Ds. J. Driessen - Mattheüs 24 : 37 - 38

Jezus’ prediking over het laatste der dagen

Een vreselijke verharding
Een rijke lankmoedigheid
Een aangrijpend oordeel
Een heerlijke redding

Mattheüs 24 : 37 - 38

Mattheüs 24
37
En gelijk de dagen van Noach waren, alzo zal ook zijn de toekomst van den Zoon des mensen.
38
Want gelijk zij waren in de dagen voor den zondvloed, etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende, tot den dag toe, in welken Noach in de ark ging;

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 98: 4
Zingen : Psalm 96: 5
Lezen : Genesis 6: 1- 8; Genesis 7: 17- 24
Zingen : Psalm 95: 1,4 en 5
Zingen : Psalm 68: 1
Zingen : Psalm 72: 2

Gemeente, in de eerste tijd van de christelijke kerk na Pinksteren leefde de gemeente des Heeren sterk bij de verwachting dat de Heere Jezus spoedig zou terugkomen op de wolken des hemels. Deze verwachting is op een enkele uitzondering na steeds minder geworden. Er zijn altijd wel sekten geweest – en ze zijn er nog – die eenzijdig de nadruk legden op de wederkomst van Christus. Maar toch, over het algemeen gesproken is er van het verlangen naar, en van de verwachting van Zijn komst, weinig meer te merken.

Dat is helemaal geen goed teken. Want roept de Bijbel ons niet op om waakzaam te zijn, en om te letten op wat aan de wederkomst van de Zaligmaker vooraf zal gaan?! Nee, dat wil niet zeggen dat wij ons bezig moeten houden met allerlei dwaze berekeningen. De apostel zegt met enige nadruk dat de dag des Heeren zal komen als een dief in de nacht. Wat wij moeten doen, is letten op de tekenen van de tijd. Dat zijn echt niet zozeer allerlei schokkende gebeurtenissen, maar vooral de dingen die wij als heel normaal zijn gaan zien, terwijl ze dat ten diepste helemaal niet zijn.

Het volk Israël was bijvoorbeeld gewend geraakt aan het wonder dat iedere dag manna uit de hemel regende. Ze vonden zo langzamerhand dat het zo hoorde. Ook voor ons dreigt wat helemaal niet zo vanzelfsprekend is, zo gewoon worden. Wie let er nog op de tekenen van de tijd? Bijna heel de kerk is zoals de wijze en de dwaze maagden in slaap gevallen… Daarom is het zo nodig om te luisteren naar wat de Heere Jezus in duidelijke bewoordingen zegt over het ‘laatste van de dagen’ en vooral over de gesteldheid van de mensheid in die tijd.

 

Het Schriftwoord dat wij daartoe willen overdenken, vindt u in het Evangelie van Mattheüs, het 24e hoofdstuk, de verzen 37 tot en met 39:

 

En gelijk de dagen van Noach waren, alzo zal ook zijn de toekomst van de Zoon des mensen. Want gelijk zij waren in de dagen voor de zondvloed, etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende, tot de dag toe, in welke Noach in de ark ging, en bekenden het niet, totdat de zondvloed kwam, en hen allen wegnam; alzo zal ook zijn de toekomst van de Zoon des mensen!

 

We schrijven boven de preek: Jezus’ prediking over het laatste der dagen.

 

We beluisteren in die prediking:

1. Een vreselijke verharding.

2. Een rijke lankmoedigheid.

3. Een aangrijpend oordeel.

4. Een heerlijke redding.

 

We letten ten eerste op:

 

1. Een vreselijke verharding

 

Wanneer de Heere Jezus in Mattheus 24 ‘het laatste der dagen’ predikt wijst Hij daarbij terug naar de dagen van Noach. Wat waren dat voor dagen? De Heere zegt erover: Want gelijk zij waren in de dagen voor de zondvloed, etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende

Maar op het eerste gehoor zit daar toch weinig zondigs in? Dat is toch de normale gang van het dagelijkse leven: eten, drinken… Dat is toch nodig tot onderhoud van je lichaam? Trouwen is toch ook niet verkeerd? De Heere heeft het huwelijk immers Zelf ingesteld?

Jawel, maar de Heere Jezus bedoelt ook heel wat anders dan de gewone dingen van het dagelijkse leven. Dat wordt ons duidelijk als we in het Oude Testament lezen wat over de dagen van Noach gezegd wordt. Het was een tijd, zo blijkt, van bijzondere goddeloosheid. De aarde was vervuld met boosheid. Alle vlees, zo lezen we, had zijn weg verdorven. De ongerechtigheid vierde hoogtij en het kwaad werd verheerlijkt. Zich verharden in de zonde – dat was hét kenmerk van de toen levende mensheid.

Hoe is die eerste wereld eigenlijk zo geworden?

Wel, vanuit het gezin van Adam en Eva ontwikkelde zich een dubbele lijn. Een lijn van mensen die God vreesden, waarvan Seth de stamvader was, en een lijn van mensen die de Heere niet vreesden, waarvan Kaïn aan het hoofd stond. De Bijbel zegt over deze twee lijnen: zonen van God en kinderen van de mensen. Ofwel: de Kerk en de wereld.

 

Beide groepen stonden eerst lijnrecht tegenover elkaar. Maar door de uitbreiding van het menselijk geslacht, kwamen ze steeds meer met elkaar in aanraking. Toen gebeurde het vreselijke dat de Bijbel ons tekent als het begin van de vermenigvuldiging van de ongerechtigheid op de aarde. De zonen van God, de kerk, verloren de tegenstelling tot de kinderen der mensen, de wereld, uit het oog, en vermengden zich met de wereld. De grenzen werden verdoezeld, zo lezen wij in Genesis 6: Gods zonen zagen de kinderen der mensen aan dat zij schoon waren, en zij namen zich die zij verkozen hadden. De jongens uit het godvrezende geslacht van Seth lieten zich meeslepen door de vrolijkheid van de stad van Kaïn. Daar waren de tenten van Jabal, waar je je kon uitleven; daar waren de muziekinstrumenten van Jubal; daar waren de smeedwerken van Tubal-Kaïn, waar je mee vechten kon. Daar was vooral maar één ding belangrijk: het meisje dat haar naam dankte aan haar zinnelijke schoonheid.

 

Tegen al dat levensgenot waren de jongens uit de vrome lijn van Seth niet bestand. Ze dachten er eenvoudig niet aan dat men in die kringen God niet vreesde. Zij namen zich vrouwen naar eigen goeddunken. Ze maakten hun keus dus buiten God om. Daarmee, met de vermenging van de kerk en de wereld, begon het diep verval dat zou uitlopen op het oordeel van God.

Ouderen, jongeren, wat ligt er in deze woorden toch een dringende waarschuwing! Want ook nu zet de wereld haar tenten wagenwijd open. Ze wil met name onze jongeren losweken uit de lijn van de kerk. Laat je niet meevoeren door verkeerde vrienden, door relaties, die je afvoeren van God en van Zijn Woord. Mijd de plaatsen waar met God en Zijn dienst niet wordt gerekend. Want als je gaat op de weg van de satan en de wereld is er op den duur geen stilstand meer. Je geweten wordt het zwijgen opgelegd. Maar vooral: de wereld gaat voorbij en haar begeerlijkheid en gaat over in een eeuwige nacht. Bedenk dat er in God oneindig meer te vinden is dan de wereld ons ooit geven kan.

 

Gemeente, uit die gemengde huwelijken van het vrome en het goddeloze geslacht werden kinderen geboren die in de Bijbel ‘reuzen’ worden genoemd. Mensen van grote kracht. Maar die grote lichaamskracht leidde echter tot een ontzaglijke hoogmoed. Eigen wil, eigen recht en eigen begeerten werden op de troon gezet. De oude wereld vervulde zich met Lamechs, die met het zwaard in de hand het lied zongen van haat en hoogmoed. Vleselijke lust gaf de toon aan. Met God werd niet meer gerekend, men leefde maar door, alsof er geen God bestond, alsof er geen eeuwigheid aanstaande was. Kijk, dat bedoelt de Heere Jezus, als Hij over de dagen van Noach zegt: Etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende.

Het doet ons de wortel zien van het leven naar het vlees. Daarom blijkt uit deze woorden van Christus een verschrikkelijke verharding. Niet zozeer om hetgeen gezegd wordt, maar omdat er alles in ligt wat van de mensen in de dagen van Noach, en van de mensen in de dag van de Zoon des Mensen, gezegd kan worden: eten, drinken, trouwen. Punt! Meer niet! Dat is alles wat nog gezegd kan worden over de mens die naar het beeld van God geschapen is. Over een geslacht dat met de vreze Gods, met Zijn Woord en Zijn dienst gebroken heeft. Die geestelijke ongevoeligheid, die valse gerustheid, die zelfvoldaanheid, komt duidelijk daarin naar voren. Over hen, die ondanks welke crisis dan ook, rustig doorgaan met eten, drinken en trouwen en zich tot het uiterste toe verharden.

Of daarmee nu alleen de boze wereld bedoeld wordt moet ieder van ons maar eens voor zichzelf nagaan. Als wij er over nadenken waar ons leven mee gevuld is, van de maandag tot de zaterdag, en de zondag niet te vergeten. Want, weet u, zelfs een net godsdienstig leven, en een fatsoenlijk leven van eten en drinken, kan toch door en door goddeloos zijn, omdat God er niet in is.

Er zijn heel wat kerkmensen voor wie de geestelijke en de eeuwige dingen geen levende werkelijkheid zijn. Gemeente, ook al gaan we misschien heel trouw naar de kerk, dan kan het toch zo zijn dat de Heere in feite buiten ons leven staat, dat we Hem niet echt kennen, dat de vreze van Zijn Naam ons leven niet beheerst, dat we niet hongeren en dorsten naar de gerechtigheid van de Zaligmaker.

 

Gelijk de dagen van Noach waren, alzo zal ook zijn de toekomst van de Zoon des mensen. In de tijd die voorafgaat aan het laatste gericht zal, zoals in de dagen van Noach, de losbarsting van zonden zich herhalen in het rijk van de Antichrist. Ook dan zal de mens zich verheffen in ontzettende kracht. Elke hogere macht zal voor hem afgedaan zijn, alle geestelijke waarden worden dan weggeschoven. Met de normen van het Woord en de Wet van God wordt door de zogenaamd mondige mens niet meer gerekend. De boosheid van de oude wereld zal nog overtroffen worden. Dan zal de droeve staat van de gevallen mens, van de gevallen mensheid, ten volle openbaar worden in de uitroep: Laat ons Hun banden verscheuren; laat ons Hun touwen van ons werpenI (Ps.2:3).

Dat ‘laatste van de dagen’, geliefden, daarin leven wij. Vindt u onze tijd daar niet verbazend veel op lijken? Menselijke kennis en technisch vermogen hebben zich ontplooid als nooit tevoren. Bij de opzienbarende uitvindingen die er er steeds weer gedaan worden zijn die van Jabal en Tubal-Kaïn maar kinderspel. Geweldige uitvindingen waardoor het menselijk leven verrijkt wordt, maar tegelijk ook bedreigd wordt. Want is daardoor in veel gevallen de goddeloosheid en de normloosheid en het afwijken van de Heere God niet bevorderd? De mens voelt zich zo sterk, zo machtig dat hij God niet meer nodig heeft, en zich steeds verder van Hem afkeert.

 

Ook in het Evangelie van Lukas vinden we deze woorden van de Heere Jezus terug. Daar worden echter niet alleen de dagen van Noach genoemd, maar ook die van Lot. Dan treft ons een opmerkelijk verschil. Want in de dagen van Lot wordt het trouwen en het ten huwelijk geven weggelaten. Toen was de verwording nog verder voortgeschreden. In de dagen van Noach trouwden de mensen nog, al kwam er dan door die huwelijken een vermenging tot stand tussen kerk en wereld. Maar in de dagen van Lot werd de huwelijksinzetting van God vertrapt, en daalde de seksuele moraal tot een vreselijk dieptepunt.

We zien hetzelfde vandaag gebeuren. Wat tegen het gebod van God is, wat tegen de natuur is, wordt openlijk gepropageerd en gepraktiseerd. Een vloed van vuil overspoelt via de media onze samenleving. En hoe dringt via internet, via de TV en door allerlei schunnige lektuur, deze goddeloosheid ook onze gezinnen binnen, waardoor ook onder ons de in het Evangelie gefundeerde moraal ondermijnd en bedreigd wordt.

Ook zie je steeds meer het verschijnsel dat de zonen Gods zich vermengen met de kinderen der wereld; de kerk verzwagert zich met de wereld. De wereld trekt met een geweldige zuigkracht en de kerk laat zich meetrekken. Ouderen en jongeren laten zich meeslepen.

Al wordt dan de zonde niet uitgeleefd in die mate, in die vormen als zojuist genoemd, toch is het beginsel van dat kwaad ook in ons. In plaats van dat we ons afvragen: Hoe ver moet ik van de zonde wegblijven, worden soms bewust die plaatsen bezocht, waar de zonde openlijk wordt bedreven, en waar de verleiding voor de jongeren maar ook voor de ouderen levensgroot is.

 

Gemeente: hebt u, heb jij de zonde leren haten? Laten we ons hart op dit punt onderzoeken. Vraag uzelf af, vanavond, of uw leven, of jouw leven werkelijk een leven met God is. Die vraag is immers van allesbeslissende betekenis. Want zonder God is het leven ten diepste toch alleen maar duisternis? Zonder God is je leven toch uitzichtloos? Als dat zo blijft, dan zal het eindigen in eeuwige donkerheid. Omdat u zich, omdat jij je verhard hebt, dwars tegen alle roepstemmen en tegen alle nodigingen van het Evangelie in.

En gelijk ze waren in de dagen voor de zondvloed, etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende. Die mensen leefden onbezorgd van de ene dag in de andere. Ze volgden alleen hun eigen lusten. Maar dat betekent niet dat ze dat ongewaarschuwd deden. Want God had ook in die tijd nog een getuige. Daarin betoonde Hij Zijn rijke lankmoedigheid. We letten daarop in onze tweede gedachte.

 

2. Een rijke lankmoedigheid

 

Midden in die duistere dagen van zonden, van zedenverwildering, is er een mens wiens naam als een licht wordt genoemd: Noach! En niet alleen in naam, maar ook in werkelijkheid stamt hij uit de heilige linie van Seth. Nee, dat was niet omdat Noach van zichzelf beter was. Ook van hem gold wat de Schrift zegt: ‘Er is niemand rechtvaardig, ook niet één. Er is niemand die verstandig is; er is niemand die God zoekt.’

Doch Noach vond genade in de ogen des Heeren. Hij was rechtvaardig voor God in Hem, Die als het zaad van de vrouw in de wereld komen zou om verzoening te verwerven. Gods genade werd in Noach verheerlijkt. Dat maakte hem tot wie hij was. Van deze man nu deed God en machtig getuigenis uitgaan tot de wereld van die dagen.

 

In de eerste plaats was het leven van Noach een verkondiging. Noach kon niet meedoen met hun ijdele feesten, hij kon niet meedoen met hun onheilig verlangen naar de vervulling van hun vleselijke begeerten. Door genade was er een grote kloof tussen Noach en de wereld van toen. Zijn leven was aan de Heere gewijd.

Mensen zullen best eens gedacht hebben: ‘Noach, je kijkt zo somber.’  Maar terwijl voor hen de aarde en het aardse leven hun hoogste goed was, en al hun werken en al hun streven zich richtte op het hier en nu, op dit tijdelijk leven, hongerde en dorste de ziel van Noach naar de gerechtigheid om voor God te kunnen bestaan.

Daarom, meisjes en jongens, kunnen Gods kinderen dikwijls niet zo vrolijk zijn. Dat is niet alleen omdat ze niet mee kunnen doen met de wereld, maar vooral omdat ze de wereld vinden bij zichzelf. In hun eigen hart; omdat ze zichzelf steeds zo tegenvallen, omdat ze zichzelf steeds weer tegenkomen.

 

Er is echter meer. Want al kon Noach niet meedoen met de goddeloze wereld van zijn tijd, wil dat niet zeggen dat hij zich uit die wereld heeft teruggetrokken. Hij zat niet, zoals dat wel eens gezegd wordt, met een boekje in een hoekje, want dat is niet de plaats die de Heere aan Zijn kinderen geeft. Nee, de Heere Jezus zei in het Hogepriesterlijk gebed: Vader, Ik bid niet dat gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart van de boze (Joh.17:15). De Heere plaatst Zijn kinderen midden in het leven om als een zoutend zout, als een lichtend licht, van Hem te getuigen.

Dat heeft Noach gedaan. Petrus noemt hem in zijn brief de prediker van de gerechtigheid. Als een verkondiger van het recht van God trad hij het boze geslacht van zijn dagen tegemoet. Hij hield de mens zijn grote schuld voor tegenover God. Hij riep hen op zich te bekeren. Hij zei hen, als zij weigerden voor de Heere te buigen, dat dan Zijn rechtvaardig oordeel hen treffen zou. Gods Geest twistte, door Noach, zo staat er in de Bijbel, met de wereld van toen.

 

Noach getuigde niet alleen met woorden, maar ook door zijn daden. Op Gods bevel moest hij een ark bouwen. Hij heeft daar 120 jaar lang aan gewerkt. Al hoger en hoger verhief zich de romp van dit reusachtige schip. Totdat het eindelijk klaar was. Al die jaren predikte de ark; ze lag daar zwijgend, maar toch welsprekend te getuigen. Er ging van die ark een geweldig getuigenis uit. Zo haast, zegt de Hebreeënbrief, zo haast heeft Noach de wereld veroordeeld. Die ark riep de zondige mensheid immers toe dat God deze wereld, als ze zich niet zou bekeren, door water zou verderven. Die ark predikte de mensheid haar hemelhoge schuld. Zij riep Gods gerechtigheid over haar uit. Elke hamerslag van Noach was een stem tot die wereld: God gaat recht doen.

Als een monument van Gods rechtvaardigheid heeft die ark daar gelegen. Het oordeel uitsprekend over ieder die onder dat recht niet boog. Kijk, zo is Noach, de prediker van de gerechtigheid, ook prediker van Gods lankmoedigheid geweest. 120 jaar lang gaf God de mensheid gelegenheid zich tot Hem te bekeren.

 

Wat de Heere gaf in de tijd van toen, geeft Hij ook nu in het laatste van de dagen. Ook nu laat God de wereld niet ongewaarschuwd. Noach, de prediker van de gerechtigheid, staat niet op zichzelf; want uiteindelijk was het niet Noach die toen getuigde, maar ten diepste was het Christus, Die het door Noach deed. Diezelfde Christus, Die het toen deed, Die Christus doet het ook nu. Hij doet het door Zijn dienaren, en Hij blijft het ook doen, tot aan het einde van de wereld.

Hij doet het door Zijn Woord. En dat niet alleen, Hij heeft het vooral gedaan door Zijn werk. De Heere heeft immers ook de Ark, de meerdere Ark, het enig middel van behoud gebouwd. Hij heeft die Ark gebouwd in Bethlehem, waar Hij als de Gegevene des Vaders gelegd werd in de kribbe. Hij heeft die Ark voltooid aan het vloekhout van Golgotha, waaraan Hij genageld werd, waaraan Hij gestorven is. Ja, Hij is de enige Ark van behoud.

 

Zoals vroeger de ark van Noach daar lag, enerzijds als een vonnis van God over de wereld, maar anderzijds ook als een rijke prediking van Gods lankmoedigheid, zo staat ook nu de kribbe in Bethlehem en staat ook nu nog het kruis op de heuvel van Golgotha. Enerzijds getuigend van de barmhartigheid van God, maar anderzijds dreigend voor allen die weigeren te buigen onder hun schuld en het recht van God. Tot het laatste van de dagen toe zal deze boodschap aan de wereld, hoe diep ze dan ook mag wegzinken, verkondigd worden.

 

Bij deze rijke prediking van Gods lankmoedigheid wijst de Heere Christus ons in onze tekst op iets ontzettends. Op iets dat de mensen in de dagen van Noach niet wilden zien. Ze trokken zich er helemaal niets van aan. Noach mocht nog zo ernstig waarschuwen, hij mocht nog zo hard timmeren, maar de mensen lieten hem praten, lieten hem bouwen. Ze spotten met die vrome scheepstimmerman, die zo’n wonderlijk schip bouwde op het droge. Ze wezen naar hun hoofd: ‘Die Noach? Die weet niet wat hij doet. En dan zegt hij ook nog dat er een grote watervloed zal komen. Dat zal wel meevallen. Waar zal al dat water vandaan moeten komen?’ Zo spotten ze en gaan door met zondigen. Onbekommerd zetten ze hun zondige leven van eten, van drinken en van trouwen voort. Ondanks de lankmoedigheid van God verharden ze zich.

 

Gemeente, herkennen wij in dit alles niet de trekken van onze eigen tijd? De prediking van het Woord is er nog wel, maar de brede massa ook van ons volk keert zich ervan af. Wederkomst en gericht? ‘Onzin! Flauwekul! Wie gelooft nou zoiets.’

En bekenden het niet. Ontzettend woord. Zal de Heere dat straks ook van ons moeten zeggen? Van u? Van jou? Want ach, wij luisteren nog wel naar het Woord, maar ondertussen leven we eigenlijk zorgeloos verder, en we laten ons niet echt gezeggen.

Of is het bij ons anders? Nemen wij het wel ter harte? Als dat zo is, dan leer je inzien wat voor een zondaar je bent, in welk gevaar je verkeert. Je gaat buigen voor de Heere. Je gaat je schuld, je gaat je goddeloosheid voor God belijden. Je leert David verstaan, als hij zegt: Tegen U, tegen U alleen heb ik gezondigd en gedaan wat kwaad is in Uw oog (Ps.51:6). Dat bekennen houdt ook in dat je de zonde verlaat, dat je ermee breekt. Dat je innerlijk vernieuwd wordt door de kracht van de Heilige Geest. Wat word je dan gewaar dat je zoveel jezelf gezocht hebt, dat je zo vaak jezelf bedoeld hebt! Je erkent hoe ontzettend wereldgelijkvormig je in feite bent. Je hebt eigenlijk voor niets anders dan voor jezelf en de dingen van deze wereld geleefd. Het helpt niet dat er een paar takken van je levensboom afgekapt worden. Daarmee ben je niet gered, zomaar wat veranderingen in je leven zijn niet genoeg. Je gaat leren inzien: mijn zonden moeten vergeven worden, mijn schuld moet betaald worden.

Maar wat een wonder wordt het als je uit het Evangelie gaat horen, dat er Eén geweest is, Die in deze vervloekte wereld wilde komen, om door Zijn lijden en sterven en eeuwige verlossing aan te brengen! Wat wordt dan de prediker van gerechtigheid bij uitnemendheid, de Heere Jezus Christus, je dierbaar en noodzakelijk! Hoe meer je leert enkel ongerechtigheid te zijn, hoe noodzakelijker, hoe gepaster Hij je zal worden. Dan honger, dan dorst je naar vrede met God. Vrede door het bloed van het Kruis, dat betere dingen spreekt dan het bloed van Abel. Dat bloed dat van al de zonden reinigt.

 

We zien nu in de derde plaats:

 

3. Een aangrijpend oordeel

 

En bekenden het niet, totdat de zondvloed kwam, en hen allen wegnam. Eindelijk is dan het grote schip gereedgekomen. Nauwelijks is Noach er met zijn gezin ingegaan en heeft de Heere de deur achter hen gesloten, of donkere wolken pakken zich samen. Het duurt maar eventjes, of de hele lucht is zwart. Het leven staat een ogenblik stil. Iedereen kijkt naar de hemel. Men vlucht in huis. Met een vreselijk geweld valt de regen neer. Het worden watergoten. God giet Zijn oordelen uit op de aarde. Hij opent de deuren van Zijn toorn. Hij ontgrendelt de sluizen van de hemel, het water stort in vernielende stromen omlaag. De Heere breekt ook de fonteinen van de afgrond open. Ook uit de afgrond bruist het water met ontzaglijke kracht omhoog. Van boven en van beneden komt het gericht, en al hoger en al hoger stijgt het water. Totdat het eindelijk vijftien el boven de hoogste bergtop staat.

Nergens is voor hen, die niet in de ark zijn, uitkomst. Niemand, niemand van de kinderen der mensen wordt gespaard. Al de schatten van het geslacht van Kaïn worden meegesleurd. Nu zwijgt de spottende mond, nu klinkt geen hoongelach meer op over die vreemde scheepstimmerman. Hier baat geen reuzenkracht, hier is iedereen machteloos.

Het lied van Lamech: ikzelf… verstomt in de golven. Wanneer de Heere op de veertigste dag de fonteinen van de afgrond, en de sluizen van de hemel weer sluit, dan is al het land verdwenen, en alle vlees heeft de geest gegeven. De aarde is veranderd in een eindeloze zee. Over het water klinkt de stem van de Rechtvaardige Rechter: Die in de hemel woont zal lachen (Ps.2:4).

 

Maar gemeente, zoals de prediking van Noach niet op zichzelf stond, zo staat ook dit oordeel niet op zichzelf. Dit gericht zal zich herhalen in het laatste van de dagen. Niet door water, maar door vuur zal de Heere dan de wereld louteren. De hemelen worden opgerold als een doek. ‘De elementen’, zegt de apostel, ‘zullen branden en vergaan.’ Tot hen die aan Zijn linkerhand staan zal de Rechter zeggen: Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur (Matth.25:41).

En gelijk de dagen van Noach waren, alzo zal zijn de toekomst van de Zoon des mensen. De wereld zal gewaarschuwd zijn door de prediking van de enige Ark van behoud. Maar ze zal niet horen, ze zal voortgaan in ongeloof en in zonde. Ze zal de stem van Gods genade versmaden. Ze zal in ongerechtigheid toenemen, totdat… totdat de maat van de ongerechtigheid vol is. Dan komt Jezus, als een dief in de nacht, op de wolken des hemels. Dan is deze wereldtijd ten einde. Dan zal het gericht plaatsvinden. Dan zullen wij allemaal, ouderen en jongeren, voor de Rechter van hemel en aarde verschijnen.

Gemeente, als dan de boeken opengaan hoe kunnen wij dan, nietige mensen, voor de grote God bestaan? Hoe zullen wij, zwarte zondaren, dan bestaan voor de heilige, voor de rechtvaardige God? Dan kunnen we alleen voor Hem bestaan als wij onze vloekwaardigheid hebben leren kennen, als Jezus onze Borg en Middelaar geworden is.

Weet toch, bij dat laatste gericht wordt de deur van de Ark van behoud voor eeuwig gesloten. De dwaze maagden zullen uitroepen: Heere, Heere, doe ons open! (Matth.25:11). Maar de Bruidegom zal antwoorden: ‘Gaat weg. Ik heb u nooit gekend.’ Vreselijk uur! Te laat om te beseffen dat God waarheid is. Dat Jezus alleen Verlosser is.

 

Wedergeboorte door de Heilige Geest is nodig, om het Koninkrijk van God te zien en in te gaan. Daarom, u en jij, die het behoud nog niet hebt gezocht, en niet gevonden hebt in Jezus’ bloed, je zult buiten staan. Dat wil niet anders zeggen dan voor eeuwig te blijven onder de toorn van God.

Dan wordt het immers werkelijkheid, wat we zingen uit Psalm 68, het eerste vers:

 

De Heer’ zal opstaan tot den strijd;
Hij zal Zijn haters, wijd en zijd,
Verjaagd, verstrooid doen zuchten;
Hoe trots Zijn vijand wezen moog’,
Hij zal, voor Zijn ontzaglijk oog,
Al sidderende vluchten.
Gij zult hen, daar G’ in glans verschijnt,
Als rook en damp, die ras verdwijnt,
Verdrijven en doen dolen.
’t Godd’loze volk wordt haast tot as;
’t Zal voor Uw oog vergaan, als was,
Dat smelt voor gloênde kolen.

 

En gelijk de dagen van Noach waren, alzo zal ook zijn de toekomst van de Zoon des mensen. Want gelijk zij waren in de dagen voor de zondvloed, etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende, tot de dag toe, in welke Noach in de ark ging, en bekenden het niet, totdat de zondvloed kwam, en hen allen wegnam; alzo zal ook zijn de toekomst van de Zoon des mensen.

Maar..!

Er is echter niet alleen sprake van een aangrijpend oordeel. Want we hoorden in het slot van vers 38: tot de dag toe, in welke Noach in de ark ging… en dat wijst ten vierde op:

 

4. Een heerlijke redding.

 

Het oordeel werd pas voltrokken nadat Noach met zijn acht zielen de ark was ingegaan. Door die ark werd Noach gered, in die ark was hij veilig. Want als heel de schepping wordt verzwolgen, en het water daarna nog 110 dagen de aarde bedekt, dan drijft daar de ark op die onmetelijke watervlakte. Zij alleen is in het oordeel behouden gebleven.

Maar al was Noach in beginsel gered, daarmee zijn de gevaren waarin hij verkeert nog wel groot. Aan alle kanten wordt hij nog omringd door de dood. Stormen beuken op de ark los, nergens is een veilige haven. Want havens en kusten zijn er niet meer. Noach zal bang geweest zijn, dat ook hij in de maalstroom van de toorn van God zal ondergaan.

 

Toen de Heere de deur achter hem sloot had hij nog niet alles achter de rug. Nee, maanden van spanning moesten nog komen. Is dit ook niet vaak de praktijk in het leven van Gods kinderen? We zijn er nog niet als we door genade een plaats verkregen hebben in de enige Ark van behoud Jezus Christus. Dan is de haven van de eeuwigheid nog niet bereikt. Steeds weer probeert de duivel om de prooi die hem ontgaan is alsnog te bemachtigen. Je kunt wel denken ‘van kracht tot kracht en van heerlijkheid tot heerlijkheid’ steeds door te gaan, maar de Heilige Geest onderwijst op de school van de genade en leert je dat er in ons geen kracht is tegen die grote menigte. Het rijk van de duisternis voert een voortdurende strijd tegen het rijk van het Licht.

Gods kerk ligt in de strijd zo vaak onder, zodat met de apostel geklaagd wordt: Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods (Rom.7:24). De hel blijft tot het einde een verwoede strijd voeren tegen Gods Kerk en tegen Gods kinderen persoonlijk. Daarbij spannen de satan en de wereld dikwijls samen om de ark toch te overweldigen. Maar zie, de grote Schipper zal het scheepje behouden. Wel misschien door veel stormen heen, door veel strijd, maar het zal behouden worden. De Zaligmaker getuigt: Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude (Luk.22:32). Noach is veilig in de ark. ‘De grote zee zwijgt op Uw wenk en wil. Hoe fel zij bruist, hoe fel zij woede stil.’ Zo regeert God. Ook al is het dat de ark slingert op de enorme watervlakte, ze vaart toch onder veilige hoede. Vanuit de hemel ziet God haar. Ze is in Zijn hand, ze is voorwerp van Zijn zorg.

 

We lezen in Genesis 8: En God gedacht aan Noach en aan al het gedierte. En aan al het vee dat met hem in de ark was. Waarom? Om Noach? Nee! De Heere toont Zijn liefde. Hij toont Zijn onwankelbare trouw, midden in het oordeel. Zijn hand stuurt de ark en doet haar straks rusten op de berg Ararat. O, laat dan de golven maar hoog slaan! Laten de stormen woeden! De grote Voorbidder in de hemel heeft gezegd over Zijn kerk: Mijn vrede laat ik u, Mijn vrede geef Ik u. Uw hart worde niet ontroerd en zijt niet versaagd (Joh.14:27).

Daarom is Jezus’ prediking over het laatste van de dagen ook een rijke verkondiging dat God Zijn Kerk redden zal, dwars door al de oordelen hen. De Heere doet geen half werk. Ook al verheffen zich stormen en golven, en ook al zal Zijn Kerk eenzaam zijn op het water van de oordeelsvloed, de poorten van de hel zullen toch Zijn gemeente nimmer overweldigen.

 

Jezus’ prediking van het laatste van de dagen is enerzijds vol van rijke troost, maar anderzijds ernstig, indringend en waarschuwend. Die prediking bevat een ernstige waarschuwing voor allen die weliswaar in uiterlijke zin bij de kerk horen, maar nimmer hun zaligheid leerden zoeken in de enige Ark van behoud. Ze leven voort buiten de Ark. En net als de mensen in de dagen van Noach gaan ze rustig door met eten drinken en trouwen. Spurgeon zegt: ‘Deze onschuldig lijkende dingen, zijn grote zonden, als ze de plaats innemen van het zich voorbereiden op de wederkomst van de Heere.’

We weten dat niet allen die in de ark waren een vernieuwd hart hadden. Een hart zoals wandelaars met God, bijvoorbeeld Noach. Laat het ons een waarschuwing zijn. Je kunt lid van de kerk zijn. Een groot voorrecht! Je kunt behoren tot hen die veel voorrechten en zegeningen delen, die veel van de Heere krijgen. Je kunt het goede Woord van God proeven, terwijl je toch voortleeft buiten de Ark, omdat je genade mist. Je wilt je grote schuld voor de Heere niet erkennen en hebt geen behoefte aan het bloed van de verzoening. Dit woord van Jezus’ is voor ons als kerkgangers juist zo ernstig.

 

Er zijn mensen die ten volle het gezag van het Woord van God willen handhaven. Zij weten goed dat ze bekeerd moeten worden, dat ze wederom geboren moeten worden. Maar van die wetenschap wordt zo gemakkelijk een stoel gemaakt om op te rusten. Ze zitten zo hoog op die stoel. Vanuit die hoogte weten ze heel wat te veroordelen, over wat er in de kerk en in de wereld gebeurt. Maar ondertussen is de rust die ze menen te hebben een valse rust, waarmee ze voor eeuwig zullen buiten staan.

Gemeente, als dat nog zo bij u ligt, als u de Heere nog niet echt kent, als u zich niet bekeert, hoe duidelijk heeft de Heere Jezus u dan vandaag gezegd waar dat op uit loopt! Als u doorgaat om de dringende roepstemmen en nodigingen van God naast u neer te leggen, dan is er ook voor u een ‘totdat’. Totdat de Heere komt met Zijn oordeel, en u daarin zult ondergaan.

 

God maakte aan Noach precies bekend wanneer het oordeel komen zou. Maar van de dag van het gericht van Jezus weet niemand het uur: Zo waakt dan, want gij weet de dag niet, noch de ure, dat de Zoon des mensen komen zal (Matth.22:44).

Verwacht u dat Jezus vannacht komt? U? Verwacht u het? Nee? En jij? Verwacht jij het? Ook niet? Welnu, in zo’n nacht, waarin bijna niemand Hem verwacht, komt Hij. In zo’n nacht zal de roep klinken: Ziet de Bruidegom komt, gaat uit Hem tegemoet (Matth.25:6). En die gereed waren gingen in tot de Bruiloft en de deur werd gesloten (Matth.25:10). Bent u gereed? Ben jij gereed?

Wij weten niet of vannacht de nacht is van Jezus’ wederkomst. Maar het kan wel uw of jouw sterfnacht zijn. Bent u gereed? Kent u de enige troost beide in leven en in sterven? Ingaan door de deur in de Ark van Behoud is nog mogelijk.

 

Als u, als jij nog buiten bent, besef dat dan. Roep om de komst, om het werk van de Geest in uw leven. Weet dat u tot de Heere mag komen zoals u bent, met al uw zonde en schuld. Hoor, hoe Hij verzekert: Wie tot Mij komt zal Ik geenszins uitwerpen (Joh.6:37). Zie, de Zoon des mensen staat in het gewaad van de Schriften aan de deur van uw, van jouw hart.

Is het geen wonder van ontferming dat Hij wil staan voor de deur van uw leven en dat Hij wil kloppen op de deur van uw hart? Miljoenen zijn er aan wie het Woord voorbijgaat, op wier deur Hij nooit klopt met de boodschap van het Evangelie.

Voor uw, voor jouw gesloten deur, wil Hij nu nog staan en kloppen. Maar dat duurt niet altijd. Dat kloppen zal straks ophouden. En hoe zullen we dan ontvlieden, indien wij op zo'n grote zaligheid geen acht nemen? Laat het toch uw gebed zijn: Leer mij mijn dagen tellen, Heere, dat ik een wijs hart bekom (Ps.90:12).

Welgelukzalig ben je alleen, als je door Gods genade met Noach in het geloof in je leven deze Ark bouwen mag. Als je de enige Ark van behoud, Jezus Christus, zoekt en kent. Als dat zo is dan zal de levenshouding van Noach ook die van jou zijn. Dan kun je, dan wil je niet meedoen met deze wereld. Dan is er een breuk gekomen met de zonde. Dan is je levenswandel een getuigenis tegenover de wereld.

Nee, dat is niet makkelijk. Zeker niet in het laatste der dagen als de ongerechtigheid zich vermenigvuldigt. Voor de Kerk van God zal het er niet makkelijker op worden. Maar straks komt Jezus. Allen die buiten de Ark zijn gaan ten onder. Maar zij, die door genade daarin hebben leren schuilen, worden bewaard, veilig bewaard. Totdat God Zelf, Die de deur achter hen sloot, voor hen ook weer de deur zal openen.

 

Noach kwam toen hij door een geopende deur uit de ark ging in een wereld die geheel was vernieuwd, maar die toch nog zuchtte onder de vloek van de zonde. Doch wat Gods Kerk na het laatste oordeel zal zien, is een Schepping die niet maar voor een tijd, maar voor altijd en eeuwig vernieuwd zal zijn. Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zal er zijn, zonder vloek, zonder dood, zonder zonden. Een aarde waar geen zondaar inkomt, maar die vol zal zijn van de vreze Gods. 

Zal Gods Kerk dan niet daarnaar verlangen? Wat zei de apostel? Zo dan vertroost elkander met deze woorden (1Thess.4:18) En Jakobus schrijft: Versterkt uw harten, want de toekomst des Heeren genaakt.

 

Amen.

 

Psalm 72 vers 2:

 

De bergen zullen vrede dragen,
De heuvels heilig recht;
Hij zal hun vrolijk op doen dagen
Het heil, hun toegezegd.
’t Ellendig volk wordt dan uit lijden
Door Zijnen arm gerukt;
Hij zal nooddruftigen bevrijden;
Verbrijz’len wie verdrukt.