen verder om de zieken te genezen in die dorpen en steden, en om de duivelen uit te werpen. Zo werden zij dus vóór Jezus heengezonden. 

We lezen in vers 17: En de zeventig zijn wedergekeerd met blijdschap, zeggende: Heere, ook de duivelen zijn ons onderworpen in Uw Naam. Wat kwamen ze opgetogen terug en wat was er verwondering in hun harten! Wat waren ze allereerst persoonlijk bevestigd in hun geloof dat Jezus de Messias was. Ze hadden gepreekt en de Heere had de prediking gezegend en de harten van mensen ervoor geopend. Ze hadden op hun weg ook de vijand, de boze satan, ontmoet. Maar ze hadden door de kracht van Jezus de duivelen uitgeworpen, en nu vertellen ze het Hem. Ze zeggen het met verwondering: Heere, ook de duivelen zijn ons onderworpen in Uw Naam (Luk. 10:17). Ze waren er vol van! Wat een succes hadden ze gehad, en wat hadden ze grote daden verricht! 
Maar hoe reageert Jezus dan? We lezen in vers 18 dat Hij zei: Ik zag den satan als een bliksem uit den hemel vallen. Jezus wijst hen op een groot gevaar. Hij wijst op de tegenpartijder, de duivel. Hij zegt: ‘Ik zag de duivel als een bliksem’ – dat is: met geweldige snelheid – ‘uit de hemel vallen.’ Dat doet de satan om het werk van God te verstoren en tegen te staan. Jezus zei verder tegen hen: Zie, Ik geef u de macht om op slangen en schorpioenen te treden, en over alle kracht des vijands; en geen ding zal u enigszins beschadigen (vers 19). En Jezus belooft: Ik zal u toerusten om de vijand te kunnen weerstaan en hem te kunnen overwinnen. 
Wat een bijzondere krachten geeft de Heere Jezus Zijn volgelingen! Zij ontvangen macht om op slangen en schorpioenen te kunnen treden, die beesten dus onder hun voeten te vermorzelen. Hij geeft hun de macht over alle vijanden en belooft dat niets hen zal beschadigen. 
Maar dan zegt Hij tegen hen in onze tekst: Doch verblijdt u daarin niet, dat de geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u veel meer, dat uw namen geschreven zijn in de hemelen. 
Jezus zegt dit niet om hun vreugde weg te nemen, maar wel om hun vreugde – hun opgetogenheid – wat te matigen en te corrigeren. Hij zegt: 'Er is een grotere vreugde dan dat de duivelen je onderworpen zijn. Er is iets dat daar ver bovenuit stijgt: een grotere zaak, een heerlijker genade.' Duivelen uitwerpen is het hoogste niet. Het heerlijkste is: Maar verblijdt u daarin, dat uw namen geschreven zijn in de hemelen. Daar moeten zij zich vooral in verblijden: dat ze met naam en toenaam in de hemel bekend zijn. Want het uitwerpen van duivelen zal eens ten einde komen, maar je naam geschreven in Gods boek in de hemel is een zegen die blijft tot in de eeuwigheid. 
Jezus wilde dat ze niet zouden opgaan in hun succes, Zij moesten niet opgaan in de rijke zegen die ze op hun werk hadden ontvangen en gezien. Jezus heeft hen op iets beters gewezen. 

Wij staan er zo voor open om op te gaan in wat wij tot stand hebben gebracht. Dan zeggen ook wij: Heere, ook de duivelen zijn ons onderworpen in Uw naam (vers 17). Maar zo spoedig sluipt er iets in van trots en van zelfverheffing binnen. Dat was ook bij deze zeventig het geval. Hoor maar wat ze zeggen: Heere, ook de duivelen zijn ons onderworpen in Uw Naam (vers 17). Ze zeggen niet: 'In Uw Naam zijn aan ons de duivelen onderworpen'. Nee, ze zeggen: ‘Aan óns zijn de duivelen onderworpen’, en pas daarna: ‘in Uw Naam’. 
Er dreigde bij de zeventigen het gevaar om de hoogte in te gaan, om op te gaan in het succes. Maar Jezus corrigeert hen en doet dat op een heel bijzondere manier. Hij zegt: Doch verblijdt u daarin niet, dat de geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u veel meer, dat uw namen geschreven zijn in de hemelen.
We letten daarop in de tweede gedachte. 

2. De aangeprezen blijdschap van Jezus
Jezus wilde dat ze zich meer zouden verheugen over het feit dat hun namen bij God bekend waren. Ze zouden meer verheugd moeten zijn dat hun namen in het levensboek stonden, dan dat de duivelen aan hen onderworpen waren. 
We mogen blij zijn als God ons werk in Zijn Koninkrijk zegent, wanneer er mensen tot bekering komen en zondaren van de eeuwige dood worden gered. Zieken worden genezen; en mensen die bezeten zijn door boze geesten van verslaving aan drugs, drank en seks, worden bevrijd. We mogen blij zijn als Gods kinderen opwassen in de genade en kennis van Christus. We mogen dankbaar zijn als de gemeente wordt gebouwd en de jeugd bij de kerk blijft. Maar het persoonlijk deelhebben aan de Heere Christus, het persoonlijk deelhebben aan de zaligheid stijgt daar ver bovenuit. 
Op een andere plaats zegt Jezus dat er op de dag van Zijn wederkomst mensen tot Hem zullen komen en zullen spreken over het werk in Zijn koninkrijk en het grote succes dat ze hebben gehad. Velen zullen zeggen: ‘Hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd, in Uw Naam tekenen gedaan en duivelen uitgeworpen?’ (Matth. 7:22). Maar zij missen het voornaamste: een persoonlijk deelgenootschap aan het heil. Jezus zal tegen hen zeggen: Ik ken u niet, vanwaar gij zijt (Luk. 13:25). 
Wat een aangrijpende gedachte! Gebruikt om zondaren te bekeren …; grote en verbazende dingen gedaan en zelfs boze geesten … Maar niet van en door Jezus gekend zijn! 

Daarom wijst Jezus de enthousiaste discipelen op iets veel belangrijkers dan dat de duivelen hun onderworpen waren. Hij zei: Verblijdt u, dat uw namen geschreven zijn in de hemelen. Wat bedoelt Jezus? Waarover heeft Hij het? Zijn er dan in de hemel boeken waarin namen worden geschreven? Het antwoord is: Ja, Gods Woord spreekt over boeken waarin God schrijft. In Openbaring 20 staat bijvoorbeeld. En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat des levens is; en de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken (Openb. 20:12). 
En de boeken werden geopend – het staat er in het meervoud: boeken. Er zijn verschillende boeken. God houdt boek. Want daar is het boek van Gods wet, waarnaar Hij mensen oordelen zal. Daar is het boek van ons geweten, dat weet en kennis heeft van onze verkeerde daden. En daar is ook het boek van Gods alwetendheid, waarin God alles opschrijft en niets vergeet. 
God houdt een boek bij van al onze woorden, gedachten en werken. De profeet Maleachi zegt: En er is een gedenkboek voor Zijn aangezicht geschreven (Mal. 3:16). 
Maar daarnaast is er nog een ander boek. Er staat: En een ander boek werd geopend. Hier betekent dat woordje 'ander' eigenlijk een ‘andersoortig’ boek. Dat boek wordt in Openbaring 20:12 het boek dat des levens is genoemd. Over dat boek wordt dikwijls in Openbaring gesproken. In Openbaring 3:5 bijvoorbeeld: Die overwint, die zal bekleed worden met witte klederen; en Ik zal zijn naam geenszins uitdoen uit het boek des levens (Openb. 3:5). Openbaring 13:8 spreekt over mensen die het beest aanbidden. Dan volgt er: welker namen niet geschreven zijn in het boek des levens. En de bekende tekst in het laatste hoofdstuk van Openbaring luidt: En indien iemand afdoet van de woorden des boeks dezer profetie, God zal zijn deel afdoen uit het boek des levens (Openb. 22:19).
Ook in het Oude Testament lees je erover. In psalm 69 bijvoorbeeld, als David zo wreed en onrechtvaardig achtervolgd wordt, bidt hij of God zijn vijanden wil straffen. En dan zegt hij: Laat hen uitgedelgd worden uit het boek des levens (Ps. 69:29). We kunnen ook aan Mozes denken na de zonde met het gouden kalf. Dan bidt hij voor Israël en dan zegt hij tegen de Heere: Nu dan, indien Gij hun zonden vergeven zult! Doch zo niet, zo delg mij nu uit Uw boek, hetwelk Gij geschreven hebt (Ex. 32:32). 

Er is dus een boek des levens. Wat is dat voor een boek? De nam zegt het. Het is een boek waarin de namen van de levenden staan. Het wordt ook genoemd ‘het boek des Lams’. Het is het boek waarin de namen staan van hen die God tot het leven, het eeuwige leven, heeft uitverkoren. Het is het boek waarin de namen staan van de mensen die de Vader aan het Lam, aan Zijn Zoon, heeft gegeven om in hun plaats te lijden en te sterven, hun zonden te dragen en te verzoenen door de kruisdood.
Het boek des levens is te vergelijken met een testament. De erfgenamen van God staan daarin, met alles wat zij eenmaal zullen beërven. Het gaat hier dus over de namen van de mensen die eens eeuwig zalig zullen worden. 
Op die genade, op die grote bevoorrechting, wijst Jezus Zijn discipelen: Doch verblijdt u daarin niet, dat de geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u veel meer, dat uw namen geschreven zijn in de hemelen. 
Onze namen kunnen staan in de geschiedenisboeken. Het kan zijn dat we een groot staatsman zijn geweest of een geweldige legeraanvoerder, en wat al niet meer; maar dat is niets vergeleken met dit boek des levens. Namen, staat er, dat is dus meervoud. Dat wijst niet alleen op de vele namen die in dat boek staan, maar ook op hoe ze daarin staan. Ze staan erin met naam én toenaam. Het wijst op een heel persoonlijke uitverkiezing. Een ‘particuliere verkiezing’ noemen we dat. ‘Uw namen,’ zei Jezus, ‘zijn bekend in de hemel en zijn opgeschreven in Gods boek.’ Daar mochten, nee, daar moesten de discipelen zich in verblijden. 

Maar om je daarin te verblijden, moet je weten dat je naam in dat boek staat.
Kun je dat weten? En hoe kun je dat weten? Jezus wist welke namen in dit boek van God stonden. Hij heeft in de verborgen raad van God gestaan, toen die namen in dat boek geschreven werden. Hij was erbij, toen ze daarin geschreven werden. De goede Herder weet wie Zijn schapen zijn. Hij wist dus dat de namen van de zeventigen in Gods boek in de hemelen waren opgetekend. 
Maar hoe kan ík het weten? Dat is de strijd van veel kerkgangers en de strijd van Gods kinderen. Wist ik maar dat mijn naam in dat boek des levens is … Wat hebben ze dikwijls een strijd met de uitverkiezing.
Gemeente, ik geloof dat er nooit een zondaar verontrust is geworden over zijn eeuwige staat en is gaan nadenken hoe hij ooit God in vrede zal kunnen ontmoeten, zonder dat hij strijd heeft gehad met de uitverkiezing. Zodra een mens naar God begint te zoeken, zodra een heilige onrust ons drijft om de genadetroon aan te lopen, is daar de duivel die in ons hart fluistert: ‘Maar dan moet je wel uitverkoren zijn. Al je bidden en al je schreien en al je zoeken zal je allemaal niet baten als je naam niet geschreven is in dat boek des levens.’ 
Ben ik wel uitverkoren? Staat mijn naam wel in dat boek des levens? Wist ik dat maar … Wat is dit dikwijls de bange vraag van het onrustige hart! Wat worden Gods kinderen er dikwijls mee geplaagd, dat ze niet tot de uitverkorenen behoren. Wat is het dikwijls moed benemend om te denken: Al mijn zoeken en mijn bidden, al mijn schreien zal niet helpen als God me niet heeft uitverkoren, als mijn naam niet is in dat boek des levens. Zij zeggen: ‘Wist ik dat maar. Dan zou ik zekerheid en rust hebben.’ 

Zo zijn er velen op zoek om te mogen weten dat hun namen in het boek des levens staan. De uiterst belangrijke vraag is: Waar zoeken wij dit? Of is het nergens te vinden? Is het hoogste wat te bereiken is wat de Middeleeuwse theologen stelden: een ‘waarschijnlijkheid’ van zalig worden. Weet niemand het zeker? Is het niet en nooit zeker te weten dat je naam in het boek des levens staat? 
Het is te weten. De zeventigen hoorden het uit Jezus’ mond. De twaalf apostelen wisten het. Jezus zei: Gij hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren (Joh.15:16). De treurenden wisten het; de hongerigen naar de gerechtigheid wisten het; de reinen van hart wisten het. Want Jezus zei tegen hen: want hunner is het Koninkrijk der hemelen (Matth. 5:10).
Het leert ons waar die gezegende kennis te vinden is, waardoor we kunnen of we behoren tot hen wier namen in de hemelen geschreven zijn. Ons ongeluk is dat wij die kennis zoeken waar ze niet te vinden is. Wij zoeken die kennis op de verkeerde plaats. We zoeken die zekerheid buiten Gods Woord. We zoeken die kennis in bijzondere ervaringen, in het horen van een stem buiten de Bijbel om, die ons de zekerheid geeft dat we tot de uitverkorenen behoren. We hebben erover horen praten en in bekeringsverhalen gelezen hoe als het ware een stem uit de hemel kwam, die zei: Gij zijt Mij een uitverkoren vat (Hand. 9:15). 
Wij zoeken het in soort extase, een Geestesdoop, die ons doet juichen en buiten onszelf brengt van verrukking en vreugde. We horen mensen daarover spreken en denken: Dit is het …! Zo zijn mensen in vertwijfeling op zoek om te mogen weten dat zij tot de uitverkorenen van God behoren. Maar wanneer wij die gezegende wetenschap buiten Gods Woord zoeken, verdwalen we. Calvijn zegt daarvan: ‘Wanneer wij als mensje trachten door te dringen tot in de geheime schuilhoeken van Gods wijsheid, om te begrijpen wat er in de eeuwigheid door God over ons besloten is, worden wij door een onmetelijke draaikolk verzwolgen, en storten neer in een afgrond en worden gemarteld met vreselijke kwellingen.’ 
Wat is dat waar! Hoe velen worden gepijnigd, door de leer van de predestinatie: dat God in de eeuwigheid heeft verkoren en heeft verworpen. Het feit dat dat dit een onwrikbaar besluit is waar nooit iets aan verandert, brengt soms zelfs tot wanhoop. En op zijn best tot de berusting: Het zal wel niet voor mij zijn weggelegd ... 
Het kan ook tot opstand tegen de predestinatieleer brengen en zelfs tot een dagen van God voor onze rechtbank. God moet dan uitleggen waarom Hij de een verkoren heeft en de ander niet. Calvijn heeft gelijk. We komen dan in een draaikolk terecht, en we storten in een donkere, duistere afgrond. Daarom moeten we ons wachten voor het zoeken van onze verkiezing buiten de Schrift. We moeten ons wenden tot wat ons in de Bijbel is geopenbaard. We moeten de zekerheid van onze verkiezing in het Woord van God naspeuren. In dat Woord van God staat wie er uitverkoren zijn. 

De bekende Thomas Boston zegt: ‘Er is een boek in de hemel waar wij niet in kunnen lezen. Dat is het verborgen boek des levens.’ Maar, zegt hij, er is een kopie. Er is een kopie van dat boek op de aarde, en dat is de Bijbel. Daarin staan de namen van de erfgenamen. Hij zegt: ‘Die twee boeken spreken elkaar niet tegen. Als er in de Bijbel staat: Zalig zijn de armen van geest (Matt. 5:3), en: Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid (Matt. 5:6), en: Zalig zijn de reinen van hart (Matt. 5:8), dan wordt dat niet tegengesproken door het verborgen boek in de hemel.’ 
In de Bijbel, het boek op de aarde – en alleen daarin kunnen wij lezen – wordt gezegd wie Gods uitverkorenen zijn. Zo lezen we in Romeinen 8:30: En die Hij tevoren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.
Het is de bekende keten des heils. We weten: de sterkte van een ketting wordt bepaald door de zwakste schakel. Deze ketting kent echter geen zwakke schakels. Wat een sterke en onverbrekelijke schakel is de eeuwige voorverordinering. Niets kan Zijn hoog besluit ooit keren. Maar even sterk is de volgende schakel, de roeping. Die God geroepen heeft, schrijft de apostel. Allen die God geroepen heeft, zullen zeker zalig worden. Die schakel is even sterk als de schakel van de voorverordinering. 
En wat vooral van betekenis is: de roeping is de eerste schakel in de tijd! De schakel van de eeuwige voorverordinering is ons onbekend. Maar wat de eerste stap is die God zet in de tijd, is ons wel bekend! Dezen heeft Hij ook geroepen, zegt de apostel. Op de eeuwige voorverordinering volgt de roeping in de tijd. God roept die Hij tevoren verordineerd heeft tot de eeuwige zaligheid, vanuit de duisternis tot het licht. 

Uit deze roeping weten we onze uitverkiezing. Dáár moeten we beginnen. Niet bovenaan de ladder, maar bij de eerste schakel. Gods eerste werk is de roeping. Een bewijs van onverdiende en eeuwige verkiezing is dat God geroepen heeft uit de duisternis en gebracht heft tot Zijn wonderbaar licht (1 Petr. 2:9). Uit alles waarin je voorheen gevangen zat, uit een lege godsdienst, uit zorgeloosheid, uit een zondig en een verkeerd leven.
Met de verloren zoon ben je dan tot jezelf gebracht, zodat je ging belijden: Vader, Ik heb gezondigd tegen den Hemel, en voor u (Luk. 15:18). 
Levend gemaakt te zijn, waar je vroeger dood was door de zonden en de misdaden. ‘Eens was ik een vreemd’ling voor God en mijn hart. Ik kende geen schuld en gevoelde geen smart.’ De onverschilligheid, de valse rust, de geestelijke dood … ze zijn alle verdreven door de vraag: ’Mijn ziele, doorziet gij uw lot, hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor God?’ 
De wet van God is in je hart geschreven, zodat je begeert Gods geboden te houden, terwijl je vroeger Gods wet en Gods geboden niet liefhad. 
De liefde Gods is in je hart uitgestort door de Heilige Geest. Een liefde die smart brengt over de bedreven zonden en een droefheid naar God in je hart brengt, zodat je David nazegt: Gelijk een hert schreeuwt nar de waterstromen alzo schreeuwt mijn ziel naar U, o God! 
Een onberouwelijke bekering tot de zaligheid is in uw hart gewekt. Met smart hebt u afscheid genomen van alle verkeerde wegen en u tot God gewend met het gebed van de tollenaar: O God, wees mij zondaar, genadig! 
Het is de roeping, waarmee God al de Zijnen roept uit de duisternis. Uit deze roeping kan men weten of men tot de uitverkorenen behoort. Het is een roeping, die tot geloof in Jezus Christus brengt.
 
Geroepen, schrijft de apostel, tot de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onzen Heere (1 Kor 1:9). De roeping vindt altijd vanuit iets plaats. God roept uit de duisternis. En Hij brengt tot het wonderbare licht, dat in Christus is ontstoken. Een waar geloof in Jezus Christus, de geestelijke vereniging met Christus, is het merkteken van eeuwige verkiezing. En waarom? Om de eenvoudige reden, gemeente, dat God niet alleen besloten heeft om de uitverkorenen zalig te maken, maar omdat Hij besloten heeft om hen zalig te maken door Jezus Christus. Daarom noemt Calvijn het geloof in Christus ‘de spiegel van onze uitverkiezing’. ‘Een heldere spiegel,’ zegt hij, ‘waarin we onze eeuwige verkiezing mogen aanschouwen.’ 
Onze verbondenheid aan Christus; het dierbaar achten van de Zaligmaker; het niets anders weten dan Jezus Christus en Die gekruisigd; de smaadheid van Christus meerdere rijkdom achten dan alle schatten van Egypte - het zijn allemaal zekere bewijzen van de eeuwige verkiezing. 
Allen die Jezus Christus door een waarachtig geloof aannemen, beschouwt God als Zijn kinderen. Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven (Joh. 1:12). Uit deze díngen kunnen wij weten, dat onze naam staan geschreven in de hemel. Het stemt geheel met de Schrift overeen. Zo schrijft de apostel aan de christenen in Thessalonica: Wetende, geliefde broeders, uw verkiezing van God (1 Thess. 1:4). Hoe wist Paulus dat? Dat verklaart hij in het voorgaande vers: Zonder ophouden gedenkende het werk uws geloofs, en den arbeid der liefde, en de verdraagzaamheid der hoop op onzen Heere Jezus Christus (1 Thess. 1:3). Dááruit wist de apostel hun verkiezing van God. Uit de vruchten van de verkiezing. 
De Dordtse Leerregels zeggen dan ook, dat we onze verkiezing niet aan de weet komen door de verborgenheden Gods nieuwsgierig te doorzoeken, maar dat we het weten uit de vruchten van de verkiezing. En dan noemen zij deze vruchten: ‘als daar zijn: het waar geloof in Jezus Christus, kinderlijke vreze Gods, droefheid die naar God is over de zonde, honger en dorst naar de gerechtigheid’ (D.L. 1-12). Zij zeggen dat de gelovigen deze vruchten van Gods genadige verkiezing met innerlijke blijdschap in zich waarnemen en daaruit hun verkiezing weten.
Gemeente, let erop dat het belangrijkste merkteken van onze verkiezing in de Dordtse Leerregels het eerst wordt genoemd: ‘het waar geloof in Jezus Christus’. Dat is en blijft het belangrijkste merkteken. Het feit dat je als een arm, verloren mens tot Jezus bent gebracht. Het feit dat je zó onderwezen bent door de Vader en de Heilige Geest dat de woorden van Jezus in je vervuld zijn: Een iegelijk dan, die het van den Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij (Joh. 6:45). Dan hebben we onze toevlucht genomen tot het bloed en de gerechtigheid van Jezus. Dan is je ziel aan Christus verbonden geworden en is het op u van toepassing: U dan, die gelooft, is Hij dierbaar (1 Petr. 2:7). Dan zegt u Paulus na: Ik acht ook alle dingen schade te zijn, (…) opdat ik Christus moge gewinnen (Filipp. 3:8). Zie, daaruit kunnen wij het weten. 

Aan die kennis dat we uitverkoren zijn, is ten slotte nog een belangrijke zaak verbonden. Ons roemen in Gods genade mag niet tegengesproken worden door een zondige levenswandel. Het is een kennis, die ons verlangend maakt om God te verheerlijken in lichaam en in geest. De kennis van onze eeuwige verkiezing maakt niet zorgeloos en goddeloos. Zij is verbonden met een leven in evangelische heiligmaking. Nee, geen leven in volmaaktheid. Het is een leven van vallen en opstaan. Maar toch een leven dat zegt: Maar ik jaag daarnaar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben (Filipp. 3:12). Daaruit kunnen wij het weten dat onze namen geschreven zijn in de hemelen en mogen we er de blijdschap en troost van genieten. 

We letten daar nog op in de laatste gedachte. Maar eerst zingen we Psalm 89:8.

Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht;
Uw vrije gunst alleen wordt d’ ere toegebracht;
Wij steken ’t hoofd omhoog en zullen d’ eerkroon dragen,
Door U, door U alleen, om ’t eeuwig welbehagen;
Want God is ons ten schild in ’t strijdperk van dit leven,
En onze Koning is van Isrels God gegeven.

3. De gezegende blijdschap van Gods kinderen
Jezus zegt: Maar verblijdt u veel meer, dat uw namen geschreven zijn in de hemelen. De wetenschap dat onze naam in de hemel opgetekend is, geeft blijdschap in alle omstandigheden. De omstandigheden van ons leven op zichzelf kunnen verre van vreugdevol zijn. De Bijbel zegt van de gelovigen: Vele zijn de tegenspoeden des rechtvaardigen (Ps. 34:20). Door veel verdrukkingen moeten ze ingaan in Gods koninkrijk. Kruis, ziekte, rouw, verdriet en kruis kunnen ons treffen. Spot en verachting, ja zelfs vervolging kan ons deel worden. Armoede, gebrek, werkloosheid of eenzaamheid kan op ons pad komen. We kunnen in een rolstoel terecht komen. We kunnen van onze man of vrouw beroofd worden. We kunnen ernstig ziek worden, vol pijnen en vol ellenden. Wat kan ons dan blijdschap geven? Ja, zeg dat eens. Wat kan ons dan blijdschap geven? Wat kan ons dan doen zeggen met Habakuk: ‘Ofschoon de vijgenboom niet bloeit, en ofschoon er geen rund in de stal is; ofschoon ik alles verloren heb wat mij dierbaar was. Zo zal ik nochtans van vreugde in de Heere opspringen’ (Hab. 3:17 en 18). 
Gemeente, het is het wondere geheim van Gods verkiezing te weten dat onze namen geschreven zijn in de hemelen. Dan is er eigenlijk altijd aanleiding om je te verheugen en te verwonderen. Zo iemand kan nooit helemaal zonder troost en zonder vreugde zijn. Wanneer je het weten mag: mijn naam is geschreven in de hemel, dan weet je wat Paulus schrijft: dat niets ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, die daar is in Jezus Christus, onze Heere (Rom.8:39). Wat een geborgenheid geeft dat, gemeente! Dat geeft ook een vertrouwen voor de toekomst. Paulus schrijft: Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft (…) hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken? (Rom. 8:32) Zal Hij dan niet voor ons zorgen? Zal Hij dan niet bij ons zijn? 
Wat een geborgenheid en een vastigheid geeft dat. Want de verkiezing is een fundament dat nooit wankelt. Het leert ons dat ik niet uitverkoren ben om iets in mij of vanwege mij. Het leert me dat ik het niet zelf moet vasthouden, omdat ik het anders zal verliezen. Wat geeft dat een geborgenheid, wat een vastheid! Het vaste fundament Gods staat: God kent degenen die de Zijnen zijn. En zo is de verkiezing een troostleer en in waarheid het hart van de christelijke kerk.
We lezen in Lukas 10:17: En de zeventig zijn wedergekeerd met blijdschap, zeggende: Heere, ook de duivelen zijn ons onderworpen in Uw naam (vers 17). Maar Jezus zei: Doch verblijdt u daarin niet, dat de geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u veel meer, dat uw namen geschreven zijn in de hemelen.
We kunnen ons in veel dingen verblijden. Dat je carrière hebt gemaakt; dat je zaak floreert; dat je een gezegend gezin en een goed huwelijk hebt, dat je kinderen kunnen studeren en het goed hebben in de wereld. Maar gemeente, wáár u zich ook in verblijdt, het is een tijdelijke blijdschap. Het is een blijdschap die weer weggenomen zal worden. Maar tot de discipelen zei Jezus: ‘Uw vreugde zal nooit meer van u weggenomen worden.’ Dat is de vreugde dat onze naam geschreven is in het boek des levens.

Is mijn naam wel geschreven in het boek des levens? Het is een worsteling van veel kerkgangers. Men zit onder de prediking, men hoort de oproep tot bekering, de oproep om de Heere te zoeken. Men hoort over Jezus Christus, de Zaligmaker, dat Zijn bloed van alle zonden reinigt, dat Hij volkomen zalig maken kan, die door Hem tot God gaan. Men hoort de nodiging: En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet (Openb. 22:17), maar altijd hebben we in ons achterhoofd: Dat is niet voor iedereen; dat is alleen maar voor de uitverkorenen. Wij luisteren altijd met een ‘maar’. Maar … dan moet je uitverkoren zijn.
 Hoor wat Mozes daarover tegen u zegt: De verborgen dingen zijn voor den Heere onzen God; maar de geopenbaarde zijn voor ons en voor onze kinderen tot in eeuwigheid (Deut. 29:29). We moeten letten op wat in Gods Woord is geopenbaard. God zegt en belooft: Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden (Matth. 7:7). U blijft echter zeggen: ‘Maar, maar ...’ Want er staat toch ook: Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren (Matth. 22:14).
Dus toch! Als je niet uitverkoren bent, dan helpt al dat bidden en dat zoeken, dat kerkgaan en dat Bijbellezen niets. Zou het nu zo zijn, gemeente? Er is een eeuwige uitverkiezing, dus er helpt geen gebed, geen waarnemen van de middelen der genade, geen berouw en geen bekering … Als ik uitverkoren ben, kom ik er vanzelf, en als ik niet uitverkoren ben, kan ik bidden en schreien en doen wat ik wil, maar dan kom ik er niet …
Zouden er mensen in de hel zijn, die zeggen: ‘Heere, ik wilde de goede weg, maar ik kon die weg niet gaan, omdat U mij niet uitverkoren hebt. Ik wilde me wel bekeren, en ik wilde wel geloven, maar ik kon me niet bekeren; ik kon niet geloven, omdat mijn naam niet staat in het boek des levens.’ Zouden die mensen er in de hel zijn?
Gemeente, u voelt dat dit niet juist is. God zal ons oordelen uit een boek dat u wél kent. God zal u oordelen overeenkomstig Zijn Woord. Opdat een iegelijk wegdrage, hetgeen door het lichaam geschiedt, naar dat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad (2 Kor. 5:10). En mensen zullen horen: Gij hebt niet gewild, dat ik Koning over u zou zijn (vgl. Luk. 17:29). 
Pas toch op voor die draaikolk, die donkere afgrond van vertwijfeling die een verkeerd zicht op de predestinatie u geven kan. Laat het u genoeg zijn te weten: God is heilig en rechtvaardig. Hij is veel te heilig om iets onheiligs te doen en veel te rechtvaardig om iets onrechtvaardigs te doen. Dat gaat niet samen met Gods moreel karakter. Dring niet in Gods verborgenheden. 
Leg liever je vinger bij wat God in Zijn Woord zegt, en zeg het: ‘Heere, U hebt toch gezegd: Zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden (Matth. 7:7). U biedt Uw genade de schuldige toch aan en bidt door Uw gezanten: Laat u met God verzoenen! Ik wil U vertrouwen en niet verdenken. Daarom zeg ik: ’Eenzaam kom ik, arm en naakt, tot de God, Die zalig maakt.’

Hoe kunnen we weten dat onze namen in de hemelen zijn geschreven? Niet als wij de verborgen besluiten Gods trachten te doorzoeken. Maar wel als we letten op de vruchten van de verkiezing. Wat leidt dát tot verwondering als we met innerlijke blijdschap de vruchten der verkiezing in ons mogen waarnemen! Het geloof in Christus, de droefheid naar God over de zonde, de honger en dorst naar gerechtigheid en het verlangen om naar Gods geboden te leven. 
Het leidt tot verwondering dat u Gods keus bent. Het is niet om waardigheid in u dat Hij Zijn onverklaarbare liefde op u heeft gezet. Het is niet om uw waardigheid dat Hij zegt: ‘Ik zag u, vertreden in uw bloed.’ Ik zag u, in uw zorgeloosheid, in uw wereldliefde en uw afkerigheid, en Ik zeide: ‘Leef, in uw bloed, leef ja leef! (Ezechiël 16:6). Ik riep u uit de duisternis; Ik verbond u aan Christus, de Zaligmaker; Ik deed u volharden op de weg naar de hemel.’ 
Waar zal dat allemaal in uitmonden? In het eeuwige loflied op de verkiezende God: ‘Het is door U, door U alleen, om het eeuwig welbehagen’ (Psalm 89:8, berijmd). 
Amen.

Als slot willen wij zingen Psalm 59 het tiende vers.

Ik zal, omdat G’ in bange dagen
Mijn toevlucht waart, van U gewagen;
Van U, mijn sterkte, zij mijn zang
En snarenspel, mijn leven lang.
Ik heb in nood, aan God verbonden,
In Hem mijn hoog vertrek gevonden;
In God, Wiens goedertierenheid
Zich over mij heeft uitgebreid.