Ds. C.G. Vreugdenhil - Zondag 43

De strijd tussen waarheid en leugen

Hoe de leugen het won van de waarheid
Hoe de Waarheid het won van de leugen
Hoe de Waarheid het wint van de leugen
Deze preek is eerder in boekvorm uitgegeven door de Gereformeerde Gemeente van Rotterdam-Zuidwijk. Te bestellen via: heterensr@wxs.nl www.bethelkerkrotterdam.nl.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 26: 1
Lezen : Efeze 4: 17 - 32
Zingen : Psalm 5: 2, 6, 11 en 12
Zingen : Psalm 34: 2 en 7
Zingen : Psalm 25: 10

Gemeente, wij lezen samen Zondag 43:

 

Vraag 112: Wat wil het negende gebod?

Antwoord: Dat ik tegen niemand valse getuigenis geve, niemand zijn woorden verdraaie, geen achterklapper of lasteraar zij, niemand lichtelijk en onverhoord oordele of helpe veroordelen; maar allerlei liegen en bedriegen, als eigen werken des duivels, vermijde, tenzij dat ik de zware toorn Gods op mij laden wil; insgelijks, dat ik in het gericht en alle andere handelingen de waarheid liefhebbe, oprechtelijk spreke en belijde; ook mijns naasten eer en goed gerucht naar mijn vermogen voorsta en bevordere.

 

Het gaat in deze Zondag over:

De strijd tussen waarheid en leugen

 

Drie gedachten:

1. Hoe de leugen het won van de waarheid

2. Hoe de Waarheid het won van de leugen

3. Hoe de Waarheid het wint van de leugen

 

1. Hoe de leugen het won van de waarheid

 

Jongens en meisjes, stel je eens voor dat je niet kon praten. Er zijn mensen die zo gehandicapt zijn. Dat is erg. Dan kun je niet aan mama vragen: ‘Mama, mag ik een snoepje?’ Als je niet kan praten, kun je niet tegen papa zeggen: ‘Papa, help eens even een pijl en boog maken.’ Je kunt je verhalen niet vertellen: ‘Ik ben in het bos geweest en weet je wat ik gezien heb? Een eekhoorn, met zo’n grote pluimstaart.’ Nee, je kan helemaal niets vertellen.

Nu moet je je eens voorstellen dat het nog erger is. Niet alleen dat jij niet kan praten, maar ook dat anderen niet kunnen praten. Dat er helemaal geen taal zou zijn. Dan zou je met niemand kunnen spreken, ook niet met God. Wat zou dat eenzaam zijn! Je zou nooit blij kunnen roepen.

Gemeente, wat heeft de Heere ons toch groot en heerlijk geschapen, toen Hij aan de mens het vermogen gaf om met elkaar te kunnen praten! We kregen ons spraakvermogen van de Heere om met Hem als Schepper te kunnen communiceren, om Hem te loven. Dat hoorde bij de schepping naar Gods beeld en gelijkenis. We leken sprekend op God. Adam en Eva konden met elkaar praten. Adam zei tegen Eva: ‘Eva, zullen wij samen God prijzen?’ En Eva antwoordde: ‘Ja, laten we dat doen.’

 

Dat is de hoge komaf van de taal, van het woord, het communicatiemiddel bij uitstek, het spraakvermogen als een wonderschone gave, gekregen om God te loven. Om tot Hem te bidden, om Hem te danken, om met Hem te spreken, maar ook om als mensen met elkaar te kunnen praten en soms de diepste roerselen van je hart zomaar onder woorden te brengen, om de ander daarin te laten delen. Dat is groot.

Stel je voor dat je verkering hebt en dat je helemaal niet kon praten. Dan kan je niet samenspreken over de gevoelens van je hart. Zie je hoe belangrijk dat is? Het woord, de taal, is een heerlijke, heilige gave van God.

 

Maar er is iets vreselijks gebeurd. De leugenaar kwam tussenbeide, de duivel. ‘De vader der leugenen,’ heet hij in de Bijbel. Dat betekent: de leugen komt van hem vandaan. Hij is de aanstichter van alle liegen en bedriegen. Hij is de wortel van de leugen.

Hij sprak in het paradijs. Zijn eerste woorden waren al allemaal leugens:

‘Is het ook waar dat God gezegd heeft: Van al die bomen mag je niet eten? Wat een God! Dat moet je niet geloven.’

‘Weet je waarom dat niet mag? Dan word je net als God en dat wil de Heere natuurlijk niet.’ ‘Het proefgebod is geen liefdesgebod, hoor! Dat is puur eigenbelang van God. God heeft jullie helemaal niet lief.’

Zo zit de duivel te stoken. Het is zijn hartstocht om het Woord van God en Zijn spreken verdacht te maken, als onbetrouwbaar voor te stellen.

Sluw en geraffineerd, gemeen en laag. ‘Is het ook dat God gezegd heeft?’ Niet zomaar botweg: ‘Het is niet waar.’ Nee, hij is een twijfelzaaier. Waaraan zaait hij twijfel? Natuurlijk aan het Woord van God, aan de betrouwbaarheid van God, aan de waarheid van Gods liefde.

Toen is het ondoorgrondelijke, vreselijke gebeurd. Adam en Eva geloofden de leugenaar in plaats van God, Die niet liegen kan. Ze geloofden de leugen. Sindsdien is de mens in zijn element met de leugen. Adam maakte God uit voor een leugenaar.

 

Gemeente, erger kan het niet!

God zegt: ‘Ben Ik een God dat Ik liegen zou?’ ‘Wat uit Mijn mond gaat, staat op recht en op waarheid pal.’

God, Die Zijn beloften houdt en Zijn oordelen en Zijn bedreigingen: ‘Indien gij van die boom zult eten, zo zult ge sterven.’

Die heerlijke, heilige God, Die ons de schitterende gave gegeven heeft van de taal, Die hebben wij tot een leugenaar gemaakt.

Willens en wetens hebben we de waarheid Gods verworpen en ons aan de aartsleugenaar verkocht. Vreselijk! Wat zijn we diep gevallen!

Wie en wat we ook zijn, we leven met de leugen, zoals een vis in het water.

Het komt omdat de bron vergiftigd is, de bron van onze taal, de bron van ons denken.

 

Als de Heere Zijn verloren schepsel opzoekt en oproept om voor Hem te verschijnen, dan is het niet zo dat Adam met een mond vol tanden staat. Was dat maar zo. Had hij zijn mond maar dicht gehouden en had hij zijn hoofd maar gebogen in schaamte voor God. Gezwegen in schuldbesef. Had hij maar gezegd: ‘O God, ik kan mijn mond niet opendoen van schaamte.’ Maar nee, hij gebruikt de schone gave van de taal en van het woord om God te beschuldigen en om zijn eigen vrouw te betichten.

Sprekend zijn vader, maar nu de vader der leugenen. ‘De vrouw, die Gij bij mij gegeven hebt…’ U bent de schuld. Hier is de taal ten kwade gekeerd, tot aanklacht, tot oneerlijkheid, tot zelfbedoeling, tot zelfhandhaving. Het is niet meer een middel om te verbinden, maar om te breken en te verdelen.

 

Hoe is sinds de tijd van de val in het paradijs die schone gave nog verder gedevalueerd, ontaard en hoezeer misbruikt! De leugen heeft het gewonnen van de waarheid. Gelukkig heeft de Heere in Zijn algemene genade nog genoeg waarheid en trouw onder de mensen laten bestaan dat samenleven nog mogelijk is.

Maar de aarde is sinds die peilloos diepe val in het paradijs wel een wingewest geworden van de leugenaar en een brandhaard van bedrog en list en leugen.

God weet dat en Hij haat het. Hij kan het niet verdragen. Daarom spreekt Hij er ons op aan, eerlijk en onomwonden. God liegt niet mee, God is gebleven Wie Hij was en eeuwig zijn zal: de Waarheid.

 

Kijk, daar staat Israël aan de voet van de Horeb en de Waarachtige spreekt Zijn negende Godswoord uit tot heil van het volk:

Ik ben de Heere, uw God. Gij zult geen vals getuigenis spreken tegen uw naaste.’

‘Niet tegen Mij, maar ook niet tegen uw naaste. U zult de naam van uw naaste niet bekladden en de Naam van de Heere, uw God, niet bezoedelen. Dat is mijn eer te na.’

‘Dat geeft geen pas voor mijn volk, dat Ik heb aangenomen uit alle volken der aarde tot Mijn volk. Geen pas voor het volk, dat onder mijn bijzondere leiding staat en dat ik uit de steenovens van Egypte heb weggehaald, zodat de slavenzweep de ruggen niet meer striemt. Uitgeleid uit het diensthuis.’

‘Ik heb Mijn genadeverbond met u opgericht. Ik ben de Heere, uw God. O, dan past het niet om tegen Mij te liegen en tegen je naaste.’

‘Maar Ik weet wie je ben en hoe de macht van de leugen en het raffinement van de grote leugenaar zijn geweldige invloed heeft laten gelden in je hart, in je leven en in je woorden.’

‘Ik weet hoe arglistig het mensenhart is geworden. Ik weet dat uw keel een geopend graf is.’

 

Gemeente, huivert u maar bij de woorden uit Romeinen 3: Hun keel is een geopend graf; met hun tongen plegen zij bedrog; slangenvenijn is onder hun lippen; welker mond is vol van vervloeking en bitterheid. Ontzaglijke werkelijkheid!

God weet dat. Daarom zegt de Heere:

‘Doe dat toch niet! Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste. Daar heb Ik u de taal niet voor gegeven. Ik gaf het woord niet om elkaar te beliegen en te bedriegen. Ik gaf u de woordenschat niet om de waarheid daarmee te ontkennen en te versluieren en er maar een beetje omheen te draaien. Maar Ik heb u het woord gegeven om aan de waarheid getuigenis te geven.’

 

Wat denkt u, gemeente, zou Israël niet beschaamd gestaan hebben aan de voet van de Sinaï toen ze dit hoorden.

En wij? Wat staan we hier diep schuldig. Wat is het nodig dat die geboden ons telkens weer voorgehouden worden, anders zou u nog denken dat u het er aardig afbrengt. Als u iedere zondagmorgen meeluistert naar de lezing van de wet en u past het op uzelf toe, dan komt u nooit uit boven de gestalte van een arme zondaar.

Het is de negende keer dat God ons één van Zijn wetswoorden voorhoudt. Misschien dacht u dat het met het negende gebod nog wel meeviel in uw leven. Maar dat is niet waar.

Ik hoop dat de Geest erin meekomt en het schrijft in uw hart. Zodat er maar één reactie is: ‘Schuldig ben ik, Heere, aan al Uw geboden. O, maak mij toch oprecht!’

 

God laat ons niet vallen om ons te laten omkomen. Hij doet het juist om ons op te vangen en uit te drijven naar de genade die er is in Christus Jezus, onze Heere. God zegt ons de waarheid, maar Hij doet dat niet ongenadig. Hij is wel eerlijk, opdat wij de wet van God zouden bijvallen en de waarheid zouden erkennen, zoals David, als hij zegt: ‘U hebt gelijk, Heere, ik heb gezondigd.’

Het is heel wat, als een mens belijdt voor God en voor de mensen: ‘Ik heb gezondigd.’ Liever draaien we ons er onderuit, dan lijkt het dat het wel meevalt en we echt niet zo slecht zijn.

We moeten leren belijden: ‘Ik heb gezondigd.’ Belijdt u dat ook voor God en beleeft u dat als smart? Zo bedoelde David het en zei: ‘Ik heb gezondigd. Ik heb gedaan dat kwaad is in Uw oog. Ik ben Uw gramschap waardig, Heere. U bent rechtvaardig, Heere. U bent rein in Uw richten en rechtvaardig in Uw spreken.’

 

Gemeente, om de wet van God bij te vallen geeft de Heidelbergse Catechismus aan wat bij God verboden is en wat bij God vervloekt is.

Dat ik tegen niemand valse getuigenis geve, niemand zijn woorden verdraaie, geen achterklapper of lasteraar zij, niemand lichtelijk en onverhoord oordele of helpe veroordelen; maar allerlei liegen en bedriegen, als eigen werken des duivels, vermijde, tenzij dat ik de zware toorn Gods op mij laden wil.

De Catechismus noemt hier een paar voorbeelden en daaronder is alles te vangen: vals getuigenis geven, iemands woorden verdraaien, een achterklapper of lasteraar zijn en onverhoord oordelen. Al dat liegen en bedriegen zijn de eigen werken van de duivel.

De straf die God erop gezet heeft is Zijn zware toorn. In het nieuwe Jeruzalem zal geen leugenaar binnenkomen. Zo ernstig neemt God waarheid en leugen.

Omdat in het paradijs eenmaal de leugen het gewonnen heeft van de waarheid, daarom wint in ons dagelijks leven de leugen het van de waarheid. Je ziet het om je heen en je ziet het bij jezelf.

 

Producten die aangeprezen worden als van de beste kwaliteit, terwijl ze van inferieure kwaliteit zijn.

Iemand die zijn auto verkoopt en zegt: ‘Ja, de teller staat nog maar op 90.000 kilometer.’ Maar de kilometerstand was eerder wel tienduizend kilometer teruggedraaid.

In de politiek wordt de mensen van alles en nog wat op de mouw gespeld en allerlei beloften gedaan die niet waargemaakt worden.

Wat denkt u van de pers en andere media? Daarin openbaart zich ook de macht van de leugen en van de antichrist. ‘Iemands woorden verdraaien.’ Journalisten kunnen mensen dingen laten zeggen die ze nooit gezegd hebben, soms door een paar woorden weg te laten of in een andere volgorde te plaatsen of die ze uit hun context te halen. Je kunt iemand maken en breken door iets weg te halen uit de tekst of een woordje te veranderen.

Een voorbeeld van het veranderen van één woordje. De Heere Jezus heeft gezegd, en toen wees hij op Zichzelf, op Zijn lichaam: ‘Breek deze tempel, en in drie dagen zal Ik dezelve oprichten.’ Wat hebben ze ervan gemaakt? ‘Deze heeft gezegd: ‘Ik zal deze tempel, die met handen gemaakt is afbreken.’ Ze hebben Hem voor een leugenaar uitgemaakt. Het kostte Hem Zijn leven.

 

In de Bijbel kom je ook liegen tegen. Denk maar aan Jakob, hoe hij zijn oude, blinde vader bedroog met de geitenvellen om zijn armen.

Denk eens aan Ananias en Saffira. ‘Zeg mij, hebt ge het land voor zoveel verkocht?’ ‘Ja, voor zoveel.’ Wat voor straf krijgen ze? Ze krijgen de doodstraf. Dat was natuurlijk wel heel bijzonder. Bij Ananias en Saffira was het heel bijzonder. Het was zonde tegen de Heilige Geest.

Vreselijk zal de straf van de Heere zijn over hypocrieten, schijnheiligen.

 

Gij zult geen vals getuigenis spreken tegen uw naaste.

Niemands woorden verdraaien, dat ik geen achterklapper of lasteraar zij.

Een achterklapper roddelt achter je rug. De lasteraar doet dat meer openlijk, eventueel zelfs in je gezicht. De lastertong is de gevaarlijkste van alle tongen, want daar kun je je niet tegen verdedigen. De lasteraar kan met één woord de goede naam van iemand door het slijk sleuren en zo de kroon van zijn hoofd afrukken. De mensen zeggen al gauw: ‘Er zal toch wel iets van waar zijn?’ En de boze tong vindt het boze oor.

Onderschat de macht van satan niet! Laat onze woorden met zout besprengd zijn. Wat wordt er soms allemaal afgekletst, als de persoon over wie het gaat er niet bij is! In de huiskamer en op verjaardagsvisite: ‘Heb je het al gehoord?’ Dan wordt het heel stil. ‘Heb je het al gehoord? Nee? Nou…’ En dan komt het verhaal waarin iemand door de modder wordt gehaald. Laffer kan het niet, want degene om wie het gaat is er niet om zich te verdedigen. Zo worden drie personen gekwetst. De lasteraar en degene die belasterd wordt en zij die het horen worden de helers.

 

Vindt u het vreemd dat Jakobus, als hij het over de tong heeft, de tong een vuur noemt, in de zin van ‘een gevaarlijk vuur’? Eén vonk en een laaiende vuurzee is er het gevolg van. Eén verhaal en iemands goede naam en faam is voorgoed kapot.

We lezen bij Jakobus over de tong: ‘Het is het rad onzer geboorte, en wordt ontstoken van de hel.’ Dat is even wat! Een rad is iets dat steeds maar doordraait. Er komt geen eind aan.

Wie zijn eigen geweten dicht liegt en dicht roddelt, raakt er zo aan gewend dat hij de leugens zelf gelooft. Het is tot schade voor zijn ziel. De ene leugen roept vaak de andere leugen op. De grens tussen waarheid en leugen vervaagt.

Wie tegenover de mensen niet eerlijk is, kan het ook tegenover God niet zijn. Dan worden onze gebeden verhinderd en de vrede met God gaat verloren. De verborgen omgang met God wordt verwoest door leugen en laster.

 

Tenslotte:

Dat ik niemand lichtelijk veroordele of helpe veroordelen.

Zoals bijvoorbeeld Eli met Hanna deed, die haar ziel had uitgestort voor de Heere. Hanna lag geknield te snikken en vroeg: ‘O Heere, geef me toch een kind! Als U dat doet, zal dat knechtje voor U zijn.’ Zij werd gesard door Peninna. Elkana kon haar ook niet troosten. Ze zoekt troost bij de Heere. Dan komt Eli, die haar lichtvaardig veroordeelt. Hij zegt: ‘Hoe lang zult gij u dronken aanstellen?’ Maar dan zegt Hanna: ‘Neen, mijn heer, ik ben een vrouw bezwaard van geest; ik heb noch wijn noch sterken drank gedronken, maar ik heb mijn ziel uitgegoten voor het aangezicht des Heeren.’

De vrienden van Job veroordeelden hem ook lichtvaardig. Zij zeiden: ‘Job, het bestaat niet dat jij zo beproefd wordt, terwijl je niet gezondigd hebt.’ Ze veroordeelden hem lichtelijk.

 

We staan zo gauw met ons oordeel klaar. Als we de feiten niet helemaal kennen, zeggen we al gauw: ‘Ja, het zal wel zo of zo geweest of gegaan zijn.’ Wat een verdachtmaking soms! We zijn zo geneigd om onze eigen onhebbelijkheden te verdoezelen en die van een ander door een vergrootglas te zien.

Help niet mee om te veroordelen! Doe er geen schepje bovenop.

Arme naaste, als dat gebeurt. Arme u, als u daaraan meedoet.

Liegen en bedriegen zijn de eigen werken van de duivel. Hij is de vader der leugenen. Wie liegt laat zien van wie hij familie is. Laat ieder van ons, als het hierover gaat, zijn eigen zonden bedenken en zich verootmoedigen voor God!

Het is schandelijk om, zelfs na ontvangen genade, te liegen en te bedriegen.

‘Niet doen!’, zegt God.

Dat was onze eerste gedachte. We hebben gezien hoe de leugen het won van de waarheid. Maar nu het tweede:

 

2. Hoe de Waarheid het won van de leugen

 

Wanneer ik zeg ‘won’, dan weet u wel over Wie het gaat. Het gaat over Hem, Die zegt: ‘Ik ben de Waarheid.’ De Heere Jezus is gekomen om de werken van de duivel te verbreken. Hij kon zeggen: ‘Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.’ Hij werd als een leugenaar, als een misdadiger, als een godslasteraar gekruisigd, toen Hij de waarheid beleed en op de vraag: ‘Zijt Gij de Christus?’ zei: ‘Gij hebt het gezegd.’ Dat heeft Hem Zijn leven gekost.

Ja, die Vriend wilde in onze plaats staan, volk van God. Op Hem kwam de toorn van God, die wij door liegen en bedriegen ons hebben waardig gemaakt. Die toorn heeft Hij op Zich genomen.

De laster is Hem niet bespaard, maar heeft Hem achtervolgd tot aan het kruis. Hij is voor leugenaar uitgemaakt, maar Hij zweeg stil.

 

Gemeente, hoe indrukwekkend toch, als je de Heere Jezus ziet staan tegenover Zijn aardse rechters! Hij gaat niet in de verdediging. Hij zwijgt op alle beschuldigingen, terwijl Hij toch recht van spreken had. Hoe kan dat? Dan kijken we in het hart van het Evangelie en tegelijkertijd in de diepte van Gods gebod. Hij stond daar als Borg, als Plaatsbekleder voor leugenaars. Niet alleen voor Zijn aardse rechters, maar ook voor de hemelse Rechter. Dwars door al het gekronkel en gedraai van de wetgeleerden heen loopt de lijn van Gods waarheid en Gods recht. Daarom zwijgt de Heere Jezus onder alle beschuldigingen borgtochtelijk en plaatsbekledend. Hij gaat staan in de plaats van leugenaars.

 

Hebt u daar ooit al eens iets van gezien als het over de Heere Jezus gaat? In onze plaats!

Nee, dat was niet bij vergissing. Heel bewust vervult Hij het negende gebod. De Waarheid gaat het winnen van de leugen. Daar staat de Heere Jezus Christus. Nooit is er een leugen of bedrog in Zijn mond geweest.

‘Tweede Adam, waar zijt Gij, o Plaatsbekleder?’

‘Hier ben Ik, Vader. Zie, hier ben Ik. Indien gij dan Mij zoekt, om in Uw toorn onder te gaan voor al die leugenaars. Hier ben Ik, Vader. Laat dan dezen heengaan.’

De Vader giet de toorn uit over Zijn Zoon, de toorn die wij verdiend hebben door al onze leugenachtige woorden. Hij geeft aan de waarheid getuigenis door het offer te brengen en Zich te laten striemen, vloeken en kruisigen, als was Hij de grootste leugenaar.

Zie het Lam! Hij plengt Zijn borgbloed.

 

Hoe zit u nu onder de verkondiging van dit Evangelie? Zegt het ons niet, hoe schuldig wij staan? Denkt u dat er een feller, striemender, scherper, ontdekkender en pijnlijker schuldprediking is dan de prediking vanuit de Wetsvervuller, de Heere Jezus Christus, Die de last van de zonden heeft willen dragen?

O, roept het in uw hart niet:

‘Heere, dat U daar wilde staan voor mij! Daar had ik moeten staan. Onder die toorn van U, Heere God, had ik voor eeuwig moeten wegzinken. Dan had ik niets te zeggen gehad.’?

 

Leugen en bedrog stelde de Heere Jezus aan de kaak als de eigen werken van de duivel. Toen Hij profeteerde over Zijn offerdood om verzoening te doen voor de zonden, werd Hij, de Waarheid, als was Hij de leugen en een leugenaar en godslasteraar, uitgeworpen buiten de poort. Toen heeft Hij om Zijn leven te redden niet de toevlucht genomen tot de leugen, maar Hij stierf voor de waarheid en Hij bezegelde de waarheid met Zijn bloed. De leugen wierp de Waarheid uit en de Waarheid stierf voor leugenaars. In die weg triomfeerde de Waarheid over de leugen.

 

Wat doet deze Koning nu?

Door de kracht van Zijn Geest vernieuwt Hij mensen die van nature uit de vader der leugenen zijn. Hij gaat ze oprecht maken.

Is dat geen wonder, dat leugenaars oprechte mensen worden gemaakt? Nee, ik zeg niet dat ze dan nooit meer zonden doen en ook niet dat ze geen leugens meer spreken. Maar Hij maakt mensen oprecht, zodat ze de waarheid gaan liefhebben, zodat ze Hem als de Waarheid gaan liefhebben. Dan gaan ze oprecht bekennen dat ze onder de toorn van God liggen.

Gemeente, het is zo makkelijk gezegd: ‘We liggen van nature onder de toorn van God.’

Maar er gaat meer gebeuren als je dat echt beseft.

Je gelooft het niet, óf je komt aan de voeten van de Heere terecht en daar belijd je: ‘Heere, ik ben Uw gramschap waardig.’ Je gaat bidden: ‘O God, wees mij zondaar genadig.’

Als de Geest van Christus ons door een waar geloof met Hem verbindt, krijgen we de waarheid zo lief dat we zeggen:

‘Heere, U doet geen onrecht als U mij zou wegwerpen. Uw vonnis is gans rechtvaardig. Maar wees mij toch genadig, Heere!’

Maar met die belijdenis kan je het niet jaren uithouden, er moet een oplossing komen. Die vind je aan de voet van het kruis. Je gaat het Woord geloven, dat God barmhartig, goedertieren is en vergevingsgezind, dat Hij zegt:

Zo ver het west verwijderd is van ’t oosten,
Zo ver heeft Hij, om onze ziel te troosten,
Van ons de schuld en zonden weggedaan.

 

Dan geloven we de belofte van het kruisevangelie, dat een ieder die in deze gekruiste Koning gelooft, niet zal verderven, maar het eeuwige leven heeft. Je krijgt moed en troost en de Heere Jezus wordt je dierbaar. Er komt in het hart van schuldenaars plaats voor het dierbaar bloed van het Lam en voor verlossing. Dan komt er plaats om Hem te dienen en wordt Hij dierbaar en noodzakelijk.

 

Uw hart gaat naar Hem uit. Als u onder het Woord zit, komt Hij in het Woord op u af in het gewaad van het Evangelie. En u ziet zoveel schoonheid in Hem, dat u met de bruid zegt: ‘Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk.’

Dan sla je de armen van het geloof om Hem heen:

‘O lieve Heere Jezus, U bent mij alles, U bent mij alles waard. Dat U toch voor mij wilde sterven en dat U de zondelast voor mij wilde dragen, voor zo’n onwaarachtig en leugenachtig mens! O Heere, maak me toch oprecht!’

Dan gaan we van harte alle liegen en bedriegen als de werken van de duivel vermijden.

 

Dat is de vrucht van de verlossing door Christus. Door wedergeboorte veranderen we van vader. Dan wordt God onze Vader. ‘De God en Vader van onze Heere Jezus Christus,’ zegt Paulus. Dan worden we door Christus uitgeleid uit het diensthuis der zonden.

Ons leven wordt vernieuwd en dat uit zich in de dagelijkse bekering, in de praktijk van ons leven.

We gaan eerst zingen uit Psalm 34 vers 2 en 7:

 

Komt, maakt God met mij groot;

Verbreidt, verhoogt met hart en stem

Den nooit volprezen Naam van Hem,

Die ons behoedt in nood.

Ik zocht in mijn gebed

Den Heer’, ootmoedig met geween;

Hij heeft mij in angstvalligheên,

Geantwoord, mij gered.

 

Houdt dan uw tong in toom;

Dat zij nooit schand’lijk spreek’ of smaal’;

Dat nooit bedrog of logentaal

Op uwe lippen koom’;

Betreedt het rechte spoor;

Veracht het kwaad; jaagt naar den vree;

God ziet de vromen, en hun beê

Geeft Hij altoos gehoor.

 

3. Hoe de Waarheid het wint van de leugen

 

We lezen in het laatste gedeelte van antwoord 112:

Insgelijks, dat ik in het gericht en alle andere handelingen de waarheid liefhebbe, oprechtelijk spreke en belijde; ook mijns naasten eer en goed gerucht naar mijn vermogen voorsta en bevordere.

 

Wilt u weten of u het eigendom van Christus bent? Veel mensen zeggen: ‘Als ik dat maar eens wist!’ Een heel belangrijke vraag, want zonder geloofszekerheid, weet je niet waarheen je op reis bent. De reis kan morgen ten einde zijn.

Wilt u weten of u het eigendom van Christus bent? Kijk dan eens of uw leven vrucht draagt uit Hem, met betrekking tot het negende gebod. Dan wordt u door genade oprecht. Je gaat de leugen haten en de waarheid liefhebben.

 

In het gericht, staat er eerst.

Ja, zonder recht kan de waarheid nooit triomferen. In de Latijnse tekst van de Catechismus staat: in juridische handelingen. In juridische handelingen word je dan oprecht. Tegenover de overheid, want daar slaat dat vooral op. In de rechtspraak, als je een eed moet afleggen. Als je je belastingformulier moet invullen en ondertekenen met ‘Aldus naar waarheid ingevuld’.

 

In het gericht en in alle andere handelingen.

Een voorbeeld; u kunt het zelf uitbreiden.

Als je je auto verkoopt aan een particulier: ‘Nog nooit zo’n beste brave auto gehad!’ Maar je ruimt hem wel op vanwege al de ellende die je ermee gehad hebt.

 

Je gaat de waarheid liefhebben, spreken en belijden. Door het bloed van het Lam wordt je vernieuwd en je hebt de waarheid lief. Je gaat de waarheid spreken tegenover je naaste. Je belijdt voortdurend de Heere je tekort, en ook aan je naaste als je gefaald hebt.

Wie God kent, wie de Heere Jezus liefheeft, die gaat ook de waarheid liefhebben. Die wordt oprecht op het kantoor en in de fabriek, in het gezin en in de politiek, op school en in de handel, op de preekstoel. Ja, overal.

Dat liefhebben van de waarheid zal blijken in ons spreken.

 

We moeten betrouwbaar zijn, ook in het aangezicht van de dood.

Er worden wat mensen voor de gek gehouden! ‘U ziet er toch weer goed uit.’ ‘Fijn dat u zo goed opknapt.’ Terwijl je weet dat het ongeneeslijk is en dat het sterven wordt.

In persoonlijke verhoudingen, allerlei geslijm: ‘Joh, wat heb je dat toch goed gedaan.’ Maar je meent er niets van.

Op school, jongens en meisjes: ‘Waarom heb jij zo’n slecht cijfer voor je repetitie?’ ‘Ja meneer, ik had zo’n hoofdpijn en ik kon echt niet leren.’ Maar je hebt de hele avond met een computerspelletje zitten spelen.

 

Liegen mag niet.

Je gaat de waarheid belijden, zegt de Catechismus. Hoe moeilijk kan dat zijn als je in een noodsituatie verkeert, als je in verlegenheid komt. Als je denkt: ‘Nu ben ik erbij. Nu sta ik voor leugenaar.’ Dan verzin je gauw wat om er onderuit te draaien. Herkent u het? Dat zal toch wel? Nou, dan ben je een leugenaar, al is het een noodleugen. Liegen om bestwil.

Abraham heeft er niet veel vreugde van beleefd, toen hij jokte tegen de farao en over Sara zei: ‘Ze is mijn zuster.’

Dat wil aan de andere kant natuurlijk niet zeggen, dat je altijd alles maar moet zeggen waarom men vraagt. Er staat ook in de Bijbel: ‘De liefde, zij bedekt alle dingen.’ Wat tot schade is van je naaste mag je in liefde verzwijgen. Een eerlijk ontwijkend antwoord is geoorloofd, als je daarmee het goed gerucht en de goede naam van je naaste kunt bevorderen.

Je hoeft ook niet alles te zeggen wat je denkt. Laat liefde en zelfkennis hier maar het richtsnoer zijn.

Weet u, ook de Heere Jezus verzweeg in sparende liefde de naam van Judas, toen het er gevraagd werd wie Hem verraden zou.

 

Verder staat er:

Ja, ook mijns naasten eer en goed gerucht naar mijn vermogen voorsta en bevordere.

Daar hebt u het positieve in het gebod.

De Catechismus voelt dat steeds aan. Als het gaat over ‘niet doodslaan’, dan staat er dat je je naaste moet liefhebben. En zo is het ook hier weer, het positieve. Niet alleen wat je niet mag ─ je mag niet liegen ─ maar je moet wel helpen het goed gerucht van je naaste te bevorderen en te verdedigen.

Als er in je naaste omgeving kwaad over iemand gesproken wordt, moet je er geen schepje bovenop doen, maar dan moet je zeggen: ‘Stop daarmee.’ Dan is het geloof door de liefde werkende. Liefde, zij verblijdt zich niet in de ongerechtigheid, maar zij verblijdt zich in de waarheid. Je wordt een pleitbezorger van je naaste, terwijl hij er niet bij is. Weet u waarom? Omdat je het zelf ook moet hebben van de grote Pleitbezorger in de hemel, Jezus Christus, de Rechtvaardige.

 

Gemeente, hoe vergaat het u? Hoe verging het u in deze dienst onder de prediking van Gods heilzaam gebod, het negende gebod? Wees eens eerlijk, wie is er niet schuldig? Ach, je hoeft je hand niet op te steken, want dan lieg je.

U zegt misschien: ‘Ja, dat is waar.’ Het is weleens goed om beschaamd te staan. We zijn zo groot van onszelf en het is goed om te zien wie we echt zijn.

Gemeente, dat God naar ons wil omzien en met zulke mensen verder wil! Dat Hij zegt:

‘Daar heb ik Mijn Zoon voor gegeven, want Ik heb je geschapen om Mijn lof te verkondigen. Ik zal je vernieuwen en herstellen naar Mijn beeld, opdat uiteindelijk dat doel weer tevoorschijn komt.’

Misschien zegt u: ‘Ja, ik kom in alles tekort.’

En toch mogen we weten dat de strijd tussen waarheid en leugen gewonnen is door de Heere Jezus en dat Hij ook vandaag leugenaars oprecht maakt voor God en voor mensen. Daarom strijden alle gelovigen om oprecht te zijn voor God en voor de naaste, in de wetenschap dat de overwinning is behaald en dat we vanuit onszelf niets zijn, maar wij bidden daarom om genade en kracht.

 

Weet u in welke weg dat gaat? Dat gaat altijd weer opnieuw in de weg van de vergeving, de vergeving van de zonde.

‘O ja?’, zegt iemand, ‘Zou dat dan voor mij ook kunnen, vergeving van al mijn zonden?’ Gemeente, voor u is vergeving.

Ik weet van zo’n leugenaar die vergeving kreeg. U kent hem ook. Het is Petrus. Wat heeft die man gelogen na ontvangen genade. Alsof het gedrukt stond! Bij hoog en laag hield hij het vol: ‘Ik ken de Mens niet.’ Zijn Meester, die daar staat om Zijn leven voor hem te geven. Hoe moet dat aflopen? Gij zult geen vals getuigenis spreken, Petrus! Je staat je Heere en Heiland te verloochenen.

Hoe zal dat aflopen? Nu, we weten het. ‘En terstond als hij nog sprak, kraaide de haan. En de Heere Zich omkerende, zag Petrus aan.’ Dan breekt het hart van Petrus onder dat liefdesoog van Jezus. Ja, die pijl in zijn hart is raak. Hij vlucht naar buiten. Hij zag in de ogen van Zijn lijdende Borg de droefheid over zijn zonde weerspiegelen.

Gemeente, tegen die ontfermende ogen kan geen zondaar het uithouden. Dat wekt diepe verslagenheid en boetvaardigheid.

Petrus moet naar buiten en valt neer voor God. ‘O God, heb ik mijn Meester verloochend. O God, wees mij, de zondaar, genadig.’ En hij weende bitterlijk.

 

Kent u dat ook? Of is u dat vreemd? Wie een bedrieger wordt voor God, onder het aangezicht van Jezus, die gaat door de knieën. Die kent dat bitter wenen.

Vanuit de beschuldiging van de wet, zegt u? Ja, dat ook. Maar vooral vanuit die liefdesblik van de Heere Jezus, Die ons de wet leert verstaan. We leren van Hem om lief te hebben.

Gemeente, wanneer deze tranen van liefde en berouw in ons hart komen, dan begint de liefde tot God te branden, de liefde voor al Gods geboden. Je krijgt een hekel aan jezelf en je wilt het geheel anders. Je wilt opnieuw beginnen. Dat mag ook. Je mag iedere dag opnieuw beginnen. Je hebt iedere dag de Heere weer nodig en zeggen:      

Schoon mijn zonden vele zijn,

maak om Jezus wil mij rein.

Dan krijgen we God lief en Zijn geboden. We gaan de waarheid liefhebben, spreken en belijden. Je kunt niet meer verder leven met leugens en roddel. Christus Die zegt: ‘Ik ben de Waarheid’, neemt dan woning in je hart.

 

Het wordt: Ik leef en de Waarheid, Jezus, leeft in mij en ik in Hem, want Hij heeft mij gekocht met Zijn dierbaar bloed.

Wie Christus liefheeft, die blijft tot in der eeuwigheid.

 

Amen.