Ds. C.G. Vreugdenhil - Nehemia 8 : 6 - 7

De wetslezing en de gevolgen ervan

1. de eerste preekstoel (de verzen 1 tot en met 5)
2. het begin van de dienst (de verzen 6 tot en met 8)
3. het verdere verloop van de dienst (vers 9).
Deze prekenserie over Nehemia is eerder in boekvorm uitgegeven door uitgeverij Boekhout. Nu worden deze preken, met wat kleine correcties, opnieuw gepubliceerd.
 

Nehemia 8 : 6 - 7

Nehemia 8
6
En Ezra opende het boek voor de ogen des gansen volks, want hij was boven al het volk; en als hij het opende, stond al het volk.
7
En Ezra loofde den HEERE, den groten God; en al het volk antwoordde: Amen, amen! met opheffing hunner handen, en neigden zich, en aanbaden den HEERE, met de aangezichten ter aarde.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 119: 69, 84
Lezen : Nehemia 8:1-13
Zingen : Geb. d. Heeren: 1, 6, 9, 10
Zingen : Psalm 72: 8, 11
Zingen : Psalm 56: 5

Gemeente,

 

Het tekstgedeelte voor de prediking vindt u in Nehemia 8, de verzen 1 tot en met 9. We lezen daarvan nu alleen de verzen 6 en 7:

 

6. En Ezra opende het boek voor de ogen des gansen volks, want hij was boven al het volk; en als hij het opende, stond al het volk.

7. En Ezra loofde den Heere, den groten God; en al het volk antwoordde: Amen, amen! met opheffing hunner handen, en neigden zich, en aanbaden den Heere, met de aangezichten ter aarde.

 

Het thema voor de prediking is: de wetslezing en de gevolgen ervan.

We letten op drie aandachtspunten:

1. de eerste preekstoel (de verzen 1 tot en met 5);

2. het begin van de dienst (de verzen 6 tot en met 8);

3. het verdere verloop van de dienst (vers 9).

 

1. De eerste preekstoel

Jongens en meisjes, gemeente, wat kan er in je hart soms een verlangen zijn naar een opwekking, zoals we lezen van de eerste christengemeenten in het boek Handelingen, en zoals op de pinksterdag: Petrus preekt Christus de Gekruisigde, Die is opgestaan, en de Heilige Geest werkt verslagenheid in de harten van de mensen. Ze krijgen de schuld naar zich toe. ‘Wat moeten we doen?’, zo vragen ze. Petrus antwoordt: ‘Geloof in de Heere Jezus en laat u dopen.’ Drieduizend mensen worden gedoopt.

Zou zoiets vandaag nog kunnen? Zien velen niet uit naar zo’n geestelijke vernieuwing – dat het verlepte leven gaat bloeien, dat dodige gemeenten gaan leven en verstomde monden God gaan loven?

 

In de tijd van Nehemia is het verlangen naar zo’n opwekking er ook.

Het volk beseft dat het nog lang niet klaar is. Hoewel er al veel gedaan mocht worden, is de wederopbouw nog niet voltooid. Onder de zegen van de Heere zijn in 52 dagen de muren herbouwd, in recordtempo. En aan de buitenkant van Jeruzalem is alles weer in orde. De muren staan weer overeind, de poorten kunnen weer gesloten worden en er staan wachters op de muren. De veiligheid van het volk is nu gegarandeerd. De vijand kan op afstand gehouden worden.

De tegenstanders zijn diep onder de indruk afgedropen.

 

En dan, in ons teksthoofdstuk, gaat het over het leven achter de muren, het leven van de bewoners van Jeruzalem.

Het uiteindelijke doel van Nehemia’s inspanningen is nog niet bereikt. Erger dan het verval van de muren is de geestelijke malaise onder het Joodse volk: de verwaarlozing van de dienst van God, de miskenning van Gods wetten in de samenleving van Israël, het zich inlaten met vreemde goden en het aangaan van huwelijken met heidense vrouwen.

Dat is nogal wat. Dat kan en mag niet door blijven gaan. Dat beseffen de Israëlieten zelf ook. Ze zien uit naar een geestelijke vernieuwing, naar het herstel van de dienst van God. Kijk maar in vers 2: Zo verzamelde zich al het volk als een enig man op de straat voor de Waterpoort; en zij zeiden tot Ezra, den schriftgeleerde, dat hij het boek der wet van Mozes zou halen, die de Heere Israel geboden had.

Ze komen uit de steden naar Jeruzalem en verzamelen zich als één man voor de Waterpoort. Een enig man – proeft u hier een stuk eenheid in verlangen naar God en Zijn Woord? Dat gaat vaak vooraf aan een opwekking. Er heerst een algemene verwachting, een verlangen en begeerte naar de Bijbel. Dat verlangen was welbewust en algemeen verbreid. De hele volksmenigte was doordrongen van het besef dat deze nieuwjaarsdag (de eerste van de zevende maand) een wonderlijke dag zou worden. Hoe kun je nu beter het nieuwe jaar beginnen dan met God en Zijn Woord? Ze verzochten Ezra om het wetboek van Mozes te halen en aan hen voor te lezen.

 

Jeruzalem straalt weer iets uit van zijn oude glorie. Het volk is dankbaar. Maar het lijkt alsof Gods zegeningen het geweten van het volk hebben wakker geschud. Blijkbaar leeft het besef: we zijn met een uitwendige verbetering niet klaar; de Heere vraagt meer: waarheid in het binnenste.

En de geestelijke leiders van het volk hebben gewacht op dit gunstige ogenblik. Dat zie je in de tijdsaanduiding van het eerste vers: de eerste van de zevende maand, de maand Tisli, is onder Israël een bekende feestdag. Dan zijn er altijd veel mensen op de been, dit keer wel extra veel vanwege het gereedkomen van de muur. En heel die samengestroomde menigte op het plein voor de Waterpoort heeft dan maar één wens: het Woord van God te horen. Er is een verlangen naar Gods getuigenis. Er is honger naar het Woord.

Om jaloers op te worden. Ze willen van God horen, van Zijn daden en inzettingen. Ze vragen daarnaar: ‘Ezra, haal voor ons het boek der wet.’

 

Ezra – hoe komt die opeens in Jeruzalem verzeild?

Wel, Ezra is al zo’n dertien jaar geleden uit Perzië naar Jeruzalem gekomen om het volk te onderwijzen in de wet van Mozes.

Ezra was schriftgeleerde. Nehemia was meer een politiek leider, de man van de praktijk en het doortastende optreden. Ezra was meer een aarzelende, stille en diepzinnige man. De een is niet beter dan de ander. Beiden zijn nodig: Nehemia om de muur te bouwen en Ezra om het volk te onderwijzen in Gods Woord. Het gaat niet om de aard van ons talent, maar om onze roeping en het besteden van onze talenten in de dienst van God.

Toen Ezra in Jeruzalem arriveerde, was het miserabel gesteld met de zedelijke en geestelijke conditie van de Joden, zo diep gezonken was het moreel. Soms scheurde hij zijn kleren en trok hij de haren uit z’n hoofd en baard. Op zijn knieën beleed hij de ongerechtigheid van het volk.

Door zijn gebed voor het volk en zijn werk onder het volk is er wel al iets gaan leven onder het volk van de noodzaak van de dienst van de Heere. Op deze feestdag wordt hij naar voren geroepen, de man die wat in de schaduw van Nehemia staat. Nu wordt hij echter heel bewust naar voren geroepen, omdat hij priester is.

 

Ieder heeft z’n eigen taak in het Koninkrijk van God. Nehemia bestuurt en leidt, Ezra onderwijst het volk. Mooi is dat, om zo samen bezig te zijn voor de zaak van Gods Koninkrijk. De een niet minder belangrijk dan de ander en ook niet minder nodig. Ieder zijn eigen roeping, verbonden in een en dezelfde dienst.

Nehemia doet nu een stapje terug. Hij is niet uit op z’n eigen eer. Het gaat niet om onze eer, maar om de eer van God. Het grote doel van ons werk in Gods Koninkrijk is toch niet dat wij op een voetstuk komen te staan? Het gaat erom dat het Woord aan het woord komt en heerschappij krijgt in mensenlevens. Dan gebeurt er wat. Gods Woord keert niet ledig weer. Het is levend en krachtig. Het doet wat God behaagt.

Zeg maar gerust: de Heilige Geest had in die mensen gewerkt en hun belangstelling voor God gegeven, betrokkenheid bij de dienst van God en verlangen naar Zijn zegen. God grijpt in en Hij doet op één dag meer dan Nehemia zich ooit had kunnen voorstellen.

Wat hebben we dat nodig, gemeente: de Geest van God. Die is nodig om een actief verlangen naar God te geven en een doelbewust zoeken van de Heere in ons op te wekken. We lezen in het laatste gedeelte van vers 4: en de oren des gansen volks waren naar het wetboek.

 

We letten eerst op de preekstoel van Ezra. Lees maar mee in vers 5: En Ezra, de schriftgeleerde, stond op een hogen houten stoel, dien zij tot die zaak gemaakt hadden, en nevens hem stond Mattíthja, en Sema, en Anája, en Uría, en Hilkía, en Maäséja, aan zijn rechterhand; en aan zijn linkerhand Pedája, en Mísaël, en Malchía, en Hasum, en Hasbaddána, Zachárja en Mesullam.

De eerste preekstoel: een houten stoel, opgericht op het plein bij de Waterpoort. Niet precies zoals een preekstoel bij ons. Het was meer een houten podium, een soort platform, waar meer mensen op konden staan. Dat is hier ook het geval, want er staan zes mannen aan zijn rechterhand en zeven aan zijn linkerhand. Met Ezra meegerekend veertien mannen, tweemaal zeven.

Op deze manier wordt aan het voorlezen van de wet meer gezag gegeven. Het is een soort ‘kerkenraad’. Hun aanwezigheid betekent: deze voorlezing van de wet is geen particuliere liefhebberij van Ezra; het raakt de dienst van de Heere en wordt met gezag gedragen.

 

Het volk luistert alsof hun leven ervan afhangt, als een enig man. Ze hebben dezelfde interesse, hetzelfde verlangen. Daar is een sprekende God en een luisterend volk.

U moet maar denken, gemeente, dat een volk nooit méér volk van God is dan wanneer het werkelijk luistert naar wat God te zeggen heeft. Het geloof is uit het gehoor van het Woord van God. Er moet dus geluisterd worden. U moet trouw onder het Woord komen en het Woord onderzoeken. Het is zo’n heerlijk wonder wanneer de prediker tijdens de preek merkt dat er geluisterd wordt, dat de oren van de gemeente zijn naar het Woord. Dan is er contact. Dan wordt het preken gemakkelijk gemaakt. Dan valt alles om ons heen weg en horen we God spreken. We zien iets van Zijn heerlijkheid.

Luisteren is geen passieve, maar een actieve aangelegenheid. Dan worden je oor en hart afgestemd op wat God te zeggen heeft. Dan zegt Samuël: Spreek, Heere, want Uw knecht hoort (1Sam.3:9).

Een heilig ogenblik, daar op dat plein voor de Waterpoort. Het Woord klinkt, voor iedereen en geldig voor alle terreinen van het leven.

 

Indrukwekkend is dat, wanneer God werkt onder een volk, in een gemeente. Dan komt er heel wat los: de vraag naar God en naar Zijn daden, naar Zijn getuigenis en inzettingen. Soms waren er van die tijden van bloei in de geschiedenis van de kerk. Als er in een streek of land een geestelijke opleving ontstond onder de machtige invloed van Gods Geest, dan ging daar een grote honger naar het Woord aan vooraf en mee gepaard. Van heinde en ver stroomden in de 18e eeuw in Schotland de mensen naar Cambuslang, om dagenlang steeds maar weer het Woord van God te horen prediken. Honderden mensen kwamen tot bekering. De Heere werkte krachtig door Zijn Geest tot ontdekking aan zonde en schuld, maar ook tot levende kennis van de Heere Jezus Christus als Borg en Zaligmaker. En ook toen werd de Heere gesprezen uit aller mond.

Het kritische ziften en zeuren dat je in de kerk soms tegenkomt, is meestal geen best teken. Het zo gemakkelijk negeren van het luisteren naar Gods Woord openbaart vaak dat de dood in de pot is. Als God werkt, komt er honger naar het Woord.

Je ziet het in Nehemia 8: er komt verootmoediging, schuldbelijdenis. Al het volk weende, als zij de woorden der wet hoorden. Daarover straks meer in ons derde aandachtspunt.

 

Een indrukwekkend gezicht: Ezra op die houten verhoging, die speciaal voor deze gelegenheid is gemaakt, en daar voor hem het volk, een en al oor voor het Woord. De Heere spreekt. Die houten stoel van Ezra wijst ons op Gods bemoeienis met Zijn volk in het oude Jeruzalem. Elke preekstoel die bemand is met een prediker van het Evangelie, verkondigt: de Heere spreekt; Hij heeft een boodschap voor u.

Stelt u zich eens voor dat er geen prediking zou zijn in de kerk. Wat zou dat arm zijn. De prediking is de kern van de dienst.

Laten we eens zien hoe het verder allemaal in zijn werk gaat.

 

2. Het begin van de dienst

We lezen de verzen 3 en 4: En Ezra, de priester, bracht de wet voor de gemeente, beiden mannen en vrouwen, en allen, die verstandig waren om te horen, op den eersten dag der zevende maand. En hij las daarin voor de straat, die voor de Waterpoort is, van het morgenlicht aan tot op den middag, voor de mannen en vrouwen, en de verstandigen; en de oren des gansen volks waren naar het wetboek.

Daar staat de gemeente van Israël, op het plein voor de Waterpoort, op die eerste dag van de zevende maand in het jaar 444 voor Christus. Vol eerbied (de mensen gaan immers staan als Ezra de boekrol opent); begerig naar het Woord; diep onder de indruk.

 

Gemeente, zo begint iedere opwekking. Een kansel in de openlucht en een opengeslagen Bijbel. Zo gaat het op de pinksterdag in Jeruzalem. Zo is de Reformatie begonnen. De grote ontdekking van de hervormers was de kracht van het Woord – de veroordelende en de vrijsprekende kracht van wet en Evangelie. Eeuwenlang was het Evangelie verstikt geweest onder de stolp van pauselijke uitspraken. Luther ontdekte het echte Evangelie door Bijbelstudie, door het graven in de Schrift. Al die menselijke systemen die over de Bijbel heen gelegd waren, moesten opgeruimd worden. Toen kwam het Woord weer aan het woord. Zo ging het ook bij het Reveil in de negentiende eeuw. Het Bijbelonderzoek nam de belangrijkste plaats in. Da Costa, die in deze beweging een grote rol speelde, hield zondag aan zondag Bijbellezingen. En de mensen die daaraan deelnamen, kwamen tot geestelijke vernieuwing en verdieping in het geloof.

Het levende Woord, gemeente, daar moet onze hoop op gevestigd zijn. Ook vandaag is er geen opwekking te verwachten buiten het Woord om. Als de Bijbel z’n plaats en gezag krijgt in onze harten en huizen, in onze kerk en samenleving, dan zullen de vruchten niet uitblijven. We kunnen elkaar niet genoeg aansporen om met de Bijbel bezig te zijn – persoonlijk in onze stille tijd, tijdens onze huisgodsdiensten en met Bijbelstudie.

 

Weet u wat ook zo mooi is in dit hoofdstuk?

Dat die opwekking niet alleen maar een zaak is van ouderen, maar ook van de jongeren, de jeugd van de gemeente. Met nadruk wordt dat hier vermeld, in twee verzen; in vers 3 wordt gesproken over mannen en vrouwen, en allen, die verstandig waren om te horen, en in vers 4 nog een keer. Hier worden bedoeld degenen die tot de jaren des onderscheids gekomen zijn, mannen, vrouwen en de jeugd. In Israël waren de jongens en meisjes vanaf hun twaalfde of dertiende jaar zover dat ze volledig participeerden in godsdienstige aangelegenheden. Ze werden dan ‘zoon der wet’ (of ‘dochter der wet’). Dat is bij ons het belijdenis doen.

De jeugd hoort er dus helemaal bij. God is de God van het verbond en Hij plant Zijn heil voort van geslacht tot geslacht. Jullie horen er helemaal bij, jongelui. Jullie verdienen de volle aandacht in de kerkdienst en op huisbezoek. Zul je dan ook aanwezig zijn? Ook naar jullie moet geluisterd worden. Ezra zegt niet: laat de jongelui maar naar huis gaan, want daar heb je toch alleen maar last van; het gaat ze toch boven de pet. Nee, hij spreekt ze allemaal aan, daar op het grote plein tegenover de Waterpoort.

 

En wat er dan gebeurt, gemeente, is zo indrukwekkend dat er nu nog iets door je heen gaat als je het leest.

We lezen de verzen 6 en 7: En Ezra opende het boek voor de ogen des gansen volks, want hij was boven al het volk; en als hij het opende, stond al het volk. En Ezra loofde den Heere, den groten God; en al het volk antwoordde: Amen, amen! met opheffing hunner handen, en neigden zich, en aanbaden den Heere, met de aangezichten ter aarde.

Daar staat Ezra; rechts en links de oudsten en familiehoofden. Groot en klein zit gehurkt voor het podium en kijkt gespannen naar de dingen die komen gaan. En terwijl iedereen het kan zien, opent Ezra plechtig de boekrol, net als Jezus dat later zal doen in de synagoge van Nazareth. Het volk gaat staan.

Als de Heere Zijn Woord tot ons richt, past eerbied. Voor Israël bestond die eerbied uit het gaan staan als Gods Woord werd gelezen. Onze gewoonten zijn anders. Sommigen gaan staan tijdens het openbare gebed. Dat is een uitdrukking van eerbied.

Of er tijdens het lezen en horen van Gods Woord wel voldoende eerbied is, is weleens de vraag. Wij zijn zo gewoon geraakt aan en vertrouwd met de Bijbel dat we ons vaak niet eens meer realiseren dat de stem van de Heere Zelf doorklinkt in het Woord. Er zijn wel mensen die gerust een ‘kingetje’ nemen als de grote ‘King’ – de Koning – aan het woord is.

 

Voor de eigenlijke voorlezing begint, spreekt Ezra de lofprijzing uit: ‘En Ezra loofde de Heere, de grote God!’ We moeten hier denken aan een soort doxologie, een liturgische lofverheffing, waarmee de dienst begint. Dat mogen wij navolgen, gemeente. In de eerste psalm die we zingen; laat dat maar een lofpsalm zijn. En bij de aanhef van het gebed mogen we God loven en prijzen; dat is Bijbels.

‘En Ezra loofde de Heere, de grote God.’ Er is alle reden om de Heere te loven nu de muur van Jeruzalem voltooid is en het volk uit zichzelf vraagt om en luistert naar Gods wet.

Dat moet toch wel een geweldige ervaring zijn voor die oude priester en schriftgeleerde. Jarenlang heeft hij gezwoegd om Gods Woord en wet aan het volk bekend te maken. En nu staat hij daar boven die menigte van duizenden mensen voor de Waterpoort de Heere te loven. Het volk heft de handen omhoog en roept: ‘Amen, amen!’ Dat is de instemming van het volk: het zal waar en zeker zijn. Zomaar midden op straat een luisterende gemeente, grote aandacht en geloof. ‘Amen’ – ze verwerken het gehoorde en stemmen er van ganser harte mee in.

Dat mag u ook doen, na de preek, in het gebed, onder de preek. Liever niet hardop, want dat kan storend zijn, maar wel in uw hart. Amen, Heere. U hebt gesproken. Uw Naam zij geprezen en gedankt. Vers 7 spreekt over de ‘grote God’. Dat is de Heere.

Twee keer zegt het volk ‘amen’: het is waar en het blijft waar; het is naar ons hart gesproken. Het klinkt Ezra als muziek in de oren.

Maar ook God is ermee verblijd, gemeente, als we zo ondubbelzinnig instemming betuigen met Zijn Woord, met het gebed en de preek, met Gods spreken. ‘Amen’; niet: ‘ja maar’ en ‘ik vind’. Wij kunnen ook hardop onze instemming betuigen, door het zingen van een psalm na de preek bijvoorbeeld, als weerklank op de klank van het Woord. Zeg in ieder geval ‘amen’ op het Woord met uw hart en maak dat ‘amen’ waar met uw leven naar het Woord. Amen: het zal waar en zeker zijn.

 

En dan gebeurt er nog iets: eigener beweging knielen ze neer. Dat is een teken van diepe eerbied. Ze neigen zich met het aangezicht ter aarde en aanbidden God. Ze zijn er diep van overtuigd dat de Heere spreekt. Daar past geen onverschilligheid of zelfhandhaving, maar eerbied en onderwerping.

Gemeente, dat past ons ook: eerbied voor God. Hij is zo heilig.

Sommigen doen alsof God hun vriendje is. Dat kan niet. Dan heb je geen Bijbels godsbeeld.

Abraham was wel de vriend van God en juist hij valt met zijn aangezicht op de aarde als de Heere zich openbaart in Zijn heerlijkheid: ‘Ik ben El-Sjaddai.’

Toen God Zich openbaarde aan Mozes bij de brandende braambos, neigde Mozes zich ter aarde en boog hij diep voor de Heere. God sprak: ‘Doe uw schoenen van uw voeten, want de plaats waarop u staat, is heilige grond.’

In Jesaja 6 roepen de heilige engelen het driemaal ‘heilig’ uit voor Gods troon. Jesaja zegt: ‘Wee mij, want ik verga, omdat ik een man van onreine lippen ben en woon in het midden van een volk dat onrein van lippen is.’

God is zo heilig.

 

‘En zij neigden zich met het aangezicht ter aarde en aanbaden de Heere.’

Gemeente, wat een indrukwekkend begin van de dienst, die straatprediking daar op het plein van de Waterpoort in Jeruzalem. Om jaloers op te worden. Zeker ook als we letten op het vervolg van de dienst, in ons derde aandachtspunt.

Maar we zingen eerst uit Psalm 72 de verzen 8 en 11:

 

“Zo moet de Koning eeuwig leven!”

Bidt elk met diep ontzag;

men zal Hem ’t goud van Scheba geven,

Hem zeeg’nen, dag bij dag.

Is op het land een handvol koren,

gekoesterd door de zon,

’t zal op ’t gebergt’ geruis doen horen,

gelijk de Libanon.

 

Zijn naam moet eeuwig eer ontvangen;

men loov’ Hem vroeg en spâ;

de wereld hoor’, en volg’ mijn zangen,

met Amen, Amen, na.

 

3. Het verdere verloop van de dienst

Daar staat het volk, een schare van zo’n 40.000 mensen. Geen luidspreker. Ezra leest vanaf zijn preekstoel bepaalde gedeelten uit de wet aan het volk voor en tussendoor gaan de Levieten tussen het volk staan om het gelezene te vertalen en uit te leggen. Dat lezen we in vers 9: En zij lazen in het boek, in de wet Gods, duidelijk; en den zin verklarende, zo maakten zij, dat men het verstond in het lezen.

Twee dingen moesten die Levieten doen. In de eerste plaats moesten ze de woorden van de wet vanuit het Hebreeuws in het Aramees vertalen. Het Aramese dialect was voortgekomen uit het Hebreeuws en was de dagelijkse omgangstaal geworden in Palestina. Mede onder invloed van de Babylonische cultuur was er vooral onder de jongeren geen kennis meer van het Hebreeuws; ook door de huwelijken met allerlei niet‑Joodse vrouwen. Vandaar de noodzaak van het vertalen.

 

Gemeente, dat is nog actueel. Niet velen onder u zijn het Hebreeuws machtig. Wij gebruiken onze Nederlandse vertaling. Dat is goed. Wij gebruiken de Statenvertaling van meer dan 350 jaar oud, de beste vertaling. Maar begrijpen onze jongeren die taal nog?

Als er bijvoorbeeld in de geschiedenis van de vier vrienden die hun zieke vriend bij Jezus brachten, staat dat zij ‘het dak ontdekten’, vatten bijna alle hbo‑studenten dat op alsof ze ontdekten dat daar het dak was. Bedoeld wordt echter dat ze de dakbedekking weghaalden, zodat er een opening kwam om hun vriend door naar beneden te laten zakken.

En van Judas staat geschreven dat hij aan de leden van het sanhedrin een gemeen teken had gegeven bij de overlevering van Jezus. Al onze kinderen denken bij dit woordje ‘gemeen’ aan de huidige betekenis en niet aan wat het oorspronkelijk betekende.

Ziet u hoe nodig het is dat de Bijbel ook voor onze jongeren meer toegankelijk gemaakt wordt in de taal van vandaag? De een pakt de Groot Nieuws Bijbel, de ander Het Boek.

 

Verstaat gij ook, hetgeen gij leest? (Hand.8:30). Dat was de vraag van Filippus aan de kamerling. Het Woord heeft ook uitleg nodig. Dat is het tweede wat die Levieten moeten doen. Ze vertalen en leggen uit en passen toe wat Ezra voorleest.

Die uitleg is heel belangrijk. De Bijbel lezen is op zich niet genoeg. Het Woord wil begrepen worden. Praat u daar nooit over als u aan tafel als gezin de Bijbel leest? Vragen jullie nooit, jongens en meisjes: wat betekent dat nu wat hier staat? Anders wordt het lezen aan tafel een uitgesleten ritueel, zonder betekenis voor je persoonlijk leven. De vraag is toch, ook in je stille tijd: wat heb ik gelezen, wat is de bedoeling van dit gedeelte? Anders kan het geen nut doen.

Alleen als het Woord verstaan wordt, gaat er zegen van uit. Dan komt de Heilige Geest erin mee en opent Hij onze oren en harten. En dan ga je ervaren dat de Bijbel niet maar een geschiedenisboek is, maar een levensboek. God spreekt. God leidt mijn leven door Zijn Woord. Ik zit ergens mee en opeens komt er antwoord. Het heeft alles te maken met mijn leven hier en nu. Daarom is die uitleg zo onmisbaar.

 

Om die reden gaan de Levieten de rijen door. Die jongen van 15 op de achterste rij moet weten dat het over hem gaat. En die vrouw op de vierde bank moet ontdekken wat het Woord voor haar persoonlijk betekent.

Zo moeten we met de Bijbel omgaan. De grote vraag moet steeds zijn: wat betekende het toen en wat betekent het nu persoonlijk voor mij? De toepassing van het Woord is zo belangrijk. Dan ervaar je echt dat God ook spreekt tot u en tot jou door de Heilige Geest. De spits van de boodschap raakt je hart. ‘Ik roem in God; ik prijs ‘t onfeilbaar Woord; ik heb het zelf uit Zijnen mond gehoord.’ Dat is ook de zegen van de zondagse prediking, de catechisatie en de Bijbelstudie.

Wat staat er? God spreekt zo concreet. Het Woord heeft er recht op dat het gehoord, gelezen, onderzocht, gekend, verstaan en geloofd wordt. We moeten ons laten onderwijzen en vermanen.

Helaas zijn er al zoveel belemmeringen voor de doorwerking van het Woord in ons leven, zoals onze natuurlijke vijandschap. Het is goed als de ‘levieten’ het Woord zo dicht mogelijk bij ons brengen. Gelukkig hebben wij ook goede ‘eigentijdse levieten’: goede vertalingen, studiebijbels, kanttekeningen, Matthew Henri en dergelijke. Gebruik ze, gemeente. Graaf in het Woord ... en u zult er Christus in vinden, het Leven.

Hier ligt uiteraard ook een roeping voor alle dienaren van het Woord om de boodschap van God in verstaanbare taal te brengen.

 

Urenlang gaat dat zo door (tot beschaming van mensen die het al moeilijk hebben als je vijf minuten te lang preekt). Vijf uren gaan voorbij, uren waarin het volk van het begin tot het eind blijft staan, zonder koffiepauze of iets dergelijks. Wat een motivatie, wat een interesse, wat een honger. Ze luisteren vanaf dat het licht begint te worden tot aan de middag (vers 4).

Wat zou Ezra nu precies gelezen hebben? Waar luisteren de Israëlieten zo aandachtig naar?

Dat staat niet in dit hoofdstuk, maar één ding staat vast: Ezra had de thorarol in zijn handen. Hij heeft het volk voorgelezen uit de boeken van Mozes. En er is nog iets bekend: de thoralezing vond plaats op nieuwjaarsdag, de 1e van de feestmaand bij uitstek. De 1e was nieuwjaarsdag, de 10e Jom Kippoer: Grote Verzoendag. En van de 2e tot de 22e van de maand was het Soekkoth, het Loofhuttenfeest.

In ieder geval heeft Ezra gelezen uit Deuteronomium, dat prachtige slot in hoofdstuk 28 over de zegen en de vloek. In ademloze stilte hebben ze aangehoord welke machtige dingen God beloofd had als Israël zou gaan in de weg van de gehoorzaamheid.

Ik denk aan Deuteronomium 28 de verzen 1 tot en met 6. Daar staan geweldige beloften van zegen: vruchtbaarheid voor de mens, voor het land en voor het vee. Maar dat is niet alles; er volgt ook nog iets anders. Niet alleen de zegen, maar ook de vloek: Deuteronomium 28 de verzen 15 tot en met 19. Bij ongehoorzaamheid aan Gods geboden staat er: ‘vervloekt zal uw stad zijn en het veld en de vrucht van het vee’.

 

En wat is de uitwerking van het Woord? Ik stip dat nu even aan: al het volk weende (vers 10). Ze wenen en bedrijven rouw.

Hoe komt dat?

Wel, ze hebben nu wel muren en poorten, maar wat betekent dat tegenover al hun ongerechtigheden? Als ze op zichzelf zien, kunnen ze niet anders dan wenen en rouwen. Het verstaan van Gods Woord begint met kracht op hun harten in te werken. Ze worden overstelpt door emoties. Bepaalde werkelijkheden komen hen nu heel levendig voor de geest.

Zo begint een geestelijke opleving altijd. Er komt een sterke bewustwording van Gods heiligheid, goedheid en genade en tegelijkertijd van eigen verdorvenheid, schandelijkheid en schuld vanwege allerlei persoonlijke zonden. Er komt een droefheid over de zonde in het licht van de bewustwording van Gods heiligheid en nabijheid. De Heere wordt zo groot (vers 7). Zelf ben je zo klein.

Dat besef van de ontzagwekkendheid van God, Zijn aanwezigheid en dienenswaardigheid verbreekt hun hart. Ze gaan voor de bijl. Er komt verbreking, verdieping van het besef van zonde en genade. Alles overweldigt die mensen daar bij de Waterpoort zó dat ze in tranen uitbarsten.

Gemeente, u hoeft zich voor uw tranen niet te schamen als het Woord u raakt en u schuldig wordt gezet of vrijgesproken, als de wet u veroordeelt of Jezus op u afkomt in Zijn overweldigende zondaarsliefde. Bent u weleens ontroerd onder het Woord? Dat is het werk van de Heilige Geest, om harde harten te verbreken.

 

Helaas wordt de Geest zo vaak geblust en tegengestaan door zonden, door eigenliefde en onverschilligheid. Maar weet toch dat de Geest een praktische uitleg en toepassing van het Woord wil gebruiken om u een besef te geven van Gods grootheid en goedheid, van Zijn diepe zondaarsliefde en gewilligheid om u zalig te maken, en – in het licht van dat alles – van uw eigen verdorvenheid vanwege de zonde. Kent u dat ook?

Wat zijn onze reacties op het Woord van God soms zouteloos en smakeloos. De een heeft kritiek en mist van alles en nog wat; maar hij heeft zelf niet in de spiegel gekeken. En de ander zegt: een mooie preek. Maar wat doe je ermee? Verbreekt het ook je hart? Zet het je aan tot bekering, tot het verlaten van de zonde en het dienen van de Heere? Kom je in vuur en vlam te staan voor de dienst van God?

Op de pinksterdag worden de mensen verslagen in het hart. Ze zeggen: wat moeten we doen? Hier wenen en rouwen ze. Kennen we die droefheid naar God die een onberouwelijke bekering werkt tot zaligheid, die droefheid dat we gezondigd hebben tegen een goeddoend God en verdorven hebben wat Hij zo goed gemaakt had?

Ach, zucht iemand, kon ik maar op die plaats komen. Mijn hart is zo hard.

Zeker, maar het verlangen naar de verbreking van je hart is het begin ervan. Eén druppeltje van het bloed van Jezus ... en uw hart wordt week. De liefde verbreekt.

En dan komt er ook blijdschap, in het zien op Jezus. Vers 13 spreekt over een grote blijdschap. Maar daarover een andere keer; alles op z’n tijd.

 

Ezra opent het boek en het volk gaat staan, uit eerbied voor het Woord. Ezra looft de Heere en het volk zegt ‘amen’ en buigt zich ter aarde. De Levieten verklaren het Woord en passen het toe en het volk weent met een verbroken hart.

Gemeente, die droefheid is beter dan de blijdschap van de wereld. Want in die droefheid is God. En de Heere Jezus zegt: Zalig zijn die treuren; want zij zullen vertroost worden (Matth.5:4), met de enige troost in leven en sterven: Jezus Christus en Die gekruisigd. Dat is de enige troost. Hij is het levende Brood. Hij is de goede Herder. Hij is alles voor Zijn volk.

Buig maar voor Hem. Kniel voor Hem neer en zeg: Heere Jezus, ik geef me over in Uw doorboorde handen.

Hij is de vervulling van de wet van Mozes. Heel de ceremoniële wet wees heen naar de vervulling in Christus, Zijn kribbe en Zijn kruis. Daarvoor kroop Hij in de hof en hing Hij bloedend aan het kruis. Zo heilig is God. Zo gruwt Hij van de zonde: het kostte het bloed van Zijn eigen Zoon. En als Hij daar uw ogen voor opent, verbreekt uw hart en gaat u wenen: Heere Jezus, dat U dat wilde doen, voor mij.

De wet is door Mozes gegeven, de genade en waarheid is door Jezus Christus geworden. Wet en Evangelie liggen in elkaars verlengde. De evangeliën zijn nog veel rijker dan de beloften in de wet van Mozes.

 

Gemeente, de Christus der Schriften komt tot u. In Hem is de hitte van Gods gramschap over onze zonden geblust.

Die grote, heilige en heerlijke God laat Zich kennen in Christus. U hoeft niet bang te zijn voor God. Christus is de weg tot de Vader. Hef uw smekende hart maar op tot God. Hoe veroordelenswaardig u zich ook voelt in het licht van Gods heerlijkheid, Hij nodigt u om te geloven in de Heere Jezus Christus en zalig te worden. Als u op Jezus ziet, kijkt u God in Zijn hart. Ja, in Hem ziet u Gods onpeilbare zondaarsliefde. Laat uw hart er maar onder verbreken en buig met die Joden op het plein voor de Waterpoort in aanbidding neer voor deze God.

‘Met uw liefde, Heer’, kom mij tegemoet, nu ik mij tot U keer, en maak alles goed. Jezus, op Uw Woord vestig ik mijn hoop. U leeft en U verhoort mijn bede tot U.’

Amen.

 

Slotzang: Psalm 56 vers 5

 

Ik roem in God; ik prijs ’t onfeilbaar woord;

ik heb het zelf uit Zijnen mond gehoord;

‘k vertrouw op God, door gene vrees gestoord;

wat sterv’ling zou mij schenden?

Ik heb beloofd, wanneer G’ in mijn ellenden

mij bijstand boodt, en ’t onheil af zoudt wenden,

tot U, o God, mijn lofzang op te zenden,

door ijver aangespoord.