Ds. M. Golverdingen - Jozua 2 : 21

Het teken aan het huis van Rachab

Jozua 2
Haar geloofsdaad
Haar geloofsbelijdenis
Haar geloofsvertrouwen

Jozua 2 : 21

Jozua 2
21
Zij nu zeide: Het zij alzo naar uw woorden. Toen liet zij hen gaan; en zij gingen heen; en zij bond het scharlakensnoer aan het venster.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 89: 7
Zingen : Psalm 65: 2
Lezen : Jozua 2
Zingen : Psalm 87: 3 en 4
Zingen : Psalm 89: 8
Zingen : Psalm 81: 9
Zingen : Psalm 52: 7

Gemeente, in het elfde hoofdstuk van de Hebreeënbrief trekt een lange rij van geloofshelden aan ons voorbij: Abel en Henoch, Noach en Abraham, Izak en Jakob, Jozef en Mozes. En dan noemt de Schrift een vrouw: Door het geloof is Rachab, de hoer, niet omgekomen met de ongehoorzamen, als zij de verspieders met vrede had ontvangen (Hebr.11:31).

Bij deze heidense vrouw uit Jericho wordt in de Bijbel voortdurend een opvallende toevoeging gebruikt die haar zondige verleden openlegt. Dat is bijna overal het geval. Als de apostel Jakobus ons in zijn brief duidelijk wil maken dat het levende geloof altijd goede werken voortbrengt, zegt hij: En desgelijks ook Rachab, de hoer, is ze niet uit de werken gerechtvaardigd geweest, als zij de gezondenen heeft ontvangen, en door een anderen weg uitgelaten? (Jak.2:25).

Waarom spreekt de Bijbel met zoveel nadruk over de schandelijke zonde waarin Rachab als publieke vrouw heeft geleefd?

Gemeente, omdat zij in de hele Bijbel het voorbeeld is van de verlossende kracht van Gods genade, en van die genade alleen. De ontferming van God in Christus is zó groot dat niemand te slecht is om behouden te worden. In Rachab blinkt de soevereine ontferming van God op een heerlijke wijze.

 

Met Gods hulp willen we vandaag samen stilstaan bij haar geschiedenis en we kiezen daarvoor als uitgangspunt de tekst die u vindt in Jozua 2 vers 21, het laatste gedeelte:

 

En zij bond het scharlakensnoer aan het venster.

 

Gemeente, deze tekst bepaalt ons bij het teken aan het huis van Rachab:

  1. haar geloofsdaad;
  2. haar geloofsbelijdenis;
  3. haar geloofsvertrouwen.

 

Het teken aan het huis van Rachab.

In de eerste plaats haar geloofsdaad. We lezen dan de tekst in samenhang met de verzen 4 en 6. In vers 4 lezen we: Maar die vrouw had die beide mannen genomen en zij had hen verborgen. En in vers 6: Maar zij had hen op het dak doen klimmen, en zij had hen verstoken onder de vlasstoppelen.

In de tweede plaats letten we op haar geloofsbelijdenis, en dan vooral in samenhang met vers 9: En zij sprak tot die mannen: Ik weet, dat de Heere u dit land gegeven heeft.

In de derde plaats staan we stil bij haar geloofsvertrouwen. Daar betrekken we vers 18 bij: Zie, wanneer wij in het land komen, zo zult gij dit snoer van scharlakendraad aan het venster binden, door hetwelk gij ons zult nedergelaten hebben.

 

  1. Haar geloofsdaad

Het volk van Israël heeft bijna het beloofde land bereikt. Vanuit de vlakte van Moab is het miljoenenvolk opgetrokken naar Sittim, een gebied vol sittimbomen of acacia’s, die een buitengewoon hard, zwaar en kostbaar hout leveren. Nog maar 9 kilometer is Israël van de Jordaan verwijderd. En op een afstand van 18 tot 20 kilometer hemelsbreed ligt de Kanaänitische stad Jericho.

Naar onze begrippen was het een klein stadje, niet groter dan 2 hectare, met ongeveer 1500 inwoners. Maar deze kleine stad is versterkt met twee geweldige ringmuren. En dat is ook heel begrijpelijk, want wie Jericho – de sleutelstad – bezit, die heeft de sleutel van de toegang tot heel Kanaän.

 

Jozua, de door de Heere geroepen richter om Israël het beloofde land binnen te brengen, weet niets van het wonder dat bij de muren van Jericho zal geschieden. Hij verwacht dat hij met zijn soldaten de muren van deze stad zal moeten bestormen. En daarom is het voor hem van groot belang om op de hoogte te zijn van de details van de omgeving en om de zwakke punten in de verdediging te kennen. Vandaar dat hij vanuit Sittim twee verspieders uitzendt.

Uit Jozua 6 vers 23 blijkt duidelijk dat het gaat om jonge mannen. Jozua’s eigen ervaring als een van de twaalf verspieders, van wie er tien ongelovig waren, heeft hem vast gebracht tot de keuze van jonge mensen die de Heere persoonlijk kennen en die ook begiftigd zijn met moed en voorzichtigheid. Ongetwijfeld hebben deze twee jonge mannen eerst de Heere gezocht om zich aan Hem toe te vertrouwen en Zijn leiding af te smeken over de risicovolle taak die ze op zich hebben genomen.

Ze zullen niet meer dan vier tot vijf uur nodig hebben om vanuit Sittim de Jordaan te bereiken, die over te steken en bij het vallen van de avond Jericho in te gaan. We lezen erover in het slot van het eerste vers: Zij dan gingen, en kwamen ten huize van een vouw, een hoer, wier naam was Rachab, en zij sliepen daar.

 

Rachab is waarschijnlijk een herbergierster geweest. Haar huis stond op de stadsmuur, wat betekent dat het gemakkelijk te vinden was en dat het in een rustige omgeving stond. Herbergierster én publieke vrouw zijn ging volgens de opgravingen van die tijd heel dikwijls met elkaar samen.

U vraagt misschien waarom de spionnen zich juist op zo’n adres vervoegden. Maar dat is heel begrijpelijk. Het ging er immers om dat je als vreemdeling in zo’n stad zo weinig mogelijk opviel en het was de gewoonte dat passerende vreemdelingen logies zochten in de stadsherberg.

Deze twee verspieders hebben hun weg overdacht, maar de Heere bestuurde hun gangen. Gods handelingen in de leiding van Zijn voorzienigheid gebeuren vaak in het verborgene en in stilte, opdat arme zondaren zich daarover in Hem zullen verblijden.

Er is al bezoek geweest bij Rachab. De Heere heeft Zelf het huis bezocht voordat de verspieders binnenkomen. Hij heeft de weg al gebaand voor hen! Deze vrouw is tot bekering gekomen voordat de verspieders haar bezoeken. Zij is al wedergeboren tot een levende hoop. De Hebreeënbrief zegt ons dat zij de verspieders door het geloof met vrede heeft ontvangen. En Jakobus 2 rekent het ontvangen van deze twee mannen tot de vruchten van het ware geloof.

Zelf zegt ze in vers 9: Ik weet, dat de Heere u dit land gegeven heeft.

Gemeente, wat is deze Rachab een lichtend voorbeeld van Gods soevereine genade, van Zijn grondeloze barmhartigheid. Hij heeft haar uit het duister getrokken en tot Zijn wonderbaar licht gebracht.

 

Zo ontmoeten de verspieders in het eerste het beste huis dat ze in Jericho betreden een vrouw met een levend, diep ontzag voor de Heere en een heilige sympathie voor het volk van Israël. Hier zullen ze horen wat ze weten moeten. Hier vinden ze de enige inwoner van Jericho die hen niet zal uitleveren aan de vijand. Hier zullen ze de gelegenheid ontvangen om Rachab de weg van het behoud te wijzen, die geheel voor haar verborgen is. De Heere leidt de verspieders het huis binnen, opdat door hun onderwijs Zijn Naam in haar zal worden verheerlijkt. Deze vrouw zal immers gaan behoren tot de stammoeders van de Heere Jezus Christus!

‘Heilig zijn, o God, Uw wegen; niemand spreek’ Uw hoogheid tegen; wie, wie is een God als Gij, groot van macht en heerschappij?’

Gemeente, zo zijn de verspieders in huis gekomen. Maar iemand heeft ze toch in de avondschemering gezien. Er gaat een gerucht door Jericho dat bij het vallen van de avond een paar Israëlitische mannen het huis van Rachab zouden zijn binnengegaan. En u begrijpt, de sfeer in Jericho is al wekenlang gespannen. Men verwacht eigenlijk elk moment de aanval van Israël. Daarom zendt de stadskoning onmiddellijk boden naar de stadsherberg om deze vreemdelingen te arresteren.

 

Op dat moment komt de keuze in het hart van Rachab zo heerlijk openbaar. Zij heeft de verspieders met innerlijke vrede ontvangen. En nu het gevaar van de dood die twee mannen bedreigt, levert zij ze niet uit zoals Delíla later Simson zou uitleveren aan zijn vijanden; nee, door het geloof breekt zij met de belangen van haar eigen volk. De keuze van Ruth vervult haar hart en haar denken: Uw volk is mijn volk, en uw God mijn God (Ruth1:16). Terwijl de boden aan de deur kloppen, ziet ze kans om de twee spionnen te verbergen op het platte dak van haar huis, onder een grote stapel vlasstengels die daar ligt te drogen.

Als deze daad uitkomt, kost het Rachab haar eigen leven. En juist dit besluit om de verspieders te verbergen, noemt de Bijbel een daad van het ware geloof. Even staat deze vrouw op de bergtoppen van het geloof. En dan houdt de oefening van het geloof op; dan glijdt ze weg in de diepten van het ongeloof.

Met enkele overtuigende woorden, die volledig leugens zijn, zet ze de boden in de verzen 4 en 5 op een verkeerd spoor: Maar die vrouw (…) zeide aldus: Er zijn mannen tot mij gekomen, maar ik wist niet, van waar zij waren. En het geschiedde, als men de poort zou sluiten, als het duister was, dat die mannen uitgingen; ik weet niet, waarheen die mannen gegaan zijn; jaagt hen haastelijk na, want gij zult ze achterhalen.

 

Gemeente, we zijn het er samen over eens dat er veel in Rachab te verontschuldigen is. Haar kennis van de Waarheid moet zeer gering zijn geweest. Maar laten we het toch niet opnemen voor haar noodleugen. Wij zeggen dan: ze moest zo handelen met het oog op het goede doel, anders zouden de verkenners ontdekt zijn en om het leven zijn gekomen. Maar als we zo redeneren, beseffen we niet hoe kostbaar voor God de waarheid is. Het is nooit geoorloofd om te liegen. God is heilig; Hij is de Waarheid. En wat in strijd is met Zijn Woord kan niet juist zijn. Als wij dan zeggen dat – gelet op de omstandigheden – de leugen hier noodzakelijk is, dan gaat het niet alleen over het ongeloof van Rachab, maar dan komt ook ons eigen ongeloof openbaar.

Want wat doet het ongeloof?

Al redenerend laat het steeds God buiten beschouwing. Maar heeft de Heere niet de inwoners van Sodom met blindheid geslagen zodat ze de deur van het huis van Lot niet konden vinden toen ze hem om wilden brengen? En zou Hij die twee verspieders niet hebben kunnen verbergen voor de ogen van de boden als ze het platte dak hadden betreden?

Het prille geloof in het hart van Rachab vertoont een inzinking. Ze heeft door het geloof besloten om deze twee mannen van Jozua te redden. Maar het vertrouwen bij de uitvoering van haar besluit is niet geheel en al op de Heere gericht.

 

Gods Woord keurt de leugen van Rachab nergens goed. De apostel Jakobus zegt in het tweede hoofdstuk van zijn brief dat zij uit de wérken is gerechtvaardigd; hij spreekt niet over haar woorden. En vervolgens noemt hij het ontvángen van de verkenners en het laten ontsnappen van hen langs een andere weg als de werken die uit een waar geloof vloeien en naar Gods wet en tot Gods eer zijn. Gods Woord keurt de zonde niet goed.

De Bijbel geeft ons nooit heiligenlegenden als het om Gods kinderen gaat, en hij rijkt ons ook geen verfraaide levensbeschrijvingen aan waarin het net lijkt alsof een kind van God nooit meer zondigt. Nee, Gods volk wordt in de Bijbel getekend in alle zwakte, in alle zonde, om ons te waarschuwen tegen het kwade en om ons aan te sporen te leven in de tere vreze des Heeren. Die vreze Gods krijgt gestalte in het gebed: En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze (Matth.6:13).

 

Gemeente, hoe is het? Heeft de Heere naar ú omgezien zoals Hij omzag naar Rachab?

Dan zult u zich vandaag niet boven haar verheffen.

De natuurlijke verdorvenheid is na de wedergeboorte geen koning meer in ons leven, maar ze kleeft ons nog wel voortdurend aan. O, in uzelf bent u niet sterker dan deze vrouw; in uzelf bent u niet beter bestand tegen de verzoekingen van uw vlees dan zij. Als de goede keuze van het geloof in ons leven wordt gemaakt, dan leeft het in ons hart om de Heere te mogen dienen. Dan leeft het in ons hart om voor de Heere te leven zonder zonde, als dat mogelijk zou zijn.

Maar het pakt in de praktijk van ons leven zo heel anders uit. O, die dagelijkse praktijk is zo smartelijk. We begeren niet te zondigen, maar we moeten inleven dat we niet anders doen dan zondigen. We ervaren met Rachab dat we in onze eigen kracht niet één ogenblik kunnen blijven staan in die onophoudelijke strijd met de zonde, de wereld en ons eigen vlees. We zijn zo zwak in onszelf, zo krachteloos.

We hebben die voortdurende ontdekking zo nodig om als een goddeloze in onszelf, als een albederver hoe langer hoe meer te vluchten tot die dierbare Immanuël, de Heere Jezus – de Volbrenger van alle gerechtigheid, de Bron van alle heiligheid, de Fontein van alle licht en leven. Dan smeken we met de dichter van Psalm 119 vers 117: Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn; dan zal ik mij steeds in Uw inzettingen vermaken.

 

Gemeente, de struikeling van Rachab laat ons zien dat genade altijd voluit genade blijft. In Rachab, in u en in mij zal nooit, nooit iets te roemen zijn. Dat zal de reden wel zijn dat die ene tekst wel driemaal in de Bijbel voorkomt: ‘Wie roemt, roeme in de Heere.’ Anders gezegd: God is goed voor een schuldig volk. God is goed voor mensen die het iedere keer bederven. Als de Heere ons op Zijn school neemt, dan gaan we dat woord van Paulus verstaan: Doch wie roemt, die roeme in den Heere (2Kor.10:17).

God is goed voor een schuldig volk. Hij laat niet varen het werk van Zijn handen, ondanks de zwakheid van ons vlees, ondanks ons onvolkomen geloof, ondanks onze geneigdheid tot de zonde.

Dat heeft Rachab mogen ervaren. De Heere heeft haar de zonden in haar optreden om Jezus’ wil niet toegerekend. En Hij stelt haar opnieuw in de oefening van het geloof.

Dat brengt ons bij de tweede gedachte, maar we zingen eerst Psalm 89 vers 8:

 

Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht;

Uw vrije gunst alleen wordt d’ ere toegebracht;

wij steken ’t hoofd omhoog, en zullen d’ eerkroon dragen,

door U, door U alleen, om ’t eeuwig welbehagen;

want God is ons ten schild in ’t strijdperk van dit leven,

en onze Koning is van Isrels God gegeven.

 

  1. Haar geloofsbelijdenis

Onmiddellijk nadat de beambten van de koning bij de herberg zijn vertrokken, gaat Rachab naar de plaats waar ze de verspieders verborgen heeft. Er is nu geen tijd om te slapen; de vervolgers kunnen terugkeren en ze heeft nog zoveel te zeggen.

Eerst verklaart zij haar gedrag, een persoonlijke geloofsbelijdenis. Hoor hoe deze heidense vrouw Gods allergrootste Naam gebruikt, de Naam van de God van het verbond, waarmee de Heere Zich alleen aan Israël had bekendgemaakt. We lezen in vers 9: Ik weet, dat de Heere u dit land gegeven heeft.

En dan geeft ze tegelijkertijd aan hoe zij tot dit geloof gekomen is. In de algemene situatietekening van de inwoners van Jericho beklemtoont ze tot twee keer toe dat zij en haar volk de daden des Heeren hebben gehoord. In vers 10 zegt ze: Want wij hebben gehoord, dat de Heere de wateren der Schelfzee uitgedroogd heeft voor ulieder aangezicht, toen gij uit Egypte gingt; en wat gijlieden aan de twee koningen der Amorieten, Sihon en Og, gedaan hebt, die op gene zijde van de Jordaan waren, dewelke gijlieden verbannen hebt. Dat komt nog een keer terug in vers 11: Als wij het hoorden, zo versmolt ons hart, en er bestaat geen moed meer in iemand, vanwege ulieder tegenwoordigheid.

Iedereen in Jericho – dat blijkt uit haar verklaring – heeft horen spreken over de kracht en de macht en de majesteit van de God van Israël. De hele bevolking van het stadje is door een diepe schrik aangegrepen.

 

Maar de Heilige Geest heeft het Woord van God, dat in geruchten werd vernomen, in het hart van Rachab geplant als het zaad van wedergeboorte.

Zeker, er is sprake van bijzondere omstandigheden. Maar toch is Rachab bekeerd zoals God al Zijn volk bekeert. Het Woord heeft haar getroffen in haar diepste innerlijk. Ze kan niet meer van dat Woord loskomen, dat Woord dat haar veroordeelt en dat de God van Israël grootmaakt. Ze is met het Woord dat ze gehoord heeft, werkzaam geworden. En ze gelooft de belofte die God aan Israël heeft gegeven: dat de Heere dit land aan Israël geven zal … Nee, dat staat er niet! Er staat in vers 9 iets anders: Ik weet, dat de Heere u dit land gegeven hééft. Dat is voor haar geloofsoog al werkelijkheid, zó vast mag ze de belofte van God geloven.

 

Gemeente, gaat het ook vandaag niet zo? Als de Heere een zondaar gaat onderwijzen uit het Woord, en de belofte Gods wordt voor het hart geopend en onze ziel mag op dat Woord van die levende God leunen en steunen, wat komt er dan een krediet in je hart ten aanzien van de Heere en Zijn trouw.

Deze vrouw mag geloven dat het rechtvaardig oordeel van de Allerhoogste haar volk zal treffen vanwege de zonden. En zij is zelf ook dat oordeel waardig geworden; ze mag eronder bukken. Ze zal met de inwoners van Jericho sterven, tenzij de Heere haar genade bewijst. Haar hele hart gaat, vanwege het gerucht dat ze gehoord heeft, uit naar de vrede met de God van Israël en naar Zijn volk. Ze is vervuld met een diepe eerbied, met heilig ontzag en met een onverklaarbare liefde tot Israëls God, van Wie zij voor de tweede maal een geloofsbelijdenis aflegt in de tweede helft van vers 11: Want de Heere, ulieder God, is een God boven in den hemel, en beneden op de aarde. Er is maar één God, in de hemel en op de aarde.

Maar de vrede die ze zoekt en de genade die ze begeert, zijn nog geheel voor haar verborgen. En daarom heeft de Heere Zelf die twee verspieders binnengeleid in haar woning, om haar de weg ter ontkoming te prediken.

 

Gemeente, zo heeft Rachab de kennis van God ontvangen door Woord en Geest.

Bezitten wij die kennis ook? Jonge mensen, is die kennis al in jullie hart gewerkt? Of is de kennis van God in ons leven alleen maar een zaak van de buitenkant?

Er zijn zoveel kerkmensen voor wie de Heere geen levende werkelijkheid is. Dan is ‘God’ alleen maar een woord, een begrip van drie letters dat er nu eenmaal bij hoort. Je vindt het heel erg kaal om ’s zondags niet naar de kerk te gaan, maar verder heeft de dienst van God eigenlijk geen betekenis. Dan sluiten we voortdurend de Heere buiten ons dagelijks leven. Dat is onze grote zonde.

Het gaat precies als met die geborduurde schilderijen. U kent ze wel; ze worden nogal eens aangeboden op een verkoping. Je koopt zo’n geborduurd schilderij en je hangt het op in je kamer, maar na een poosje ben je erop uitgekeken. Je denkt: ik haal het maar weg; ik hang het maar ergens in een andere kamer op. Je komt er nog niet toe om het weg te doen; dat niet. Maar als het niet meer in de woonkamer hangt, dan verandert er eigenlijk niets.

 

Is het zo met uw kennis van God gesteld? Is die kennis zo uiterlijk in uw leven? Dan steekt het geschreeuw van de inwoners van Jericho nog gunstig af bij uw onbetrokkenheid bij de eeuwige dingen. Want die mensen van Jericho twijfelen er niet aan of God bestaat. Leeft u zo onbetrokken onder de waarheid, zo onverschillig? Is het alleen maar een zaak van de buitenkant?

Kom toch tot inkeer. We horen toch allemaal het woord van de levende God? Aan ons wordt zoveel meer geopenbaard dan aan Rachab. Wij mogen achter de heilsfeiten staan van Goede Vrijdag, van Pasen en van Hemelvaart. Hebben we al geleerd om onszelf bij de Heere aan te klagen? Hebben we al geleerd om onszelf voor God te veroordelen? ‘Want ik gevoel de grootheid van mijn kwaad; mijn zonde zie ‘k mij steeds voor ogen zweven. ‘k Heb tegen U, ja U alleen, misdreven; Uw wil en wet, hoe heilig, stout versmaad.’ Veroordeelde u uzelf al voor Gods aangezicht zoals Rachab dat heeft gedaan? Anders gezegd: kwam u al eens achter in de tempel terecht met de tollenaar om te bidden: O God! wees mij zondaar genadig!? (Luk.18:13). Of zal deze Rachab u voorgaan in het koninkrijk Gods en zult u worden buitengesloten?

Ga toch niet met de andere inwoners van Jericho door met de tijd der genade te verachten. Want wat staat ons hier getekend?

Al die mensen hebben het Woord van God gehoord. Ze zijn allemaal met schrik vervuld geweest. Het Woord is tot hen allen gekomen. En ze hebben allen, op Rachab en de haren na, het Woord van God verworpen. Want God heeft aan Jericho een rechtvaardig oordeel voltrokken. Ze hadden allen het Woord gehoord. En de Hebreeënbrief zegt dat ze in ongehoorzaamheid dat Woord verworpen hebben.

Wat ik u bidden mag: Ga niet door met het Woord van God te verwerpen. Ga niet door met het bloed van Christus onrein te achten. Laat u toch met God verzoenen. Val de Heere toch heilig lastig om Zijn genade.

 

We zingen daar eerst van met Psalm 81 vers 9:

 

"Hoort Mij", zei Ik toen,

"onder u betuigen,

wat gij hebt te doen;

och, dat Israël

zich, op Mijn bevel,

onder Mij wou buigen!"

 

  1. Haar geloofsvertrouwen

Gemeente, ten slotte staan we stil bij de laatste gedachte: haar geloofsvertrouwen.

We lezen in onze tekst: En zij bond het scharlakensnoer aan het venster.

 

De tijd dringt. De afstand tot de oversteekplaatsen van de Jordaan is niet zo groot. De boden van de koning kunnen zeker binnen vier of vijf uur terug zijn. En daarom laat Rachab de verspieders met behulp van een zeel – een dik touw – ontsnappen door een raam van het huis aan de buitenzijde van de muur. In het donker zal niemand hen op deze wijze zien vertrekken. Rachab geeft hen de goede raad mee om naar het gebergte van Judea te gaan, vol kloven, spelonken en holen, zich daar drie dagen verborgen te houden en dan pas terug te keren naar het leger van Jozua.

Maar voordat die twee mannen vertrekken, sluiten zij op haar dringend verzoek onder ede een verbond met haar. Ze vraagt heel nadrukkelijk om een verbondsteken, om een betrouwbaar teken dat haar veiligheid waarborgt. We lezen dat in vers 12: Nu dan, zweert mij toch bij den Heere, dewijl ik weldadigheid aan ulieden gedaan heb, dat gij ook weldadigheid doen zult aan mijns vaders huis, en geeft mij een waarteken.

 

Begrijpen we haar begeerte?

Ze moet sterven – het oordeel over Jericho is onafwendbaar – en ze kán niet sterven. En nu er door het geloof een levende hoop in haar hart is geboren op behoud voor tijd en eeuwigheid, wil zij daarover met de verspieders spreken. Haar ouders en haar familie beseffen niet eens in welk gevaar ze verkeren. Straks zullen ze omkomen, voor eeuwig omkomen, als het oordeel Jericho zal verwoesten. Daarom wordt ze zo werkzaam met allen die haar lief zijn. We lezen in vers 13: Dat gij mijn vader en mijn moeder in het leven zult behouden, als ook mijn broeders en mijn zusters, met alles, wat zij hebben; en dat gij onze zielen van den dood redden zult.

Gemeente, genade is een gunnend goed. Als we zelf mogen zien dat we nog zalig kunnen worden, dan kan in die ogenblikken de hele wereld nog zalig worden. O, dan kan het weleens gebeuren dat we onze man of vrouw, onze jongen of ons meisje aanstoten en zeggen: als het voor mij nog kan, dan kan het voor jou zeker.

Genade is een gunnend goed.

 

Voordat de verspieders vertrekken, ontvangt Rachab het gevraagde teken en de verzekering dat alle familieleden die in haar huis zullen zijn, zullen worden gespaard. We lezen het in de verzen 18 en 19: Zie, wanneer wij in het land komen, zeggen de verspieders, zo zult gij dit snoer van scharlakendraad aan het venster binden, door hetwelk gij ons zult nedergelaten hebben; en gij zult tot u in het huis vergaderen uw vader, en uw moeder, en uw broeders, en het ganse huisgezin uws vaders. Zo zal het geschieden, al wie uit de deuren van uw huis naar buiten gaan zal, zijn bloed zij op zijn hoofd, en wij zullen onschuldig zijn; maar al wie bij u in het huis zijn zal, diens bloed zij op ons hoofd, indien een hand tegen hem zijn zal!

Rachab is niet beschaamd uitgekomen. De Heere heeft haar en haar familie gespaard, zo lezen we in Jozua 6.

 

Gemeente, wij ontmoeten hier een vrouw die bidt en smeekt om het behoud van haar hele familie. Misschien zijn er vandaag onder ons ook wel mannen en vrouwen of jonge mensen die met Rachab een diepe bezorgdheid omdragen omdat zij een onbekeerde man of vrouw hebben of onbekeerde ouders. En u kunt het maar niet nalaten om hen voor de troon der genade neer te leggen.

Maar de duivel is ook op de been. Die zegt: Daar heb je toch nog nooit van gehoord? Jij maakt van de hemel een familiehemel. Zo doet God echt niet, hoor!

Maar Gods Woord leert hier anders.

Het kan zijn in het leven van Gods volk dat ze begeren dat de Heere hun hele gezin en hun hele familie zal behouden door genade. Denk aan de stokbewaarder te Filippi. Wat zegt die man als hij tot bekering gekomen is? Hij verblijdde zich in de Heere dat hij gelovig was geworden met geheel zijn huis.

O, laten we toch nooit te karig en nooit te klein denken van God. Laten we nooit te karig spreken van die lieve Koning van de kerk, bij Wie een overvloed is van vergevende genade. De psalmist gaat ons voor en zegt: De rivier Gods is vol waters (Ps.65:10).

 

Toen liet zij hen gaan; en zij gingen heen; en zij bond het scharlakensnoer aan het venster.

Gemeente, voor alle duidelijkheid: het gaat hier dus niet over dat dikke touw waarmee de verspieders naar beneden zijn gelaten. Het gaat hier over een ander snoer, een scharlaken snoer. Daarop hebben de verspieders gewezen in vers 18: Zie, wanneer wij in het land komen, zo zult gij dit snoer van scharlakendraad aan het venster binden. Dat hoefde dus pas te gebeuren op het moment dat de aanval van Israël zich zou aftekenen. Maar Rachab heeft zoveel geloofsvertrouwen dat zij dat brede rode koord onmiddellijk na het vertrek van de verspieders aan het kozijn bindt van het raam waardoor ze met behulp van zo’n dik touw de verspieders had neergelaten.

 

Wat is dat een rijk getuigenis: En zij bond het scharlakensnoer aan het venster. De kleur rood heeft in de Schrift twee symbolische betekenissen.

Allereerst is rood de kleur van de zonde. We kennen allen die bekende tekst uit Jesaja 1 vers 18: Al waren uw zonden als scharlaken, al waren ze vlammend rood, zij zullen wit worden als sneeuw. En van zonde spreekt dit koord. Zo’n breed scharlaken koord had in de oude wereld de functie van een uithangbord. Het was een teken dat zich in het betreffende huis een bordeel bevond.

En wat zien we nu gebeuren?

Rachab brengt onmiddellijk na het vertrek van de verspieders dat brede scharlaken koord van de voorzijde van haar huis naar de achterzijde. Dat staat duidelijk in de verzen 21 en 22. Dat getuigt van haar hartelijke begeerte om te breken met de zonde. Want wie het huis van Rachab nu passeert, die ontdekt geen koord meer; die ziet dat hij daar niet meer terechtkan voor de zonde van de ongerechtigheid.

Anders gezegd: geloof en bekering gaan bij Rachab hand in hand. Zo is het altijd in de Schrift; altijd worden geloof en bekering met elkaar verbonden. Denk alleen maar aan het optreden van de Heere Jezus bij het begin van Zijn omwandeling in Galiléa. Dan zegt Hij: De tijd is vervuld, en het Koninkrijk Gods nabij gekomen; bekeert u, en gelooft het Evangelie (Mark.1:15). Die twee horen bij elkaar!

 

Rachab heeft zich van haar zonde tot de Heere bekeerd. Ze heeft die zonde beleden en ze láát die ook. Is dat in ons leven ook zo?

Misschien bespreken wij wel het zaligmakende geloof. Misschien zeggen we wel dat de Heere Jezus Christus ons dierbaar is en houden we tegelijkertijd de zonde aan de hand. We strijden er niet tegen. We noemen ons een gelovige en we leven in alles zoals de wereld leeft. We zijn er altijd weer op gespitst hoe we met de wereld mee kunnen doen en tegelijkertijd nog enigszins kerkganger kunnen blijven. Er is geen bekering. We spreken wel over geloof, maar er is geen bekering.

Gemeente, dan gaat het niet goed met ons. Dan bedriegen we onszelf. Want er is geen geloof zonder schuldbelijdenis. Er is geen geloof zonder het verlaten van de zonde. Er is geen geloof zonder dat we God nodig krijgen om tegen de zonde te strijden. Er is geen geloof zonder wederkeer tot de Heere. Er is geen geloof zonder dat we ons enigszins bewust worden van het vreemdelingschap hier op aarde.

 

En zij bond het scharlakensnoer aan het venster. Woorden vol van geloofsvertrouwen zijn dat. Het snoer hangt nu aan de buitenzijde van het huis, in het gezichtsveld van het naderende Israël. Rachab verwacht het in het oordeel alleen van de Heere, de God van Israël. Hij, Híj zal haar en al de haren redden van de dood.

In dat vaste vertrouwen heeft ze de twee spionnen langs een andere weg laten ontsnappen, zegt Jakobus 2, zodat ze aan het gevaar van de arrestatie konden ontkomen. Ze heeft de verkenners niet meer nodig. Haar hoop stelt ze alleen op de Heere en Zijn genade. De verplaatsing van het scharlaken koord getuigt daarvan; daarin schittert het vertrouwen van het zaligmakende geloof. En zij bond het scharlakensnoer aan het venster.

Dat brengt ons bij de tweede betekenis van het woordje ‘scharlaken’, of ‘bloedrood’. Dat is niet alleen de kleur van de zonde, maar het is ook de kleur van de vergeving. Zoals het bloed aan de deurposten in het land Gosen heen wees naar het offer van Christus, zo wijst de kleur van dit scharlaken snoer heen naar het vergoten bloed van de Borg in zijn allesreinigende, allesheiligende, allesvergevende kracht. Alleen achter dat snoer, in het huis achter dat snoer, is behoudenis als straks de muren vallen.

 

Gemeente, is het scharlaken snoer van de gerechtigheid van Christus al gebonden aan het venster van úw levenshuis? Want de tranen en het angstgeroep en de smeekbeden hebben de inwoners van Jericho niet kunnen redden toen de muren vielen. Mannen en vrouwen, kinderen en bejaarden, ossen en ezels kwamen om in het oordeel, zo lezen we. Alleen degenen die zich achter het scharlaken snoer in het huis van Rachab bevonden, zijn gered.

O, deze tekst predikt u – ingeklemd in de symboliek van het oude verbond – de Christus der Schriften, de Gekruisigde. De dienaren van het Evangelie worden nooit geroepen om u op te bouwen in allerlei gevoelsontroeringen en gestalten, maar ze worden geroepen om u te wijzen op dat scharlaken koord. Dat scharlaken snoer wijst ons heen naar die enige Naam Die onder de hemel gegeven is tot zaligheid, door Welken wij moeten zalig worden. Christus is het enige Fundament der behoudenis.

Hoor, hoor, hoor Zijn eigen Woord: En dit is de wil Desgenen, Die Mij gezonden heeft, dat een iegelijk, die den Zoon aanschouwt, en in Hem gelooft, het eeuwige leven hebbe; en Ik zal hem opwekken ten uiterste dage (Joh.6:40).

Is uw schuld zo groot? Spreekt uw geweten u aan dat u tegen al Gods geboden hebt gezondigd? Hebt u tegen elke bemoeienis van God gezondigd? Hoor Zijn Woord: Dit is de wil Desgenen, Die Mij gezonden heeft, dat een iegelijk, die den Zoon aanschouwt, en in Hem gelooft, het eeuwige leven hebbe.

 

Bouw het huis van uw hoop toch niet op gronden buiten de Heere Jezus. Want dan zal dat huis instorten in het uur van uw sterven. U zult niet voor God kunnen bestaan. Maar vraag uzelf af: heb ik de Zoon al mogen aanschouwen?

‘Aanschouwen’ is een woord dat misschien wat verouderd is, maar dat we allemaal nog wel kunnen plaatsen. ‘Aanschouwen’ betekent: met aandacht zien, met eerbied, met werkzaamheid. Niet oppervlakkig, niet zo een-twee-drie, maar met heel je hart. Dat is aanschouwen.

Hebben we de Zoon mogen aanschouwen? Zag u al die gekruisigde Christus in het gewaad van het Woord, in Zijn schoonheid, algenoegzaamheid, gepastheid en dierbaarheid? Zag u die gestalte van de Heere Jezus Christus blinken door de tralies van het Woord? Zag u Hem in het gewaad van de belofte, zoals Hij u keer op keer wordt verkondigd? En is Hij u toen dierbaar geworden boven alles en iedereen in deze wereld? Is Hij voor u de Schoonste der mensenkinderen geworden? Zag u Hem met een sterk verlangen als vanuit de verte en is uw ziel gaan hongeren en dorsten naar Zijn gerechtigheid?

Of aanschouwde u Hem van dichterbij? Mocht u Hem omhelzen in de volle toe-eigening van het geloof? Mocht u ‘mijn’ zeggen? Mocht u ‘eigenen’?

Of u Hem nou zag uit de verte met een levende honger en dorst, of dat u kwam tot de volle omhelzing: wees getroost. Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest (Rom.8:1).

 

Het kan zijn dat er vandaag iemand naar de kerk is gekomen met de gedachte dat het voor hem of haar niet meer kan. Je hebt zo’n verzondigd leven.

Dat zegt de vorst der duisternis! En hij heeft nog gelijk ook. Want dat laatste, dat u het zo verzondigd hebt, kan waar zijn.

Maar het eerste, dat het niet meer kan, is een leugen! Rachab de hoer had haar leven in de zonde tegen. Ze had heel haar afkomst tegen, want ze behoorde tot de Kanaänieten, die de maat der zonde hadden volgezondigd en die vanwege die roepende zonden moesten worden uitgeroeid. Rachab had alles tegen. Maar ze is behouden in het gericht, door Gods ontferming in Christus.

Als deze Rachab, deze vrouw, zalig kon worden, dan kunt u ook nog zalig worden. Als deze vrouw behouden kon worden, jonge mensen, kunnen jullie ook nog behouden worden. Want die dierbare Christus heeft Zijn bloed vergoten om hoeren en tollenaren een plaats te geven in het koninkrijk van God. Hoor Zijn woord: Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.

Amen.

 

Slotzang: Psalm 52 vers 7

 

Mijn God, U zal ik eeuwig loven,

omdat Gij ’t hebt gedaan;

‘k verwacht Uw trouwe hulp van boven;

Uw waarheid zal bestaan;

Uw naam is voor ’t oprecht gemoed

van al Uw gunstvolk goed.