Ds. C.G. Vreugdenhil - Zondag 48

Het gebed om de komst van Gods Koninkrijk

De betekenis van het Koninkrijk
De Kerk en het Koninkrijk
De strijd en overwinning van het Koninkrijk
Deze preek is eerder in boekvorm uitgegeven door de Gereformeerde Gemeente van Rotterdam-Zuidwijk. Te bestellen via: heterensr@wxs.nl www.bethelkerkrotterdam.nl
 

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 149: 1
Lezen : Mattheüs 13: 44 - 58
Zingen : Psalm 89: 1, 4 en 8
Zingen : Gebed des Heeren: 1 en 3
Zingen : Psalm 17: 8

Gemeente, wij lezen Zondag 48.

 

De onderwijzer vraagt:

Vraag 123: Welke is de tweede bede?

En de leerling antwoordt:

Antwoord: ‘Uw Koninkrijk kome.’

Dat is: Regeer ons alzo door Uw Woord en Uw Geest, dat wij ons hoe langer hoe meer aan U onderwerpen; bewaar en vermeerder Uw Kerk; verstoor de werken des duivels en alle heerschappij welke zich tegen U verheft, mitsgaders alle boze raadslagen die tegen Uw heilig Woord bedacht worden; totdat de volkomenheid Uws Rijks kome, waarin Gij alles zult zijn in allen.

 

In Zondag 48 gaat het over:

Het gebed om de komst van Gods Koninkrijk

Drie gedachten:

1. De betekenis van het Koninkrijk

2. De Kerk en het Koninkrijk

3. De strijd en overwinning van het Koninkrijk

 

1. De betekenis van het Koninkrijk

 

Jongens en meisjes, bij een koninkrijk hoort een koning. En een koning heeft onderdanen. De Heere Jezus is de grote Koning. Zijn wij allemaal Zijn onderdanen? Bent u Zijn onderdaan? En jij? Hoor je bij Hem? Doe je wat Hij zegt?

Wij zijn allen onderdanen van deze Koning, want wie gedoopt is draagt het merk- en veldteken van Koning Jezus op zijn voorhoofd. Dat is het teken van het bloed dat de Koning stortte voor Zijn onderdanen om hen te verlossen uit het rijk van de duivel.

Maar de vraag is natuurlijk, jongens en meisjes, ouderen: ‘Zijn wij ook heel diep in ons hart Zijn onderdanen? Dienen we deze Koning met heel ons hart?’

Luister maar mee als het gaat over:

 

Het gebed om de komst van Gods Koninkrijk.

 

De Heere Jezus heeft veel gelijkenissen uitgesproken waarin Hij onderwijst wat het Koninkrijk der Hemelen is. Een stukje van dat onderwijs hebben wij gelezen in Mattheüs 13. De schat in de akker, de parel van grote waarde, het visnet dat wordt uitgeworpen in de zee en de voorraadkamer met oude en nieuwe schatten.

Die schat en die parel wijzen op de onschatbare waarde van het Koninkrijk van God. Maar die schat is verborgen in de akker. De heerlijkheid van deze Koning en Zijn Rijk zijn voor het natuurlijk oog van de mens verborgen. Onzichtbaar, geestelijk.

Om een echt onderdaan van dit Koninkrijk te zijn, moet u een nieuw hart hebben, moet u wederom geboren zijn.

 

Het Koninkrijk der Hemelen, zegt de Heere Jezus, als Hij de scharen onderwijst, is als een schat in een akker, die iemand zomaar plotseling vindt. Dan koopt hij de akker om de schat te mogen ontvangen.

Het is als een parel van grote waarde. Een koopman zoekt parels en dan vindt hij er één die heel veel waard heeft. Van grote waarde!

Wat zijn aardse goederen en rijkdom zonder de Heere Jezus? Wat zijn de koningen van deze aarde in vergelijking met Koning Jezus, Die zeggen kan: ‘Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.’? Hij sticht Zijn Rijk niet door het bloed van Zijn onderdanen te laten vergieten, maar door Zijn eigen bloed te storten. Hij is nederig en zachtmoedig.

In de gelijkenis van de schat en de parel laat Jezus zien dat we alles voor dat Koninkrijk over moeten hebben. Die akker moet gekocht worden, al die andere parels moeten verkocht worden. We moeten gewillig afstand doen van alles wat ons hindert om het Koninkrijk van God binnen te gaan.

 

U betrekt het toch wel op uzelf, gemeente? Want dat is de bedoeling. Afstand doen van wat ons verhindert om het Koninkrijk binnen te gaan. Die schat en die parel is het Koninkrijk. We kunnen ook zeggen Christus is die schat, die parel. In Hem is alle heerlijkheid van het Koninkrijk Gods geopenbaard. Alles wat aan Hem is, aan deze Koning, Die een Kruiskoning is, is gans begeerlijk!

Gemeente, nu gaat het erom of u Hem persoonlijk door het geloof mag toe-eigenen als uw Zaligmaker.

 

Toe-eigenen.

Die ene man stuit zomaar, als een verrassing, op die verborgen schat. Sommige mensen zien zomaar, plotseling, opeens, de waarde van het Koninkrijk Gods. Bij verrassing. God komt zomaar, onverwacht en ongedacht en onverdiend en overweldigt met Zijn liefde, met Zijn tegenwoordigheid, met Zijn heerlijkheid.

Die andere man, die zocht en die zocht. Die zocht schone parels. Tijdens het zoeken vond hij de parel van grote waarde. Die mensen zijn er ook. Die zijn zoekend. O ja, ik hoop dat hier velen dat zijn, zoekend naar het Koninkrijk der Hemelen. Zoekend naar het ware geluk, zoekend naar Christus, de Parel van grote waarde.

Bij dat zoeken van die Parel van grote waarde doen we alles weg wat Christus en de kennis van Christus in de weg staat. Hoe mooi die andere parels voor het vlees ook mogen zijn.

 

Het Koninkrijk der Hemelen is gelijk aan een visnet, uitgeworpen in de volkerenzee. Dat wijst erop dat het Koninkrijk gebouwd wordt door de prediking van het Evangelie.

In de kerk zijn gelovigen mensen maar ook ongelovige.

Wij mogen geen onderscheid maken. We zouden, als we het onkruid uittrekken, per ongeluk de tarwe mee kunnen uittrekken. Nee, dat doet de Heere, als Hij de vis sorteert, nadat Hij het net voorgoed op de oever heeft getrokken. Hij scheidt dan het kaf en het koren.

Het komt er voor ieder van ons persoonlijk op aan of we kaf zijn of koren. Of u, of jij, een goede of een kwade vis bent.

 

Laat u maar onderwijzen uit de schatkamer van het Woord. Dat is de vierde gelijkenis die de Heere Jezus noemt.

Een schatkamer waaruit oude en nieuwe dingen, oude en nieuwe rijkdom mag worden opgedolven, de leringen van het Oude en het Nieuwe Testament.

Dat doet de Catechismus. Die vat samen wat de Schrift zegt over een bepaald onderwerp.

Vandaag luisteren we naar het onderwijs van de Catechismus in Zondag 48.

 

In de eerste plaats letten we op: De betekenis van het Koninkrijk.

Wat is het Koninkrijk?

Het is niet alleen maar geestelijk, in de harten van mensen. Nee, heel de schepping is erbij betrokken.

Het is ook niet alleen maar beperkt tot deze wereld en de onderlinge vrede onder de mensen. Nee, het gaat boven deze wereld uit en het stijgt uit boven de grenzen van de tijd.

Het heeft een eeuwige toekomst. Het Koninkrijk is tegenwoordig en ook toekomstig.

Het is onzichtbaar, zoals het zuurdeeg in het meel, maar het wordt ook zichtbaar in de tekenen en de wonderen van de Heere Jezus.

 

Waar ligt de oorsprong van het Koninkrijk?

De oorsprong ligt in de schepping. Zolang de schepping bestaat is het Koninkrijk van God er geweest. In de scheppingsmorgen was de aarde vol van Gods heerlijke vrede, vreugde en grootheid. De Schepper wandelde met de mens op aarde. De Koning regeerde en Adam en Eva bogen zich in alle eerbied voor hun Koning.

Het Koninkrijk omvatte de hemel en de aarde. De hemel van God en Zijn heilige engelen, maar ook de aarde met de mensen. Het was zeer goed. Als u er iets van ziet, dan krijgt u heimwee in uw hart.

 

U weet wat er gebeurd is. De zondeval heeft plaatsgevonden. Eerst in de engelenwereld. Zo kwamen de boze engelen, de duivelen in de wereld. Zij bestormen deze wereld vanuit de lucht. Satan heeft de mens verleid om als God te willen zijn, om moed- en vrijwillig de dienst aan de Koning vaarwel te zeggen en zich over te geven aan satan. Satan is koning geworden, hij is de overste van deze wereld.

De mens heeft in de zondeval de hele schepping meegesleurd, maar God geeft Zijn wereld niet prijs. God geeft de mens niet prijs. God zet Koning Jezus in om het bezette gebied te heroveren. Koning Shaddai stuurt prins Immanuel naar de stad Mensenziel, om haar te heroveren. Het verlossingsplan van God, dat Hij ten uitvoer brengt na de zondeval, lag reeds in de eeuwigheid klaar.

 

Psalm 2 spreekt over dat Koningschap: Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, de berg van Mijn heiligheid. Deze Koning heeft de strijd aangebonden tegen het rijk van de duisternis. En Hij heeft overwonnen. Het koningschap ligt nu voorgoed in de doorboorde handen van de Heere Jezus Christus. Wát een Koning! Hij regeert rechtvaardig, wijs en zacht.

 

In het Oude Testament wordt nergens rechtstreeks gesproken over het Koninkrijk Gods. Daar wordt gesproken over de toekomstige openbaring van Gods heerschappij. God als Koning is een bekend motief in de psalmen.

Denk aan Psalm 103: De Heere heeft Zijn troon in de hemelen bevestigd, en Zijn Koninkrijk heerst over alles.

Denk aan Psalm 47: Want God is de Koning van de ganse aarde.

Denk aan het theocratische koningschap onder Israël, bijvoorbeeld van David, wat een afschaduwing was van het Koninkrijk van God.

Heel het Oude Testament is de nog onvervulde gestalte van het Koninkrijk Gods.

 

Toen kwam Johannes de Doper, de man tussen de twee testamenten in. Hij proclameerde de langverwachte omwenteling in de geschiedenis:

‘Het Koninkrijk der Hemelen is nabijgekomen en het gericht zal eraan vooraf gaan, want de bijl ligt alreeds aan de wortel van de boom.’

Het komen van die Koning verkondigt hij voor alles als zuiverend, schiftend en richtend. De Koning heeft de wan in Zijn hand en Hij zal de dorsvloer doorzuiveren. Hij roept de mensen toe: ‘Bekeert u.’

Dan komt de Koning: Jezus Christus. Hij komt in de kribbe van Bethlehem, gehuld in schamele doeken. Hij komt in de gedaante van een dienstknecht. De Joden, zelfs Zijn eigen broeders, geloofden niet in Hem. Wie in zo’n nederige gestalte komt, kan toch geen koning zijn?

Christus verschilt met Johannes de Doper hierin, dat Hij het Koninkrijk niet meer aankondigt als toekomstig, maar als reeds gekomen, komend in Hem, verschijnend in Zijn optreden. Het Koninkrijk der Hemelen is tegenwoordig in Zijn Persoon en in Zijn handelen.

Het wordt zichtbaar in Zijn wondermacht, Zijn strijd tegen de demonen en Zijn macht om blinden te genezen. Hij verbreekt het machtsgebied van de boze. Zijn wonderen zijn tekenen van het Rijk dat komt. Voor Hem is niets onmogelijk. Deze Koning is het grote heilsfeit. Het antwoord van de Heere Jezus op de vraag van Johannes de Doper vanuit de gevangenis of Hij degene was Die komen zou, of dat ze nog een andere moeten verwachten, is dat Hij de tekenen noemt van de Koning en van het Rijk:

Blinden worden ziende. Dat was in het Oude Testament beloofd van de Messias. Lammen zullen springen als een hert. En melaatsen worden gereinigd en doven horen en doden worden opgewekt en aan armen wordt het Evangelie verkondigd.

 

Zo komt het Rijk. Vergeving van zonden wordt niet meer gepredikt als toekomstig, maar als tegenwoordig op aarde en wordt door Jezus afgekondigd: ‘Zoon, dochter, uw zonden zijn u vergeven!’ Zo is in en met Christus, de Zoon van God, het Koninkrijk gekomen. Hij is Koning!

Hij kwam om de wet en de profeten te vervullen en Zijn leven te geven tot een rantsoen voor de zonden. Hij is het middelpunt van alles wat over het Koninkrijk Gods is verkondigd.

In Hem is het Koninkrijk tegenwoordig, maar toch ook nog toekomstig. Het Evangelie is er immers duidelijk in dat het Koninkrijk zich in deze wereld slechts op een voorlopige wijze openbaart. Daarom laat Christus op de proclamatie van de tegenwoordigheid van het Koninkrijk direct een waarschuwing volgen: ‘En zalig is hij die aan Mij niet zal geërgerd worden.

 

Zo staat de bede die Christus aan Zijn discipelen leert, ‘Uw Koninkrijk kome’, in een heel bijzonder heilshistorische context. Hij is de Kruiskoning. Dat was moeilijk voor de discipelen, want zij verwachtten een aardse koning en een aards koninkrijk. Wat een misvatting! Door die misvatting hebben ze juist het Koninkrijk voor zichzelf in de weg gestaan.

De openbaring van het Koninkrijk in de geschiedenis van deze wereld, is heilsgeschiedenis. Het Evangelie van het Koninkrijk moet gaan tot alle volken. Het Evangelie van de gekruiste en opgestane Koning komt na Pinksteren tot alle geslachten, talen, natiën en tongen.

De definitieve beslissing is gevallen in de opstanding van Christus, maar de voltooiing van het Koninkrijk komt als Jezus komt. In die tussentijd leven wij.

Wij leven in het laatste der dagen, de tijd tussen Zijn eerste en tweede komst. Misschien wel vlak voor Zijn tweede komst. Juist in deze tijd komt het eropaan dat het Evangelie wordt verkondigd en dat het Koninkrijk overal komt. Gepredikt moet het worden onder alle volken.

 

De vraag is: ‘Zijn wij onderdaan van deze Koning?’ Daar moet u echt antwoord op geven.

Als u zegt: ‘Nee.’ of: ‘Ik weet het niet.’, dan is deze preek één geweldig appèl:

Bekeer u! Verlaat het kamp van de vijand en schaar u onder de banier van deze Koning.

 

We gaan daar verder op in, in onze tweede gedachte:

 

2. De Kerk en het Koninkrijk

 

Uw Koninkrijk kome.

Dat is: Regeer ons alzo door Uw Woord en Uw Geest, dat wij ons hoe langer hoe meer aan U onderwerpen.

 

Nu wordt het heel persoonlijk.

Het gaat over het geestelijke aspect van het Koninkrijk. De Catechismus zet daar zomaar plotseling op in. De Catechismus laat de betekenis van het komende Koninkrijk voor de discipelen rusten en stapt rechtstreeks over op de geestelijke uitleg.

 

Regeer ons alzo door Uw Woord en Uw Geest.

De Catechismus begint met de kerkelijke gestalte van het Koninkrijk.

Gemeente, ik denk dat het heel belangrijk is, als u straks de deur weer uitgaat naar huis, dat u toch echt weet of u een onderdaan van deze Koning bent of niet. Vindt u dat geen belangrijke vraag? Vindt u dat niet belangrijk om te weten? Want stelt u zich nu eens voor dat u het niet bent en u komt niet meer thuis. Dan komt u nooit meer thuis!

 

Regeer ons.

De Catechismus vraagt: ‘Door wie wordt u eigenlijk geregeerd?’ Onderzoek u er eens op. Wie zit er op de troon van uw hart? Wie heeft het voor het zeggen in uw leven? Is dat de vorst der duisternis of is dat Jezus? Dat is het allerbelangrijkste. Want de Bijbel zegt: ‘Zoekt eerst het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid.’

We hebben allemaal zo ons eigen koninkrijk. We spelen zo graag koninkje. Maar ík moet van de troon af en die grote Koning, die heerlijke Kruiskoning, moet op de troon. Dat wil Hij. Hij wil uw Koning zijn. Dat zegt Hij vandaag, als Hij ons leert bidden: ‘Uw Koninkrijk kome.’

We moeten niet volharden in vijandschap tegen deze Koning en ons niet ergeren aan Hem.

 

Regeer ons.

Dat betekent: ‘Heere, ik geef de heerschappij over aan U!’ Weet u daarvan, dat u door de Geest Gods wordt geleid? Alleen die zijn kinderen Gods. Zij hebben een Koning en dat is Jezus. Dan is het gebeurd met uw koningschap.

Hij zo goed voor ons en wij zo slecht naar Hem toe. Het probleem zit hier in ons hart, het is een haard van verzet tegen deze Koning. De Heere zegt: ‘Zie toch eens hoe het is in uw leven. Ik wil binnenbreken in uw hart.’

De Koning komt! Hij klopt aan uw deur en Hij zegt:

‘Mag Ik uw Koning zijn? Lever u uit aan Mij. Ik heb Mijn Geest meegebracht en Die is zo sterk dat Hij de grootste tegenstand kan overwinnen.’

Dan blijft u niet op de been. Nee, dan buigt u diep voor de Heere:

‘Heere, wilt U mijn Koning zijn? Heere, verlost mij toch van mijn hartstochten en van begeerten tot de zonden. En verlos mij van de heerschappij van de duivel. O, Koning der koningen, breek mijn boeien, die mij binden aan de zonde. Stel mij in die heerlijke vrijheid, die al Uw kinderen ten deel valt. O, God, wees mij zondaar, genadig!’

Herkent u dat? U leert gewillig buigen voor deze Koning. U wilt niet anders. U doet niet anders. U kunt niet anders.

 

Dan zegt de Catechismus verder:

Ja, dat we ons hoe langer hoe meer aan U onderwerpen.

Daarin openbaart zich het genadeleven. Dat buigen voor God. Dat gaat niet met tegenzin. Als de Koning in uw hart komt, dan gaat u buigen en zingen:

Nu zal mijn ziel, nu zullen al mijn zinnen,
O God, mijn sterkt’, U hartelijk beminnen.

U leert knielen voor deze Koning in afhankelijkheid, in kinderlijke vreze.

 

Gemeente, dan blijft u heel uw leven vragen:

‘Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal? Heere, wat moet ik doen, hoe moet ik beslissen? Heere, wil toch regeren in mijn hart? Maak, dat ik toch niet een verkeerd beeld geef van U in mijn leven.’

Hoe dieper u buigt, hoe dierbaarder deze Koning wordt, Die door Zijn Woord en Geest in harten van mensen komt wonen en iets meedeelt van Zijn zondaarsliefde en van Zijn heerlijkheid en van de dure prijs die Hij betaald heeft. Het bloed van Jezus drupt in uw hart. U leert buigen en u aan Hem onderwerpen.

 

Dan zegt de Catechismus: Niet zomaar één keertje, maar dat is een zaak van telkens opnieuw.

Hoe langer hoe meer.

Nee, niet één dag, maar iedere dag, heel uw leven. Dat is het leven van de waarachtige heiligmaking. Alles overgeven aan Hem. Dat moet u leren, gemeente.

Denk nu niet dat u dat zomaar doet. Als u het eens een keertje hebt mogen doen, omdat God zo in uw hart was en omdat u zo hartelijk boog, dan moet u niet denken dat u de volgende week nog zo diep buigt. Dan kunt u wel weer recht op uw voeten staan.

Daarom is het nodig: ‘Heere, doet U dat gedurig, heel mijn leven lang!’

 

Regeer ons door Uw Geest en Woord.

Wie zijn die ‘ons’? Dat is hij of zij uit Zondag 1, die mag zeggen: ‘Ik ben met lichaam en ziel het eigendom van Christus.’ Dit is het gebed van een gelovige.

 

Zoals onder het Oude Verbond tweeërlei kinderen van het verbond waren, zo zijn er onder het Nieuwe Verbond ook tweeërlei kinderen van het Koninkrijk. De Heere Jezus zegt dat kinderen van het Koninkrijk worden buitengeworpen als zij niet voor Hem buigen. Staat u daar eens bij stil.

Gemeente, door onze geboorte uit gelovige ouders hebben we het teken van de Heilige Doop ontvangen. Dat betekent dat we een rank in de wijnstok zijn, een kind van het verbond, een kind van het Koninkrijk. Maar met dat teken van het Koninkrijk, dat merk- en veldteken van de Heere Jezus, kunt u toch nog leven in het kamp van de vijand.

 

Daarom komt de vraag naar ons toe, heel persoonlijk: ‘Onder welke banier strijdt u en jij?’

U kunt niet onder twee banieren strijden. Jongens en meisjes, dat gaat niet. Dat snap je wel. Je kunt niet soldaat zijn in dit leger én in het leger van de tegenpartij.

Waar sta je dan? Onder Koning Jezus of in dat andere rijk? Als je het teken van Koning Jezus hebt en je leeft voor de wereld, dan ben je een deserteur. Dan ben je een weggelopen soldaat, een overloper, een verrader.

Hoe moet het dan? Overlopers, deserteurs worden gedood.

Maar hoor: Deze Koning wil deserteurs nog terugontvangen. Vindt u dat niet genadig van God? Is dat niet een heerlijke boodschap! Kom op, deserteurs!

Bent u een deserteur?

Ja, dan zegt de Heere vandaag:

‘Dan heb Ik een heel speciale boodschap voor je. Je mag nog terug. Je kan nog terug. Ik wil je nog hebben. Ik vergeef menigvuldig. Nu! Belijd uw zonden! Ik wil schenken vergeving, gerechtigheid, geloof, Mijn Heilige Geest, de goederen van het Koninkrijk.

Is dat geen heerlijke God?

 

Bewaar en vermeerder Uw Kerk.

De Catechismus trekt de lijn door. Van het persoonlijke gaat het naar het gemeenschappelijke en naar de Kerk.

U ziet wat hier gebeurt. De bede om het Koninkrijk laat de Catechismus zomaar ineens doorlopen in de bede voor Gods Kerk. Is dat dan hetzelfde? Nee, dat is niet precies hetzelfde. U mag het Koninkrijk en de kerk niet met elkaar vereenzelvigen. De grenzen van het Koninkrijk zijn veel ruimer dan van de kerk. Ze zijn niet van elkaar gescheiden, maar ze zijn wel onderscheiden.

We mogen ze niet tegen elkaar uitspelen. Dat doen sommige mensen. Die denken slim te zijn en zeggen: ‘De kerk is maar niks. Je hoeft echt niet naar de kerk te gaan en je hoeft echt niet lid van de kerk te zijn om toch gelovig te zijn, om toch een onderdaan van het Koninkrijk te zijn. Want geloven kun je ook buiten de kerk.’ Dat is een leugen; het is niet waar! De gemeente van Christus is het lichaam van de Heere Jezus, er is een zeer nauwe band. Alleen, ze vallen niet samen. Ook niet in deze huidige, voorlopige bedeling.

 

Het Koninkrijk omvat heel Gods verlossend handelen in deze wereld, in de schepping. De kosmos is verlost door het bloed van Christus.

De Kerk is de vergadering van de ware christgelovigen. Dat zijn mensen die Jezus Christus toebehoren. In de Kerk gaat het over Zijn heerschappij over de mens, over de gelovigen, van alle tijden en plaatsen.

We mogen het zo zeggen: de Kerk is één van de voorlopige gestalten van het Koninkrijk van God en geroepen tot de belijdenis van Christus in deze wereld. De schepping kan niet bidden: ‘Uw Koninkrijk kome.’ De Kerk bidt dat en dat houdt de prediking van het Evangelie in. Dat houdt in dat u zich beschikbaar stelt voor de dienst van God in deze wereld.

Dat houdt ook in dat de Kerk zich niet moet uitleveren aan deze wereld. Dat wij de wereld niet na-apen, maar het Woord van God in alles gehoorzamen.

 

Bewaar uw Kerk.

Dat is wel nodig, want de macht van de boze en de zuigkracht van de wereld is heel sterk. Die trekt ook zo aan onze jonge mensen. Daar weet de Koning alles van. Drieëndertig jaar is Hij op deze wereld geweest en hoe meer het einde nadert, des te feller wordt de strijd van de geesten. Alles gaat zich toespitsen en de tegenstander van Gods Kerk is zo sterk!

Hij weet de zwakke plekken om ontrouw te zijn aan het Woord.

Om er iets af te doen en een eenzijdige boodschap uit te dragen. Om er iets bij te doen en een dwaalleer uit te dragen.

Innerlijke verscheurdheid en verdeeldheid waar God om vertoornd is en de wereld om lacht. Binnenbrandjes stichten in een kerk vindt satan schitterend.

Eigengerechtigheid, zelfgenoegzaamheid en hoogmoed staan hoog genoteerd in het boek van de duivel, want hij weet dat dat de Kerk van Christus afbreekt. Dat is een antireclame voor het Koninkrijk van God.

En daarom bidden we: ‘Heere, bewaar Uw Kerk.’ ‘Bewaar onze jonge mensen in de cultuurcrisis van deze eenentwintigste eeuw.’

 

Maar ook:

Vermeerder Uw Kerk.

Er moet groei zijn in de lengte, in de breedte, maar ook in de diepte, in de wortel. Stilstand is achteruitgang. Vermeerder Uw Kerk, ook binnen de kerkmuren, ook hier van deze kerk, want er zijn nog mensen onbekeerd.

‘O God, laat Uw Kerk zijn als een moeder die veel kinderen voortbrengt. O God, werk krachtig met Uw Heilige Geest. U kunt toch de hardste zondaar aan? Een straal van Uw liefde en een hard zondaarshart breekt.’

Het gebed ‘Vermeerder Uw Kerk’ betekent dat u actief meedoet om het zaad van de wedergeboorte uit te strooien. In Bijbelstudie, in gebed, met heel uw levenswandel, in het vertellen aan de kinderen en noem het maar op.

 

Vermeerder Uw Kerk.

Geef dat er nog getrokken worden uit de wereld, van buiten de kerkmuren. Zegen het zendingswerk, maar ook de zending dichtbij. De lichtende kandelaar in deze wereld. Ja, ook in ons eigen land, in onze eigen stad, in onze eigen buurt.

Als Jezus de scharen zag, was Hij met innerlijke ontferming bewogen. Dat gevoel beheerst ook ons als we bidden: ‘Uw Koninkrijk kome.’

 

Als u bidt: ‘Uw Koninkrijk kome’, weet u dan wel wat u zegt en wat dat voor u betekent? Betekent het dat je zegt: ‘Heere, laat mij toch een levend getuige zijn van Uw Naam.’?

Als wij bidden: ‘Uw Koninkrijk kome en bewaar en vermeerder Uw Kerk’, dan wil God dat wij daarbij ingeschakeld zijn. Bent u bereid tot die dienst? Getrouw in woord en daad? Thuis, in uw gezin, op uw werk, in de kerk, overal.

De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinige. De zending heeft veel vacatures. Dat het op uw hart gebonden mag zijn. De Heere is machtig om deuren te openen en de weg te banen. In de veelheid van onderdanen ligt toch de heerlijkheid van Koning Jezus?

 

We gaan het samen zingen uit het Gebed des Heeren vers 1 en 3:

 

O allerhoogste Majesteit,

Die, in het rijk der heerlijkheid,

De heem’len hebt tot Uwen troon,

Wij roepen U, in Uwen Zoon,

Die voor ons heeft genoeggedaan,

Als onzen Vader need’rig aan.

 

Uw koninkrijk koom’ toch, o Heer’!

Ai, werp den troon des satans neer;

Regeer ons door Uw Geest en Woord;

Uw lof word’ eens alom gehoord,

En d’ aarde met Uw vrees vervuld,

Totdat G’ Uw rijk volmaken zult.

 

De derde gedachte:

 

3. De strijd en overwinning van het Koninkrijk

 

Want zo bidt de gelovige verder:

Verstoor de werken des duivels en alle heerschappij welke zich tegen U verheft, mitsgaders alle boze raadslagen die tegen Uw heilig Woord bedacht worden; totdat de volkomenheid Uws Rijks kome, waarin Gij alles zult zijn in allen.

 

Verstoor de werken van de duivel.

Aan het begin hebben we gehoord dat de satan de oorzaak is van de rampzalige val van de mens en dat hij de mens heeft meegesleurd in de zondeval. Nu is hij de overste van deze wereld. Zo zijn er twee rijken in deze wereld. Het rijk van de boze en het Rijk van Christus.

Die twee rijken verdragen elkaar niet. God gaf Zijn wereld niet prijs. Hij stuurde Zijn eniggeboren Zoon en Die gaf Zijn bloed. Hij behaalde de overwinning, opdat vanuit de wereld mensen mogen binnenkomen in het Rijk van Christus, geroepen uit de duisternis en het rijk van satan.

Christus overwint ze door Zijn liefde en Hij neemt ze in voor Zijn Rijk. Hij heeft gezegd: ‘De poorten van de hel zullen Mijn gemeente niet overweldigen.’

 

De hele geschiedenis door heeft satan het gemunt op de ondergang van het Rijk van Christus.

Bileam probeerde Israël al af trekken door ze mee te laten doen met de heidense feesten.

Farao liet de jongetjes in de Nijl werpen.

Herodes met zijn kindermoord in Bethlehem.

 

Nu we de eindtijd beleven spitst alles zich toe op het beest uit de aarde en het beest uit de zee. Satan wordt ontbonden en zet de volkeren van deze aarde tegen elkaar op. Daarom bidden wij: ‘Verstoor de werken van de satan. Doorkruist U zijn plannen en alle heerschappij die zich tegen U verheft.’

U moet niet de duivel van alles de schuld geven. Gemeente, er is ook zoveel boosheid in ons eigen hart, wat zich verzet tegen de Heere. Herkent u dat? Ik denk, hoe meer u aan uzelf ontdekt wordt, hoe meer u die vijandschap en dat verzet ervaart in uw leven.

 

Dan tenslotte:

Mitsgaders alle boze raadslagen die tegen Uw heilig Woord bedacht worden.

Zeg maar gerust dat dat de hoofdaanval is. De duivel kan het Woord vervalsen en de mensen doen geloven dat hij gelijk heeft. Het Woord is het zwaard van de Geest. Dat kan stomp gemaakt worden door de aanvallen van de vorst der duisternis. Hij berooft het van zijn kracht, door het gezag van het Woord te ondermijnen.

Dan heeft de kerk geen fundament meer. Dat doet de duivel heel geraffineerd en heel listig bijvoorbeeld door de Schriftkritiek. De ene na de andere bladzijde wordt uit de Bijbel gescheurd.

Jezus kan nooit opgestaan zijn. Het Oude Testament is een boek door Joden voor Joden. Zo wordt worden de heilsfeiten geloochend en wordt u alles ontnomen.

De moderne theologie vreet door aan de universiteiten en aan de hogescholen en aan de middelbare scholen. Overal wordt afgedaan op het gezag van Gods Woord.

Als het Woord devalueert en het gezag van het Woord ondermijnd wordt, dan volgt de ethiek. Dat is een direct gevolg ervan. Dan wordt er gesleuteld aan de norm van Gods gebod. En wat houden we dan over? Twee lege kaften.

 

Gemeente, we hoeven daar niet bij te blijven staan. We mogen eindigen met dat heerlijke positieve. Het uitzicht dat de overwinning is behaald.

Kijk maar wat er staat: Totdat...’ Dat betekent: het gebeurt, het komt, het is zeker, nog even en dan... Totdat de volkomenheid van Uw Rijk kome, waarin Gij alles zult zijn in allen.

Hoe fel de aanvallen van de satan ook mogen zijn, Gods vaderlijke zorg waakt over Zijn Kerk. ‘De poorten der hel’, zegt Jezus, ‘zullen Mijn gemeente niet overweldigen.’ Daarom, houd moed in de eindtijd, in de verdrukking! De Kerk heeft toekomst!

 

Alle andere godsdiensten hebben géén toekomst. Maar een christen die zeggen mag: ‘Ik ben het eigendom van die trouwe Zaligmaker met lichaam en ziel.’ Hij heeft toekomst.

Alle knie zal zich eenmaal buigen voor Koning Jezus.

Ook u, die moeten zeggen: ‘Ik ben geen echte onderdaan van Zijn Rijk.’ Als u buiten blijft staan, zult u toch eenmaal buigen voor deze Koning. Dan is het te laat. Dan zult u zijn in de plaats van het eeuwig verderf.

 

O gemeente, denk eraan hoe ernstig het is. Straks komt de Koning. Wie weet hoe spoedig het Rijk voltooid is.

Dat zal er een geweldige stilte vallen. Wie nog in leven is, houdt de adem in. Die al gestorven is, gaat weer ademen. De graven zullen geopend worden en de doden opgewekt.

Dan wordt de vis uitgezocht. Dan wordt het kaf van het koren gescheiden. Dat is aangrijpend. De ene groep gaat naar Jezus’ linkerhand en de andere groep gaat naar Jezus’ rechterhand. De ene stoet gaat met eeuwig vreugdegezang de heerlijkheid in en de andere stoet ziet de afgrond voor zich geopend en zinkt weg in de eeuwige rampzaligheid, bij de duivelen in de hel. Dan wordt de hel voorgoed gesloten.

 

Dan zegt Johannes: ‘en ik zag een nieuwen hemel en een nieuwe aarde.’ Johannes op Patmos, hij ziet het gebeuren.

Dan is er maar één Koninkrijk meer in deze wereld, en dat is het Koninkrijk Gods.

Dan zal heel de aarde glanzen van Gods heerlijkheid.

Dan zal God alles zijn in allen.

Geen zonde, geen tranen over de zonde meer, geen rouw meer, geen verdriet meer, geen slopende ziekte meer, geen vermoeidheid meer, geen gebroken relaties meer.

Alles zal héél zijn, goed en gaaf.

Dicht bij God.

 

Het gebed ‘Uw Koninkrijk kome’ heeft een eschatologische spits. Het is gericht op de toekomst, als Jezus komt, op de wederkomst van Christus. Dan komen de Nieuwe Hemel en de Nieuwe Aarde.

En dan ziet Johannes iets verrukkelijks. Hij zegt:

‘En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit den hemel, toebereid als een bruid die voor haar man versierd is.’

 

Zo loopt het verlossingswerk van Christus uit op de verheerlijking van God.

De Nieuwe Aarde, overkoepeld door de Nieuwe Hemel en de Nieuwe Schepping en de Nieuwe Kosmos.

Alles zal glanzen van Gods heerlijkheid, van God en van Christus en van de Heilige Geest.

Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons Leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.

 

Amen.