Ds. C.G. Vreugdenhil - Zondag 47

De heiliging van Gods Naam

Of wij de Naam van God recht mogen kennen
Of wij de Naam van God echt mogen verheerlijken
Of wij tot eer van Gods Naam mogen leven
Deze preek is eerder in boekvorm uitgegeven door de Gereformeerde Gemeente van Rotterdam-Zuidwijk. Te bestellen via: heterensr@wxs.nl www.bethelkerkrotterdam.nl

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 66: 1
Lezen : Exodus 34: 1 - 9
Zingen : Psalm 111: 1, 2 en 3
Zingen : Psalm 136: 1, 4, 5, 25
Zingen : Psalm 113: 1

Gemeente, wij lezen Zondag 47 van onze Heidelbergse Catechismus.

 

Vraag 122: Welke is de eerste bede?

Antwoord: ‘Uw Naam worde geheiligd’.

Dat is: Geef ons eerstelijk dat wij U recht kennen, en U in al Uw werken, in welke Uw almachtigheid, wijsheid, goedheid, gerechtigheid, barmhartigheid en waarheid klaarlijk schijnt, heiligen, roemen en prijzen; daarna ook dat wij al ons leven, gedachten, woorden en werken, alzo schikken en richten, dat Uw Naam om onzentwil niet gelasterd, maar geëerd en geprezen worde.

 

In Zondag 47 gaat het over:

De heiliging van Gods Naam

Drie gedachten:

1. Of wij de Naam van God recht mogen kennen

2. Of wij de Naam van God echt mogen verheerlijken

3. Of wij tot eer van Gods Naam mogen leven

 

1. Of wij de Naam van God recht mogen kennen

 

Gemeente, de Heere Jezus leert Zijn discipelen bidden. Daar hebben ze om gevraagd. Toen sprak Hij: ‘Ik zal het jullie voorzeggen:

Onze Vader, Die in de hemelen zijt, Uw Naam worde geheiligd.’

Dat is de eerste bede:

Uw Naam worde geheiligd.

 

Hoe begint u uw gebed? Gaat u dat eens na. Want wat draait alles in ons leven en in onze gebeden vaak om ons eigen ik, om onze nood, onze wil en onze plannen! Maar dat is niet goed. De kern van ons gebed moet zijn, wat we leren uit het onderwijs van de Heere Jezus: Uw Naam.

Voor de Heere Jezus was de heiliging van de Naam van God het eerste. De Catechismus neemt dat over:

Geef in de eerste plaats dat wij U recht kennen, roemen en prijzen.

 

Laten we eerlijk zijn, voor ons besef is dat niet altijd van het grootste gewicht. Bij ons komt dat vaak helemaal achteraan of het komt helemaal niet, omdat we het vergeten, omdat we meer inzitten over onze eigen nood. Dan blijven we hangen in ons eigen kleine kringetje van stoffelijke noden.

Maar nu onderwijst de Heere Jezus ons en Hij zegt: ‘Je moet afleren om eerst aan jezelf te denken.’ In dat onderwijs zit veel liefdevolle kritiek.

Hij zegt:

‘Lieve discipelen, vergeet toch niet wat het zwaarst is, het zwaarst moet wegen. En Ik weet hoe dat ligt in jullie leven en daarom corrigeer Ik je en vermaan Ik je.’

Ja, hoe moet het dan? We moeten ons richten op God, Zijn eer en Zijn Naam.

 

Gemeente, dat is echt het doel van ons leven. We zijn geschapen om God te loven en te verheerlijken en om de grote Naam van God alle eer en aanbidding en dank toe te brengen.

Door de zondeval is daar een streep doorheen gehaald. Toen zijn we geconcentreerd geraakt op ons eigen ik. We hebben God verlaten en zijn Hem vergeten. Maar God heeft weer gezorgd voor de eer van Zijn Naam in het zenden van de tweede Adam, de Heere Jezus. Hij kan zeggen: ‘Vader, verheerlijk Uw Naam’ en ‘Ik heb Uw Naam geopenbaard aan de mensen die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt.’ Door Hem en door Zijn werk in onze harten komt God weer aan Zijn eer. Daar gaat het om.

 

Dat is het doel van Gods rijke schepping, maar ook van de ondoorgrondelijke verlossing in Christus Jezus en het vernieuwende werk van de Heilige Geest in de harten van mensen. Alles moet uitlopen op de eeuwigdurende lofzang:

De lof en de heerlijkheid en de wijsheid en de dankzegging en de eer en de kracht en de sterkte zij onzen God in alle eeuwigheid.

Amen.

God is er niet om ons, maar wij zijn er om God.

 

Wij kunnen de Heere slechts verheerlijken en ons in Hem verblijden naar de mate waarin wij Hem kennen. God te kennen, dat is nodig, zegt de Catechismus. Je kunt wel zeggen: ‘Uw Naam worde geheiligd’, maar hoe kan je dat zeggen als je God niet eens kent, als je niet weet om Wiens Naam het gaat? Er staat: Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt.

Iemand, die ik niet ken, kan ik ook niet bij zijn naam roepen. Als we God niet kennen, hoe kunnen we Hem dan verheerlijken en aanspreken? Gemeente, daarom heeft God Zich in de Bijbel aan ons geopenbaard en gezegd Wie Hij is.

God heeft Zich geopenbaard in Zijn Naam, die Hij Zich gegeven heeft. Die Naam is de uitdrukking van Zijn wezen.

God is onuitsprekelijk. We kunnen nooit onder woorden brengen Wie God is.

 

God noemt zich in de Bijbel bij vele namen, want in één naam is het niet mogelijk Zijn rijkdom te vatten. Al die namen zeggen iets over Hem. Daarin brengt Hij iets van Zichzelf tot uitdrukking. U kent de belangrijkste namen van de Heere wel:

Elohim, dat is in de Statenbijbel vertaald met ‘God’,

Jahweh, de Verbondsgod, dan staat er ‘Heere’,

Shaddai, de Almachtige,

Adonai, de Heere, de Eigenaar.

Met grote eerbied moet het volk Israël omgaan met de Naam van de Heere. Daarom spraken zij de Naam ‘Jahweh’ niet uit, maar zeiden ze ‘de Naam’. Ze hebben dat overdreven, maar ze deden dat om in ieder geval Gods Naam niet te misbruiken. Ze begrepen hoe heilig de Naam van God is. Het is God Zelf, onuitsprekelijk groot, goed, genadig en barmhartig.

Zo ontdek je al in de deugden van de Heere.

 

God stelt Zich in de Bijbel aan ons voor. Niet alleen hoe Hij heet, maar ook Wie Hij is. Dat valt samen bij God. De Onuitsprekelijke zegt in de Bijbel Wie Hij is. Dat kan alleen maar in menselijke taal en in beelden, die ontleend zijn aan het menselijk leven.

Zo komen de namen van Vader, Schepper, Onderhouder, Herder, Koning, Meester, Gebieder, Eigenaar en Vredevorst. Al die namen zeggen iets over de Heere God, Die ons geschapen heeft, Die ons onderhoudt en Die ons zalig maakt door het bloed van Christus. Het is nooit helemaal onder woorden te brengen.

 

Wat Hij van Zich openbaart, drukt Hij uit in Zijn Namen en Zijn eigenschappen. Dat noemen we Zijn deugden, de karaktertrekken van de Heere. Zo leer je Wie Hij is.

Door de Naam die God Zich geeft, komt Hij in relatie met ons. Denk maar aan uw Doop. Toen heeft God de drie-enige Naam verbonden met uw naam, toen trad God met u in een verbond.

Vandaar de bede: ‘Uw Naam worde geheiligd.’ Dat veronderstelt verbondenheid met God. Vandaar de uitdrukking: ‘de Naam des Heeren aanroepen.’ of: ‘De Naam van de Heere eren.’ Psalm 8 jubelt: ‘O Heere, onze Heere, hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde!’

 

Is dat ook uw diepste verlangen? ‘Uw Naam worde geheiligd, Heere. U zij geprezen, geloofd, gedankt tot in eeuwigheid!’ Is dat wat uw hele hart vervuld met eerbied voor Hem, temidden van alle zorgen in uw leven, temidden van alles wat soms moeilijk is?

Eén ding kan echte vreugde verschaffen; dat is de Naam van God, de heiliging van Zijn Naam.

Leg daar uw gebed eens naast. Wat is het eerste dat we aan de Heere voorleggen? Buigen we onze knieën en beginnen we dan te zeggen: ‘Heere, dít heb ik nodig en dát heb ik nodig.’? Of mag je je richten op de heerlijkheid van God? Is het je allereerst te doen om de grote en heerlijke Naam van God?

De Catechismus begint:

Geef ons eerstelijk dat wij U recht kennen.

 

Eerstelijk, vóór alle dingen, dat we Uw grote en heilige Naam roemen en prijzen. Wat staat er voorop in ons leven? De zaak van God of onze zaak?

Wat weegt het zwaarst? Best een ontdekkende vraag, als wij daar een eerlijk antwoord op moeten geven.

De Heere Jezus zegt:

‘Eerst God en dan jij. Want als het andersom zou zijn, dan zou je te klein denken van Mij. Richt je eerst op God en op de grootheid en de heerlijkheid van Zijn Naam.’

Dat is de goede volgorde.

Na het roemen in Gods Naam en Zijn genade, mogen we geloven dat God ons ook verhoren zal als we bidden om ons brood en vergeving van zonden.

 

Wat betekent dat nu, Uw Naam worde geheiligd?

Dat betekent: Uw Naam voor heilig erkennen, heilig achten, hoogachten en prijzen.

We kunnen God niet méér eer toebrengen dan Hij al heeft, maar het gaat erom dat wij die eer erkennen en dat dat blijkt in ons leven.

Heiligen wil ook zeggen dat we de Naam gebruiken waarvoor God hem gegeven heeft, namelijk: om Hem aan te roepen, met eerbied, geloof, liefde, verwachting en met vertrouwen.

God is groot en betrouwbaar. We zingen: Geloofd zij de Naam Zijner heerlijkheid tot in eeuwigheid; en de ganse aarde worde met Zijn heerlijkheid vervuld.

 

De heerlijke Naam van God wordt verguisd, ontheiligd, gevloekt, gelasterd, onteerd en doodgezwegen. De mens streeft ernaar zichzelf een naam te maken. De torenbouwers van Babel zeiden: ‘Laat ons voor ons een stad bouwen en een toren, welks opperste in den hemel zij, en laat ons een naam voor ons maken.’

Maar ook Gods kinderen liggen daar bloot voor. Waarom telde David het volk? Om zijn eigen naam te eren.

Het gaat de gemeente van Christus niet voorbij. Denk aan Ananias en Saffira. Waarom logen ze over het geld dat ze aan Petrus’ voeten legden? Opdat zij geprezen zouden worden.

Waarom ging Saulus op weg naar Damaskus om de christenen te vervolgen? Ten diepste opdat men zou zeggen: ‘Die Saulus, dat is toch zo’n ijverige, dat is zo’n beste, brave farizeeër. Die is een vijand van Jezus! Wat een beste man is die Saulus toch!’ Daar ging het om.

Daar liggen we allen bloot voor. Maar de Heere Jezus zegt dat het gaat om de Naam van de Heere. Bid dan: ‘Uw Naam worde geheiligd.’

 

Als je de Heere lief hebt, kan je het niet hebben dat Zijn Naam aangetast of doodgezwegen wordt. Dan kom je ervoor op. Dan heb je vreugde als Hij geëerd wordt.

Daarom bidden we in de eerste bede niet naar onszelf toe, maar van ons af. Het gaat om Gods zaak. Het gaat om de lofverheffing, om de lofprijzing van Zijn Naam. Al onze belangen zijn ondergeschikt aan de Naam van de Heere en Zijn heerlijk Koninkrijk.

 

Dat betekent niet dat u daarbij passief bent. De Catechismus staat juist vol met vormen die erop wijzen dat wij daar een aandeel in hebben, wat wij moeten doen en dat wij niet moeten afwachten.

Kijk u maar:  ‘Geef dat wij U recht kennen, en dat wij U in al Uw werken roemen’ en

‘dat wij ons leven alzo schikken.’

Overal actief bij betrokken. Het doel van ons leven is uiteindelijk, de verheerlijking van Gods Naam. Daar vragen we om in de eerste bede. De genade en de kracht om aan die bestemming te beantwoorden.

 

Daarom is het nodig dat we de Heere allereerst recht leren kennen, want uit die rechte kennis van God vloeit de heiliging van Zijn Naam voort. Als we iemand oppervlakkig kennen, hebben we vaak verkeerde denkbeelden van die persoon. Zo is het ook met God. Als we God maar een beetje oppervlakkig kennen, zo van: ‘Ja, we lezen de Bijbel en het zal wel waar zijn’, maar dan hebben we toch heel verkeerde beelden van God.

Ieder mens heeft een ingeschapen Godskennis, maar die brengt niet tot de rechte kennis van God. Verstandelijke kennis, en die hebben we natuurlijk nodig, brengt ons niet tot de rechte kennis van God. Daarbij blijft God ten diepste een onbekende.

 

Weet u wat wij nodig hebben om God recht te kennen? Hartvernieuwende genade, wedergeboorte. Zo alleen komen we in het Koninkrijk. Zo alleen kunnen we God echt en recht leren kennen. Dan gaan je ogen open en dan ga je zien Wie God is in Zijn grootheid en in Zijn heerlijkheid, in Zijn liefde en in Zijn almacht en in Zijn ondoorgrondelijk geduld en in Zijn vergevingsgezindheid.

We gaan onze zonden zien en belijden voor de Heere. De heiliging van Gods Naam, zegt de Catechismus, begint met rechte kennis. Die rechte kennis is God kennen en jezelf kennen. Daarvoor moeten onze ogen geopend worden.

Dan gaat het Woord open, je hart gaat open. Je blikt in de diepte van je eigen hart en in de diepte van Gods hart, dat Hij blootlegt in het Evangelie. Dat raakt je. Daardoor wordt je leven veranderd, vernieuwd.

 

Dan leer je omgaan met de Heere, rekening met Hem houden. Je komt onder vier ogen met Hem. Dan wordt het duidelijk Wie God voor je is. Dat is bevindelijke kennis, ervaringskennis, kennis in liefde.

Er komt honger naar het Woord. Je gaat steeds meer van God houden, nadere kennismaking met God valt nooit tegen. God valt alleen maar mee. Je valt alleen jezelf maar tegen en Hij wordt steeds heerlijker en dierbaarder.

Er komt een hartelijke verbondenheid aan de Heere. ‘We gaan ons de ganse dag,’ zegt de dichter, ‘in Zijn Naam verblijden.’ Er komt een diepe eerbied voor die heilige Naam van de Heere.

We gaan de zonden haten en vlieden en voor Hem leven.

Levenslang word je verbonden met God.

Heere, U bent het leven van mijn leven.

U bent mijn alles

U zoekt mijn hart, mijn oog blijft op U staren.

Wat krijgen we dan Zijn Naam lief.

 

God openbaart Zich in Jezus Christus, die ene Naam onder de hemel gegeven tot zaligheid. De vraag is nu: ‘Heb je die Naam lief gekregen?’ Als de Naam van de Heere Jezus wordt genoemd, ben je dan verheugd? Gaat het dan over Iemand van Wie je zegt: ‘Die ken ik, Die dien ik, Die heb ik lief en Die is alles voor mij geworden, omdat Hij Zich gegeven heeft voor al mijn vuile zonden.’

We heiligen Gods Naam als we de Heere Jezus Christus als Borg en Zaligmaker kennen. Dan gaan we die Naam heiligen, liefhebben, loven, roemen en prijzen. Hoe dieper de kennis van Christus, hoe dieper de liefde en des te meer we Gods Naam heiligen. Dat wordt je vreugde en je zaligheid. Jezus zei: ‘Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt.

 

Gemeente, meisjes en jongens, ken je zo God? Als je de Bijbel opslaat, als je onder het Woord van God zit en God zoekt contact met je, heb je het dan wel eens dat je beeft vanwege Zijn heiligheid en dat je tegelijker kijkt in Zijn vriendelijke ogen?

Mag zo het Woord van God wel eens opengaan voor je en mag het dan echt een ontmoeting worden met de Heere? Daar gaat het om, om een ontmoeting met de Heere.

Dat je, als je naar huis gaat, kan zeggen: ‘O, wat was het fijn, wat was het goed! De Heere was aan deze plaats.’

 

Het gaat om de omgang met de Heere, het liefhebben van Hem, het wandelen met God, zoals Henoch wandelde met God.

Hij is het Die ons Zijn vriendschap biedt, zoals Abraham, die met God mocht omgaan zoals een vriend met zijn vriend.

Zoals Mozes, die met de Heere sprak als met een vriend.

Zoals de discipelen met wie de Heere Jezus sprak: ‘Gij zijt mijn vrienden, zo gij doet wat Ik u gebied.’

Je gaat steeds weer nieuwe dingen ontdekken in God, in de Heere Jezus en in de Heilige Geest, Die woont en werkt in je hart. Je wordt zo overweldigd door de heerlijkheid en de grootheid van God, dat je in aanbidding voor Zijn voeten neervalt.

 

We kunnen God leren kennen in Zijn Namen. Namen, die verband houden met de deugden van God, de karaktertrekken van God.

De Catechismus somt die deugden op:

Uw almacht, wijsheid, goedheid, gerechtigheid, barmhartigheid en waarheid.

 

Daar letten wij nu op in onze tweede gedachte:

 

2. Of wij de Naam van God echt mogen verheerlijken

 

Eerst noemt de Catechismus hier de deugd van Gods almacht. Onze Vader, Die in de hemelen is, is de Schepper van hemel en van aarde. Hij voedt en onderhoudt Zijn schepping. Hij schenkt bewaring en zegen, mild en overvloedig.

Tegen Abraham, die niet meer wist hoe het verder moest en die dacht: ‘Het kan nooit meer. Sara is te oud en hoe zal dan de zoon der belofte geboren worden?’ Tegen hem zegt de Heere: ‘Ja maar, Abraham, luister nu eens. Zal Ik eens zeggen Wie Ik ben?’ Dan komt er een hele nieuwe Naam. ‘Ik ben Shaddai; Ik ben de Almachtige. Kijk eens naar de sterren, zo zal uw zaad zijn.’

 

Het ruime hemelrond vertelt met blijde mond Gods eer en heerlijkheid.

Wat doet u? Wat doe jij? Want nog heerlijker dan in het rijk van de natuur openbaart God Zich in het rijk van de genade in de Bijbel. Hij wekt zondaren op uit hun geestelijke dood. Hij breekt harten die koud en hard zijn. Hij maakt vijanden tot vrienden en haters van God tot liefhebbers van God en de naaste.

Wat een rijke God!

Wie zou die hoogste Majesteit
Dan niet met eerbied prijzen?

Wat is God groot als je ziet Wie Hij is in de schepping en in het rijk van de genade, in de herschepping. Wat een opofferende liefde dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gaf in deze wereld.

Die aan het vloekhout zijn handen uitstrekte voor zondaars zoals u en ik.

 

De Catechismus noemt na Zijn almacht Gods wijsheid.

Die straalt door in al Zijn werken. In de bouw van het heelal, in de kringloop van de jaargetijden. Wat is het menselijk lichaam een wonder! Moet je maar eens vragen aan de biologen en aan de medici.

Maar bovenal zien we die wijsheid van God als het gaat over de herschepping, de genade en over het zaligen van zondaren. De Heere heeft een weg tot de zaligheid uitgedacht voor verloren mensen, met behoud van Zijn recht, zonder Zijn deugden te krenken. Een weg heeft Hij gebaand waar geen weg meer was.

Wij hebben in onze eerste vader de weg tot God afgesneden, maar God heeft in Zijn ondoorgrondelijke wijsheid opnieuw een weg geopend. Geen sterveling zou dat kunnen bedenken, maar God had Zijn plan al klaar. Christus heeft Zijn bloed gestort op de kruisheuvel en heeft uit de hand van de Vader schuldige zondaren als loon ontvangen.

 

Aanbiddelijke wijsheid van God!

Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft.

Breekt uw hart daar niet onder, als u iets zien mag van dat diepe geheim van de plaatsvervanging? Hij voor mij, daar ik anders de eeuwige dood had moeten sterven.

Je mag je neerbuigen en aanbidden aan de voeten van het Lam, vanwege die eeuwige wijsheid van God in de verlossing van de zondaren, en zeggen: ‘Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid!’

 

Daar kun je het nu wel mee eens zijn, maar het gaat erom dat je het ook beleeft, dat je mag zien dat God je opraapt uit de goot en dat Hij Zijn Zoon biedt en dat je hersteld mag worden in Zijn gemeenschap. Dan roemen we in God: ‘O grote God, geprezen zij Uw Naam tot in alle eeuwigheid!’

 

De derde en de vierde deugd die de Catechismus hier noemt vat ik samen, want de Hebreeuwse taal heeft daar maar één woord voor. Dat is het woordje ‘chèsèd’:

goedheid en barmhartigheid.

Die goedertierenheid van God is er vanwege het verbond van God.

De dichter zingt ervan:

Met goedheid en barmhartigheên u kronen.

Gods hart brandt van liefde en ontferming voor verloren zondaars. Gods hart brandt van liefde om verloren zondaren tot Zich te brengen.

Hij heelt gebrokenen van harte,
En Hij verbindt z’ in hunne smarte.

 

Er is balsem in Gilead.

Er is genezing door Zijn striemen.

God is zo goed!

Hij is het zo waard om gediend te worden.

Geef u aan Hem over.

Hij vergeeft menigvuldig.

Wie dat mag ervaren, zal Zijn goedheid en barmhartigheid roemen en prijzen.

 

De vijfde deugd die de Catechismus noemt, is Gods gerechtigheid.

God is recht, rechtvaardig, eerlijk en betrouwbaar. Hij ziet de zonde ook niet door de vingers. Onder Zijn rechtvaardig oordeel moeten ook allen omkomen die aan Christus voorbijgaan als de enige Borg van zaligheid.

God heeft voor een Borg gezorgd: Jezus Christus, de Rechtvaardige, Die eeuwige gerechtigheid heeft aangebracht.

Dat geheim ontdekte Luther, toen hij zei: ‘We hebben geruild, we hebben geruild!’ O, die gerechtigheid van God, die rechtvaardigheid van God! Hij kon het niet klein krijgen, totdat Hij zag dat daarmee bedoeld werd de reddende gerechtigheid van Christus, Die de enige Rechtvaardige is en voor zondaren gestorven is.

 

De Bijbel zegt dat er niemand rechtvaardig is, ook niet één.

Gelooft u dat ook echt, dat er niemand rechtvaardig is? Dan geloof je ook dat je zelf niet rechtvaardig bent. Dan geloof je ook dat je verzoening nodig hebt. Dan kom je aan de voeten van de Heere terecht en dan belijd je al je zonden. Dan is er Eén, Die alles voor je wordt. Die krijgt waarde voor je. Dat is die ene Rechtvaardige, de Heere, onze gerechtigheid, Die Zijn leven gaf aan het kruis, Die om onze ongerechtigheden is verbrijzeld. De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem.

Er is ook onder den hemel geen andere naam, die onder de mensen gegeven is, door welken wij moeten zalig worden. Jezus Christus en Dien gekruisigd!

Neem deze Christus aan in een waar geloof, vertrouw u aan Hem toe.

Wie deze Zaligmaker kent, zegt: ‘Heere, Uw Naam zij geprezen tot in alle eeuwigheid.’

 

Nog één deugd noemt de Catechismus en dat is Gods waarheid.

Het Oude Testament heeft daar het woordje ‘èmèt’ voor en dat betekent: onwankelbaarheid, vastheid, onveranderlijkheid, iets waar je van op aan kunt. Of liever: Iemand op wie je aankunt, op wie je je kunt verlaten, die betrouwbaar is.

God zij waarachtig, maar alle mens leugenachtig, lezen we in de Bijbel. Hij is wáár. Hij is waarachtig.

 

Waarheid, deze eigenschap van God, vinden we terug in ‘Jahweh’, die heerlijke Naam van Hem in het Oude Testament, ‘Ik zal zijn Die Ik zijn zal’. Het is Zijn heerlijke verbondsnaam, die weergeeft Zijn betrouwbaarheid en waarheid, Zijn onveranderlijkheid; dat Hij is heilig en rechtvaardig. Een rijkere naam staat er niet in de Bijbel.

God komt tot ons in de Bijbel. Hij openbaart Zich in Christus Jezus, Zijn Zoon.

Is dat niet genoeg om Zijn heerlijke deugden te prijzen en te roemen? Hoe heerlijk en helder stralen Gods deugden af in al Zijn werken in de schepping en in de herschepping.

 

We heiligen we de Naam van God.

We erkennen die Naam als groot, heilig, goed en machtig.

We roemen die Naam als iemand die een grote schat gevonden heeft en die er niet meer over zwijgen kan.

 

We prijzen die Naam.

Prijzen, dat wil zeggen: God loven voor Zijn aangezicht, zoals de engelen dat doen en zoals de geheiligde zondaren in de hemel dat doen. Dat mag u ook eeuwig doen, als u hier op aarde kunt instemmen met de eerste bede: Uw Naam worde geheiligd.

Geef ons eerstelijk dat wij U recht kennen, maar ook dat wij al Uw werken, Uw deugden, prijzen en eren.

 

We zingen Psalm 136 vers 1, 4, 5 en 25:

 

Looft den Heer’, want Hij is goed;

Looft Hem met een blij gemoed;

Want Zijn gunst, alom verspreid,

Zal bestaan in eeuwigheid.

 

Looft Gods macht, die, onbeperkt,

Gadeloze wond’ren werkt;

Want Zijn gunst, alom verspreid,

Zal bestaan in eeuwigheid.

 

Looft Gods wijsheid; door Zijn woord

Bracht Hij al de heem’len voort;

Want Zijn gunst, alom verspreid,

Zal bestaan in eeuwigheid.

 

Looft Hem, looft Hem, al wat leeft,

Die al ’t vlees zijn voedsel geeft;

Want Zijn gunst, alom verspreid,

Zal bestaan in eeuwigheid.

 

Gemeente, de derde gedachte:

 

3. Of wij tot eer van Gods Naam mogen leven

 

Kijkt u maar naar het slot van Zondag 47:

Daarna ook dat wij al ons leven, gedachten, woorden en werken, alzo schikken en richten, dat Uw Naam om onzentwil niet gelasterd, maar geëerd en geprezen worde.

 

U ziet het, dat we God moeten prijzen met ons léven. We kunnen met onze mond God wel liefhebben, maar met onze handen, onze voeten en ons hart de wereld liefhebben. Het gaat om onze levenshouding, om onze werken, om ons doen en laten.

De echte dankbaarheid blijkt in de waarachtige bekering, in het loslaten van de zonden en in het doen van Gods geboden.

’k Doe Uw geboôn oprecht en welgezind;
Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten.

 

De heiliging van Gods Naam strekt zich uit over heel ons leven. Denk erom, gemeente, dat de wereld ons goed observeert. Wij leven als christen in een glazen huis. Als wij iets doen wat in strijd is met Gods Woord en de belijdenis, dan geven we aanleiding om de Heere te lasteren.

Als u met zo’n mooi visje op uw auto rijdt en uw rijgedrag spreekt dat tegen door bijvoorbeeld in te halen waar het niet kan, dan zeggen ze: ‘Kijk, dat zijn ze nou, de visjes! Zie je het?’ Dan zorgen we ervoor dat Gods Naam gelasterd wordt.

Onze roeping is een lichtend licht en een zoutend zout te zijn, barmhartig, betrouwbaar te zijn, wáár te zijn. We moeten tonen iemand te zijn op wie je aankunt, iemand die liefde bewijst in omstandigheden waar nood is, die barmhartig is. Dan wordt God geprezen. De Bijbelse boodschap, waar de onkerkelijke mens, de heiden van onze tijd, het allereerst mee in aanraking komt, is ons gedrag.

 

Wat is het erg, jongens en meisjes, als je gedoopt bent en bij de Heere hoort, maar leeft zoals de wereld. Als je mee vloekt of meedoet met schunnige dingen. Dan ben je er de oorzaak van dat Gods Naam gelasterd en ontheiligd wordt.

Gemeente, het geldt ons allen. Laten we er toch mee in de schuld komen voor de Heere.

 

Heel ons leven, staat er.

Thuis, daar val je het eerst door de mand als je een schijn-heilige bent. Je vrouw of je man of je kinderen zien haarscherp. Als je ongetrouwd bent zien je vrienden het, degenen met wie je omgaat, met wie je contact hebt, op school, op je werk.

Het is toch raar, als ze een jaar met je samenwerken en ze er dan pas achter komen dat je naar de kerk gaat, dat je christen bent. Als ze dan zeggen: ‘O, ga je naar kerk?’ Is dat dan niet gebleken in dat hele jaar dat je met iemand samenwerkt?

 

Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het al ter ere Gods.

Het luistert heel nauw. Daarom zegt de Catechismus:

Daarna ook dat wij al ons leven, gedachten, woorden en werken, alzo schikken en richten, dat Uw Naam om onzentwil niet gelasterd, maar geëerd en geprezen worde.

 

Dan moet u niet zeggen: ‘Ja, hoor eens hier, dat kan de Catechismus nu wel zeggen, maar een mens is toch niet volmaakt?’ Nu is het wel moeilijk, gemeente, om een karakter te bekeren. Ik denk dat ieder mens zijn karakter houdt. De één is opvliegend, de ander misschien driftig, nou ja… al die eigenschappen die we bij onszelf en bij anderen waarnemen. Maar die worden wel geheiligd. Het verandert wel.

Mozes sloeg toen hij nog jong was een man dood en later staat er dat er niemand zachtmoediger was dan Mozes. De genade van God zal toch zeker invloed hebben op ons karakter.

Al blijft Petrus altijd haantje de voorste, ook na ontvangen genade, maar het is dan wel geheiligd, geheiligd door de Heilige Geest. Dan gaan we sterven aan onszelf en dan gaat Christus Jezus gestalte krijgen in ons hart.

 

De Catechismus heeft het over schikken en richten.

Ons leven moet geschikt en gericht worden op zijn doel. Wat is dan het doel? De eer van God. Niet onze naam, maar Zijn Naam moet eeuwig de eer ontvangen! Er moet  heel wat gekruisigd worden van onze naam en van ons vlees.

Het doel van ons leven is dat God geëerd wordt. Laten we daar ons leven eens op nazien.

We zijn gedoopt. God is in een relatie gekomen met ons. Is dat te zien? Zijn we een christen?

In je gedachten moet dat blijken, zegt de Catechismus. De overleggingen van je hart, de Heere ziet ze zo.

In onze woorden moet dat blijken. Woorden met zout besprengd, die stichten. Dat betekent: opbouwen, niet afbreken

 

In je werken zal het blijken, in je handel en wandel. Opdat ze onze goede werken mogen zien en God prijzen. Wat uit je gedachten opkomt, in je woorden blijkt, wordt tenslotte omgezet in je daden. Het gaat om je levenshouding.

Gemeente, die eerste bede, ‘Uw Naam worde geheiligd’, legt een klem op ons leven.

De wereld let op u. Ook medechristenen letten op u. Mag je dan zeggen wat Paulus mocht zeggen, toen ze op hem letten: ‘En zij verheerlijkten God in mij.’

O, richt u op dat ene doel, de eer van God! Dat Zijn Naam niet gelasterd, maar geprezen wordt door onze levenswandel!

 

Wat komen we tekort! We moeten ons hoofd buigen in deze dienst en zeggen: ‘Heere, wat komt U aan mij tekort!’

Wat doe ik nog vaak dingen die niet mogen! Ik moet me elke dag weer bekeren!

 

Ik zou u een dringende raad willen geven.

U die zegt:

‘Ik moet mijn hoofd buigen. Ik sta schuldig aan de ontheiliging van Gods Naam. Hoe moet het nu verder?’

Bid zonder ophouden:

‘Onze Vader, Die in de hemelen zijt, Uw Naam worde geheiligd, ook in mijn leven.’

Maar bid dat nooit zonder het oog te slaan op het kruis van Golgotha, op de doorboorde handen van de Heere Jezus. Want zo alleen kan en zal God ons gebed horen.

 

Amen.