Ds. C.G. Vreugdenhil - Zondag 46

De aanhef van het volmaakte gebed

De kinderlijke aanspraak van Zijn vadernaam
Het kinderlijk vertrouwen op Zijn vaderliefde
Het kinderlijk opzien tot Zijn vaderlijke almacht
Deze preek is eerder in boekvorm uitgegeven door de Gereformeerde Gemeente van Rotterdam-Zuidwijk. Te bestellen via: heterensr@wxs.nl www.bethelkerkrotterdam.nl
 

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 33: 11
Lezen : Psalm 103
Zingen : Psalm 103: 1, 7 en 9
Zingen : Psalm 25: 3 en 4
Zingen : Psalm 131: 4

Gemeente, wij lezen Zondag 46 uit onze Heidelbergse Catechismus, de vragen 120 en 121.

Hier begint de behandeling van het Onze Vader.

Vraag 120: Waarom heeft ons Christus geboden God alzo aan te spreken: Onze Vader?

Antwoord: Opdat Hij van stonde aan, in het begin onzes gebeds, in ons de kinderlijke vrees en toevoorzicht tot God verwekke, welke beide de grond onzes gebeds zijn, namelijk, dat God onze Vader door Christus geworden is, en dat Hij ons veel minder afslaan zal hetgeen dat wij Hem met een recht geloof bidden, dan onze vaders ons aardse dingen ontzeggen.

Vraag 121: Waarom wordt hier bijgevoegd: Die in de hemelen zijt?

Antwoord: Opdat wij van de hemelse majesteit Gods niet aards gedenken en van Zijn almachtigheid alle nooddruft des lichaams en der ziel verwachten.

 

Het thema van de preek over Zondag 46 is:

De aanhef van het volmaakte gebed

 

Drie aandachtspunten:

1. De kinderlijke aanspraak van Zijn vadernaam

2. Het kinderlijk vertrouwen op Zijn vaderliefde

3. Het kinderlijk opzien tot Zijn vaderlijke almacht

 

1. De kinderlijke aanspraak van Zijn vadernaam

 

Nog niet zo lang gelden las ik over een Pakistaanse moslimvrouw die bij een zendeling kwam met haar nood. In het gesprek zei de zendeling tegen haar: ‘Als je God echt liefhebt, mag je tot Hem spreken alsof Hij je vader is.’ Dat is bijzonder! Dat had ze over Allah nog nooit horen zeggen. Allah is de ongenaakbare, de oneindig verhevene. Het sprak haar geweldig aan: ‘alsof Hij je vader is’. Temeer omdat haar eigen vader, die ze hartelijk liefhad, nog maar kort geleden overleden was.

 

Dat is toch ongehoord, God als je Vader!

Hebt u daar wel eens bij stilgestaan, gemeente, hoe rijk dat is? Dat de Heere Jezus dat ons vóórzegt? Wat een genade! Zo is God en zo openbaart Hij Zich in de Bijbel. In Psalm 103 hebben we gelezen: ‘Gelijk een vader zich ontfermt over de kinderen, zo ontfermt de Heere Zich over degenen die Hem vrezen.

De Heere Jezus is de Weg tot de Vader. Hij openbaart ons de Vader. Wat een wonder! God had het recht om voor ons, schuldige nietige mensen, die wij geworden zijn door de zondeval, de ongenaakbare te zijn, zoals de moslims tegen Allah opzien.

God is de oneindig Verhevene. Hij had ons kunnen negeren en ons geen blik meer waardig keuren vanuit Zijn hoge hemel. Dat doet Hij niet, want Hij is Vader. Hij is met ons bewogen.

 

God werd niet pas Vader toen Hij de mens schiep en toen de mens hem Vader noemde. Nee, Zijn Vader-zijn behoort tot het wezen van God. God is niet denkbaar zonder Vader te zijn. Onze vaders zorgen goed voor ons, maar dan peilen we maar een fractie van hoe de hemelse vader zich ontfermt over allen die Hem vrezen.

 

Als wij bidden: ‘Onze Vader, Die in de hemelen zijt’, spreken wij daarmee tot de drie-enige God als Vader. Daarom staat er ook: ‘Uw Koninkrijk kome.’ Christus is toch de Koning van dat Rijk?

 

De vraag van de Catechismus luidt:

Waarom heeft ons Christus geboden God alzo aan te spreken: Onze Vader, Die in de hemelen zijt?

Dat is een zin vol van lading. Ieder woord heeft betekenis.

 

We lezen over:

God aanspreken.

Dat is bidden, dat is het als kind uitspreken van de vadernaam. Bidden is spreken met God. Je hele ziel, je hart opheffen tot God in de hemel en met Hem spreken. Het is naderen tot voor Gods aangezicht in de hemel, waar de heilige engelen God altijd aanbidden, waar de Heere Jezus is. Hij heeft het offer van Zijn bloed gebracht in het heiligdom. God verhoort bidden op grond van Zijn offer.

 

Bidden is naderen tot God, maar dan moeten we wel weten tot Wie we spreken? Niet zomaar tot een onbekende macht of kracht, maar tot een Vader in de hemel.

Als je bidt moet je hele hart erbij betrokken zijn. In de kerkdienst moet je meebidden, dan word je meegenomen in het gebed tot God.

U moet eens opletten als u een psalm leest, hoe vaak dat een gebed is en hoe zo’n gebed geformuleerd wordt. Het is een ontmoeting met God als je leest: ‘Neig Uw oor tot mij.’ en ‘Wend U tot mij en wees mij genadig.’ De bidder treedt in gemeenschap met God.

 

Maar wie zijn wij? Nietige, zondige mensen. Mogen wij zomaar naderen tot de heilige God, Die Rechter is van hemel en aarde? God, voor Wie niemand kan bestaan, mogen wij Die zomaar aanspreken? Moeten wij niet wegvluchten voor God, zoals Adam en Eva dat gedaan hebben in het paradijs? Nee, want Christus heeft ons het Onze Vader geboden, zegt de Catechismus.

 

Jezus neemt ons bij de hand en zegt: ‘Kun je niet bidden? Kom dan eens bij Mij.’

Jongens en meisjes, net als dat je samen met mamma op je knieën voor je bedje ligt. Dan zegt mamma: ‘Zal ik het voorzeggen?, dan moet jij het nazeggen.’

Zo doet de Heere Jezus ook. Hij leert het volmaakte gebed aan Zijn volk. Zij mogen nazeggen: ‘Onze Vader, Die in de hemelen zijt.’ De Heere Jezus zegt: ‘Begin maar gewoon en zeg: Onze Vader.’ Dat is toch eenvoudig? Een kind, maar ook een volwassene kan toch Vader zeggen.

 

Je hoeft in je gebed niet de hele dogmatiek te behandelen. Je mag ook niet een heel verhaal ophangen voor degenen die meebidden.

Bidden is spreken met God, heen- en weerspreken. Bidden is niet een éénrichtingsverkeer. Het is niet een aantal vragen afvuren en dan maar zien wat ervan komt. Nee, u bidt: ‘Hoor, Heere, want Uw knecht spreekt’ en ook zoals Samuël: ‘Spreek, Heere, want Uw knecht hoort.’

 

God spreekt in de Bijbel. Daarom kan je niet bidden zonder Bijbellezen. Je moet het allebei doen. Bijbellezen en bidden, want in het Woord spreekt de Heere terug, geeft Hij antwoord op je gebed.

Je mag niet bidden en dan denken: ‘Ziezo, dat hebben we weer gehad en nu gaan we weer over tot de orde van de dag.’ Als je iets vraagt aan de Heere, dan verwacht je een antwoord. Hij antwoordt in de Bijbel en dat doet Hij op Zijn tijd en op Zijn manier.

Wij kunnen tot God niet spreken, gemeente, als Hij niet eerst tot ons gesproken heeft vanuit Zijn Woord.

 

Het Onze Vader begint met de aanspraak: Onze Vader.

In de vadernaam vindt de openbaring van Gods liefde zijn toppunt. Daarin brandt de liefde van God. Het is de hoogste en heerlijkste openbaring van God.

U zegt misschien: ‘Maar hoe kan dat? Hoe kunnen wij Vader zeggen? Wij zijn toch van God afgevallen en wij zijn toch de vader der leugenen toegevallen. Wij zijn toch, zegt de Heere Jezus, uit de vader de duivel en wij zijn toch van nature kinderen des toorns.’

Ja, dat is waar, maar de Catechismus onderwijst:

wij weten dat God onze Vader door Christus geworden is.

Dat is het geheim. Van nature zijn we kinderen des toorns. Wij hebben de deur van het vaderhuis dichtgedaan, maar Christus kwam, de grote Bidder, en Hij leert ons de aanspraak: ‘Onze Vader, Die in de hemelen zijt.’

Hij leidt ons naar het kruis van Golgotha, waar God onze Vader om Christus’ wil geworden is. Het heeft Christus Zijn bloed gekost, het bloed der verzoening. Daar bracht Hij verzoening aan door voldoening, verzoening tussen God en de zondig mens. Daar zien we de diepte van Gods ontferming.

 

Daar zien we de afgrond van onze eigen verlorenheid. Hij moest daarvoor hangen aan het vloekhout van het kruis en roepen: ‘Mijn God, Mijn God.’

De kruiswoorden, jongens en meisjes beginnen en eindigen met ‘Vader’, maar op het dieptepunt van Jezus’ lijden kan Hij de vadernaam niet meer uitspreken en zegt Hij: ‘Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’

God verstoot Hem en verlaat Hem, opdat jullie, je papa en mama en ik, weer kind van God kunnen zijn en deze grote God mogen aanspreken als ‘Onze Vader, Die in de hemelen zijt.’

 

Iemand zegt: ‘Dat mogen alleen Gods kinderen, die verzekerd zijn van hun geloof, die weten dat ze verzoend zijn met God en die weten dat God hun Vader is, die het doorbrekende genadewerk van de Geest kennen. Dat is toch niet voor iedereen weggelegd?’

Dat is niet waar.  De Catechismus begint al in de eerste vraag met te zeggen:

Christus heeft het Zijn discipelen van toen en van nu geboden.

Hij is daarvoor gestorven. Op Golgotha aan het kruis werd Hij door Zijn Vader verlaten, toen Hij daar hing tot spot en smaad van mensen, opdat kinderen des toorns kunnen worden aangenomen tot kinderen van God. Hij werd weggestoten uit Gods vaderlijke gunst en gemeenschap, maar Hij heeft aan dat kruis ook uitgeroepen: ‘Het is volbracht!’ Het recht Gods is vervuld. De betaling voor de zonde is geschied. De overwinning op de satan is behaald. Toen riep Hij Zijn Vader weer aan: ‘Vader, in Uw handen beveel ik Mijn geest.’

Gemeente, de vadernaam en het kindschap Gods is met het bloed van Christus betaald. Hij baande de weg voor verloren zondaren om terug te keren tot de Vader. Zo krijgt God Zijn kinderen weer terug.

 

Daarom heeft Hij het Onze Vader geboden.

Aan wie heeft Hij dat geboden? Nou, aan ons, staat er. En wie zijn die ‘ons’? Dat zijn de mensen zoals bedoeld in de vorige Zondag. Want er staat: ‘Waarom heeft God de christenen geboden te bidden?’ ‘De christenen’, staat er. Christenen zijn mensen die de zalving van Christus deelachtig zijn. Je kan dus ook zeggen: gelovigen of kinderen van God.

Bent u dat? Bent u een christen? Of ligt hier misschien de moeilijkheid? Mist u de vrijmoedigheid om de Heere aan te spreken als ‘Vader’? Kunt u het niet? Durft u het niet? Of weet u het nog niet?

 

Hoe komt dat? Hoe komt het als dat nog een open vraag is in uw leven? Heeft de Heere God ons niet vanaf onze jeugd omringd met Zijn vaderlijke zorg en met de aanbieding van Zijn genade? Zijn we niet gedoopt in de Naam van de drie-enig God?

Toen we gedoopt werden in de Naam van de Vader, betuigde en verzegelde ons God de Vader dat Hij ons tot Zijn kinderen en erfgenamen aanneemt.

En in het dankgebed wordt beleden:

‘Dank U, Heere! Almachtige, barmhartige God en Vader, wij loven U, dat Gij ons en onze kinderen tot Uw kinderen aangenomen hebt.’

Dat staat er niet voor de vorm. Onze vaderen hebben dat neergezet omdat ze dat ook echt geloofden op grond van Gods Woord.

Maar zijn we de nieuwe gehoorzaamheid nagekomen, om de enige waarachtige God, Vader, Zoon en Heilige Geest lief te hebben, te betrouwen, aan te hangen, de wereld te verlaten, onze oude natuur te doden en in een nieuw godzalig leven te wandelen?

 

Als u zegt: ‘Nee, nee, dat ben ik niet nagekomen’, dan heb je ook God niet tot Vader. Dan sta je nog alleen. Dan moet je alleen door het leven en ook als je sterft sta je alleen. Sterven kan zo plotseling zijn.

Ga dan vanavond niet zomaar rustig slapen, maar zoek de Heere en zeg:

‘O Heere, U hebt beloofd mijn Vader te willen zijn, maar die nieuwe gehoorzaamheid ben ik niet nagekomen. Ik heb niet geloofd wat U gezegd hebt. O, Heere, schenkt mij dat geloof!’

Worstel met deze God. Zeg: ‘Gij Zoon van David, ontferm U mijner,’

 

De Catechismus zegt in antwoord 120:

Dat wij Hem met een recht geloof bidden.

Wat is een recht geloof? Is dat de volle verzekerdheid van het kindschap? Ja, zeggen veel mensen, en ze blijven hun hele leven lang de naam ‘Heere’ gebruiken en nooit eens ‘Vader’. Dat is niet goed. Zo doe je je tekort. Maar wat nog veel erger is: je doet God en Gods eer tekort, want de Heere Jezus leerde Zijn discipelen van toen en van nu die aanspraak.

Toen de Heere Jezus dit gebed aan Zijn discipelen leerde, waren ze allen nog zo kleingelovig en zó vreesachtig, zó ontrouw en soms ook moedeloos. Hun geestelijke kennis was nog zó miniem. De Trooster, de Heilige Geest, de Pinkstergeest, de Geest der aanneming tot kinderen was nog niet gekomen.

Petrus heeft beleden: ‘Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.’ Maar even later moet de Heere Jezus hem terecht wijzen: ‘Ga weg achter mij, satanas.’, als hij zegt: ‘Heere, U moet niet gaan lijden en sterven.’ Dat betekent dat hij nog niets van het borgwerk van de Heere Jezus begreep. Dat was wel nadat Jezus hem had leren bidden: ‘Onze Vader, Die in de hemelen zijt.’

 

Hoe ver moet je gevorderd zijn in het leven van de genade van God om tegen de Heere ‘Vader’ te mogen zeggen? Net zover als de verloren zoon. Die zei ook: ‘Vader, ik heb gezondigd.’ Een kind mag en kan het zeggen. De groten en de kleinen.

Denk maar aan de discipelen. Wat misten ze nog veel en toch: ‘Onze Vader.’ Kind word je door geboorte. Kind van God word je door wedergeboorte.

Een jong kind zegt al: ‘Papa, vader.’ Hoe ouder ze worden, hoe meer ze gaan zien hoe rijk dat is en wat de inhoud is van het vaderschap. Nu, dat is geestelijk ook zo.

 

In onze Zondagsafdeling staat dat God Zijn discipelen leert het gebed te beginnen met ‘Onze Vader’:

Zo wil Hij van stonden aan, in het begin onzes gebeds, in ons de kinderlijke vreze en toevoorzicht tot God verwekken, door het gebruik van de vadernaam.

 

Kinderlijke vrees en vertrouwen wekken.

God stelt geen voorwaarden waaronder je ‘Vader ‘mag zeggen. Het is net andersom. Hij zegt: ‘Zeg maar ‘Vader’, want bij het gebruik van die naam wil Ik dat vertrouwen, die kinderlijke vrees en dat opzien tot Mij wekken in je hart.’

‘Wekken’ betekent: Het zit er nog niet in, maar als je die vadernaam gebruikt, dan wekt God die vreze en dat vertrouwen in je hart. Het is juist het middel daartoe.

 

Gemeente, mist u de bewuste en de verzekerde kennis van de vergeving van de zonden?

Hebt u er wel eens iets van geproefd, maar durft u niet te zeggen: ‘Ik weet zeker dat mijn zonden zijn vergeven en ik weet zeker dat ik een kind van God ben. Ik weet, dat dood noch leven me scheiden zal van de liefde Gods in Christus Jezus.’? Als u daar soms nog aan twijfelt en denkt: ‘Mag ik de vadernaam wel gebruiken?’, dan zou ik tegen u willen zeggen: ‘Sluit u dan maar aan bij de rij van de discipelen.’

Zij kenden een ander leven, maar ze misten nog zoveel. Ze hebben zich tijdens het uitspreken van de Bergrede zeker gerekend bij die armen van geest, die treurenden, die hongerenden naar de gerechtigheid. Reken u uzelf dan maar bij de discipelen en ga maar zitten aan de voeten van de grote Meester en spreek Hem maar na: ‘Onze Vader, Die in de hemelen zijt…

 

Als de mensen de Heere Jezus verlaten en de Heere vraagt aan de discipelen: ‘Wilt gij ook niet weggaan?’, dan zegt Petrus: ‘Heere, tot wie zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden van het eeuwige leven.’ Dat is een toevluchtnemend geloof. Dat is een kinderlijk geloof. Aan hen leert de Heere Jezus: ‘Zeg maar ‘onze Vader’ tegen de drie‑enige God.’

U moet goed begrijpen, de vrijmoedigheid om ‘onze Vader’ te zeggen, moet je niet ontlenen aan je gevoel of aan je bekering of aan je gestalte, maar aan Jezus’ bevel.

Het kan zijn dat u alleen maar met heilige schroom de vadernaam kan gebruiken, maar doe het dan toch, want de Heere heeft er recht op en de Heere Jezus heeft het verdiend.

Hij heeft er zoveel voor geleden. Hij heeft het verworven.

Het is zo’n geweldig middel in de hand van God om de kinderlijke vrees en vertrouwen in uw hart te wekken. Het is tot uw troost en tot Gods eer.

 

Gijlieden dan bidt aldus: ‘Onze Vader, Die in de hemelen zijt.’ O, wat een rijkdom!

Het is waar dat hoe meer het geloof geoefend wordt, hoe groter geloof. Laat ik het zo eens zeggen: ‘Hoe meer je ziet in dat vaderlijke van God, als de Pinkstergeest de volle rijkdom opent van het vaderschap van God, dan zie je daarvan meer dan iemand die nog maar pas op de weg van de genade is.’

Maar de kleinste in de genade mag ‘Vader’ zeggen. Een kind mag het zeggen.

Nu de tweede gedachte:

 

2. Het kinderlijk vertrouwen op zijn vaderliefde

 

We lezen antwoord 120 nog een keer:

Opdat Hij van stonden aan, in het begin onzes gebeds, in ons de kinderlijke vreze en toevoorzicht tot God verwekke, welke beide de grond onzes gebeds zijn, namelijk, dat God onze Vader door Christus geworden is, en dat Hij ons veel minder afslaan zal hetgeen dat wij Hem met een recht geloof bidden, dan onze vaders ons aardse dingen ontzeggen.

 

Het geheim van een goed gebed is ‘kinderlijke vrees en vertrouwen’.

Je moet bij ‘vrees’, jongens en meisjes, niet denken aan bang-zijn. In de Bijbel heeft de uitdrukking ‘kinderlijke vrees’ de betekenis van: ‘met ontzag naar God opzien, vol eerbied en met respect tot Hem opzien.’

Dat is kinderlijke vrees. Die vloeit voort uit het vaderschap van God en dat kinderlijk vertrouwen vloeit voort uit Zijn vaderliefde. Het gaat om de gezindheid van ons hart.

Deze gezindheid van ons hart noemt de Catechismus de grond van het gebed.

─ Even opletten, er staat niet: de grond van de gebedsverhoring. Want dat is Christus. God is in Christus onze Vader geworden. ─

De grond van het gebed is kinderlijke eerbied, ontzag, liefde en vertrouwen. Zij vormen de grond, de bodem van je gebed.

Een gebed zonder kinderlijke vreze, zonder vertrouwen, is geen gebed. Dat is een bodemloos vat. Dat is niet eerbiedig.

Wat is een gebed zonder vertrouwen? Dat is een slag in de lucht. Dat is Gods Naam ijdel gebruiken.

 

De kinderlijke vrees vloeit voort uit het vaderschap van God. Wie ‘Vader’ zegt, mag zich bewust zijn dat hij kind is.

Bij het kind-zijn hoort onafscheidelijk eerbied en ontzag voor de ouders. Een kind ziet tegen vader op. Moet je die kleintjes eens tegen elkaar horen: ‘Mijn vader is sterk en hij kan zoveel!’ Vader is altijd vlakbij om te helpen. Als een kind zegt: ‘Wilt u mij helpen?’, dan weet vader al wat hij moet doen en hoe hij het moet doen. Het kind hoeft dat niet eens te zeggen.

De Heere weet ook wat het beste voor ons is. Hij heeft gezegd: ‘Werp al uw bekommernis op Mij en blijf er niet onder gebukt gaan, want Ik zorg voor u.’ Hij zegt niet hoe Hij zal zorgen, maar wel dat Hij zal zorgen. Wat Vader doet is goed.

Kinderlijke vrees, eerbied, maar ook kinderlijk vertrouwen, vloeit voort uit Zijn vaderliefde. Een kind vertrouwt onvoorwaardelijk op vader.

Dat vertrouwen zegt: ‘Vader heeft mij lief. Vader weet wat het beste voor mij is. Vader zorgt. Vader ziet mij als ik kreunt in mijn nood.’ Een kind vindt de grond van zijn vertrouwen in Gods grote barmhartigheid. Hij is toch Vader, Hij ontfermt zich over Zijn kinderen.

Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal uw Vader, Die in de hemelen is, goede gaven geven dengenen die ze van Hem bidden.

Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over den zoon haars buiks? Ofschoon dezen vergaten, zo zal Ik toch u niet vergeten.

 

Dat kinderlijk vertrouwen verklaart de Catechismus door er nog aan toe te voegen

dat Hij ons veel minder afslaan zal hetgeen wij Hem met een recht geloof bidden, dan onze vaders ons aardse dingen ontzeggen.

Een aardse vader slaat, als dat niet goed is voor het kind, nog wel eens het verzoek van zijn kind af.

God is een volkomen Vader. Hij slaat ook wel eens een verzoek af.

Als Paulus zegt: ‘Heere, die doorn in mijn vlees is zo scherp en die komt iedere dag maar terug. O Heere, neem hem toch alstublieft weg’, dan doet God het niet. God heeft een ander plan met Paulus. Zijn gebed wordt niet verhoord. En toch wordt het wel verhoord, want de Heere zegt: ‘Moet je eens luisteren, Paulus, die doorn heb jij nodig om klein te blijven en ootmoedig te blijven, anders zou je je verheffen op de uitnemendheid van je openbaringen. Maar Ik beloof je er wat bij: Mijn genade is u genoeg.’

 

De Heere wijst wel eens een verzoek af, maar dat is dan om ons bestwil. Dan ligt in die afwijzing ook genade. In Zijn wijze liefde legt God soms een kruis op. Als dat bij U ook zo is, vertrouw er dan op dat de Heere dat doet om uw bestwil. Vader is veel verstandiger dan zijn kind. De Heere doet het vaak om u heel dicht bij Hem te houden, om uw geloof te oefenen en te beproeven. Hoe vaak is een kind zijn ouders later niet dankbaar dat het niet altijd zijn zin gekregen heeft? Het zou tot grote schade geweest zijn.

Welnu, wie ziet op de vaderliefde van God, die denkt er geen kwaad van, maar die aanbidt het: ‘Heere, ik vraag het U, maar U weet wat goed voor mij is. Laat mij maar vallen in Uw vaderhanden.’ Dan is uw nood niet opgelost, maar dan is er toch het vertrouwen dat Vader weet wat goed is. Hij laat u niet alleen.

 

O, wat is dat heerlijk, gemeente! Hebt u uw hart ernaast gelegd? Ja toch? Het kan toch haast niet anders, dat je jezelf toetst, als je die eerbied en dat vertrouwen zo hoort noemen in de preek.

 

‘Ach’, zegt iemand, ‘dominee, had ik het maar, had ik het maar méér!’

Maar kent u dan helemaal niet die kinderlijke eerbied voor God en dat ontzag en dat respect voor Zijn Naam en de liefde tot Hem?

‘Ja’, zegt u, ‘maar mijn zonden dan? Hoe moet dat, hoe kan dat dan?’

 

Maar gemeente, dat verhindert de vreze des Heeren toch niet! Dat verhindert toch niet het kinderlijk opzien tot de Heere?

Dat was toch bij die verloren zoon ook niet zo? Waarom ging hij naar huis? Hij kon ook wel zeggen: ‘Ja, mijn zonden, m’n vader zal me zien aankomen. Hij zal me van het erf afsturen en zeggen: Jij doorbrenger, wil je maken dat je wegkomt? Gauw!’

Maar die jongen ging terug. Waarom? Hij wist van de liefde van zijn vader. Hij kende zijn vader nog van vroeger en wist hoe hij zou reageren. Daarom waagt hij het erop. Als hij gedacht had: ‘Vader stuurt me van het erf.‘, dan was hij niet teruggegaan. Dan was hij omgekomen in zijn ellende. Maar hij heeft het erop gewaagd, want hij vertrouwde erop dat zijn vader nog steeds zijn vader was en dat hij met innerlijke ontferming over hem bewogen was. Daarom ging hij terug met de uitroep: ‘Vader, ik heb gezondigd!’

 

De oudste, oppassende zoon kende de kinderlijke vreze niet. Hij kende alleen maar slaafse vrees. Hij zwoegde als een huurling.

Gemeente, bent u ook nog zo bezig? Wilt u steunen op uw zwoegen, uw werken, uw levensverbetering en op uw rechtzinnigheid? Doe het toch niet! Die jongste zoon kreeg een nieuw hart en daar gaat het om. Kinderlijke vrees, diep ontzag voor Gods heerlijkheid, grootheid, barmhartigheid en heiligheid. We hoeven vanwege onze zonden niet van Hem weg te blijven, niet uit angst voor de straf.

Wij mogen weten dat Christus Jezus Zijn leven gaf, dat Hij goedertieren is en gaarne vergevend. Dat Hij liefde is en Vader is.

Als u dat bedenkt, krijgt u een hartelijk vertrouwen en doet u een beroep op Gods liefdehart:

Denk aan ’t Vaderlijk meêdogen,
Heer’, waarop ik biddend pleit;
Milde handen, vriend’lijk’ ogen
Zijn bij U van eeuwigheid.

Dat is kinderlijke vrees en kinderlijk vertrouwen.

 

Als de Heere uw geloof oefent, gemeente, en u mag iets zien van het kruis van de Heere Jezus en geleid worden door de Heilige Geest, gaat u een beroep doen op onze Vader, op Zijn genade, op Zijn vaderliefde en op Zijn vaderlijk welbehagen en op de verdiensten van Christus,

‘O, lieve Vader, dank U voor Uw onuitsprekelijke, eeuwige liefde, dat Ge Uw eniggeboren Zoon niet gespaard hebt, maar hebt Hem overgegeven. Ook voor mij! O, dan zult U mij toch alle dingen schenken, want U doet toch wat U beloofd hebt!’

Kijk, dat noemt de Catechismus ‘dat wij Hem met een recht geloof bidden’.

Dat steunt op Gods Woord, op de beloften van het Evangelie. Het rechte geloof twijfelt er niet aan of God genade bewijst en of Hij doet wat Hij zegt en of Hij goedertieren is.

Dat rechte geloof zegt met David:

Heere, doe gelijk Gij gesproken hebt.

Op Uw Woord heb ik gehoopt.

U zendt armen niet ledig heen.

Nooddruftigen zal Hij verschonen;
Aan armen, uit genâ,
Zijn hulpe ter verlossing tonen;
Hij slaat hun zielen gâ.

O, Heere, ziet U mij? Ik kan niet zonder U, Vader!

 

Om Christus’ wil, gemeente, zijn bij Hem milde handen en vriendelijke ogen. Daarin straalt Zijn vaderlijke liefde en barmhartigheid.

 

Laten we er samen van gaan zingen uit Psalm 25 vers 3 en 4:

 

Denk aan ’t Vaderlijk meêdogen,

Heer’, waarop ik biddend pleit;

Milde handen, vriend’lijk’ ogen

Zijn bij U van eeuwigheid.

Sla de zonden nimmer gâ,

Die mijn jonkheid heeft bedreven;

Denk aan mij toch in genâ,

Om Uw goedheid eer te geven.

 

’s Heeren goedheid kent geen palen;

God is recht, dus zal Hij door

Onderwijzing hen die dwalen,

Brengen in het rechte spoor.

Hij zal leiden ’t zacht gemoed

In het effen recht des Heeren;

Wie Hem need’rig valt te voet,

Zal van Hem Zijn wegen leren.

 

Gemeente, de derde gedachte:

 

3. Het kinderlijk opzien tot Zijn vaderlijke almacht

 

We lezen nog een keer vraag en antwoord 121:

Waarom wordt hier bijgevoegd: Die in de hemelen zijt?

Opdat wij van de hemelse majesteit Gods niet aardselijk denken en van Zijn almachtigheid alle nooddruft voor lichaam en ziel verwachten.

 

Kinderlijk opzien tot Gods vaderlijke almacht.

Naast de liefde van God, waarop vertrouwen mag rusten, geeft de Catechismus hier nog een tweede steunpunt voor dat opzien en dat vertrouwen, namelijk de almacht van God. De nood kan zo groot niet zijn of God is machtig om uit te helpen.

 

Dat we van Zijn almacht alle nooddruft voor lichaam en ziel van Hem verwachten.

Onze Vader, Die in de hemelen is, kan en wil ons helpen. We moeten van Zijn hemelse majesteit niet aards denken.

Gemeente, ik heb dat lang verkeerd gezien heb. Ik dacht: ‘Dat betekent dat wij van Zijn hemelse majesteit niet aards mogen denken. Het zou bedoeld zijn om de afstand tussen de Schepper en het schepsel nog eens goed te onderstrepen.’

Maar, gemeente, als er staat: ‘We moeten van Zijn hemelse majesteit niet aards denken’, is dat niet om de afstand te onderstrepen, maar juist om onze vrijmoedigheid te vergroten. Over God moeten we niet aards denken. Hij is niet zoals wij, zo van ‘voor wat hoort wat’.

 

De Catechismus zegt:

Je kunt je niet voorstellen hoe groot en heerlijk God is! Denk niet te klein van God! De hemelse Vader slaat ons nooit af zoals aardse vaders. Zo is de hemelse Vader niet. Hij is machtig en groot en alomtegenwoordig. Wij mogen bij Hem op audiëntie gaan, tot Hem spreken.

Niet aards over Hem denken. Weg met al die aardse gedachten van God! Hij is groot, verheven, volmaakt, barmhartig en genadig. We kunnen alleen maar in aanbidding voor Hem neerknielen. Net als de dichter van Psalm 103:

En gij, mijn ziel, loof gij Hem bovenal.

 

Weet je wat er gebeurt als je aards over God denkt? Dan kom je fout uit. Israël dacht bij de grens van het beloofde land ook te aards over God.

De verspieders kwamen terug en zeiden: ‘We komen nooit in dat land. Daar zijn Enakskinderen. Dat zijn reuzen. Die zijn veel sterker dan wij.’ Inderdaad, maar zij vergaten hoe groot hun God was. Ze dachten aards van God en ze zijn toen vanwege hun ongeloof in de woestijn gestorven.

 

Niet aards van God denken. Hij is hemels.

Weet u wie er goed van Hem dachten en in de almacht Gods geloofden? De drie jongelingen in dat dal van Dura bij de vurige oven. Ze dachten niet aards van God. Ze zeiden: ‘Zal het zo zijn, onze God Dien wij eren, is machtig ons te verlossen uit den oven des brandenden vuurs.’ Ze zijn gered door God, want ze dachten niet aards van Hem.

Als de golven van beproeving hoog oprijzen, uw hemelse Vader weet uitkomst, want Hij is de Almachtige.

 

Het tweede wat hier onderstreept wordt:

we mogen alle nooddruft voor lichaam en ziel begeren.

Nooit kan het geloof teveel verwachten van Gods almacht.

Alle machten, duivelen en vijanden zijn Hem onderworpen.

Eén woord van Hem is voldoende en de vijanden moeten afdruipen en gehoorzamen.

Eén woord van Zijn almacht en gevangenisdeuren kraken open door een aardbeving.

Zieken worden genezen, doden worden levend.

 

O, wat staan wij vaak machteloos! Onze nood kan zo groot zijn.

Misschien zijn er in ons midden, die zeggen: ‘Mijn nood is zó groot!’ Je lichaamsnood, je situatie, je omstandigheden, je zielennood.

Je weg kan zwaar zijn. Het kruis kan drukkend zijn. Het kan zo overweldigend groot op je af komen, dat je zegt: ‘Heere, ik zie niet meer hoe het verder moet.’

Maar wie nu even niet aards denkt van Zijn almacht en God niet meet naar de maatstaf van zichzelf, die komt er bovenuit. Die zegt:

‘Heere, U bent zo groot! Ik geef het in Uw handen. Voor u is het alles klein en onbetekenend.’

Geef het maar over in Gods hand, in Zijn vaderhand.

Daar zijn de doorboorde handen van Jezus. God is om Christus’ wil onze Vader.

 

Hoop op God! Uw hemelse Vader weet wat u nodig hebt. In dagen van ziekte, armoede, werkeloosheid, huwelijksproblemen. Vertrouw op Hem als u moeilijkheden hebt met uw kinderen, als ze niet meer meewillen naar de kerk, als ze de Heere en Zijn dienst verlaten. Ga maar op je knieën. Wat U niet kunt, dat kan onze God. Zeg maar: ‘Heere, m’n kind!’ of: ‘Heere, m’n man!’ of: ‘Heere, m’n vrouw!’

 

Mist u de vrijmoedigheid om ‘onze Vader’ in kinderlijke vrees en kinderlijk vertrouwen te zeggen.

Denk dan niet te aards van God.

Denk niet te klein van God.

Zeg met de dichter: Wat buigt gij u neder, o mijn ziel, en zijt onrustig in mij? Hoop op God.

Hij is de almachtige God in de hemelen, Die in Zijn vaderlijke liefde en almacht zorgt voor Zijn kinderen.

Hoop op God en verwacht het van Hem.

Die Zijn majesteit ziet, zal Zijn almacht ondervinden.

Wie in ’t stof lag neergebogen,
Wordt door Hem weer opgericht.

 

Durft u de ogen niet met de tollenaar opslaan naar de hemel, vanwege uw zonden of uw gebrek aan vertrouwen? Laat staan dat u ‘Vader’ zou durven zeggen.

Ziet dan toch op deze liefdevolle God.

Ga terug naar deze God en verwacht alles van Hem.

Hij leert al Zijn volgelingen ‘Vader’ zeggen.

 

De Catechismus zegt verder:

Dan mogen we het ook van Hem verwachten.

Met bidden is het niet afgelopen.

Het is niet zo: ‘Nu heb ik ‘amen’ gezegd en zullen we het wel zien.’ Het gaat verder. Als u gebeden hebt, volgt daarop het uitzien naar de verhoring.

 

Wachten, dat is moeilijk, maar verwachten is anders, dat is gelovig wachten. God laat ons wel eens wachten om ons geduld te leren, om ons te leren dat we er geen recht op hebben dat God ons hoort, dat we rechteloos zijn. Maar de Heere komt nooit te laat.

Hij kwam niet te laat bij Martha en Maria. Ze hadden de Heere geroepen en toen Hij kwam, zeiden ze: ‘Heere, nu is het te laat. Hij is gestorven. Hij ligt al in het graf.’ Maar Jezus kwam niet te laat. Hij wekte Lazarus op uit de doden.

 

Daarom, gemeente, wat hindert u om te bidden wat Jezus ons voorzegt?

 

Onze Vader, Die in de hemelen zijt,

Uw Naam worde geheiligd.

Uw Koninkrijk kome.

Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde.

Geef ons heden ons dagelijks brood.

En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.

En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze.

Want Uw is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid, in der eeuwigheid.

Amen.

 

Amen.