Ds. C.G. Vreugdenhil - Zondag 49

Onderwerp

Een gebed om in kinderlijke gehoorzaamheid Gods wil hier op aarde te doen
Dat we onze verdorven wil verzaken
Dat we Gods wil, die alleen goed is, gehoorzaam zijn
Dat we getrouw zijn in het volbrengen van onze levensroeping
Deze preek is eerder in boekvorm uitgegeven door de Gereformeerde Gemeente van Rotterdam-Zuidwijk. Te bestellen via: heterensr@wxs.nl www.bethelkerkrotterdam.nl
 

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 40: 4
Lezen : Hebreeën 19: 1 - 18
Zingen : Morgenzang: 3, 4, 5, 6 en 7
Zingen : Psalm 43: 3 en 5
Zingen : Psalm 108: 1

Gemeente, wij lezen Zondag 49 uit onze Heidelbergse Catechismus.

 

Vraag 124: Welke is de derde bede?

Antwoord: ‘Uw wil geschiede, gelijk in de hemel, alzo ook op de aarde.’

Dat is: Geef dat wij en alle mensen onze eigen wil verzaken, en Uw wil, die alleen goed is, zonder enig tegenspreken gehoorzaam zijn; opdat alzo een iegelijk zijn ambt en beroep zo gewilliglijk en getrouwelijk moge bedienen en uitvoeren, als de engelen in de hemel doen.

 

In Zondag 49 gaat het over:

Een gebed om in kinderlijke gehoorzaamheid Gods wil hier op aarde te doen

 

Dat betekent drie dingen:

1. Dat we onze verdorven wil verzaken

2. Dat we Gods wil, die alleen goed is, gehoorzaam zijn

3. Dat we getrouw zijn in het volbrengen van onze levensroeping

 

1. Dat we onze verdorven wil verzaken

 

Gemeente, de Heere Jezus heeft op de vraag van Zijn discipelen: ‘Heere, leer ons bidden’, als antwoord gegeven: ‘Gij dan, bid aldus: Onze Vader Die in de hemelen zijt…’

Hij heeft hen het volmaakte gebed geleerd.

Vandaag is de derde bede aan de beurt:

Uw wil geschiede, gelijk in de hemel, alzo ook op de aarde.

 

Dit betekent niet, gemeente: ‘Berust maar in de weg die de Heere met u gaat. Want God wil dat nu eenmaal zo en Hij volvoert toch Zijn plan. U kunt Hem toch niet van Zijn plan afbrengen. Leg u nu maar neer bij het onvermijdelijke en vraag maar veel of Zijn wil mag geschieden.’

Dat is niet de betekenis van de derde bede. Wat is het dan wel?

De Catechismus zegt dat heel duidelijk. Het betekent dat wij gehoorzaam zijn aan God. We vragen, dat wij de wil van God zullen doen, die Hij geopenbaard heeft in de Bijbel. Er had ook kunnen staan: ‘Geef, Heere, dat wij Uw bevel uitvoeren en Uw gebod gehoorzaam zijn. Dat we net zo getrouw als de hemelingen dat nu al zullen doen.’

 

De uitleg dat het hier gaat om een gebed van gehoorzaamheid vindt u al heel vroeg terug in de kerk. De kerkvader Cyprianus schrijft er al over en hij zegt dit: ‘Wij bidden hier niet of God wil doen wat Hij wil. Maar of wíj mogen doen hetgeen Hij wil, dat Hij ons geeft dat we daaraan gehoorzaam zijn. Hier en nu op aarde, vandaag en morgen en iedere dag.’

 

Het gaat hier niet over God in de eerste plaats, maar het gaat hier over ons. Het doen van Gods wil door ons. In de hemel gebeurt dat door de engelen. Op aarde moeten wij dat doen. De Catechismus zegt dat zo:

dat wij onze eigen wil verzaken,

dat wij Gods wil gehoorzaam zijn,

dat wij ons ambt plichtsgetrouw zullen uitoefenen.

 

Uw wil geschiede.

Dit is dus geen uiting van het noodlot. Ursinus, die de Catechismus heeft opgesteld, zegt ook zo duidelijk in zijn uitleg in het Schatboek dat het gaat om gehoorzaamheid:

‘Maak, Heere, dat wij Uw allerheiligste wil mogen doen. Geef ons een gemoed en wil en vermogen om Uw wil gehoorzaam te zijn, zoals U het in Uw Woord aan ons openbaart.’

 

Vindt u dat niet moeilijk, om altijd, iedere dag en overal, gehoorzaam te zijn aan de Heere? Dat gaat dwars tegen u in.

Weet u waarom het zo moeilijk is? We kennen Gods wil. We hebben de Tien Geboden, we moeten God liefhebben boven alles, en ons naaste als onszelf. Maar dat betekent nog niet dat u altijd een heel concrete toepassing van de wil van de Heere in uw dagelijkse leven, in de keuzes die u maakt, zomaar op een presenteerblaadje krijgt aangereikt? Er zijn zoveel situaties waar de toepassing van Gods wil aan onze verantwoordelijkheid wordt overgelaten, aan onze beslissingen die we nemen.

Als u op een tweesprong staat in uw leven, hebt u niet altijd helder wat de wil van de Heere is. Dat zult u toch wel herkennen. Dan kan het uw vraag zijn: ‘Wat is hier de wil van de Heere? Wat is nu een goede beslissing?’

Het valt niet altijd mee om Gods wil te kennen, heel concreet in uw leven, en om gehoorzaam te zijn.

 

We redeneren zo veel en stellen dan onze eigen wil boven de wil van God. Daarom is de derde bede zo nodig:

‘Vader in de hemel, ik mag Uw kind zijn. Dank U, Heere, dat U voor mij zorgt als een Vader en dat ik zeker mag zijn van ‘uw kind te zijn’ door de Geest Die getuigt in mijn hart. Maar, Heere God, Vader, leer mij toch iedere dag opnieuw in de concrete situaties van mijn leven hoe gehoorzaam te zijn aan Uw wil.’

 

Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde.

Dan staat hier:

Geef dat wij en alle mensen onze eigen wil verzaken en Uw wil, die alleen goed is, zonder tegenspreken gehoorzaam zijn.

Het begint niet zo vleiend voor ons, want er staat dat wij onze eigen wil moeten verzaken. Dat betekent dat onze eigen wil verkeerd en verdorven is. Zo is het niet begonnen, gemeente. God heeft ons goed geschapen. Adam en Eva wilden precies wat God wilde. Er was een volkomen harmonie tussen Schepper en schepsel, eenswillendheid tussen God in de hemel en de mens op de aarde. In die Staat der Rechtheid viel onze wil samen met Gods wil. Te willen wat God wil, dat is de ware vrijheid.

Maar door de zondeval is ons wilsleven ontwricht. We hebben onze vrijheid verloren. Vanaf dat moment werden we slaaf van de zonde. Er kwam opstand tegen God in ons hart. Onze wil botst tegen de wil van God. We wilden niet meer wat God wil. We hebben ons overgegeven aan de boze.

Toen is onze wil verdorven.

 

Met die werkelijkheid begint de Catechismus. Zo werd u geboren en zo werd ik geboren en zo worden ook onze kinderen geboren. Met een opstandige, averechtse wil, die loodrecht staat op de wil van God.

U begrijpt wel dat er eerst heel wat gebeuren moet voordat die wil van ons gaat willen wat God wil. De Bijbel zegt: ‘Daarom dat het bedenken des vleses vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich der wet Gods niet; want het kan ook niet.’

Er moet een radicale omwenteling komen. Bekering moet er komen. Onze wil moet weer helemaal gericht worden op God. Vernieuwd, zodat wij willen wat God wil. Dat is de eerste vrucht van het nieuwe leven.

 

Als u God ontmoet, gaat u vragen wat Paulus vroeg: ‘Heere, wat wilt Gij?’ Maar dat gaat langzamerhand. Het is niet zo dat we een knopje omzetten en dat dan alles fantastisch gaat. Nee, het is een strijd. Het is een groeiproces. We zitten er vaak zelf nog tussen. Die oude mens laat zich nog horen. Ook de christen uit Catechismus, die in Zondag 1 belijdt: ‘Ik ben het eigendom van die trouwe Zaligmaker’, is nog in staat om zijn eigen wil binnen te smokkelen in de wil van God, zodat God, met eerbied gesproken, onze zin moet doen.

‘Heere, Uw wil geschiede, maar dan moet het wel in overeenstemming zijn met mijn wil. En zo niet, dan doe ik mijn eigen wil. Heere, Uw wil geschiede, maar dan moet het natuurlijk wel kloppen met mijn plannen.’

Nee, zegt de Catechismus, zo niet. Zie dat even goed onder ogen. Mijn eigen wil, mijn oude mens, is verdorven. Daarom moet ik die oude mens verzaken, anders kan ik niet gehoorzaam zijn aan de wil van God.

 

Hier zien we tegelijkertijd het verband met de vorige bede, de tweede bede: ‘Uw Koninkrijk kome.’ Het Koninkrijk kan nooit tot geestelijke bloei komen als de onderdanen nog een verdorven wil hebben en hun eigen wil doen. Nee, die onderdanen moeten gehoorzaam zijn aan de wil van de Koning. Dan is het een bloeiend Koninkrijk. Dan is er een Koning Die Zijn wet heeft gegeven en het gezag handhaaft. Dat raakt de eer van God en de glorie van Zijn Naam.

Ja, het raakt ook de eerste bede: ‘Uw Naam worde geheiligd.

 

Als Zijn wil gehoorzaamd wordt, raakt dat ook de vrede en de vreugde van de onderdanen. Het vraagt een onvoorwaardelijke gehoorzaamheid. Niet al zuchtend, niet al tegensprekend, maar gewillig en met vreugde.

Dat vraagt, gemeente, ook een hartelijke liefde tot de Koning, tot Jezus en liefde tot Zijn dienst. Dan is de Koning geen vreemde meer voor ons, want als Hij een vreemde voor ons is, is er geen liefde in ons hart. Dan is er geen vreugde in het doen van Zijn geboden. We zullen nooit onze eigen wil kunnen verzaken als de wil van de Koning, als de Koning zelf niet alles voor ons geworden is, als we niet zien dat de wil van de Koning alleen goed is en dat de wil van ons verdorven is. Hij moet wassen, maar ik minder worden.

 

Zijn wil doen en mijn wil nalaten.

Dat is best moeilijk. Als u zegt van niet, dan denk ik dat u niet begrijpt waarom het gaat, want dan ziet u niet wat voor worsteling het is.

Jongens en meisjes, vinden jullie het niet moeilijk om de wil van God te doen, om gehoorzaam te zijn aan de Heere God? Vaak hebben we nog zo’n verkeerd idee daarvan, zo van ‘dit mag niet en dat mag niet’.

 

In een gesprek met catechisanten vroeg ik: ‘Wie wil er bekeerd worden?’ en ‘Wie is al een beetje bekeerd?’ Eerlijk zijn we daar met elkaar over bezig geweest. Toen zei er één: ‘Nou, ik niet. Ik wil niet bekeerd worden.’ Ik zei toen: ‘Waarom niet?’ ‘Ja, dan mag er niks meer. Dan moet je je aan al die regeltjes houden. Nou, ik weet wel wat ik liever doe.’

 

Het was wel eerlijk, maar tegelijkertijd ook heel erg. Dan is er niet het juiste begrip van Gods wil. Gods wil is heilzaam voor ons. De dienst van satan is een slavendienst.

Als je dat nou maar eens zag, jongelui! Dan zeg je niet meer: ‘Ik mag nooit wat.’ En klaag je niet meer: ‘Mijn ouders verbieden me naar de disco te gaan en mijn ouders verbieden me met bepaalde vrienden om te gaan. Ja, ach, waarom mag dat nou niet? Zinloos, al die verboden!’

Je moet blij zijn als jouw ouders er wél wat van zeggen en als ze jou proberen te houden in het rechte spoor van Gods geboden, want daarin is de wil van God geopenbaard.

De duivel wil ons verleiden om zonde te doen. Van de duivel mag je alles, als het maar met de zonde te maken heeft. Baas zijn over jezelf. Hij spiegelt je voor dat dat de ware vrijheid is. Maar ten diepste is het gebondenheid.

Eindigt niet: ‘Zo, ik heb in ieder geval gedaan waarin ik zin had in dit leven.’ Of: ‘Eigen baas over je leven, over je lichaam, over de zondag, over je tijd en over je gaven en over alles. Dat is pas leven! Niet dat benauwde, niet gebonden aan de Koning en Zijn dienst.’

Maar begrijp toch dan ben je slaaf de satan.

 

Neem nou daartegenover de dienst van God. Wat een heerlijke dienst!

De Heere heeft graag jonge mensen in dienst, maar ook als u veertig bent hoor en als u vijftig bent ook, hoor! Maar het mooiste is toch om er zo vroeg mogelijk mee te beginnen. Ik kan het u van harte aanbevelen.

De Heere is zo goed! ‘Mijn juk is zacht,’ zegt Hij, ‘en Mijn last is licht.’ De last van Zijn geboden is niet zwaar, want als u God en Zijn wet liefhebt, dan doet u het graag. Dan vindt u er vrede en vreugde in. Als u eenmaal de schoonheid van de Koning en Zijn dienst gezien hebt en de verdorvenheid en de waardeloosheid van uw eigen leven en de slavendienst van de zonde, dan zegt u:

‘O Heere, help me toch. Uw wil geschiede. Geef toch dat ik mijn eigen verdorven wil verzaken mag en Uw wil, die alleen goed is, mag doen. Geef er kracht voor en genade. O, ik wil U liefhebben! Ik wil U dienen. Ik wil aan Uw wet gehoorzaam zijn. Maar het is zo’n strijd. Als ik het goede wil doen, dan ligt het kwade mij bij.’

 

Het is best een strijd om gehoorzaam te zijn aan Gods wil. Het is ook best moeilijk om het stuur van uw leven te leggen in Gods hand. We zitten zelf zo graag achter het stuur.

Laat Hem besturen, waken,
't is wijsheid wat Hij doet!
Zo zal Hij alles maken,
dat g' u verwond'ren moet.

 

Ja, dat is zeker, maar het moet er maar op aan komen. Als u de ene teleurstelling na de andere in uw leven ervaart, als er een streep komt door al uw idealen, als er plotseling een ernstige ziekte of als er rouw is, dan staat u met stomheid geslagen. Zeggen we dan: ‘Uw wil geschiede. Het is goed wat God doet.’?

Ziet u wat voor strijd het kosten kan om eenswillend te worden met Gods wil? Daar hebt u genade voor nodig. Daar hebt u het zicht op de Koning voor nodig, Die kwam om gehoorzaam te zijn aan Zijn Vader, tot aan de dood van het kruis.

Uw eigen wil verzaken is vrucht van het geloof. Het is vrucht van genade. Pas als u ziet door het geloof, hoe goed de wil van God is en hoe Hij daarin ons behoud op het oog heeft, ja, dan is het gevolg dat u zegt: ‘Ja, ik wil mijn eigen wil niet meer doen. Ik wil me helemaal gewonnen geven aan Hem.’

 

Zonder genade doen we onze eigen en strijden we tegen Gods wil. Als onze wil niet uitvoerbaar blijkt, dan leggen we ons noodgedwongen neer bij de wil van God.

Maar dat is niet de bedoeling. Dan is er geen liefdevolle overgave en geen kinderlijk vertrouwen.

Gemeente, God laat ons weleens eventjes tobben om ons te laten ervaren hoe diepgeworteld de eigenwilligheid in ons hart zit. We sterven aan onszelf en we verzaken onze wil en zien hoe goed de wil van God is en geven Hem de eer.

 

Degene die zo gelouterd uit de strijd komt, is te vinden in zijn bidvertrek. Als de kastijding onbegrijpelijk is en de slagen in uw leven pijn doen, bidden we: ‘Heere, geef dat ik me gewonnen geef aan Uw wil, die alleen goed is.’

Daar, voor Gods aangezicht en bij het zicht op Gods wil, breekt ons hart. Dan verzetten we ons niet langer tegen Gods wil. Dan geven we ons over in Zijn vaderhanden. We worden gewillig en alles wordt anders. We gaan graag onze eigen wil verzaken en onszelf verloochenen. Waar onze wil verbroken wordt, leren wij vragen: ‘Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal?’ Onze opstand tegen God verdwijnt en we worden navolgers van God, als geliefde kinderen. Er komt gewilligheid en vreugde in het zien op Hem, Die Gods wil volmaakt gedaan heeft.

 

Nu de tweede gedachte:

 

2. Dat we Gods wil, die alleen goed is, gehoorzaam zijn

 

Die twee horen bij elkaar, hebben we gezien. Hier hebt u de positieve kant van deze bede. ‘Gods wil, die alleen goed is, gehoorzaam te zijn.’

De wil van God is volstrekt goed, want die heeft Hij bekend gemaakt in Christus Jezus. Zijn wil voert naar het leven.

Onze verdorven wil voert naar de eeuwige dood. Onze wil is egoïstisch, jaloers, ijdel en onrein. Maar wie gaat willen wat God wil, ontvangt ware vrijheid, de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods.

Dat is het doel van de bekering, van de levensheiliging, van de dankbaarheid. Dat laat geen ruimte meer om heimelijk toch onze eigen wil nog een beetje op de voorgrond te plaatsen en ons arglistig wijs te maken dat dat Gods wil is.

 

Wat wil God dan?

Ursinus zegt daar drie dingen over.

1e God wil dat we in Christus geloven en zo behouden worden.

2e God wil dat we Zijn wet gehoorzaam zullen zijn.

3e God wil dat we lijdzaam zijn onder het kruis, als de Heere dat oplegt.

 

God wil, gemeente, dat we in Christus geloven.

Als we zeggen: ‘Uw wil geschiede. Geef, Heere, dat ik gehoorzaam mag zijn’, betekent dat: ‘Dat ik gelovig mag zijn, dat ik Uw Zoon zal aannemen als mijn Zaligmaker.’

Zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven.

Wij liggen verloren, maar God zond Zijn Zoon in de wereld. Christus is gekomen om de wil van de Vader te doen. Er staat dat Jezus zegt:

En dit is de wil Desgenen Die Mij gezonden heeft, dat een iegelijk die den Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, het eeuwige leven hebbe.’

Gods wil is dat alle mensen zalig worden en dat ze tot kennis der waarheid komen. U gelooft toch wel, gemeente? De Heere Jezus zegt het. Kan Hij liegen?

Gods wil is: Geloof in de Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis.

 

En wij maar tegenspreken: ‘Dat kan God nu wel willen, dat kan God nu wel vragen, maar...’ En dan komt het: ‘Een mens kan niet geloven.’ Zo gaat u al tegensprekend verloren.

Al tegensprekend ging de rijke jongeling weg van de Heere Jezus. Het was toch al te gek om al zijn goederen te verkopen en aan de armen uit te delen.

Al tegensprekend ging de oudste zoon in de gelijkenis de deur uit: ‘Ik aan één tafel met zo’n doorbrenger? Nooit van m’n leven!’

Al tegensprekend kwam Israël om in de woestijn. Ze zeiden: ‘O, daar komen wij nooit! Daar wonen Enakskinderen, die kunnen wij niet aan.’ Ze rekenden met hun eigen zwakke kracht en niet met de beloften van God.

 

Gemeente, wat zijn we toch een wederhorig kroost! Maar het kost onze ziel en zaligheid. Want:

Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden.

 

‘Jona, waarom ga je niet naar Ninevé?’ ‘Ik wil niet, want ik ken God wel; ik weet hoe barmhartig Hij is. Hij voltrekt het oordeel, dat ik moet aankondigen, straks toch niet.’ Dus hij deed zijn eigen wil.

 

Het tweede dat Ursinus zegt is dat God wil dat we Zijn wet gehoorzaam zijn.

Wie in Christus gelooft, is bevrijd van de zonde, van de schuld van de zonde, maar ook van de macht van de zonde. Die wil heilig leven voor de Heere en het goede doen; het goede dat heeft God geopenbaard in Zijn wet.

‘Uw wil geschiede’, dat is: ‘Heere, geef dat mijn hart zich neigt tot gehoorzaamheid in geloof en aan Uw dienst, in gehoorzaamheid aan Uw geboden.’ Om vruchten van de dankbaarheid voort te brengen, van liefde en blijdschap en geloof en zachtmoedigheid en matigheid.

Als u dat mag doen, zult u zien wat een innerlijke vrede u krijgt in uw hart en dat het waar is wat de dichter van Psalm 119 zingt:

Wat vreê heeft elk die Uwe wet bemint!

 

Het derde is dat we lijdzaam zijn onder het kruis, als de Heere dat oplegt.

Nou, dat is niets minder moeilijk dan geloven in de Heere Jezus en gehoorzaam zijn aan Zijn wet. Het is alle drie een gave van God.

Zonder tegenspreken, als de Heere u een kruis oplegt in uw leven, als Hij diepe wegen met u gaat.

Als we God niet meer begrijpen. Waarom die ziekte? Waarom die nood? Waarom die werkeloosheid? En dan toch te mogen weten: ‘Wat Vader doet, is goed.’ ‘Uw wil is alleen goed.’

Als we door veel verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk der hemelen, om dan gewillig het kruis te dragen en dan alles goed te keuren wat God voor ons bestemd heeft.

Wat kan er een zorg en verdriet, rouw en eenzaamheid zijn!

Om dan te geloven: ‘Onze Vader Die in de hemelen zijt, Uw wil is alleen goed.’

Als we ervaren dat we niet verzocht worden boven hetgeen we kunnen dragen en we mogen zien dat God de uitkomst geeft met de verzoekingen en dat het waar is dat degenen die God liefhebben alle dingen medewerken ten goede.

 

Wat kan de levensweg onbegrijpelijk zijn!

Jongens en meisjes, denk eens aan Abraham, de vader van alle gelovigen. Abraham, die daar samen met zijn zoon Izak drie dagen lang wandelt, klimt het Moriagebergte op, tot ze samen de top bereiken. Izak loopt naast zijn vader met een grote bos takken op zijn hoofd en hij zegt: ‘Vader, u hebt het vuur en het mes en ik draag het brandhout, maar waar is het lammetje dat we moeten offeren?’ Abraham krijgt het antwoord voor zijn jongen uit de hemel: ‘God zal Zichzelf een lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon.’

Hij gaat. Hij is gehoorzaam aan de wil van God. Dat is nu ‘Uw wil geschiede’. Hij is gehoorzaam aan de wil van God, ondanks het conflict in zijn hart. Hij gaat Izak offeren. Een onmenselijke taak, maar Abraham is gehoorzaam. Hij begrijpt er niets meer van, maar hij kan tegen Gods wil niet ingaan. Daarom geeft hij het helemaal over aan God, in de handen van zijn hemelse Vader.

Hij gaat! Drie dagen lang had hij zich kunnen bedenken, maar hij keert niet terug. Abraham worstelt.

‘God is zo machtig, heeft Hij niet uit de verstorven baarmoeder van Sara een kind geschonken? God is machtig om hem uit te doden weder te brengen tot het leven en zo toch in hem al de geslachten van dit aardrijk te zegenen.’

‘Uw wil geschiede, o God!’

Hij gaat niet te rade bij vlees en bloed. Golven van beproeving slaan huizenhoog over zijn ziel heen, maar Abraham gaat en gelooft. Onvoorwaardelijk!

 

En Izak, jongens en meisjes? Roept hij:

‘Nee, nee, vader, ik wil niet geofferd worden.’?

We lezen er niets van, ook niet dat hij tegenspartelt:

‘Vader, is dat nu liefde? Hoe kan God dit nu willen?’

Ook Izak gehoorzaamt, onvoorstelbaar, aan de wil van God. Hij heeft hetzelfde geloof als Abraham. Hij is zonder tegenspreken gehoorzaam.

 

In die weg, gemeente, krijgen wij met Abraham en Izak ook onderwijs dat de God en Vader van onze Heere Jezus Christus Zelf die onmogelijke taak zal vervullen, want bij Abraham gaat het offer niet door. Er is een ram in de struiken, dat wordt geofferd in plaats van Izak.

Maar Jezus wordt wel geofferd en wel op het altaar van het kruis tot in het uiterste gehoorzaam aan Zijn God. Wat heeft dat gekost! De liefde van het Vaderhart.

 

En wij? Schreit uw hart onder beproeving? Is het moeilijk? Hebt u geen doorzicht op dit moment? Heeft de Heere uw kind weggenomen of uw man of uw vrouw? Is er een ernstige ziekte? Kermt u en zegt u: ‘O God, hoe kom ik erdoor? Heere, help!’

En mist u dat sterke geloof van Abraham? Schaamt u zich er niet voor, maar val die God van Abraham te voet!

Weet u, gemeente, wanneer u uw kruis het beste kan dragen? Als u zien mag op de meerdere Izak. Als u zien mag op Jezus Christus, de grote Kruisdrager. Die gaat met het kruis op Zijn schouder, gewillig en gehoorzaam aan ‘s Vaders wil. Hij is het lam dat geslacht wordt in de plaats van Izak.

God heeft Zijn eniggeboren Zoon gegeven aan het kruis. Jezus, Die gewillig was, om pijn, smart en smaad en verlatenheid te dragen om voor vijanden het leven aan te brengen.

 

Wat een gewillige Zaligmaker!

Hoe kroop Hij in de hof van Gethsémané en hoe bad Hij vanuit de nood van Zijn ziel: ‘Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat dezen drinkbeker van Mij voorbijgaan; doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt.’!

Ook als Hij gehangen wordt aan het vloekhout van het kruis en Hij kermt in de drie-urige duisternis, als de zon haar stralen inhoudt en de zwarte nacht Golgotha omringt als een teken van de verlatenheid: ‘Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’, was Hij gewillig.

‘Niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede.’ Zijn bloed druipt op de aarde. Hij was volkomen gehoorzaamheid aan Zijn Vader.

‘Ik zal Uw wil, die heilig is en goed, volbrengen, Vader, zelfs als het Mijn bloed en Mijn leven kost. Al moet Ik Uw gunst en gemeenschap ontberen. Uw heilige wil alleen is goed.’

 

De eeuwige God heeft het zwaarste offer gebracht. Zijn eniggeboren en geliefde Zoon, de Heere Jezus, heeft aan het kruis gehangen om zondaren te zaligen, opdat u vandaag zou roepen:

‘Dank U, Heere, dat U dat hebt gedaan! Ik geef me aan U over. Als ik Uw gewilligheid zie en Uw zondaarsliefde, als ik Uw stem hoor, o goede Herder, dan kan ik niet anders dan U volgen en ik wil niet anders meer.’

 

Hij droeg die loodzware last gewillig. In dat bange uur van Golgotha gaf Hij Zich over in de grootste smarten, die u en ik hebben verdiend, uit liefde tot ons en onze zaligheid.

Het gunstrijk aangezicht van God keerde zich van Hem af, opdat wij nimmermeer van Hem verlaten zouden worden.

 

U en ik, zondaren, vijanden, schuldenaars, mogen aankloppen bij God in alle slagen en teleurstellingen en beproevingen die er zijn. Wij mogen buigen aan de voet van het kruis en zo het geloof beoefenen, op doorreis door deze aardse woestijn, naar het erfgoed daarboven, in het Vaderlijk Huis.

Zo maakt God Zijn kinderen klaar voor het Vaderhuis. Zo kan uit de nacht van aanvechting en beproeving de morgen van de aanbidding aanbreken.

 

We zingen uit Psalm 43 vers 3 en 5 en doen dat biddend.

 

Zend, Heer’, Uw licht en waarheid neder,

En breng mij, door dien glans geleid,

Tot Uw gewijde tente weder;

Dan klimt mijn bange ziel gereder

Ten berge van Uw heiligheid,

Waar mij Uw gunst verbeidt.

 

Mijn ziel, hoe treurt ge dus verslagen?

Wat zijt g’ onrustig in uw lot?

Berust in ’s Heeren welbehagen;

Hij doet welhaast uw heilzon dagen.

Uw hoop herleev’, naar Zijn gebod;

Mijn Redder is mijn God.

 

De derde gedachte:

 

3. Dat we getrouw zijn in het volbrengen van onze levensroeping

 

Er staat:

Opdat alzo een iegelijk zijn ambt en beroep zo gewilliglijk en getrouwelijk moge bedienen en uitvoeren als de engelen in de hemel doen.

 

Uw wil geschiede, gelijk in de hemel, alzo ook op de aarde.

Ziet u het: hemel en aarde. Het gaat erom dat Gods wil op de aarde net zoals gehoorzaamd wordt als in de hemel.

De Zoon van God doet dat, want Mijn spijze is dat Ik doe den wil Desgenen Die Mij gezonden heeft, en Zijn werk volbreng.

De gezaligde zondaren doen dat, want er staat: Daarom zijn zij voor den troon Gods en dienen Hem dag en nacht in Zijn tempel.

 

Maar ook de heilige engelen doen dat. Daar gaat het hier om, in deze vergelijking. Jezus wil ten diepste zeggen tegen de discipelen: ‘Spiegel u niet aan mensen want die hebben een verdorven wil, maar aan de heilige engelen in de hemel.’

‘Ja, maar dat is geen vergelijking. Want engelen zijn geen zondaars zoals wij. Zij hebben niet te strijden tegen allerlei boze lusten en een verdorven hart.’

Maar daar ligt het punt van vergelijking ook niet. Er wordt bedoeld hun gewilligheid en hun vreugde om de wil van de Heere te doen. Sommigen zullen moeten strijden, anderen Gods oordelen uitvoeren, weer anderen Gods boodschappen overbrengen, weer anderen God loven. Ze vullen elkaar aan en ze doen hun werk zonder enige tegenspraak.

 

Dat geldt ook:

De engelen met het zwaard bij de uitgang van het paradijs, als Adam en Eva verdreven zijn, na de zondeval.

De engel die de eerstgeborenen moet ombrengen in Egypte. Het oordeel van God.

De engelen die Lot uit Sodom komen redden van het verderf.

De engel en engelen die in de kerstnacht neerdaalden in de velden van Efratha om de blijde boodschap te verkondigden en het ‘Ere zij God!’ hebben uitgejubeld.

De engel in Gethsémané, die Jezus versterkte in Zijn lijden, om dat te kunnen dragen.

De engelen die met Pasen op de steen zaten en zeiden: ‘Ziet de plaats waar de Heere gelegen heeft.’

De engelen bij de hemelvaart van Christus, die zeggen: ‘Deze Jezus, Die van u opgenomen is in de hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar de hemel hebt zien heenvaren.’

 

Iedere rang en stand heeft zijn eigen taak en plicht. Maar allen hebben ze één hartstocht: ze willen dienen, gewillig zijn, getrouw, niet jaloers, volmaakt, in harmonie.

Altijd weer gaan ze zonder tegenspraak. Zijn zij niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden om dergenen wil die de zaligheid beërven zullen?

 

Het gaat erom, gemeente, dat wij net zo gewillig en getrouw als de engelen onze ambt en plicht vervullen zullen.

Ambt en beroep. Ik zal het even apart noemen.

 

Ambt

Dan moet u denken aan het ambt aller gelovigen. U bent toch christen, of niet? En christenen hebben het ambt aller gelovigen. Dat houdt in: naar de kerk gaan, Bijbellezen, bidden en getuigen. God dienen boven alles, Zijn Naam belijden. Als vader of als moeder of als alleenstaande, waar de Heere ons roept.

 

Maar ook ons beroep.

Dat betekent je dagelijks werk. Gewillig en getrouw ons werk doen. Met vreugde. Gewoon in je werkplunje. Morgen begint het weer. Op de fabriek aan de draaibank, op het kantoor, achter de toonbank, op het land of in de schuur, en waar de Heere ons ook een beroep heeft gegeven.

Jullie jongens en meisjes, op school. Gewillig, getrouw, niet met tegenzin, nauwgezet, eerlijk. Niet spijbelen, niet spieken.

Ons Goddelijk beroep getrouw uitvoeren. Dat is een hele verantwoordelijkheid.

 

Durft u de vergelijking aan met de engelen? O, dat kan alleen biddend!

Elke dag voordat u met uw taak begint: ‘Heere, geef dat ik mijn werk of studie getrouw en gewillig mag doen, net zo gewillig als de engelen in de hemel Uw opdrachten uitvoeren.’

Dankend, als je werk hebt of als je werk gekregen hebt.

Dankend als u gezond mag zijn.

Geduldig als u ziek bent, in afhankelijkheid van die grote Opdrachtgever Die gezondheid en ziekte in Zijn handen heeft.

U wegcijferen in het dagelijkse werk.

 

Bekering in praktijk brengen. ‘Heere, geef dat Uw wil geschiede.’

Het is niet zo makkelijk. ‘Heere wilt u ons de kracht en de genade en de gewilligheid geven om onze eigen wil te verzaken en om Uw wil te doen en om trouw te zijn in het volbrengen van onze levensroeping.

 

Gemeente, wanneer u op Jezus ziet, dan is het niet moeilijk meer. Het voorbeeld van Christus mogen we voor ogen houden.

Als er Eén was Die Zijn eigen wil verzaakte, was Hij het.

Als er Eén was Die Gods wil zonder tegenspreken heeft gedaan, was Hij het.

Als er Eén was Die Zijn zaligmakersambt- en beroep zo getrouw heeft uitgevoerd als de engelen Gods in de hemel, dan was het Jezus.

 

Daarom hebben we Hebreeën 10 gelezen.

Daarom, komende in de wereld, zegt Hij: Slachtoffer en offerande hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt Mij het lichaam toebereid; brandoffers en offer voor de zonde hebben U niet behaagd; toen sprak Ik: Zie, Ik kom (in het begin des boeks is van Mij geschreven), om Uw wil te doen, o God.

Wat een bereidwillige Zaligmaker, om Gods wil te gehoorzamen en Zich te offeren!

Want met één offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt 28degenen die geheiligd worden.

Hij deed wat God behaagde. Wat een liefde, wat een bereidheid, om op deze wereld te komen en Zich te offeren door het allerzwaarste werk op Zich te nemen!

 

Als Jezus uit de hemel naar de aarde komt, gaat Hij naar een plaats, die slechter is dan u zich kunt indenken. Daar leeft de vorst van de duisternis en daar zijn de onderdanen van de vorst van de duisternis. De wereld verloren in schuld. Een ontredderd schepping. Daar wacht Hem pijn, moeite, verwerping, tegenslag, smaad, hoon, laster en ten laatste het kruis.

Naar die wereld kwam Hij. Gewillig, met vreugde, om de wil van de Vader te doen.

 

Kunt u het u voorstellen? Nee, dat kunt u niet. Ik ook niet. Zo groot is nu onze Heere Jezus Christus! Hij offerde Zich aan het kruis om zondaren zalig te maken.

Reeds in de eeuwige Vrederaad was Hij gewillig.

Hebreeën 10 haalt Psalm 40 aan: ‘Zie, Ik kom, o God!’ Brandoffers en slachtoffers konden niet betalen. Zij waren slechts een heenwijziging naar het gewillige Lam.

‘Vader, Ik zal gaan. Ik zal Borg worden, om Uw Naam te verheerlijken, Uw Kerk te zaligen, de schuld te betalen en de wet te volbrengen. Ik zal Mijn leven geven voor Mijn schapen.’

 

Toen u niet meer wist hoe het moest, toen u zei:

‘Heere, waar vind ik verzoening?’

en u sloeg Johannes 10 open en u las het daar, het werd gegrift in uw hart:

Ik ben de goede Herder; de goede Herder stelt Zijn leven voor de schapen.

Toen zag u het kruis verrijzen. Toen zag u een gewillige Zaligmaker. Toen zei u:

‘O Heere, hebt U dat ervoor over gehad om mijn zonden te betalen? Heel mijn leven is voor U. U wil ik dienen. Voor U wil ik leven. U wil ik loven!’

 

Wat een gewillige Zoon van God!

Wat een eeuwige liefde!

Hij kwam in de volheid des tijds, vanuit Zijn hemelse heerlijkheid, op aarde, om Zich over te geven aan het kruis, om Zijn handen te laten doorboren,

O, dat kruis der verzoening!

 

Wat een gewillige Borg!

Wat een zelfverloochening!

Wat een gehoorzaamheid!

O, hoe heeft Hij de derde bede vervuld: ‘Uw wil geschiede.’!

 

Vindt u het nog moeilijk om uw eigen wil te verzaken?

Zie toch op die gewillige Zaligmaker, Die daar nodigend hangt aan het kruis. Zijn uitgebreide armen roepen u toe: ‘Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.’

 

Die door het geloof op Jezus ziet, die is bevrijd!

Geef dat wij en alle mensen onze eigen wil verzaken, en Uw wil, die alleen goed is, zonder tegenspreken gehoorzaam zijn.

Is dat uw hoogste verlangen?

Dat kan, ziende op Jezus.

 

Amen.