Ds. C.G. Vreugdenhil - Zondag 42

Ons omgaan met het aardse goed

Hoe komen we eraan?
Wat doen we er mee?
Wie dienen we er mee?
Deze preek is eerder in boekvorm uitgegeven door de Gereformeerde Gemeente van Rotterdam-Zuidwijk. Te bestellen via: heterensr@wxs.nl www.bethelkerkrotterdam.nl 

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 24: 1
Lezen : Mattheüs 6: 19 - 34
Zingen : Psalm 17: 3, 7 en 8
Zingen : Psalm 49: 2 en 6
Zingen : Psalm 144: 7

Aan de beurt is Zondag 42 van de Heidelbergse Catechismus:

 

Vraag 110: Wat verbiedt God in het achtste gebod?

Antwoord: God verbiedt niet alleen dat stelen en roven hetwelk de overheid straft; maar Hij noemt ook dieverij alle boze stukken en aanslagen waarmede wij onzes naasten goed denken aan ons te brengen, hetzij met geweld, of schijn des rechts, als met valse gewicht, el, maat, waar, munt, woeker, of door enig middel, van God verboden; daarenboven ook alle gierigheid, alle misbruik en verkwisting Zijner gaven.

Vraag 111: Maar wat gebiedt u God in dit gebod?

Antwoord: Dat ik mijns naasten nut, waar ik kan en mag, bevordere; met hem alzo handele, als ik wilde dat men met mij handelde; daarenboven ook, dat ik trouwelijk arbeide, opdat ik de nooddruftige helpen moge.

 

Het gaat in deze Zondag over:

Ons omgaan met het aardse goed

 

Aan de hand van onze Catechismus proberen we een antwoord te krijgen op drie vragen:

1. Hoe komen we eraan?

2. Wat doen we er mee?

3. Wie dienen we er mee?

 

1. Hoe komen we eraan?

 

Jongens en meisjes, ik ga jullie eerst een vraag stellen: ‘Wat hebben jullie zojuist in de collectezak gedaan? Je hoeft niet hardop te antwoorden, maar je weet het nog wel.

Heb je een twee-euromunt wel eens goed van dichtbij bekeken? Als je naar zo’n munt kijkt, dan staat op de ene kant het beeld van de koningin en als je hem omdraait staat er op hoeveel waarde hij vertegenwoordigt, dus hoeveel geld het waard is. Maar als je op de zijkant kijkt, dan zie je met kleine lettertjes een zinnetje staan. Hier staat: ‘God zij met ons.’ Die woorden ‘God zij met ons’ vormen eigenlijk een klein gebed. Onze voorouders bedoelden daarmee dat ze afhankelijk waren van de zegen van de Heere, ook als ze omgingen met geld.

Soms wordt wel voorgesteld om dat randschrift maar weg te laten, want de moderne mens zegt: ‘Wat heeft God met ons geld te maken?’ Ze willen de Heere God niet meer in het publieke leven belijden of noemen. Gelukkig staan die woorden nog altijd op onze munten.

 

God heeft alles met ons geld te maken. Niet alleen met die twee-euromunt die je net in de collectezak hebt gestopt, maar ook met het geld in de portemonnee van je moeder. God heeft ook te maken met het geld in je spaarpot, want is al het geld van God. Wij mogen het geld van God alleen maar goed gebruiken.

We moeten altijd verantwoording afleggen aan de Heere van wat we met ons geld doen, hoe we er aan komen, wie we er mee dienen en hoe we het besteden.

 

Over die vragen gaat het in het achtste gebod.

Geld en bezittingen krijgen we in bruikleen. We moeten het eerlijk verdienen, dus niet stelen. We mogen het niet verkwisten, maar moeten het gebruiken voor ons levensonderhoud en tot welzijn van onze naaste.

Dat bedoelt God als Hij zegt in het zesde gebod: ‘Gij zult niet stelen.’ Dat hoeft ook helemaal niet, want Hij zegt: ‘Ik ben de Heere, uw God’.

 

Misschien heb je wel eens een euro gepikt uit je moeders portemonnee, om snoep te kopen. Dat is heel erg. Dan ben je een dief. Dat mag niet, maar dat hoeft ook niet, want je moeder houdt toch van je? Je moeder zorgt toch voor je en zij geeft toch wat goed voor je is?

Zo bedoelt nu de Heere het achtste gebod. De Heere zegt: ‘Je mag niet stelen. Maar dat hoeft ook helemaal niet, want Ik zorg voor je. Ik ben de Heere, jouw God.’

 

Stelen is verboden, maar het is ook overbodig. Het hoeft helemaal niet. Want waarom zouden wij stelen wat de Heere ons wil geven?

‘Niet doen! zegt God. Niet doen! Daar houd je alleen maar een slecht geweten aan over. En waarom zou je zo’n kwaad doen? Ik wil je toch alles geven wat je nodig hebt?’

We hebben het net gelezen, gemeente. Sprak het u niet aan dat uw hemelse Vader weet wat u nodig hebt?

‘Zorg Ik soms niet goed voor je? Heb je je dagelijks brood niet meer? Sta Ik je niet als een Vader bij, om je van alle goeds te verzorgen, alle kwaad van je te weren of, als je door een diep dal heen gaat, toch alles ten beste voor je te doen keren?’

‘Ben Ik niet uw Vader? Hoe zou Ik dan, als Ik mijn eigen Zoon niet gespaard heb, maar Hem voor u allen heb overgegeven, ook niet met Hem alle dingen willen schenken? Ik houd Mijn eigendommen toch niet voor Mezelf? U kunt zich bij Mij vervoegen voor alles wat u ontbreekt. Ik schenk het, zo gij het smeekt, mild en overvloedig.’

 

Kent u deze God zo, gemeente, jongelui, als uw hemelse Vader Die weet wat u nodig hebt? Nee, dat spreekt niet vanzelf. Maar om Christus’ wil gaat de hartelijke nodiging tot ons uit om met een verbroken hart tot Hem te gaan en Hem aan te roepen als de hemelse Vader.

De Heere laat, als de God van het verbond, voor Israël in de woestijn van de Sinaï Zijn Tien Heilige Woorden klinken. Zo staat Hij vandaag ook voor ons, gemeente. We hebben met elkaar hebben geluisterd naar het voorlezen van de wet van de Heere. Hij komt ook vandaag tot ons als de Eigenaar van alle dingen, als de Bezitter van hemel en aarde. Het ganse heelal is Zijn eigendom. Hij bracht het voort door Zijn scheppend woord en Hij draagt het in Zijn handpalm.

Hij zegt:

‘Al het Mijne is het uwe, Mijn kind. Ik zorg voor je met al Mijn gaven, zoals een vader zorgt voor zijn kinderen. Waarom zou je dan bezorgd zijn voor de dag van morgen of voor volgende week of voor volgend jaar? Leef toch dagelijks uit Mijn hand.’

Geen heerlijker leven dan een afhankelijk leven uit de hand van de Heere. Nee, we hoeven ons niets wederrechtelijk toe te eigenen. Hij geeft in liefde wat we nodig hebben.

 

Gemeente, zult u nooit kwade gedachten van Hem hebben? Want Hij is zo goed, zo oneindig goed en groot. Het liefste wat Hij doet, is geven wat we nodig hebben. Daarom is diefstal een klap in Zijn aangezicht, een belediging.

 

Gij zult niet stelen.

Dit gebod plaatst ons niet alleen voor het aangezicht van die goede God, maar tegelijkertijd midden in ons aardse leven. In de winkel achter de toonbank, in de handel, het geld dat u overmaakt, uw spaarrekening, de laatste aanschaf die u hebt gedaan. Bij ons huis, onze bezittingen, de markt en de marktaandelen, de boerderij en het belastingformulier.

Al die zaken staan niet los van het geestelijk leven. Het rentmeesterschap over onze aardse goederen is bij uitstek een geestelijke zaak. De Heere Jezus verlost immers uit de slavernij van de zonde. Dat betekent ook dat Hij ons uit de boeien van geld en goed en van het materialisme verlost. Door Zijn dierbaar bloed worden slaven van de mammon dienstknechten van de allerhoogste God.

Dan wordt u niet meer geregeerd door uw geld, maar u regeert het geld. Het geld heeft u niet meer, maar u hebt het geld en u doet er niet mee wat u wilt, maar wat God wil. De Heere vraagt ons rekenschap van ons rentmeesterschap en dan is iedere euro die niet verkregen is of besteed is naar Gods wil, diefstal. We moeten steeds bedenken dat we rentmeester zijn en dat de Heere God de Eigenaar is.

 

We hebben gezongen:

Al d’ aard’ en alles wat zij geeft,
Met al wat zich beweegt en leeft,
Zijn ’t wettig eigendom des Heeren.

Ons bezit is geschonken bezit, we hebben het in bruikleen. We hebben het vruchtgebruik ervan. Als we dat beseffen zal dat te merken zijn aan hoe wij er mee omgaan. Stelen is niet alleen maar iets van een ander je toe-eigenen, maar het is ook God niet erkennen als de wettige Eigenaar.

 

Dat is al begonnen in het paradijs. Er was geen enkele aanleiding voor Adam en Eva om te stelen. Wat waren ze gelukkig! Van al de vruchten die groeiden aan de bomen in het paradijs mochten ze vrijelijk eten. Ze hadden alles wat hun hartje begeerde. Toch stal Eva die verboden vrucht. Eva steelt en Adam heelt. Daarmee zijn ze allebei een dief geworden. Ze stalen wat hen niet toekwam. Ze wilden niet leven van wat God hen gaf, maar ze luisterden naar de influistering van de vorst der duisternis om daarmee van God af te vallen.

Gemeente, daar is ook ons leven mee getekend, want wij zijn kinderen van hen. God zegt: ‘Ik ben de Heere, uw God. Gij zult niet stelen.’ De Heere weet dat wij diefachtige, hebzuchtige mensen zijn. Voelt u de aanklacht die er zit in het achtste gebod?

 

Gij zult niet stelen.

‘Niet doen hoor’, zegt God. ‘Geldt dat mij?’, vraagt u zich vandaag af in de kerk. ‘Ik ben nog nooit door de politie in mijn kraag gegrepen vanwege diefstal. Ik heb altijd mijn handen thuisgehouden in de supermarkt, gelukkig ook nooit een som geld verduisterd. U wilt toch niet zeggen dat u een arrestatiebevel voor mij hebt?’ Ja, toch wel.

Want de Heere zegt dat ook hij een dief is, die zich in het geniep iets toe-eigent wat hem niet toekomt.

De Catechismus noemt in antwoord 110 die geraffineerde dingetjes. Het geweld of schending van recht om u iets toe te eigenen, vals gewicht, el, maat, ─ de kwaliteit van de waar ─, munt ─ valsemunterij ─, woeker ─ veel te hoge rente vragen ─, vals gewicht of iemand bedriegen.

 

Dat brengt het al heel wat dichter naar ons toe. Het zijn die kleine dingen in uw leven.

Voor de kinderen betekent het, dat ze dat mooie autootje dat in de winkel ligt, gauw van de plank pakken en in hun zak steken. Of het kleurpotlood dat er ligt.

Voor de ouderen, wat we doen met onze belastingaangifte, als het toch al niet zo voor de wind gaat? Zwart werken? Gokken? Zwarte handel? Wat doet u met de producten van uw bedrijf die onder de maat zijn en waar u toch een goede prijs voor wilt maken?

Wat denkt u van bijverdienen terwijl u door de ziektewet betaald wordt of vanuit een andere regeling? Wat doet een werkgever met de luxe die hij verdient? Wat doet een werknemer met de tijd die God hem geeft om te werken? Loopt hij er de kantjes vanaf?

Nou, laten we het allen maar voor onszelf invullen.

 

Verder zegt de Catechismus nog:

Of door enig middel van God verboden.

Reken liever maar van u af, dan naar u toe. Want u kent het spreekwoord: ‘Wie in het kleine niet getrouw is, die is het in het grote ook niet.’ Op oneerlijk verdiend geld rust geen zegen.

Een christen kan echter wel koopman zijn. Lezen wij van Lydia dat ze haar zaak, de purperhandel, gesloten heeft nadat ze tot bekering gekomen is, toen de Heere haar hart geopend heeft om acht te geven op het woord dat Paulus sprak? U leest het nergens.

Gemeente, als we dit wetswoord van God op ons in laten werken, wie staat er dan niet beschaamd?

 

De eerste gedachte luidt: Hoe komen we eraan?

Niet door te stelen, maar hoe dan wel? Daarvan zegt de Catechismus ook iets, in het slot van antwoord 111:

Dat ik mijns naasten nut, waar ik kan en mag, bevordere; met hem alzo handele, als ik wilde dat men met mij handele. Daarenboven ook, dat ik trouw arbeide, opdat ik de nooddruftige helpen moge.

 

Niet stelen.

Maar hoe komen we dan wel aan het geld voor ons levensonderhoud? Trouw arbeiden, dat is de enige wettige weg het te verwerven. Zo komen we aan onze goederen en aan ons levensonderhoud. Arbeid is een zegen en geen vloek. Vraag dat maar eens aan iemand die ongewild werkloos is. Hoeveel pijn dat kan doen, omdat hij de zegen die in arbeid ligt mist.

Eerlijke arbeid is door de Heere Jezus geheiligd. Hij heeft daar een voorbeeld van gegeven.

Was hij niet de Timmerman uit Nazareth? Paulus geeft in de Efezebrief het juiste arbeidsethos als hij zegt: ‘Die gestolen heeft, stele niet meer, maar arbeide liever, werkende dat goed is met de handen, opdat hij hebbe mede te delen aan degenen die nood heeft.’ Dit is de manier aan aardse goederen te verwerven en om in ons levensonderhoud te voorzien.

Trouwe arbeid is door de zonden niet tenietgedaan. Weliswaar heeft God gezegd dat we in het zweet van ons aanschijn ons brood zullen eten, maar de arbeid bleef een zegen. Christus heeft ook de arbeid bevrijd van de vloek van de wet. Het is Gods opdracht om getrouw te werken. Niet zoals de rijke dwaas die alleen maar werkte en werkte en werkte voor zichzelf, nog een schuur bouwde en nog één. En toen hij stierf moest hij alles achterlaten. Hij heeft er niets goeds mee gedaan.

 

Nu de tweede gedachte:

 

2. Wat doen we er mee?

 

Want als u nu eerlijk aan uw geld en aan uw bezittingen gekomen bent, dan bent u nog niet klaar. Dan komt direct de volgende vraag: ‘Ja, maar hoe besteedt u dat dan? Wat doet u er mee? Hoe beheert u uw aardse goed?’ Het moet verantwoord besteed worden.

De Catechismus waarschuwt ons voor twee uitersten. Kijkt u maar naar het slot van antwoord 110. Daar staat:

Daarenboven ook alle gierigheid, alle misbruik en verkwisting van Zijn gaven.

Deze twee veelvoorkomende fouten heeft God verboden. Enerzijds gierigheid, anderzijds verkwisting. Let erop dat de Catechismus gezegd heeft dat het Zíjn gaven zijn. Er staat niet: onze goederen.

 

Eerst gierigheid.

Dat is heel erg, want gierigheid is de wortel van alle kwaad. Gierigheid, ook onder de schijn van gepaste zuinigheid. Alles bij elkaar schrapen. Uit pure hebzucht, halen, hebben en houden en daarbij schraal zijn voor de ander. De kerk en de diaconie met een grijpstuiver afschepen. Gierig zijn naar mensen toe die creperen van honger en die in nood en ellende zijn. Schraal zijn voor instanties die veel geld nodig hebben om de nood te lenigen voor al die ontredderde mensen in deze wereld.

 

Gierigheid, herkent u het? ‘Bekeert u ervan’, zegt God. Want God haat het. Hij is zo gul en goedgevig. Hij gaf alles, het Liefste dat Hij had, Zijn enig geliefde Zoon, tot in de dood, opdat gierigaards gulle mensen kunnen worden.

De gierigaard wordt bezeten door zijn geld. We kunnen wel denken dat we er recht op hebben, maar we zijn maar rentmeester. God heeft inspraak wat wij met onze dingen doen. Hij heeft medezeggenschap. Sterker nog, Hij heeft het alleen voor het zeggen. Zijn ogen zien onze bankrekening. Zijn ogen zien onze boekhouding. God geeft ons de middelen.

Wees dankbaar, gemeente, als u gezond mag zijn en u werk hebt. U mag van die middelen leven en het beheren voor Hem. God wil niet dat u het alles gebruikt voor uzelf. U hebt voor uw levensonderhoud geld nodig, maar Hij wil niet dat u alles opslokt voor uzelf terwijl deze wereld in nood is.

 

Veel christenen zijn liberaal met een christelijk vernisje. Ze laten de zorg voor de medemens en de mededeelzaamheid en de sociale bewogenheid over aan de socialisten. Wie zich daaraan schuldig maakt, in het geniep of in het openbaar, staat bij God te boek als een dief.

Gemeente, God ontdekt ons eraan, nu we samen onder het Woord zitten.

Gierigheid is diefstal, hebzucht, egoïsme. Weet u waarom we dieven zijn? Omdat we egoïsten zijn, kinderen van Adam en Eva, ik-mensen. ‘Als ik maar aan m’n trekken kom, dan kan de rest me niet schelen.’ Dat is diefstal.

Op dat principe is een groot deel van de moderne wereldeconomie gebaseerd. Puur winstbejag ten koste van miljoenen armen vooral in de Derde Wereld. Dat is geen bouwen en bewaren van de aarde, maar dat is haar en haar arme bewoners uitmergelen.

God wil dat niet en daarom zegt Hij:

‘Gij zult niet stelen. U zult geen egoïst zijn, maar mens Gods, Mijn schepsel, Mijn kind, Mijn dienaar.’

Laat in dienende liefde zien dat u een gulle God hebt.

 

De Bijbel vermaant ons daartoe. Blijkbaar is het nodig dat we steeds weer de vermaning krijgen om weldadig te zijn en gaarne mede te delen tot de behoefte der heiligen. Dat is diaconaat van de bovenste plank.

Niet van: ‘Nou ja hoor, vooruit,’ met pijn en moeite. Wie de verlossing in de Heere Jezus Christus kent en wie verlost is van de boeien van het materialisme, voor die is dat vanzelfsprekend geworden.

In de Korinthebrief zegt de Heere God: ‘God heeft de blijmoedige gever lief.’ Waarom? Omdat Hij daarin Zijn beeld ziet. Het hoort bij het stuk van de dankbaarheid.

 

De Catechismus noemt nog een ander gevaar: verkwisting.

Allerlei vermaak en amusement waar de zonde duimendik bovenop ligt.

God zegt daarvan:

‘Maar daarvoor heb Ik het u niet gegeven. U moet er een christelijke handreiking mee doen en niet alles egoïstisch voor uzelf gebruiken. Dan beheert u het aardse goed verkeerd.’

Amos zegt tegen de rijken dat ze de nooddruftige vertrappen. Die aanklacht neemt Jakobus in zijn brief in het Nieuwe Testament over, als hij schrijft: U hebt lekkerlijk geleefd op de aarde en wellusten gevolgd; gij hebt uw harten gevoed als in een dag der slachting, Gij hebt veroordeeld, gij hebt gedood den rechtvaardige. In onze taal zou er staan: ‘Jullie zijn weldoorvoede welvaartsmensen. Maar wat heb je zo aan je rijkdom, aan je goud en je zilver dat uiteindelijk verroest en waar niets van over blijft, als je het laat liggen in je schatkamers. Als het laat staan op je bankrekening, in plaats van dat je het gebruikt voor God en om je naaste te dienen?’

Het gaat Amos en Jakobus niet alleen om het oneerlijk verwerven van geld, maar ook om de wijze van besteding van het geld. Ze zeggen: ‘Jullie besteden het voor jezelf alleen en dat is niet goed.’

 

Uit alles blijkt dat rijkdom een struikelblok is in het Koninkrijk Gods.

Denkt u maar aan de rijke jongeling. Mocht hij dan niet rijk zijn? Jawel, maar de liefde tot God moet u meer waard zijn dan uw aardse goederen. Daar hebt u de gulden regel.

De liefde tot de naaste moet u meer waard zijn dan uw eigen bezit. Dat ziet u in de eerste christengemeente. Daar was God zo duidelijk tegenwoordig. Daar werkte de Heilige Geest en deed de Heere dagelijks toe tot de gemeente die zalig werd. Daar was een geestelijke atmosfeer om de Heere lief te hebben. Ze hadden alle dingen gemeen. Het privébezit werd niet opgeheven, maar er was geen de armoede in de gemeente, omdat ze zo gul waren en hulpvaardig naar elkaar toe.

 

Dat gebeurt daar waar God is en waar de Heilige Geest is en waar mensen leven uit de genade van God. Paulus zegt niet dat u afstand moeten doen van uw bezittingen. Hij zegt zelfs dat God het u verleent om er rijkelijk van te genieten. Alleen, u moet er weldadig mee zijn en rijk in goede werken.

 

Gaarne mededelen.

Zo niet, dan raakt u verstrikt. Paulus zegt in de Timotheüsbrief: Doch die rijk willen worden, vallen in velerlei verzoekingen en in strikken en dwaze en schadelijke begeerlijkheden, wat een mens doet zinken in verderf en ondergang.

Dat wil niet zeggen dat arme mensen een pré hebben op het Koninkrijk van God. Want voor rijk en arm geldt: tenzij dat iemand wederom geboren wordt, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.

Als de liefde tot God en de naaste niet blijkt uit uw bestedingspatroon, dan hebt u kennelijk alleen nog maar uzelf lief. Dat noemt de Catechismus hier ‘verkwisting’. U mag het ook omkeren: als de liefde tot God en onze naaste ons leven beheerst is onze geldbesteding geen probleem. Dan bezit u als niet-bezittende. Dan is het aardse goed niet het één en het al dat uw leven bepaalt en regeert, maar dan doet u daarmee wat de Heere van u vraagt.

Een christen is rijk in God en daarom staat zijn hart niet op zijn rijkdom. Paulus zegt in dit verband: Wordt aan deze wereld niet gelijkvormig, maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds. Dat vereist een fundamentele breuk met een materialistische levensstijl, waar onze tijd zo duidelijk de kenmerken van vertoont.

Dat komt uiteindelijk naar buiten in uw gedrag. Dan krijgt u een eigen stijl die hoort bij de Christelijke gemeente: soberheid.

Gemeente, dat mogen we ons ook allen laten gezeggen. We moeten allen naar onszelf wijzen, want wat maken we ons er als christen gauw schuldig aan. De gave komt zo snel in het middelpunt en de Gever verdwijnt zo snel naar de achtergrond. Onze begeerten moeten zo snel bevredigd worden zonder dat we daarbij denken aan anderen, veraf of dichtbij.

 

Natuurlijk bedoelen de Bijbel en de Catechismus niet met al die vermaningen, dat u niet voor uw basisbehoeften mag zorgen en dat u niet dankbaar uit Gods hand mag ontvangen wat Hij u geeft: eten en drinken en kleding en een huis om in te wonen. Paulus zegt dat, als we kleding en deksel hebben, we daarmee vergenoegd zullen zijn. Dan bent u gelukkig.

En wat daarbovenuit gaat, de vrije besteding, doet een appèl op uw verantwoordelijkheid. U hoeft uw welvaart niet af te wijzen, als u God en uw naaste er maar mee dient. Wat heeft Abraham alle inwoners van zijn hele tentenkamp laten delen in de gaven die God hem gegeven heeft!

Het genieten waarover Paulus spreekt in 1 Korinthe 16, is dankbaarheid ervaren en niet voortdurend jagen en streven uit jaloezie of hebzucht.

Als jaloezie of hebzucht in het spel zijn, worden uw bestedingen niet beheerst door de dienst van God, maar dan wordt u beheerst door de onrechtvaardige mammon. We hebben net gelezen in de Bijbel dat de Heere zegt: ‘Dat moet je niet doen! Je kunt geen twee heren dienen. Je kunt niet God dienen en de mammon.’

Ziet u de twee gevaren die de Catechismus noemt als het gaat over wat we met ons geld doen? Enerzijds geen gierigheid en anderzijds geen verkwisting.

Dat brengt ons bij de derde gedachte. Maar voor we daartoe overgaan, zingen we uit Psalm 49 vers 2 en 6:

 

Wat zou mij toch doen vrezen in een tijd

Waarin het kwaad, het onrecht mij bestrijdt,

Als ik omringd, benauwd ben door ’t geweld,

Dat in mijn val zijn hoogst genoegen stelt?

Wat hem betreft, die op zijn schat betrouwt,

En al zijn roem op groten rijkdom bouwt;

Zijn schat behoudt zijn broeder niet in ’t leven;

Hij kan daarvoor aan God geen losgeld geven.

 

Men denkt niet meer aan hun voorleden staat,

Wijl al hun glans met hen in ’t graf vergaat;

Maar na den dood is ’t leven mij bereid;

God neemt mij op in Zijne heerlijkheid.

Vreest hem dan niet die grote schatten heeft,

Wiens machtig huis in eer en aanzien leeft;

Want hij zal niets in ’t sterven met zich dragen;

Zijn naam, zijn roem, ’t ligt al terneergeslagen.

 

Ons omgaan met het aardse goed. Hoe komen we eraan? Wat doen we er mee? En nu het derde:

 

3. Wie dienen we er mee?

 

Als u zoveel verdient dat u meer hebt dan nodig voor uw gezin, voor uw levensonderhoud, dan komt de vraag: ‘Wat doet u dan met datgene wat u over hebt?’ Beleggen bijvoorbeeld. Sparen is goed, maar het is niet goed als het ten koste gaat van wat er staat in Efeze 4 vers 28: Opdat hij hebbe mede te delen dengene die nood heeft. En ook het reeds genoemde van Paulus in 1 Timotheüs 6 vers 18: Dat zij weldadig zijn, rijk in goede werken, gaarne meedelende zijn en gemeenzaam.

 

Kan een christen geld hebben dat niet op één of andere manier verbonden is met het Koninkrijk van God?

Dat is best een actuele vraag, ook naar aanleiding van onze Catechismus over het achtste gebod. Waarom zouden wij geen reserves mogen hebben? Een huis kopen, mag dat? Er zal niemand zeggen dat dat niet mag. De meesten van ons hebben een eigen huis. Voor de studie van uw kinderen sparen, mag dat? Ik zou het maar doen. De studiefinanciering wordt steeds minder. Een potje hebben voor de auto als hij kapot gaat en u moet een andere kopen? Het is verstandig om dat te doen. Bedrijfskapitaal, natuurlijk! Welke zaak heeft dat niet nodig? Dat mag allemaal.

De Catechismus gaat daar ook niet tegenin. Maar het blijft overeind staan dat als het over beleggen en besteden gaat, dat de beste besteding is in verbinding met het Koninkrijk van God, zoals de kerk, de zending, de evangelisatie. Daar is de rente het hoogst, omdat God het wil gebruiken om anderen te bereiken en zo zielen te winnen voor het Lam.

Een christen maakt zijn geld dienstbaar aan het Koninkrijk van God. Het rentmeesterschap impliceert dat we het aardse goed voor God beheren. Hij is de Eigenaar en we zullen het voor Hem beheren.

 

Maar wat, als er nu bij ons geen verbindingslijn loopt tussen ons geld en de dienstbaarheid aan het Koninkrijk van God? Dan zijn we bezig om ons doel en het vertrouwen in ons leven ergens anders te zoeken dan in het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid, waartoe de Heere Jezus ons vermaant.

Al hebt u nog zoveel geld, als de Heere komt, kunt u er uw hemelhoge schuld niet mee betalen. Dan zal Hij zeggen, als u voor Mij niet geleefd hebt en het voor Mij niet besteed hebt, net als bij die rijke man uit de gelijkenis:

‘Gij hebt lekkerlijk geleefd op de aarde, comfortabel en luxe; u had alles wat uw hartje begeerde. U hebt uw deel gehad in dit leven.’

Is rijkdom dan geen zegen? Jawel, het is een zegen, maar het wordt een vloek door uw onbekeerlijke en wereldse hart. Vandaar die vraag: ‘Wie dienen we er mee?’

 

En dan zegt de Catechismus in duidelijke taal, in antwoord 111.

Wat gebiedt God?

Namelijk:

Dat ik mijns naasten nut, met mijn geld ─ want daar gaat het over ─ waar ik kan en mag bevordere; met hem alzo handele, als dat ik wilde dat men met mij handelde.

En dan dat derde:

daarenboven ook, dat ik trouwelijk arbeide, opdat ik de nooddruftige helpen moge.

 

Als u de Heere Jezus lief krijgt, is het geen probleem om uw geld goed te besteden, want dan wordt u Zijn beeld gelijkvormig. Dat ziet u al aan de kring van discipelen om de Heere Jezus heen tijdens Zijn omwandeling op aarde. Vrouwen die Hem dienden van hun goederen. Jozef van Arimathea gaf zelfs zijn eigen graf zomaar aan de Heere Jezus. Dat had hij in de rotsen laten uithouwen.

Wat geeft u aan de Heere, als het gaat om uw geld, om uw tijd, om uw gaven?

Wie dient u met de gaven die God u geeft? Geld kan een strik zijn en er zijn veel gevaren aan verbonden.

 

U ziet het in Israël, als in Israël materiële welvaart heerst. We lezen: Als Jeschurun ─ dat is Israël, het volk van God ─ vet werd, zo sloeg hij achteruit. Toen verliet Israël de Heere.

Denk maar aan de tijd van Jerobeam de Tweede en van Hosea. Er was toen grote materiële welvaart, maar het volk leefde ver van God vandaan.

Echt, geld maakt niet gelukkig!

U kunt er wel anderen gelukkig mee maken.

 

Mag u het wel eens zingen van ganser harte:

Neem mijn zilver en mijn goud,
dat ik niets daarvan behoud'.
Maak mijn kracht en mijn verstand
tot een werktuig in uw hand.

of

Wien heb ik nevens U omhoog?
Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog
Op aarde nevens U toch lusten?
Niets is er waar ik in kan rusten. ?

 

O, dan gaat er een streep door!

Hoe is dat met u en met mij? Best pijnlijk, vindt u niet?

We zijn eigenlijk allen zo rijk. Vergelijk maar eens met de inwoners in het binnenland van Papua of met de straatkinderen van Rio de Janeiro of met zwervers en daklozen in de grote steden die niet meer hebben dan een kartonnen doos waarin ze ‘s nachts slapen en die hun voedsel uit de container halen.

Als morgen de tafel weer gedekt staat en u pakt zomaar de kleren uit de kast en u zegt: ‘Wat zal ik vandaag eens aandoen?’ Wat bent u dan rijk, als u zich vergelijkt met andere mensen in deze wereld.

 

Hoe staat u tegenover het achtste gebod? We zeggen zo vaak: ‘Als je hart er maar niet op staat.’ Dat is waar. Maar hoe onderschatten we dan de oude mens die nog springlevend is en iedere gelegenheid gebruikt om ons ten val te brengen?

 

Overschat u niet!

Uw hart kan allang op uw geld staan, terwijl u met uw mond nog roept: ‘Ja, als je je hart er maar niet op zet!’ Als u nu eens al uw bezittingen zou verliezen, wat hebt u dan nog over? Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.

Houdt u dan Jezus over? Zegt u dan met de dichter, wat we gezongen hebben:

Maar na de dood is het leven mij bereid.’?

Ik ben schatrijk, al heb ik geen euro op de bank. Schatrijk, want ik heb een Vader Die voor mij zorgt, iedere dag. Ik kom niets tekort.

 

Hebt u ook zo’n Vader in de hemel? Bent u ook zo rijk? Als u dan nog geld hebt ook, dan wilt u graag dienstbaar zijn in het Koninkrijk van God en dan verkwist u het niet in een luxueuze levensstijl. Dan voelt u zich rijk als u uw rijkdom mag gebruiken om uws naasten nut te bevorderen.

 

Waar ik kan en mag.

Lees daar niet overheen!

U kunt het niet altijd.

U mag het ook niet altijd.

Het zou onverstandig zijn als u bijvoorbeeld geld zou geven aan een drugsgebruiker. Dat moet u niet doen, want dan weet u dat het verkeerd terechtkomt.

En de nooddruftige helpen.

U kunt beter zo’n drugsgebruiker geestelijk helpen. Ziet u, het komt maar op één ding aan: mijn geld moet dienstbaar zijn aan het Koninkrijk van God. Dienst aan de naaste, ver weg en dichtbij.

 

Ja, ook de verre naaste. De Bijbel zegt: ‘Doe wel aan alle mensen.’

Hier valt het licht ook op mensen buiten onze de gemeente; zending, ontwikkelingshulp over de hele wereld. Het is de roeping van de Christelijke gemeente om de geestelijke en de materiële nood van de wereld te lenigen, daar waar mensen zo arm zijn dat ze omkomen van de honger. Al die onschuldige kinderen die de dupe zijn van wanbeleid.

Daar is ook de diaconie voor. Niet alleen binnen de gemeente, maar ook daarbuiten. We moeten dienstbaar zijn als een barmhartige Samaritaan, een hand en voet van Christus Jezus in deze wereld.

 

Dan spreekt dat zinnetje uit de Catechismus wel erg aan:

Dat ik met hem ─ met die naaste en die nooddruftige ─ handele zoals ik wilde dat men met mij handelde.

Dat betekent niet maar negatief: ‘Wat u niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.’ Dat betekent: ‘Ga eens op de plaats die ander staan. In de mensen die ik zonet noemde: zo’n zwerver, zo’n straatkind in zo’n grote wereldstad, zo’n arme Yali of Nipsanner in zijn stinkende hut.’ Eén keer per jaar een stukje vlees. Iedere dag die zoete aardappel. Soms geen kleren aan het lijf. En dan die angst! Ze zijn er nog rijk mee ook, hoor!

Als u zo iemand was, wat zou u dan willen dat die rijke Nederlanders voor u zouden doen? Zo moet u dat zien, zegt de Catechismus.

 

Denk eens aan die drie vragen:

Hoe komen we eraan?

Wat doen we er mee?

Wie dienen we er mee?

Het is alleen in gemeenschap met de Heere Jezus Christus dat alles in ons hart verandert.

Dan krijgen we een diaconaal hart. Net als Jezus, de Dienaar van alle dienaren, Die kwam in deze wereld om goed te doen. Dan worden we net zo gul en goedgeefs als Hij.

Neem mijn zilver en mijn goud,
dat ik niets daarvan behoud'.

De rijke jongeling kwam tot de Heere Jezus: ‘Goede Meester, wat zal ik goeds doen, opdat ik het eeuwige leven hebbe?’ Alle geboden heb ik onderhouden en alles heb ik gedaan, Heere, van mijn jeugd af aan.’

Jezus had hem lief, maar waar zat het op vast? Hij was rijk en hield meer van zijn geld dan van Jezus. Daarom stond hij nog buiten. Is hier zo iemand?

 

Of Zacheüs. Heel rijk. Maar zijn geld stonk, want hij had alles gestolen. Een geldwolf! Maar God kwam in zijn leven en toen dacht hij: ‘Hoe kan ik nou met m’n geld gelukkig zijn?’ Hij zocht Jezus te zien, de vriend van tollenaren en zondaren en hij was een tollenaar en zondaar.

‘Zou het waar zijn? Zou Jezus Zijn neus niet optrekken voor mensen die in de goot liggen? Hoeren en tollenaren, mensen zoals ik ben, geldwolven, dieven? Zou het waar zijn? O God, kan ik nog gelukkig worden?’

Hij klimt in een boom en Jezus plukt hem als een rijpe vrucht uit de vijgenboom en Hij zegt: ‘Ik moet heden in uw huis zijn.’ Met blijdschap ontvangt hij Hem.

En zie wat het contact met Jezus doet! Het contact met Jezus maakt van een geldwolf een gulle kerel. ‘Heere: Zie, de helft van mijn goederen, Heere, geef ik aan de armen; en indien ik iemand iets door bedrog ontvreemd heb, dat geef ik vierdubbel weder.’ Schitterend! Kijk, dat kan Jezus, gemeente! Dat kan het bloed van het kruis, als Hij het laat druppen door de kracht van Zijn Geest in de harten van gierigaards, verkwisters, geldwolven of egoïsten.

 

Het bloed van Jezus maakt ons Zijn beeld gelijkvormig. Dat neemt de schuld weg en dat heiligt ons leven.

Tot de materialistisch ingestelde mensen van vandaag komt God genadig in het achtste gebod.

Hij zegt tegen u en tegen jullie, jongelui:

‘Kijk Mij eens aan.

Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen dat geen brood is, en uw arbeid voor hetgeen dat niet verzadigen kan? Hoort aandachtiglijk naar Mij en eet het goede.

Het goed van deze wereld vergaat, maar

Mijn vlees is waarlijk spijs, en Mijn bloed is waarlijk drank.’

 

Gelukkig bent u als u bevrijd bent uit de boeien van de mammon, als u zeggen mag:

‘Alles is voor U, Heere, o goede God! U gaf Uw Zoon voor mij in deze wereld. ‘Zou ik dan heel mijn leven niet aan U geven? Zou ik niet dienstbaar zijn in Uw Koninkrijk?’

 

Jongelui, zie je het ook zo? De dienst van deze God is zo heerlijk! Ik kan het je van harte aanprijzen.

Deze Jezus staat met uitgebreide armen om zondaren te ontvangen. En Hij vermaant ons:

Vergadert u geen schatten op de aarde, maar vergadert u schatten in de hemel. Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.

Zoekt eerst het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden,

voor zover God vindt dat u dat nodig hebt, voor zover Hij in Zijn Vaderlijke zorg bepaalt wat voor u het beste is.

Als u deze rijke Koning kent, bent u de Koning te rijk.

 

Amen.