Ds. C.G. Vreugdenhil - Zondag 44

Het geheim van de wet en de prediking van de wet

De volmaakte eis van Gods wet
De onvolkomen gehoorzaamheid aan Gods wet
Het doel van de prediking van Gods wet
Deze preek is eerder in boekvorm uitgegeven door de Gereformeerde Gemeente van Rotterdam-Zuidwijk. Te bestellen via: heterensr@wxs.nl www.bethelkerkrotterdam.nl

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 17: 4
Lezen : Romeinen 7: 7 - 26
Zingen : Psalm 19: 1, 4 en 6
Zingen : Psalm 119: 87 en 88
Zingen : Tien Geboden: 8 en 9

Gemeente, aan de beurt is het laatste gebod van de Tien Geboden. We behandelen deze aan de hand van het onderwijs in onze Heidelbergse Catechismus, Zondag 44.

 

Vraag 113: Wat eist van ons het tiende gebod?

Antwoord: Dat ook de minste lust of gedachte tegen enig gebod Gods in ons hart nimmermeer kome, maar dat wij te allen tijde van ganser harte aller zonden vijand zijn en lust tot alle gerechtigheid hebben.

Vraag 114: Maar kunnen degenen die tot God bekeerd zijn, deze geboden volkomen houden?

Antwoord: Neen zij, maar ook de allerheiligsten, zolang als zij in dit leven zijn, hebben maar een klein beginsel van deze gehoorzaamheid; doch alzo, dat zij met een ernstig voornemen, niet alleen naar sommige, maar naar al de geboden Gods beginnen te leven.

Vraag 115: Waarom laat ons dan God alzo scherpelijk de tien geboden prediken, zo ze toch niemand in dit leven houden kan?

Antwoord: Eerstelijk, opdat wij ons leven lang onze zondige aard hoe langer hoe meer leren kennen en des te begeriger zijn om de vergeving der zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken.

Daarna, opdat wij zonder ophouden ons benaarstigen en God bidden om de genade des Heiligen Geestes, opdat wij hoe langer hoe meer naar het evenbeeld Gods vernieuwd worden, totdat wij tot deze voorgestelde volkomenheid na dit leven geraken.

 

Het gaat in deze Zondag over:

Het geheim van de wet en de prediking van de wet

 

Drie hoofdlijnen aan de hand van deze drie vragen:

1.   De volmaakte eis van Gods wet

  1. De onvolkomen gehoorzaamheid aan Gods wet
  2. Het doel van de prediking van Gods wet

 

1. De volmaakte eis van Gods wet

 

Bent u benieuwd naar dat geheim? Want het thema luidt toch ‘Het geheim van de wet’.

Wat is het geheim van de wet van God, van de Tien Geboden en daaruit voorkomend het geheim van de prediking van de wet van God?

Dat kan ik u in één woord zeggen. Dat geheim is: liefde.

‘Wat?’, zegt u, ‘de liefde? Blijkt niet het tegendeel uit deze Zondag? Er staat: zelfs de minste lust tegen het gebod van God is al zonde. En zelfs Gods kinderen kunnen het gebod van God niet volkomen houden. En de wet moet scherp gepredikt worden. Nou, noem dat maar liefde! Dat is toch onbarmhartig?’

 

Nee, dat is het niet. Het geheim van de wet van God is liefde. Zo vat de Heere Jezus de geboden samen als Hij een korte samenvatting van de wet geeft? ‘Gij zult liefhebben de Heere, uw God; en uw naaste als uzelf.’ Het is de wet van de liefde.

Wat we hier lezen is dat het tiende gebod gezien wordt, niet in de eerste plaats als een afzonderlijk gebod, maar als het sluitstuk van de Tien Geboden.

 

Daarom staat er ook:

Niet de minste lust of gedachte tegen enig gebod van God.

Zo legt de Catechismus het tiende gebod uit, zij legt direct het verband met de andere geboden. Net als in de schriftlezing in Romeinen 7, waar Paulus zegt: ‘Ik had de begeerlijkheid niet geweten zonde te zijn, indien de wet niet zei: Gij zult niet begeren.’ En dan begint hij over de strijd om naar de wet van God te leven en hoe moeilijk dat is.

Duidelijk is dat het alleen maar uitwendig volbrengen van Gods wet niet genoeg is. God kijkt in ons hart. God vraagt naar waarheid in ons binnenste.

Het tiende gebod gaat erover dat de minste lust of gedachte tegen enig gebod zonde is. Het tiende gebod zet een dikke streep onder al de andere, voorafgaande geboden.

Het legt de wortel van het kwaad in het hart van de mens bloot ‘het begeren’.

Het tiende gebod geeft de sleutel om de voorgaande negen geboden te verstaan.

 

We hebben gezien dat de Catechismus bij de behandeling van alle geboden er de nadruk op leggen dat het niet alleen maar gaat over de zondige daad, die God verbiedt, in zijn grove vorm, maar ook in hele verfijnde vormen.

Nu zegt het tiende gebod:

U zult die zonden niet alleen niet doen, maar u zult ze zelfs niet begeren te doen.

God verbiedt niet alleen de zondige daad, maar ook de gezindheid, waaruit die daad voortkomt. Hij kijkt in de meest verborgen schuilhoeken van ons hart. Van jullie hart, jongens en meisjes, en hij ziet wat daar leeft.

Iedereen kan ons wel voor een net, fatsoenlijk mens houden, een keurige jongen, een fijn meisje, maar God kijkt dwars door de buitenkant heen tot in ons hart.

 

Laat ik het wat concreter maken.

U kent het tiende gebod toch wel:

‘Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is.’

 

Laat ik dat laatste eerst even nemen, jongens en meisjes:

Niet begeren iets dat van je naaste is.

Een vriendje in de klas of in de straat heeft zulke mooie dingen. Van de zomer zag je hem staan op een prachtige, snelle surfplank en nu rijdt hij op een heel mooi brommertje rond. Je kunt nog een heleboel meer dingen noemen. ‘En wat heb ik eigenlijk? Ja, ik heb alleen maar een oude fiets. Wat heb ik eigenlijk verder nog?’ Dan kan in je hart de gedachte opkomen: ‘Dat zou ik ook wel willen hebben.’ Zelfs diefstal zou in je hart kunnen opkomen. Je doet dat natuurlijk niet, maar het zou in je hart kunnen opkomen.

Ja, die vriend heeft een leuk meisje. Je zou eigenlijk ook wel… En daarnaar mag jij ook wel verlangen. Daar zit geen kwaad in. Maar hoe denk je erover en hoe ben je er mee bezig? Misschien ontstaat er in je hart wel jaloezie of verkeerde begeerten.

 

U woont in een mooi huis. Ruimte genoeg voor de kinderen. Maar ja, die ander is pas verhuisd en heeft een nog mooier huis. De tuin is mooier en het ligt op een mooiere plaats. Het is hem wel gegund, hoor! Natuurlijk! Maar als je er langsloopt denk je: ‘Dat is toch een mooi huis, dat hij heeft. Dat van mij is toch wel veel kleiner.’

Niet tevreden met wat je hebt, terwijl het genoeg is. God geeft zoveel en God zorgt voor je.  En dan toch… Voelt u het?

 

Uws naasten huis, uws naasten dienstknecht of dienstmaagd.

Ja, want dat huis van u moet ook schoongehouden worden. Dat is een heel karwei. Dat kun je misschien niet helemaal zelf. Je zou graag een goede hulp hebben. Dat lukt maar niet. Die ander kreeg net precies die hulp op wie u zo op gehoopt had.

Voelt u wat er dan in je hart op kan komen? In uw hart, in mijn hart?

 

Uws naasten huis, uws naasten vrouw, uws naasten dienstknecht, dienstmaagd, zijn os en zijn ezel.

Nu denk ik niet dat u graag bij uw fietsenhok een stal wilt hebben voor uw os of uw ezel, maar u snapt wel waar het over gaat. Het gaat over het statussymbool de auto. Je auto rijdt prima en je komt waar je wezen wilt. Maar die collega rijdt in de nieuwste en mooiste Mercedes rond. Nou nee, natuurlijk! Je zet dat van je af en je stapt in je Opeltje, maar je ziet die Mercedes iedere dag. Tóch wel een mooie wagen!

Ik hoef u het niet uit te leggen, ik kan het ook niet uitleggen. U voelt het wel van binnen. Wat er dan wel gebeuren kan in je hart, als God niet dichtbij je is!

 

Begint u de achtergrond van het tiende gebod al een beetje te begrijpen, gemeente? Zullen we het nog eens lezen?

Dat ook de minste lust of gedachte tegen enig gebod van God in ons hart nimmermeer kome.

Ziet u, de zonde van het begeren brengt de zonden tegen alle andere geboden met zich mee.

De strijd tegen het zevende gebod, de vrouw van je naaste. Het achtste gebod, die mooie brommer of die computer of iets anders van je vriend.

En het negende gebod, die collega op het kantoor die zijn best doet en hard werkt en goed werkt en die eer en aanzien geniet, meer dan u. En toen die gedachteflits, die jaloezie in je hart. U wist iets van die collega, wat anderen niet wisten. Zal ik het eens vertellen? En als ik het nou nog een beetje verdraai! Nee, dat hebt u niet gedaan. Gelukkig maar, dat moet je ook nooit doen. Maar de gedachte die in je hart opkomt!

 

Jongens en meisjes op school, die leraar… Je moet je leraren liefhebben, eren en onderdanig zijn. Maar dat gebeurt niet altijd. Je hoort wel eens over een leraar: ‘Die man, nou, voor mijn part…’ Ja, wat voor jouw part… kreeg hij een ongeluk of zo? Dat is zonde tegen Gods gebod. Alleen al die gedachte. Nee, natuurlijk, je zei dat niet, maar je dacht het. Het is zonde tegen het vijfde gebod en tegen het zesde gebod: Gij zult niet doodslaan. In je hart iemand verwensen. Het zijn allemaal zonden tegen de geboden van God.

 

Bij het licht van het tiende gebod groeit onze schuld onrustbarend. Aan al dat kwaad ontdekt ons het tiende gebod, als de Geest van God de wet van God schrijft in ons hart. Nu we hier onder het Woord zijn, wil de Geest dat doen. Je gaat zien dat alle geboden verdiept worden door het tiende gebod. De wortel van al onze zondige daden wordt blootgelegd. Ons zondige begeren, onze verdorven lusten, ons hart, als de vuile bron van wanbedrijven.

Begeren is de wortel van alle kwaad. Elke overtreding van het gebod is gevolg van een zondige begeerte of lust die in je hart opkomt. Zo boort God in het tiende gebod door heel de façade van ons leven heen. Hij verricht een dieptepeiling in ons hart. Heel diep in ons hart delft Hij de kwade begeerten op.

 

Hoe komt dat? Wij zijn allen door God geschapen met begeerte, de goede begeerte, om God te loven. Het verlangen om onze man of vrouw lief te hebben. De wens tot eten en drinken. Maar die zuivere en goede begeerte is helaas verknoeid door de zondeval. Toen kwam er jaloezie en mateloosheid. Hoe blijkt helaas ons menselijk begeren vergiftigd te zijn door de zonde! Zo werd het de wortel van alle kwaad. Het bederf van het beste werd het slechtste.

Wij zijn allen kinderen van Adam en Eva, mensen met een slecht hart. De verbondenheid aan God is verbroken. We hebben ons aan de duivel verkocht. Hij is de vuile bron van al ons begeren. Ons zuivere begeren werd radicaal in het tegendeel gekeerd. Dag in dag uit borrelt die onzalige fontein van giftige begeerten op in ons hart. Ons leven wordt verwoest door jaloezie en ontevredenheid.

 

Hoe moet dat nu verder? Kunnen we Satan, die slang, niet van ons afwerpen? Kunnen we die vuile bron niet stoppen? Nee, dat kan niet. Dat is onmogelijk.

Er is maar één oplossing: we moeten weer opnieuw aangesloten worden op de zuivere bron, op God, op Zijn heiligheid, Zijn genade. De vuile bron van ons leven moet afgesloten worden en we moeten gevoed worden uit de bron Jezus Christus. Wie door het geloof aan Hem verbonden is, gaat weer willen wat God wil en begeren wat God begeert.

Gemeente, als de Heere Jezus door Zijn Heilige Geest de wet van Zijn Tien heilige Woorden, die Hij bij de Sinaï aan Israël gaf, in ons hart gaat schrijven, dan wordt ons begeren vernieuwd. Er komt weer iets zichtbaar van Gods beeld.

Dan zeggen wij met Ruth: ‘Uw volk is mijn volk en Uw God mijn God.’

We zeggen met de psalmdichter: ‘Eén ding heb ik van den Heere begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des Heeren, dat ik dichtbij Hem mag zijn.’

 

Dan begeren we voor God te leven en de zonde te belijden en ertegen te strijden. Als dat gebeurt, als je een nieuw hart krijgt, zijn dan al die boze begeerten ineens weg uit je leven? Was dat maar waar! Dan komt de strijd waarover wij gelezen hebben in Romeinen 7. Het vlees begeert tegen de geest en de geest begeert tegen het vlees.

Zo vind ik deze wet in mij, zegt Paulus:

‘Als ik het goede wil doen, dat het kwade mij bijligt. Want ik heb een vermaak in de wet Gods naar de inwendige mens, maar ik zie een andere wet in mijn leden, welke strijdt tegen de wet mijns gemoeds.’

Wiens leven wordt afgesneden van die vuile bron van de duivel en wie opnieuw wordt aangesloten op de zuivere bron, op God, door de Heilige Geest, in Christus, die wordt, zegt de Catechismus, te allen tijde, van ganser harte, aller zonde vijand.

Als God Zijn liefdeswet schrijft in ons hart, worden we helemaal vernieuwd. De keus van het geloof is radicaal.

 

We zijn òf een vijand van God óf we zijn een vijand van de zonde.

Wat bent u? Wat zijn jullie, jongens en meisjes? Ben je een vijand van God of ben je een vijand van de zonde? Ken je de strijd daartegen, de afkeer van de zonde, het hartelijke leedwezen dat we God door onze zonden vertoornd hebben?

Daar begint het mee. Dan wil je van de zonde af. Je raakt, evenals God, bedroefd over al het kwaad dat uit de vuile bron van je hart omhoog borrelt.

Laat ik een voorbeeld nemen, jongens en meisjes. Hebben jullie papa en mama weleens zien huilen? Da’s erg. Dan krijg je het even heel moeilijk. Papa en mama huilen? Ja, dat is een hele gewaarwording. Moeder die zo goed troosten kan en vader die zo sterk is, die huilen nu zelf. O, er moet toch wel iets heel ergs gebeurd zijn! Als papa huilt, als mama huilt, dan ga jij ook huilen.

Zo raak je ook met God bedroefd over de zonde. God weent daarover. Hij heeft daar verdriet van. Dan ga je met hem meehuilen. Als je God lief hebt, vind je het zó erg, dat je God zoveel kwaad hebt aangedaan en dat je Hem op Zijn hart hebt getrapt.

Gemeente, de droefheid over de zonde werkt vijandschap tegen de zonde. Als ik mijn hemelse Vader verdriet heb aangedaan, lijd ik daar ook onder. Dan word ik een vijand van alles wat God verdriet aandoet. De bloedband spreekt. Je haat de zonde. Je strijdt ertegen met alle kracht die in je is.

 

Aller zonden vijand.

Niet alleen openlijke schanddaden, waardoor je met de politie in aanraking komt.

Nee, we zijn in deze dienst met het tiende gebod bezig, met de wortel der zonde, die boze begeerte, die verborgen zonde, die boezemzonde, die zondige gedachten. We worden oprecht en zeggen we:

‘Heere, ontdekt mij er maar aan. Beproef mij en zie of mijn gemoed iets kwaads, iets onbehoorlijks voedt. Reinig mij van mijn verborgen zonde.’

 

Te allen tijde.

Zo nu en dan? Nee, te allen tijde. Ook als er niet op je gelet wordt. Of je in de kerk bent of op je werk, op school of met je meisje samen.

De eis van Gods wet komt te allen tijde tot ons.

 

Het is een strijd op leven en dood. In de Hebreeënbrief zegt de apostel tegen degenen die God kennen en God liefhebben: Gij hebt nog tot den bloede toe niet tegengestaan. Geen moment mogen we verslappen, want dat is tot schade van ons geestelijk leven. Dan komt er verachtering in de genade.

 

De Catechismus formuleert niet alleen negatief, maar ook positief:

En een lust tot alle gerechtigheid hebben.

Vanuit de rechte verhouding met God, als Hij ons aansluit op die nieuwe bron, die bron met God. Vanuit de Bron Christus gaan wij de wil van God doen en leven naar Gods gebod. Met minder kan het niet, want: ‘Jaagt den vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand den Heere zien zal.’

 

Dat is de volmaakte eis van Gods wet. En nu het tweede:

 

2. De onvolkomen gehoorzaamheid aan Gods wet

 

We lezen samen nog een keer vraag en antwoord 114:

Maar kunnen degenen die tot God bekeerd zijn, deze geboden volkomen houden?

Neen zij; maar ook de allerheiligsten, zolang zij in dit leven zijn, hebben maar een klein beginsel van deze gehoorzaamheid; doch alzo, dat zij met een ernstig voornemen niet alleen naar sommige, maar naar al de geboden Gods beginnen te leven.

 

De Catechismus gaat hier van de hoge eis van Gods wet naar de werkelijkheid van het leven van een christen. Hoe ziet dat er dan uit?

De Catechismus past een heel strenge selectie toe.

Want er staat:

Degenen die tot God bekeerd zijn, die een nieuw hart gekregen hebben, die God liefhebben, die op die nieuwe Bron Christus zijn aangesloten, kunnen die de wet volkomen houden?

Alle anderen worden uitgesloten. Het gaat over bekeerde mensen, over Gods kinderen. Zij leiden een nieuw leven. Zij denken anders, doen anders, spreken anders en zijn anders.

Die mensen, kunnen zij dat gebod van God volkomen houden?

Dan zegt de Catechismus:

Nee, dat kunnen zij niet. Ook de allerheiligsten hebben maar een klein beginsel van die nieuwe gehoorzaamheid.

Van alle begenadigde mensen kiest de Catechismus de allerheiligsten uit.

 

Laten we er een paar noemen uit de Bijbel: Abraham, Noach, Mozes, Petrus, Paulus. Steunpilaren voor de Kerk. Wat zien we tegen hen op als we hun leven nagaan! Nee, daar kan niemand van ons zich toe rekenen. Als je je vergelijkt met deze bijbelheiligen, zeg je: ‘Dan zijn wij maar kleintjes.’ Maar hoe ziet God ze? Als kleinen. Als mensen met een klein beginsel, want de Bijbel getuigt ook van de zonden van deze bijbelheiligen, van hun onvolkomen gehoorzaamheid.

Abraham stond te jokken voor de farao van Egypte. Hij nam Hagar. Dat was ongeloof.

Noach, die rechtvaardige Noach, die werd dronken, nadat God hem gered had van de zondvloed en hij een prachtige wijngaard had geplant.

Petrus heeft de Heere Jezus verloochend.

Paulus raakte verbitterd met Barnabas.

Ziet u het? Een klein beginsel van deze volmaakte gehoorzaamheid. Zo lang ze in dit leven zijn is het beginsel klein.

 

Een beginsel.

Dan moet u denken niet aan iets dat dood is, maar aan iets dat leeft. Bijvoorbeeld een zaadkorrel die wel klein is, maar die kiemkracht heeft, die alles in zich heeft. Een knop die een mooie bloem in zich draagt. In beginsel zit daar de kracht tot ontwikkeling in. Die knop wordt een bloem. In dit leven een beginsel, een knop, een zaadje, maar het houdt de beloften van de volkomenheid na dit leven in.

 

Waarom een klein beginsel?

Wel, of iets klein of groot is, dat hangt er maar net vanaf waarmee je het vergelijkt. De farizeeën dachten dat zij een groot beginsel hadden, maar zij vergeleken zich met de tollenaren en de hoeren.

Waarom spreekt de Catechismus dan over een klein beginsel? Omdat we ons vergelijken moeten met de Heere Jezus in Zijn volmaakte gehoorzaamheid. Als Hij er toch niet was, waar zou mijn hoop, mijn moed gebleven zijn? Als die Volbrenger van de wet er toch niet was!

 

Klein is het beginsel, zegt de Catechismus.

Ja, dat zei Paulus ook in de schriftlezing: ‘Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? Ik dank God door Jezus Christus, onzen Heere.’ En toch: ‘Niet dat ik het alrede gekregen heb of alrede volmaakt ben; maar ik jaag daarnaar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben.’

 

De Catechismus zet hier geen punt. Er staat niet: ‘Ze hebben maar een klein beginsel’, punt. Nee, er staat een komma!

Doch alzo, dat zij met een ernstig voornemen niet alleen naar sommige, maar naar al de geboden van God beginnen te leven.

Kijk, dat is nu juist een heel belangrijk punt: dat je een ernstig voornemen hebt om niet naar sommige, maar naar al de geboden Gods te leven.

Een schijnheilig mens heeft dat niet. Een kind van God heeft dat wel. Die neemt zich voor om nooit meer te zondigen.

Misschien hebt u het wel eens tegen de Heere gezegd:

‘Heere, U bent zo goed voor mij, als ik zie wat u allemaal aan het kruis geleden hebt voor mij. Ik zal nooit meer zondigen!’

Je strijdt ertegen, maar het gebeurt wel. Tegen wil en dank gebeurt het. Je strijdt ertegen met vallen en opstaan.

Telkens als je in de zonde valt, staan je weer op en neem je het je weer voor.

Het is een ernstig voornemen. Niet oppervlakkig, niet uitwendig, maar het ligt verankerd in de onberouwelijke keuze van het geloof.

 

Het blijft niet bij goede voornemens, maar het krijgt gestalte in je leven. Het is een worsteling. Je begint naar al de geboden van God te leven. Dat blijft zo, je hele leven lang, vanaf je wedergeboorte tot aan je dood.

Wat een troost, kinderen van God, dat God weet wie we zijn! Hij gaf Zijn Zoon, opdat wij in al onze onvolkomenheid vluchten tot Hem. Hoe meer u de onvolkomenheid van de nieuwe gehoorzaamheid inleeft, hoe meer u Christus nodig krijgt.

Daar gaat het over in de derde gedachte, als we spreken over het doel van de prediking van Gods wet.

 

Eerst zingen over de wet van God uit Psalm 119 vers 87 en 88:

 

Kom mij te hulp; mijn ziel, die U verbeidt,

Heeft Uw bevel met lust en liefd’ ontvangen.

Ik haak, o Heer’, naar ’t heil mij toegezeid;

Bestier in gunst naar Uwe wet mijn gangen;

Al mijn vermaak stel ik, met rijp beleid,

In Uw gebod, dat is mijn hoogst verlangen.

 

Gun leven aan mijn ziel, dan looft mijn mond

Uw trouwe hulp; stier mij in rechte sporen;

Gelijk een schaap heb ik gedwaald in ’t rond,

Dat, onbedacht, zijn herder heeft verloren.

Ai, zoek Uw knecht, schoon hij Uw wetten schond;

Want hij volhardt naar Uw geboôn te horen.

 

We hebben gelet op de volmaakte eis, de onvolkomen gehoorzaamheid en nu:

 

3. Het doel van de prediking van Gods wet

 

We lezen vraag en antwoord 115 nog een keer.

Waarom laat ons dan God alzo scherpelijk de tien geboden prediken, zo ze toch niemand in dit leven houden kan?

Eerstelijk, opdat wij ons leven lang onze zondige aard hoe langer hoe meer leren kennen en des te begeriger zijn om de vergeving der zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken.

Daarna, opdat wij zonder ophouden ons benaarstigen en God bidden om de genade des Heiligen Geestes, opdat wij hoe langer hoe meer naar het evenbeeld Gods vernieuwd worden, totdat wij tot deze voorgestelde volkomenheid na dit leven geraken.

 

Logisch dat de vragensteller van de Catechismus zo’n vraag oppert. Als dat de resultaten zijn, dat zelfs de allerheiligsten maar zo’n klein beginsel hebben van de nieuwe gehoorzaamheid, heeft de wetsprediking dan wel zin? Is dat geen parels voor de zwijnen werpen? Ja, zegt de Catechismus, het heeft zeker zin.

 

Scherpelijk prediken, staat er. Dat betekent niet liefdeloos. Dat betekent juist in liefde, want de liefde is scherp.

We hebben nu de geboden behandeld. Ging het mes van God er diep in? Deed het pijn in uw hart? Gemeente, als we eerlijk zijn, komen we er nooit onschuldig uit. Heel concreet moesten man en paard genoemd worden. Het Woord van God, het gebod van God, is een tweesnijdend scherp zwaard. Dat mes ging diep in uw hart, want daar zit de kwaal. Zo’n operatie doet pijn. Maar dat moest. Stompe messen snijden niet diep genoeg. De kwaal zit zo vreselijk diep. Uitwendige zonden zijn maar symptomen van de kwaal. De wortel is onze zondige aard.

 

Het eerste doel van de wetsprediking is verdieping van de ellendekennis, opdat we ons voor God verootmoedigen.

Hoe langer hoe meer.

Dat stadium kom je nooit te boven. Je kunt nooit zeggen: ‘Nu ben ik op het punt gekomen dat ik weet wat er vanbinnen leeft.’ Nee, ‘hoe langer hoe meer’, steeds dieper.

 

Als de Heere ons leidt door Zijn Geest en Woord, leren we hoe langer hoe meer onze zondige aard zien.

Onze zonden, ja, maar ook onze zondige aard.

Gemeente, dat blijft zolang je leeft. Je hebt een strijd zolang je leeft. Het wordt je grootste smart. Wanneer de liefde van God gaat vloeien in je hart, ga je zien hoe verdorven je bent.

Dan zeg je: ‘Heere, ben ik dat? Ik schrik van mezelf. Ben ik zo slecht?’

Je zegt: ‘O God, ik heb niet verdiend dat U nog zo goed voor me bent. Het doet zeer, dat ik zo tegen U gedaan heb en soms nog doe.’

Onze zondige aard is niet weggenomen, als we God leren kennen en vrezen. Daar is voortdurend ontdekking voor nodig, opdat we ootmoedig worden.

 

Ontdekking is nooit een doel op zich. Daarom gaat de Catechismus verder met het tweede. Daar gaat het natuurlijk om:

En des te begeriger zijn om de vergeving der zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken.

Hoe meer onze zondige aard wordt blootgelegd, des te meer worden we uitgedreven naar de Heere Jezus. Dan wordt Hij noodzakelijk. Hij wordt dierbaar in Zijn bloed. Hij past precies bij een verloren zondaar. Hij, Die alles heeft aangebracht. Zo komt er plaats voor Zijn priesterlijk bloed, voor de vergeving van zonden. De wet drijft ons uit náár, stelt ons schuldig áán, laat ons ons verootmoedigen vóór de Heere, opdat we de toevlucht zullen nemen tot de Heere Jezus, om gewassen te worden in Zijn bloed.

 

Gemeente, aan het eind van de behandeling van de Tien Geboden staat de Heere Jezus Christus in de gedaante van Zijn Evangelie voor u. Hij komt staan tussen u, tussen ons en de Tien Geboden. Hij gaat staan op de plaats waar de slagen vallen. De slagen, die wij ons hebben waardig gemaakt, omdat er straf staat op iedere overtreding van Gods wet. Hij is naar de gerichtsplaats gevoerd als een Lam, het Slachtlam, beladen met de zonden der wereld. Gelijk een lam dat stemmeloos is, zegt Jesaja, voor dien die het scheert, alzo deed Hij zijn mond niet open.

Hij ving de slagen op, vrijwillig. Zo gaf Hij zich tot een offer, tot een volkomen verzoening van alle zonden.

Wat een verwondering zal uw hart vervullen, als u, zondaar, zien mag dat Christus in uw plaats ging staan!

Dat Hij onder dat gebod van God, waaronder en waardoor u voor eeuwig moest omkomen, voor u de slagen wilde opvangen!

Dat Hij voor u daar heeft gestaan op Gabbatha, terwijl de geselslagen Zijn rug hebben gestriemd!

Vrijwillig in de plaats van vloekwaardige zondaren, is Hij tot zonde gemaakt, opdat u zou instemmen met Gods heilige wet.

De Heere Jezus staat voor u en strekt Zijn armen naar u uit:

U, die daar schuldig staat onder al Gods geboden. U, die bij het eerste, bij het tweede tot en met het tiende gebod moet zeggen: Schuldig. Hij zegt: ‘Kom toch tot Mij, die vermoeid en belast zijt onder een hemelhoge schuld en Ik zal u rust geven.’

 

Het was de lust van Christus om het welbehagen van Zijn Vader te doen. In Hem is een volkomen verzoening. Hier is het eerste Adamskind dat het gebod van God vervuld heeft, de tweede Adam, Jezus Christus. Hij heeft uitgeroepen: ‘Het is volbracht!’, het eerste gebod en het tweede gebod, tot en met het tiende gebod. De vrede is verworven.

God is tevreden met Zijn Lam. Als ik God leer kennen en het Lam leer kennen en omhelzen door het geloof, dan ben ik ook tevreden. Dan ontvang ik de vrede met God, die alle verstand te boven gaat.

 

Gemeente, u moet aan het eind van de prediking van Gods wet tot Jezus gaan en komen zoals u bent, zo schuldig als u bent, want bij Hem is vergeving.

Zeg maar tegen de Heere:

‘Als U met mij in het gericht zou gaan, ik zou voor Uw aangezicht niet kunnen bestaan. Maar bij U is vergeving.’

O, er is een fontein in Jezus’ bloed, tegen de zonden.

Wie in Hem gelooft, die heeft het eeuwige leven en die mag het ervaren:

Ik leef, doch, niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons Gods, Die mij liefgehad heeft en Zichzelven voor mij overgegeven heeft, zó heeft liefgehad, dat Hij voor mij de slagen heeft opgevangen en al de geboden van God heeft vervuld.

 

De Catechismus zegt verder:

Daarna, opdat wij zonder ophouden ons benaarstigen, en God bidden om de genade van de Heilige Geest, opdat wij hoe langer hoe meer naar het evenbeeld van God vernieuwd worden, totdat wij tot deze voorgestelde volkomenheid na dit leven geraken.

 

Daarna.

Nadat we de vergeving in Christus mogen ontvangen en Zijn gerechtigheid hebben omhelsd, gaat de echte levensheiliging voor God gestalte krijgen. Daarin vindt de verlossing zijn bekroning. Daar heeft God ons voor geschapen en daar loopt het op uit.

 

Dan zegt de Catechismus:

We gaan ons daartoe benaarstigen, onze krachten aanwenden.

We zeggen niet: ‘Ik kan het toch niet volkomen houden, dus ik laat het maar zitten.’ Nee, ijverig en vlijtig in onze kerkgang, in onze gebeden, in onze stille tijden, in het lezen van de Bijbel, in het spreken met elkaar, in het komen onder het Woord. Niet zo nu en dan, maar heilig en vurig, omdat God het zo waard is. God eist een leven, gelijkvormig aan Hem.

 

We gaan er God om bidden, staat er.

Dat is de overgang naar het gebed, het Onze Vader. Dat is de schakel naar Zondag 45. Het gebed als voornaamste stuk van de dankbaarheid.

We gaan bidden:

Och, of wij Uw geboôn volbrachten!

Genâ, o hoogste Majesteit!

Gun door ’t geloof in Christus krachten,

Om die te doen uit dankbaarheid.

Dan bidden we om de genade van de Heilige Geest, zodat ons leven wordt vernieuwd. We mogen leven tot eer van God, met hoop op de toekomst.

 

Het heeft een eschatologische spits.

Totdat wij tot deze voorgestelde volkomenheid na dit leven geraken.

Het komt een keer goed.

Totdat!

O, weest niet versaagd!

Strijdt door!

Weest niet ongetroost!

Er is een volkomenheid en die komt!

Gods pelgrims komen thuis.

De heerlijkheid komt, als Jezus komt.

Wie weet hoe spoedig Hij komt.

Zijt heilig!

Leef naar Gods geboden!

Hef het hoofd omhoog, strijders, die die strijd kennen om voor de Heere te leven. Val niet moedeloos neer als u in de zonde gevallen bent, maar richt u op.

Zie op Jezus!

 

Hij is de Volbrenger van de wet en Hij brengt Zijn Kerk thuis.

Straks komt de nieuwe hemel en de nieuwe aarde en de gerechtigheid. Dan zal ik beantwoorden aan het doel waartoe de Heere mij geschapen heeft.

 

Zult u dat ook? Zal jij dat ook? Mag u, mag jij, van harte zeggen:

‘Heere, hoe lief heb ik Uw wet!

Zij is mijn betrachting de ganse dag.’?

 

Amen.