Ds. L. Huisman - Psalmen 143 : 1 - 2

Gebed om vertroosting in tegenspoed

Psalmen 143
De belijdenis in dit gebed
De pleitgrond van dit gebed
Deze preek is eerder verschenen in "Met lege handen" van ds. L. Huisman, uitgave Boekhout.

Psalmen 143 : 1 - 2

Psalmen 143
1
Een psalm van David. O HEERE! hoor mijn gebed, neig de oren tot mijn smekingen; verhoor mij naar Uw waarheid, naar Uw gerechtigheid.
2
En ga niet in het gericht met Uw knecht; want niemand, die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 54: 1 en 3
Lezen : Psalm 143
Zingen : Psalm 130: 1, 2 en 3
Zingen : Psalm 51 : 5
Zingen : Psalm 140 : 13

Geliefden, het Woord van God dat wij u vanmorgen willen prediken als voorbereidingspreek voor de bediening van het Heilig Avondmaal, vindt u in Psalm 143 de verzen 1 en 2:

 

O Heere! hoor mijn gebed, neig de oren tot mijn smekingen; verhoor mij naar Uw waarheid, naar Uw gerechtigheid.

En ga niet in het gericht met Uw knecht; want niemand die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn.

 

Het thema van de preek is: Een gebed om vertroosting in tegenspoed.

 

Twee zaken vragen in het bijzonder onze aandacht:

1. De belijdenis in dit gebed;

2. De pleitgrond van dit gebed.

 

1.

Geliefden, in ons aller leven is een grotere ijver naar het goed van deze wereld dan naar het onvergankelijk goed. Dit moeten we helaas telkens opnieuw vaststellen. Niet alleen bij degenen die nog zonder God in deze wereld leven, die geen levende hoop hebben op de eeuwige gelukzaligheid, maar helaas ook bij de kerk des Heeren, de gelovigen, de wedergeborenen. Ook zij moeten telkens tot de droeve slotsom komen: ‘Wat neemt dit leven me toch in beslag. Wat ben ik toch druk van het begin tot het eind van de week’, met al die dingen die op zichzelf misschien niet eens ongeoorloofd zijn en waarvan u zeggen kunt: ‘Ja maar, dat moet toch echt gebeuren.’ Dingen waarvan u – als u ze in het licht van de eeuwigheid beziet – moet zeggen: ‘Er zijn belangrijker dingen.’

Er zijn dingen die meer waard zijn om ons hart op te zetten en om onze krachten aan te besteden. Dat zijn de onzichtbare dingen, dat zijn de eeuwige dingen. Dat is de schat die God voor de Zijnen heeft weggelegd. Dat is het eeuwige leven dat hier op aarde reeds begint.

Als dit u drukt en tot die slotsom en belijdenis moet komen, is er maar één uitweg; en dat is de weg van gebed. Het gebed waardoor God verandering geeft en waardoor de Heilige Geest over ons komt. Dan komt het belangrijkste weer op de eerste plaats en zien we alle dingen weer in de juiste verhouding. Door eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid te zoeken, komt het met deze dingen wel goed. ‘Want al deze dingen zullen u worden toegeworpen’, zegt de Heere Jezus. En Hij spreekt de waarheid. Op Hem kunt u aan in alle omstandigheden.

 

Mannen van groot geloof zijn ook altijd biddende mensen geweest. Ik denk aan Abraham, aan Izak, aan Mozes, aan Paulus; en ik denk ook aan David. David, een man groot van geloof – dat vermeldt de Schrift ons op menige plaats. Maar ook een man die veel gebeden heeft. De Schriften zijn er vol van.

Ook de psalm die we zojuist lazen, is een gebed; een gebed uit de diepte, omdat David benauwd was. Benauwd vanwege zijn vijanden, maar ook vanwege zijn zonden voor God. Dat hij dit gebed gebeden heeft, had verschillende redenen.

Eén reden was, zoals ik al gezegd heb, dat zijn vijanden hem op de hielen zaten. Er was maar één schrede tussen hem en de dood. Hij zegt: ‘Heere, de nood is zo groot. Als Gij Uw aangezicht blijft verbergen, ben ik gelijk aan iemand die in de dood is nedergedaald.’ Met andere woorden: Heere, zo heb ik geen leven, zo kan het niet meer, ik houd het niet langer uit. Dat kunt u lezen in het vervolg van deze Psalm, waar David bidt: Want de vijand vervolgt mijn ziel, hij vertreedt mijn leven ter aarde; hij legt mij in duisternissen, als degenen, die overlang dood zijn. En dan roept hij uit deze nood tot God.

 

Maar dan is er een nieuwe moeilijkheid. Dan is er een andere oorzaak die zijn ziel met doodsangst bezet. En dat is: ‘O God, tot U roep ik, maar ik kan voor U niet bestaan! Want mijn zonden zijn geduriglijk voor mij. En Gij zijt een heilig God. Dat is de nood van mijn ziel.’

David kan zo niet leven. De vijand vervolgt hem en daarom roept hij tot God; maar voor God kan hij niet bestaan. Daar spreekt het laatste gedeelte van de tekst heel duidelijk over. Daar willen we dan ook eerst een blik op slaan. David zegt: Want niemand die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn. Hij weet dus dat hij niet zomaar tot God kan naderen, want God is heilig. God kan hem niet helpen, want David is een zondaar, bevlekt en besmet van zijn hoofd tot aan zijn voeten. Hij is rondom zondig. En daarom smeekt hij: En ga niet in het gericht met Uw knecht. Dat wil zeggen: Als U met mij in het gericht gaat, heb ik ook bij U niets te verwachten dan slagen, dan de dood en daarna het verderf.

 

Er moet in het leven van ons mensen soms nogal wat gebeuren eer we de stille plaatsen opzoeken; dat zult u wel herkennen. Menigmaal moet er eerst nood in ons leven komen. Het gebeurt maar zelden dat we zonder dat de nood ons drukt door de band die God met ons heeft en die wij met Hem hebben, tot Hem gaan roepen. En dan spreek ik nu nog over Gods kinderen, die een levend contact met God hebben ontvangen door de Heilige Geest, Die in hun hart is uitgestort.

Maar het geldt niet alleen voor Gods kinderen. Het geldt voor ons allen zoals we hier voor Gods aangezicht zijn. Och, wat hebben we er toch op tegen om hartelijk en ernstig te bidden? Het gebed is toch de ademtocht van de ziel? We weten toch vanuit het Woord dat God wonderen doet op ons noodgeschrei? Wij weten uit de Bijbel dat alleen door het gebed de bidder die geduriglijk Gods troon aankleeft en voor Zijn aangezicht neerbuigt, gunst van Hem te wachten heeft. Wat hebben we er toch op tegen? Hoe komt het toch dat het soms zo lang duurt vóór we ons hart biddend voor God onderzoeken en onze nood voor de Heere uitschreien en Hem vragen om genade?

 

Ach, bidden, echt bidden, houdt altijd in: zelfverloochening. Dat houdt altijd in: schuldbelijdenis doen. Want wat tot een oprecht gebed hoort, is: je nood en ellendigheid recht en grondig leren kennen. Dat is in het natuurlijke leven ook zo. De meeste mensen met wie het niet goed gaat in hun zaken en in hun persoonlijk en maatschappelijk leven, spreken niet zo graag over de grootte en de diepte van hun schulden. Het is niet tot onze eer wanneer we met die hele lijst van schuldenposten voor de dag moeten komen. We leven daar maar liever overheen en we doen maar wat. We hopen maar dat het door niet al te veel mensen ontdekt wordt dat het eigenlijk niet goed gaat met onze zaak. We komen niet graag voor de dag met het feit dat we schulden hebben. Dat is vernederend, dat is krenkend.

Hetzelfde geldt in ons geestelijk leven. Echt bidden, dat is in beginsel en vóór alle dingen eerlijk tegenover God belijden: ‘Heere, nu deugt het weer niet. Nu is het weer verkeerd gegaan. Nu heb ik weer tegen u gezondigd. Nu ben ik weer uw gramschap waardig.’ Dat verbergen we maar liever net zo lang totdat we er niet meer onderuit kunnen. Totdat we zover in de diepte zijn gezonken dat we bereid zijn om belijdenis te doen van onze overtreding voor de Heere. Daar zijn we niet zo gauw toe bereid. We houden, ook wat dat leven betreft, onze stand graag op.  We zijn ook in dat opzicht zo farizeïstisch gricht. Als de mensen het maar niet horen, als het maar stil en verborgen blijft.

Maar op deze manier komen we ook nooit tot vrede. David zei: Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd in mijn brullen de ganse dag. Want Uw hand was dag en nacht zwaar op mij; mijn sap werd veranderd in zomerdroogte (Ps.32: 3-4). Hij was uitgedroogd als een lederen zak in de rook, zonder geur en zonder sap.

Zo is het met elk mens die zijn stand voor God ophoudt, die niet buigt voor God, die niet breekt, die niet als water wordt aan de voeten van God. Bidden, dat is arm worden, dat is eerlijk voor God zeggen dat er niets van ons deugt. Maar hoe pijnlijk dat ook voor ons natuurlijk bestaan moge zijn, het is toch de enige weg om geholpen te worden. Het is de enige weg om vrede met God te verkrijgen.

 

Ook dat heeft David ervaren. De nood is van twee kanten gekomen. De vijand maakt hem als een dode; en God, de rechtvaardige God, kan hem niet ontvangen, wanneer Hij met hem in het gericht treedt. Wat zal hij nu doen? Hij zal belijdenis doen van zijn overtreding voor de Heere. En dat doet hij dan ook in deze psalm. Hij smeekt: O Heere, hoor naar mijn gebed. Neig de oren tot mijn smekingen. Natuurlijk, David wist wel dat God alle dingen hoort. Dat God altijd het gebed hoort. Want God hoort alles, zowel het bidden van Zijn kinderen als het vloeken van Zijn vijanden. Hij ziet zelfs de gedachten van ons hart aan. Dus David bidt hier natuurlijk niet met de gedachte dat God zijn gebed niet zou horen. Maar als hij hier vraagt: ‘Heere, hoor mijn gebed’, houdt dat in: ‘Heere, verhoor mijn gebed.’ Dat wil zeggen: ‘Neem het gebed ter ore en help mij.’

Davids gebed was een smeekgebed. Een smeekgebed met weinig woorden. Een smeekgebed waarin hij niets aan de Heere kan beloven. Ach, daar moeten we ook aan wennen. We zijn vaak zulke hoogmoedige bedelaars. Als we in de nood komen en onze knieën voor God buigen, ligt het als bestorven op onze lippen om te zeggen: ‘Heere, help me, dan zal ik dat niet meer doen, of dan zal ik dat wél doen … .’ Ach, dat getuigt nog van weinig verbrokenheid van het hart. Dat getuigt ook van weinig zelfkennis.

David heeft hier echter niet op deze manier gebeden. Hij heeft niet gezegd: ‘Heere, als U me helpt, dan zal ik dáár trouwer in zijn, dan zal ik dát niet meer doen, dan zal ik  dáár voor zorgen.’ Hij heeft alleen maar gezegd: Heere, hoor mijn smeking. Want bij de mensen heb ik geen heil te wachten en voor U kan ik niet bestaan. Geef me dan genade, o God. Verhoor mij naar Uw waarheid en naar Uw gerechtigheid. En ga niet in het gericht met Uw knecht; want niemand die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn.‘

Hij behoort dus niet tot de mensen die bidden zonder dat ze schuld gevoelen. Mensen bij wie het gebed een gewoonte is, zoals het gebed hoorde bij de farizeeër. Die ging ook naar het huis van God om te bidden. Stel je voor dat je zoiets na zou laten. Stel je voor dat je naar bed ging zonder je knieën gebogen te hebben. Stel je voor dat je zomaar van je boterham hapte vóór je tot God gebeden hebt. Dat zou toch verschrikkelijk zijn! Zo hoort het gebed in vele levens erbij: puur uit vorm, uit gewoonte.

 

Nu vind ik het heel erg als er in werkplaatsen, in kantines, op kantoor of waar dan ook steeds meer mensen zijn, die zelfs de vorm niet meer in acht nemen. Mensen die zomaar beginnen te eten zonder Gods aangezicht gezocht te hebben.

Maar aan de andere zijde is het ook waar dat alleen voor de vorm bidden als een kwestie van opvoeding, toch het diepste element van het gebed gemist wordt, namelijk de hartelijke verootmoediging voor het aangezicht van de Heere.

David behoort niet tot deze mensen. Wanneer hij hier bidt, is de vorm maar heel sober. Dat is een kenmerk van het echte. Sober en eenvoudig. Dan heeft hij niet veel woorden te zeggen. Dan zegt hij alleen: ‘O God, mijn nood is groot. Als U me niet helpt, ben ik dood. Help me dan. Ik smeek het.’

Zijn gebed was een smeekgebed geworden in de erkentenis dat hij het niet waardig was. Hij zegt: ‘Niemand, Heere, niemand is rechtvaardig als U met hem in het gericht treedt.’ Dat is geen verontschuldiging. Dat is niet zoiets als: ‘Ja Heere, dan kunt u het ook van mij niet verwachten, want we zijn immers allemaal zondaar!’ O, als we zo spreken, hebben we nog weinig smart over onze ongerechtigheid. In een echt gebed zoals David dat hier bidt, zijn de zonden van anderen nooit een verontschuldiging voor onze zonden. Dan is de algehele verdorvenheid van het menselijk geslacht nooit een excuus, zodat ik tegen God zou kunnen zeggen: ‘Ja, wat kan ik er ook aan doen? Zo is een mens nou eenmaal. Zo ben ik nou eenmaal. Dat is mijn oude natuur.’

O nee, daar volgt geen vrede op. Als David hier zegt: ‘Niemand, niemand is rechtvaardig voor U, Heere, want niemand die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn’, dan wil hij daarmee juist de grootheid van zijn schuld aangeven. Dan wil hij juist daarmee zeggen: Heere, ook ik niet, ook ik niet, die van Uw genade weet, die door U uit het stof is opgericht, die door U van achter de schapen is weggehaald, die door U als koning op de troon gezet is, die door U met wijsheid en genade begiftigd werd. David wil zeggen: Heere, ook ik die zoveel gunst van God heeft ontvangen, ben niet rechtvaardig.

 

Niemand rechtvaardig. Ja, dat geeft de Schrift duidelijk aan. Ook Abraham, de vader van de gelovigen, was niet rechtvaardig voor God. En Job ook niet, want hij heeft zijn geboortedag vervloekt. Simson evenmin, hoe sterk hij ook was, want hij heeft naar zijn lusten geleefd. Ook Jona niet, want God zei: ‘Je moet die kant heen’, maar hij ging de andere kant op. Salomo werd op zijn oude dagn nog een dwaas, toen hij zijn hart door zijn afgodische vrouwen naar de tempels van de afgoden liet trekken. En Petrus verloochende zijn Meester na een opmerking van een dienstmeisje. Ach, waar zullen we eindigen? Er is niemand rechtvaardig, ook niet tot één toe!

Maar dat houdt dan ook in: U niet en ik niet! Als we ons voorbereiden voor het Heilig Avondmaal en als we met schrik denken aan wat en wie we geweest zijn sinds de bediening van het vorige Avondmaal; als we bedenken welke zonden ons leven terneer gedrukt hebben en welke ongerechtigheden uit ons hart zijn opgeborreld – dan komen we in de nood. Het kan niet anders. O God, ik ben weer niet bereid. Het ligt weer niet vlak tussen U en mij. Daar is weer een stroom, een zee van ongerechtigheden, die de overhand heeft op mij. Hoe moet dat nou?

 

Ik kan me voorstellen dat er vanmorgen mensen zijn die zeggen: ‘Hoe moet ik nu aanstaande zondag aan het Avondmaal? Met zo’n leven, met zo’n hart en met zo’n gezin? Hoe kan ik nu toch zo aan het Avondmaal? Hoe moet dat nou?’ David zegt: ‘Niemand, niemand is voor U rechtvaardig. En daarom: ‘Heere, treed niet in het gericht.’

Als God in het gericht treedt, weegt Hij onze zonden af, net als een rechter dat doet. Een rechter luistert en toetst aan de wet wat hij te horen krijgt. Dat doet God ook. God hoort, God ziet. Hij ziet het ook als we niet bidden. Want Hij kent, zei ik straks, de gedachten van ons hart en Hij toetst ze aan de wet. Als God dan met ons in het gericht treedt, ach, wie zal dan bestaan? Als God naar het recht van de wet met ons handelt, ach, dan zal er niemand aan het Avondmaal komen. U niet en ik niet. Dan zal Gods huis leeg blijven. Dan zal Gods spijze niet gegeten en Gods drank niet gedronken worden. Als God naar het recht van de wet handelt, kunnen we voor Hem niet bestaan.

 

Kom, begin dat te overdenken. Begin dan niet in de eerste plaats om uzelf wat op te knappen, en doe niet alsof het allemaal niet zo erg geweest is. Grijp ook niet terug naar wat u tien, vijftien of dertig jaar geleden weleens meegemaakt hebt. Doe dat niet. Van die spijze kan uw ziel niet leven. Maar doe net als David: overdenk de maanden die voorbij gegaan zijn. Overdenk uw zonden en vervloeking voor God, en zeg: ‘Heere, treedt niet in het gericht.’ Kan dat? Kan God niet in het gericht treden? Kan God niet recht doen? Kan God zwijgen als de overtreding vermeerderd wordt?

Geliefden, ik heb gezegd dat wanneer God handelt en alleen kijkt naar de wet buiten het verbond om – ja, dan moet Hij richten en het schuldig over ons uitspreken. Dan moet Hij wegstoten in de eeuwige nacht.

Maar God heeft met David een verbond opgericht. Want David zegt: En ga niet in het gericht met Uw knecht. Er is een relatie tussen God en David. En die relatie is door God gemaakt. Toen God David opgezocht heeft toen hij nog een jongen was en in het veld zijn schapen hoedde, toen is er een band gekomen tussen God en David.

Ik weet niet wanneer David bekeerd is. Misschien heeft hij het zelf ook niet geweten. Want er zijn kinderen Gods die de dag, de maand of zelfs het jaar van hun bekering niet kunnen aanwijzen. Maar ze weten wel dát er wat in hun leven gebeurd is, dat er verandering in hun leven gekomen is. En er zijn zelfs sommigen die van jongs af aan de Heere vrezen. De Bijbel noemt niet veel bekeringen van mensen met dag en plaats en uur. Maar de Bijbel openbaart zoveel te meer het leven van degenen die waarachtig tot God bekeerd zijn. U kunt in het leven van David bemerken dat hij als jongen al lust had om de Heere te vrezen. Toen heeft de Heere Zich op een bijzondere wijze geopenbaard. Toen heeft Hij hem geroepen vanachter de schapen en hem gemaakt tot een voorganger voor zijn volk.

Nu mag David zeggen, krachtens die Goddelijke roeping en genade: ‘En ga niet in het gericht met Uw knecht.’ David was Gods knecht. Er was een relatie gekomen tussen God en Hem.

 

Geliefden, weet u daar ook van? Weet u daarvan, jongeren en ouderen, meisjes en jongens, vaders en moeders, dat er een verbintenis, een relatie met de Heere gekomen is? Dat het in uw leven anders geworden is dan vroeger? Weet u van vroeger, toen u een dienaar van de wereld en de zonde was, een medegenoot van degenen die God niet kenden? En weet u dat u nu door het Woord van God een dienaar, een dienares van God geworden bent? Weet u van de keus in uw leven, die hartelijke, onberouwelijke keus van het smalle pad? Weet u dat u het aangezicht des Heeren ernstig zocht en dat u – hoewel u nog in veel  raadselen wandelde – toch met Ruth zei: ‘Uw volk is mijn volk, Uw God, mijn God! Heere, al zou U me nooit aannemen, toch wil ik aan de kant van Uw volk leven. Ik wil liever de smaadheid van Christus dragen dan nog langer de schatten van Egypte bezitten.’ Weet u daarvan?

David wist daar wel van. Hij zegt: ‘Ik ben Uw knecht, Heere, de zoon van Uw dienstmaagd.’ Dat wist hij. Dat is in zijn leven gebeurd en daarvan spreekt hij. Maar hij zegt ook: ‘En ga niet in het gericht met Uw knecht, want ook Uw knecht kan voor U niet bestaan.’ Op een andere plaats in de Schrift staat: Zal ook een Moorman zijn huid veranderen? of een luipaard zijn vlekken (Jer.13:23)? Nee. Wel, David zegt als het ware: ‘Zo is het nu met ons allemaal.’ Wij, die geleerd hebben kwaad te doen, zullen tot in eeuwigheid niet meer goed kunnen doen. Want niemand die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn.

Als we hier volgende week zondag komen, is er niemand voor Gods aangezicht rechtvaardig. Dan kunnen we het niet hebben van het recht der wet, want dan zal er een vuur uitgaan van het aangezicht des Heeren en ons verteren als we onze hand naar de heiligheden des Heeren uitstrekken. Niemand is rechtvaardig!

 

Maar nu is aan David – door Gods genade – een andere weg ontdekt. Dat is nu de pleitgrond in zijn gebed. Hij zegt: ‘Verhoor mij, naar Uw waarheid en naar Uw gerechtigheid, want ik ben Uw knecht.’ Daar willen we nog graag bij stilstaan, nadat we gezongen hebben uit Psalm 51, het vijfde vers.

 

Verberg Uw oog van mijn bedreven kwaad,
Waardoor mijn ziel gevoelt de diepste wonden;
Delg, delg toch uit mijn schuld en al mijn zonden,
En spreek mij vrij van mijne gruweldaad.
Herschep mijn hart, en reinig Gij, o Heer’,
Die vuile bron van al mijn wanbedrijven;
Vernieuw in mij een vasten geest, en leer
Mij aan Uw dienst oprecht verbonden blijven.

 

2.

De pleitgrond van Davids gebed is: Verhoor mij naar Uw waarheid, naar Uw gerechtigheid. Vindt u dat nou niet vreemd? Ja, je kunt natuurlijk zo gewend zijn aan het lezen van de Psalmen dat de woorden eigenlijk gewoon langs je heengaan. Maar laten we er nu eens even rustig bij stilstaan. David zegt hier: ‘Heere, mijn zonde is groot, Ik kan voor U niet bestaan. Niemand kan voor U bestaan. Maar neig dan toch Uw oor tot mij en hoor me dan toch naar Uw waarheid en naar Uw gerechtigheid.’ Had hij nu hier niet moeten zeggen: ‘Hoor mij naar Uw liefde en naar Uw milddadigheid, of naar Uw barmhartigheid?’ Dan zou een kind het kunnen begrijpen. God is goed. God is barmhartig en genadig. En daarom vergeeft God de schuld. ‘Heere, hoor me dan naar Uw barmhartigheid.’ Maar dat zegt David niet. Hij zegt: Verhoor mij, Heere, naar Uw waarheid en naar Uw gerechtigheid.

Maar is dan Gods waarheid niet dat de schuldige door Hem geenszins onschuldig gehouden wordt? Als je nu met een hart vol zonden en zorgen zit en je weet hoe fout  je geweest bent voor God, dan durf je toch niet te zeggen: ‘Heere, handel met mij naar Uw waarheid’? Dan zal God je toch verstoten? Want de God der waarheid is toch de God der wet, Die de zonden nooit door de vingers ziet? Hoe kan David dan als pleitgrond bezigen: Uw waarheid?

Geliefden, als God buiten het verbond de waarheid der wet handhaaft, kan niemand voor God bestaan. Maar binnen het Verbond klinkt de waarheid der wet door in het Evangelie van Jezus Christus, waarvan Paulus zo luisterrijk geschreven heeft in de brief aan de Romeinen: Want hetgeen der wet onmogelijk was, daar ze door het vlees krachteloos was, heeft God, Zijn Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleses, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees. In Zijn vlees! Opdat het recht der wet vervuld zou worden in ons die niet meer in de zonden leven, die niet meer naar het vlees leven maar die naar de Geest leven. Dat is het recht der wet vanuit het verbond.

Daarvan zegt David hier: ‘Dat is toch de waarheid, die U gezworen hebt aan Uw kerk en ook aan mij, want ik ben toch Uw knecht? De toorn van Uw wet, de eis van Uw wet, de vloek van Uw wet zou toch komen op het hoofd van de Borg en Zaligmaker van het verbond?’

O, geliefden, die weg heeft God aan Davids hart ontsloten. David heeft iets van de Messias gezien. Hij heeft iets van de genade Gods gezien. Hij heeft gezien dat er mensen zijn met wie God niet in het gericht treedt! Dat kan God doen, naar Zijn waarheid! Met mensen niet in het gericht treden! Dan heeft het recht zijn loop gehad voor die mensen met wie God niet in het gericht treedt. Dan heeft het recht zijn loop gehad in Christus Jezus. Dát is het geheim van het Evangelie. Dat is ook het geheim van onze vrede.

Nooit kunnen we Avondmaal vieren, nooit zijn we geschikt om God te ontmoeten, nooit zijn we geschikt om te sterven, want we zijn zondaren. En wat u ook doet, u zult het niet beter maken in deze week van voorbereiding. Want er staat met vlammend schrift boven het leven van u allen geschreven: ‘Niemand is rechtvaardig voor God.’ U ook niet, wat u ook kermt en wat u ook aftobt, wat u ook doet! Buiten Christus: niemand rechtvaardig!

Laat het elke dag weer opnieuw bij uw ontwaken als een dreunende hamerslag op de deur van uw hart zijn: niemand rechtvaardig! Zoek het daar dan ook niet. Daar is geen vrede, daar is donder en bliksem en vuur en grimmigheid en duisternis en dood en eeuwig oordeel.

Maar kom, u die verschrikt, treurig en bedroefd bent en die uw ongerechtigheid moet bekennen. Toen die deur gesloten werd, heeft God een andere deur geopend in Hem  Die gezegd heeft: Ik ben de Deur. Wie door Mij ingaat, die zal behouden worden. Ik ben de Herder van Mijn schapen en Ik stel Mijn leven voor de schapen. Als dan de nood u drukt, de zonde u veroordeelt en de wet u beschuldigt, sla dan uw oog op naar Hem, Die van God gegeven is om een Verlosser te zijn van zonden en ongerechtigheden. Dan moge het God behagen, ja dan zál het God behagen – als u zo nederig aan Zijn voeten neerbuigt – om u naar Zijn waarheid te verhoren en te bevrijden. Hij zal u dan  vrijmoedigheid geven in de weg die door Hem Zelf geopend is in Hem Die in het gericht Gods gestaan heeft, Christus Jezus. Hij is het geheim van Davids leven ‘naar Uw waarheid’.

Met eerbied gesproken: als u aanstaande week – en begin er vandaag nog mee – zó uw schuld belijdt, dan zou God een leugenaar zijn als Hij u in uw schuld en zonden liet omkomen. Dat gedoogt Gods glorie niet. Net zo min als het Gods glorie gedoogt dat een mens – als schuldenaar aan de wet – buiten het verbond zalig zou kunnen worden. Dat gedoogt Gods glorie ook niet. Langs die weg is er geen mogelijkheid om tot God te naderen.

Maar langs de weg van de schuldbelijdenis is er geen mogelijkheid om verloren te gaan! Dat duldt Gods waarheid niet! Hebt u daar zo wel eens aan gedacht? Dat is evengoed Gods rechtvaardigheid. Het is Gods rechtvaardigheid dat Hij verdoemt degenen die langs de steile helling van Sinaï’s berg trachten op te klimmen tot God. Maar het is ook Gods rechtvaardigheid dat Hij vrijmaakt wie in het stof ligt neergebogen. Dat heeft God Zelf in Zijn Woord gezegd. Laten we daarom onze ongerechtigheden belijden. Want die zijn zonden belijdt en laat, die zal barmhartigheid geschieden. Dat heeft de Heere gezegd. Want indien wij onze zonden belijden, God is getrouw en Hij is rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, zegt Johannes.

O zeker, dat recht is natuurlijk niet dóór ons belijden. Onthoud dat goed. Maar dat is het recht van Gods waarheid. God heeft gezegd: ‘Die aan Mijn voeten neervalt, die zal ik verhogen.’ Dat is Gods waarheid. En op grond van die Goddelijke waarheid mogen we vrijmoedig tot Zijn troon gaan en zeggen : ‘Gij hebt het gezegd, Heere, dat Gij zulk een bidder nooit ledig zal wegzenden. En daarop kom ik tot U, smekend, wenend en mijn overtredingen belijdend voor U, Heere.’

Dat is nu de vaste pleitgrond, ook in deze week van voorbereiding. Belijd het daarom voor Gods aangezicht: ‘Niemand die leeft, zal voor Uw aangezicht kunnen bestaan. Niemand zal rechtvaardig zijn. Maar Heere, Gij zijt toch een Waarmaker van Uw Woord, al heb ik dan niets om bij U aan te dragen of aan te bieden, al heb ik dan niets om te beloven dat het beter zal worden. Maar U hebt toch gezegd: ‘Alleenlijk ken uw overtreding, dat ge tegen de Heere, uw God, gezondigd hebt.’

Als u zó pleit, zult u bemerken dat God naar Zijn waarheid het hart zal vrijmaken dat schreiend tot Hem vlucht. En dat doet God elke keer als Hij ons de poort van het Evangelie opent in de beloften die in Christus Jezus ‘ja en amen’ zijn. Elke keer als onze wankele ziel de enige Rotsgrond van ons behoud mag vinden en daarop mag leunen. Elke keer als ons hart uitgaat vanwege Zijn spreken en we door Zijn liefde en genade als een gebrokene van hart en als een verslagene van geest ons verlaten op de goedertierenheden en barmhartigheden van de Heere HEERE.

Wat is het dan toch goed om een zondaar voor God te zijn! Zó zondaar te zijn! Daar wordt de rust geschonken. Daar vinden we vrede met God. Daar wordt die kinderlijke blijdschap in onze ziel geboren. Daar leven we onder de dierbare schaduw van Zijn Goddelijke beloften. Dan reizen we getroost onder het heiligend kruis, naar het erfgoed hierboven, naar het Vaderlijk huis. Daar is ook die hartelijke zelfveroordeling. Daar roepen we het uit: ‘O God, wanneer komt de dag, dat ik toch bij U mag wezen en zien Uw aanschijn geprezen? Verlost van mezelf, verlost van de zonden.’

Want ach, in dat schuld belijden en bekennen ligt heus niets in van: ‘Ja, dat is nou eenmaal zo, en dat zal nooit anders worden.’ Nee, daar ligt veel meer iets in van: ‘O God, wanneer komt het einde?’ Niet, dat we snakken naar het einde van ons leven, maar we snakken naar het einde van de zonden! We verlangen ernaar dat er geen zonde meer zijn zal, dat er geen scheiding meer zijn zal, dat we onszelf kwijt zullen zijn. WE verlangen ernaar dat we eeuwig en altijd voor God zullen leven!

Er staat niet alleen: naar Uw waarheid, maar ook: naar Uw gerechtigheid. Naar Uw gerechtigheid, dat is de gerechtigheid van het Verbond. Die gerechtigheid waar de Heere van gezegd heeft: De bergen  mogen wijken en de aarde verzet worden in het hart van de zee, en heuvelen wankelen, maar de gerechtigheid van Mijn Verbond  zal niet tenietgedaan worden. Het offer van Christus is niet tevergeefs gebracht. Als God dan in Zijn lichaam en ziel de zonden gestraft heeft, zullen al degenen die in Hem geloven vrij zijn. Dan kan God niet onrechtvaardig zijn. Als ik me zoals David voor God verootmoedig, als ik aan Zijn voeten buig en mijn overtreding belijd, kan God niet nalaten om dat gebed te verhoren. O, ik kan het niet begrijpen. Ik wil er eeuwig van zingen. Maar het is toch de waarheid! God kan niet nalaten me te horen. Want Hij is een rechtvaardige God. Als Hij straft in Christus, dan ben ik vrij. Vrij! Als had ik nooit zonde gekend noch gedaan!

Daartoe heeft de Heere nu het Heilig Avondmaal verordend, opdat we de beloften van dat Verbond te beter zouden verstaan. Het Heilig Avondmaal is als het ware tot versterking van die beloften. Eigenlijk moet ik het anders zeggen: tot versterking van ons geloof ín die beloften. Want in objectieve zin hebben die beloften geen versterking nodig. Die beloften zijn waar, zo waar als God is. Maar mijn geloof is zo zwak, zo wankel en zo bestreden.

Het is net als het koord dat tot Jeremia neergelaten werd toen hij in de put zat. Hij zat daar in een diepe, vieze modderput. Dan wordt een koord naar beneden gelaten en wat oude lompen uit het huis van de koning, opdat het touw hem niet onder de armen zou snijden. Dan worden hem kussens onder de oksels gelegd. Die uitdrukking wordt vaak in negatieve zin gebezigd, maar het is toch echt een bijbelse manier van zeggen. Dan wordt er een lus aan dat koord gemaakt en zo kan Jeremia des te beter dat koord onder zijn armen vast maken, opdat hij uit de ruisende kuil kan worden getrokken.

En kijk, zo is nu ook het Heilig Avondmaal. Dat is als het ware een lus in het koord van Gods beloften. Dat zijn als het ware de lompen uit ’s Konings huis. Kussens onder de oksels, opdat ik me te beter uit die ruisende kuil kan laten trekken. Opdat ik me te beter uit de moeite, uit het verdriet en uit de diepte van mijn ongerechtigheid kan laten optrekken.

Daartoe heeft God het Avondmaal ingesteld, opdat ons geloof in de beloften Gods gesterkt zou worden. Het sacrament voegt niets toe aan die beloften, maar het zijn de tekenen en zegelen ervan. God weet immers hoe zwak we zijn en hoe klein van kracht. Dat weet God en Hij heeft medelijden met ons. Daarom komt Hij en reikt ons de tekenen van Zijn liefde zichtbaar toe, opdat we geloven zouden en gelovende in Zijn Naam het leven zouden hebben. Welnu, bereid u dan zo om God te ontmoeten aan Zijn heilige dis.

Er zijn er velen die er nogal wat op tegen hebben om schuldbelijdenis te doen voor God. Sommige mensen vinden dat het niet nodig is. Ze zeggen: ‘God weet toch alle dingen, dus Hij weet ook wel hoe slecht ik ben. Dat hoef je niet speciaal tegen God te zeggen.’ Maar God heeft in Zijn waarheid gezegd dat Hij niemand de schuld vergeven zal dan die zijn schuld aan Hem belijdt. Dat is Gods waarheid. Daar kunt u van op aan.

Anderen denken dat het toch niet helpt. Die zeggen: ‘Ach, als God besloten heeft je de zonden te vergeven, dan doet God dat ook. Daar heeft Hij mijn gebed helemaal niet voor nodig.’

Geliefden, dan hebt u een verkeerde gedachte over de soevereiniteit van God. Die Goddelijke soevereiniteit heeft God Zelf aan de middelen gebonden. En als u nu de weg niet bewandelt waarin God Zijn genade geven wil, hoeft u niet op die genade te hopen. Dan handelt u verkeerd met de openbaring van God in het Woord van Zijn genade. Als God nu Zelf zegt dat Hij de armen en kleinen genadig wil zijn en goed, als God nu zegt dat Hij degene die aan Zijn voeten ligt en zich vernedert, zal oprichten en verhogen – dan mag u niet zeggen: ‘Al verneder ik me niet, als God besloten heeft me genade te geven, dan zal Hij het toch wel geven.’ Dat is spelen met het Woord van God. Erger, nog erger! Dat is uw eigen ziel verderven! Dat ius de weg afsnijden die God voor uw voeten baant om vergeving van zonden en het eeuwige leven te verkrijgen.

Nee, geliefden, ga niet te rade met vlees en bloed, maar met het Woord van God. Vertrouw op dat Woord. Want daarin alleen zult u van de last van uw schulden bevrijd worden en met vrijmoedigheid mogen toegaan tot de troon der genade.

En u, die nog onbekeerd is en nog vervreemd van het leven uit God. U, die eenmaal in uw belijdenis aan God beloofde dat u met Zijn volk wilt leven en die elke keer als het Avondmaal staat aangericht, verloochent wat u beloofd hebt. Laat het u nu eens in de klem brengen dat u het tegen God gezegd hebt en het niet doet. O, dan is ook de week van voorbereiding vol van betekenis voor u, onbekeerde kerkganger. Dan moet dit de week van de beslissing van uw leven worden. Wie weet of God u ooit nog vergunnen zal een volgend Avondmaal te vieren op deze wereld.

Zo gij Zijn stem dan heden hoort,
Gelooft Zijn heil- en troostrijk woord;
Verhardt u niet, maar laat u leiden.

 

Maar er zijn er ook die moeten zeggen: ‘Ik kan uit mezelf geen Avondmaal vieren. Want niemand kan in het gericht voor God bestaan.’ Welnu, laten wij dit opnieuw bekennen en hartelijk belijden. Dan zal Hij niet nalaten naar Zijn waarheid en naar Zijn gerechtigheid ons de ogen te openen voor het Lam Dat onze zonden droeg in Zijn ziel en in Zijn lichaam. Dan zullen we volgende week zondag van dat bloed getuigen. Dan zullen we komend tot de dis daarmee bekennen: ‘Wij liggen midden in de dood en kunnen voor God niet bestaan. Maar dit is de hoop, die ons het leven geeft, dat Zijn bloed, het bloed van Jezus Christus, ook mij reinigt van al mijn zonden.’ Dan zullen de engelen verblijd zijn. Dan zal God de eer ontvangen. Dan zal Christus gekroond worden en dan zal onze ziel leven.

Amen.

 

 

Slotzang Psalm 140:13


De vromen zullen U verhogen,

Gezegend door Uw milde hand.

D’ oprechten zullen voor Uw ogen

Steeds bloeien in gewensten stand