Ds. C.G. Vreugdenhil - Nehemia 7 : 4 - 5

De stad Jeruzalem

1. de bewaking van Jeruzalem (de verzen 1 tot en met 4)
2. de herbevolking van Jeruzalem (de verzen 5 en 6)
2. de herbevolking van Jeruzalem (de verzen 5 en 6)
Deze prekenserie over Nehemia is eerder in boekvorm uitgegeven door uitgeverij Boekhout. Nu worden deze preken, met wat kleine correcties, opnieuw gepubliceerd.
 

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 148: 1 en 5
Lezen : Nehemia 7: 1 - 7 en 61 - 73
Zingen : Psalm 122: 1, 2 en 3
Zingen : Psalm 27: 6 en 7
Zingen : Psalm 87: 4

Gemeente,

 

Het tekstgedeelte voor de prediking vindt u in Nehemia 7. We lezen daarvan nu alleen vers 4 en het eerste gedeelte van vers 5:

 

4. De stad nu was wijd van ruimte en groot; doch des volks was weinig daarbinnen; en de huizen waren niet gebouwd.

5. Zo gaf mijn God in mijn hart, dat ik de edelen, en de overheden, en het volk verzamelde, om de geslachten te rekenen.

 

Het thema voor deze prediking is: de stad Jeruzalem.

We letten op drie aandachtspunten:

1. de bewaking van Jeruzalem (de verzen 1 tot en met 4);

2. de herbevolking van Jeruzalem (de verzen 5 en 6);

3. de herbevolking van Jeruzalem (de verzen 5 en 6)

 

Jongens en meisjes, jullie kunnen wel begrijpen dat het geen zin heeft om een heel sterke muur om de stad Jeruzalem heen te hebben als de poorten niet bewaakt worden waardoor je naar binnen en naar buiten kunt. Dan kunnen allerlei ongure personen en vijanden nog zomaar naar binnen komen. Dan is het nog niet veilig in de stad van God.

Welnu, daarom is het eerste wat Nehemia doet als de muur en de poorten klaar zijn: een veiligheidsdienst instellen. Niet iedereen mag zomaar naar binnen. Daarover gaat het in ons eerste aandachtspunt:

 

1. De bewaking van Jeruzalem

Dwars door alle tegenstand heen is het werk aan de muur klaargekomen. Het laatste wat ze nog moeten doen, is het ophangen van de poortdeuren. Jeruzalem is dan weer een burcht, een stad die verdedigd kan worden tegen de vijand, maar bovenal een stad waarin het volk van Juda zichzelf kan zijn, alleen kan wonen, afgezonderd van de heidenen met hun afgoden. Zo kunnen ze de Heere optimaal dienen.

In Jeruzalem staat immers de tempel. En de tempeldienst was helemaal verslapt. Daarom lezen we direct al in vers 1 over poortwachters, zangers en Levieten. Lees maar mee in vers 1: Voorts geschiedde het, als de muur gebouwd was, dat ik de deuren oprichtte, en de poortiers, en de zangers, en de Levieten werden besteld. Het gaat hier om de veiligheid van de stad en de dienst in de tempel.

Als de poortdeuren in hun scharnieren hangen, worden ze gesloten. En dan lezen we in vers 3 dat ze niet geopend mogen worden voor de zon aan de hemel staat. En ze moeten weer gesloten worden als het nog licht is, met de wachten erbij. De reden is duidelijk. Bij klaarlichte dag kun je zien wie er binnenkomt. Als de duisternis valt – en die valt heel snel in Jeruzalem en het Midden‑Oosten – kunnen allerlei duistere elementen gemakkelijk de stad binnensluipen en veel onheil aanrichten. Wat zijn dode muren zonder levende wachters?!

We zien hier dat Nehemia oog heeft voor de noodzaak om de muur te beschermen. Het gaat om de veiligheid van Jeruzalem. Het bouwen en bewaren hoort bij elkaar.

 

Bij alle poorten worden wachters geplaatst. Die hebben heel verantwoordelijk werk. Het is echt niet onverschillig wie de wacht houdt. Daarom draagt Nehemia de organisatie van en het toezicht op die bewaking op aan twee betrouwbare mannen: zijn broer Hanáni, die hem in Perzië had opgezocht om te rapporteren over Jeruzalem, en een zekere Hanánja, van wie een schitterend getuigenis in de Bijbel staat; ik kom daar straks nog wel op terug. We lezen vers 2: En ik gaf bevel aan mijn broeder Hanáni, en aan Hanánja, den overste van den burg te Jeruzalem, want hij was als een man van getrouwheid, en godvrezende boven velen. Godvrezende mensen zijn het meest geschikt om zo’n vertrouwenspositie te bekleden. Beide mannen krijgen het toezicht op de veiligheid van de stad. Nehemia houdt maar al te zeer rekening met het feit dat de vijand het werk van God zal blijven aanvallen.

 

De dankbaarheid voor de zegen die de Heere gaf over het werk, komt uit in de bewaring van dat werk. Dat is toch nog zo?! Wat onder Gods zegen tot stand mag komen, geef je niet zomaar prijs. Je doet er alles voor om het te bewaren. De gemeente, de school, de verenigingen, de Bijbelstudie, de vrucht op het evangelisatiewerk, dat laten we ons toch niet zomaar ontnemen?

Bouwen en bewaren. Heere, bewaar en vermeerder Uw Kerk. Bewaar – tegen de vijand. Vermeerder – in de breedte en de diepte.

 

Hanáni en Hanánja zijn namen die dezelfde betekenis hebben: genadig is de Heere. Zij hebben zich uitstekend van hun taak gekweten. De poortwachters stonden onder hun gezag.

Je moest echt op hen aankunnen. Degenen uit de stad die door huwelijk en dergelijke familie hadden in het kamp van de vijand, zullen daar zeker niet voor uitgekozen zijn. Vooral werden als poortwachters aangewezen die burgers die het dichtst bij de een of andere poort woonden. Daar zat aan vast dat die wel heel waakzaam zouden zijn, want voor hen hield dat ook een stuk zelfbescherming in.

Overigens blijft ook Psalm 127 van kracht: Zo de Heere de stad niet bewaart, tevergeefs waakt de wachter (Ps.127:1).

 

Goed, de muur is klaar en wordt bewaakt. Is Nehemia nu klaar? Is zijn doel nu bereikt? Kan hij na gedane arbeid nu van zijn rust gaan genieten?

Nee, integendeel. Het werk is met de herbouw van de muur niet klaar. Het gaat immers niet om de muur, maar om het volk dat daarbinnen woont. Het gaat niet om Sions muur, maar om zijn kinderen. Het gaat om degenen die de Naam van de Heere kennen, liefhebben en vrezen.

Dat mogen we bij alle kerkenwerk wel bedenken. Muren zijn geen doel in zichzelf. Zaken waarin het verschil met de wereld en de bescherming van de gemeente liggen, zijn er alleen maar om de gemeente te dienen. Als levensvormen en inzettingen doel op zich gaan worden, doen ze meer kwaad dan goed. Daardoor krijg je enerzijds kerkverlating en anderzijds het gevaar van formalisme bij hen die blijven. Wat heb je aan vormendienst zonder Godsvreze? Dan worden de muren wel bewaakt, maar hoe is het met de inwoners van Jeruzalem?

Begrijp me goed: geen kwaad woord over Bijbelse vormen en normen die bepaald zijn vanuit onze gereformeerde traditie; maar laten we oppassen voor een ‘vormendienst’ waaraan de levende Christus ontbreekt. Het gaat niet om de muren, maar om het volk binnen die muren. Het gaat om ons hart. De Heere Jezus zegt: ‘Ik wil barmhartigheid en geen offer.’

 

En daarom zijn er ook vandaag wachters nodig, wachters in de kerk van Christus. Wat hebben we aan de Bijbel en de belijdenis als deze niet bewaakt worden? Wat hebben we aan een kerkelijk leven dat formeel en voor het oog van de mensen goed loopt, als er niet gewaakt wordt over de trouwe prediking van het Evangelie en als de muren van het christelijk leven van iedere dag omver gehaald worden? We zien toch dat het materialisme doorvreet, ook in onze kring? Het gaat niet goed met de kerk als er geen trouwe, godvrezende wachters zijn die de vijand zien of horen aankomen en die dan alarm slaan. Als dat niet gebeurt, wordt de muur geruisloos afgebroken. Wee den gerusten te Sion, zegt de profeet Amos (Am.6:1).

In Jesaja 62 vers 6 zegt God: ‘O Sion, Ik heb wachters op uw muren besteld, die dag en nacht niet zullen zwijgen.’ Deze wachters waren in die tijd de hofambtenaren van de koning: vertrouwensmannen. Zij mochten in de binnenkamer van de koning komen. Zij brachten de koning ook zijn beloften in herinnering. Zij waakten over de orde. Ze hadden een stuk regering onder hun verantwoordelijkheid. De kanttekeningen wijzen daar op de verkondigers van het Evangelie, die vermanen, waarschuwen en acht hebben op de leer. Mensen die vooral in de binnenkamer bezig zijn: biddende wachters, pleitend op Gods beloften.

Wat hebben we daar gebrek aan, gemeente!

 

Aan het eind van mijn eerste aandachtspunt wil ik nog graag even de zaak persoonlijk toespitsen.

We lezen van Hanánja in vers 2 dat hij een man van getrouwheid was en godvrezend boven velen. Trouw en betrouwbaar, dat kun je alleen zijn als je de Heere vreest. Dat mag ik toch wel even in het midden brengen: Vreest u de Heere? En jij? Laat ik er niet bij zeggen wat er van Hanánja staat: boven velen. Maar ... gewoon.

U weet dat het hier niet gaat om angst of bang zijn voor God. Het gaat niet om slaafse vrees, maar om kinderlijke vrees: diepgewortelde eerbied voor de allerhoogste God, vertrouwelijke omgang met de Heere, heilig ontzag voor Hem – dat je onder de indruk bent van Zijn verheven majesteit, eerbied hebt voor zijn Woord, Zijn dag, Zijn dienst.

Als je de Heere gaat vrezen, heb je iets gezien van Gods heerlijkheid en majesteit, van Zijn diepe zondaarsliefde. Je gaat heel je leven in het licht van God zien. Je ogen zijn opengegaan voor wat je vanuit jezelf niet ziet. Leg je hart er eens naast. Je ziet hoe zondig je bent in het licht van Gods heiligheid. Je ziet ook hoe goed en heilzaam Gods geboden zijn en hoe heerlijk het is om met God verzoend te zijn. Dat kan alleen in Christus, de gekruisigde Zaligmaker, in Zijn gewilligheid en zondaarsliefde. Als daar toch je ogen voor mogen opengaan, dan ga je met heel je verloren leven naar Hem toe. Dan belijd je je zonden.

En daar, in de schaduw van het kruis, worden schuldige mensen in de ruimte gezet. Dan verandert alles in je leven. Alles komt in het licht van de eeuwigheid te staan. De liefde tot God gaat branden en je bidt dat ook anderen gered mogen worden. Je gaat je leven heiligen. Maar ook de uitbreiding van Gods Koninkrijk gaat je ter harte, de uitbreiding en bewaking van Jeruzalem. Heere, bewaar en vermeerder Uw kerk. Zijn dienst is een liefdedienst. Je wilt al het goed van deze wereld niet meer ruilen voor de verborgen omgang met de Heere.

 

Gemeente, jongelui, er zijn ook mensen die de Heere vrezen van jongs af, zoals Obadja in de tijd van Elía en Achab. Hij zegt dat zelf: Ik (…) vrees den Heere van mijn jonkheid af (1Kon.18:12). Wat ben je dan gelukkig. Zulke mensen weten niet van een duidelijk tijdstip waarop hun leven een scherpe wending heeft genomen, in de zin van een plotselinge krachtdadige bekering. Ze herinneren zich geen tijd waarin ze níet met de Heere leefden. Geleidelijk aan werd het besef van God en de eeuwige dingen in hun hart geboren.

Zulke kinderen zijn hier denk ik ook wel in de kerk. Zo jong als je bent, heb je de Heere hartelijk lief. En je weet dat je persoonlijk de Heere Jezus moet leren kennen als Zaligmaker, dat je moet weten dat Hij ook voor jouw zonden gestorven is. Dat houdt je bezig. Je leest in je Bijbeltje en je bidt tot God. Je verlangt naar die echte vrede met Hem. Je vraagt of de Heilige Geest je alles wil leren wat je weten moet om zalig te worden, ook de kennis van je zonden en de reinigende kracht van Jezus’ bloed.

 

Mag je daar iets van herkennen? Wat is dat heerlijk. Dat kan je bewaren voor veel zonden.

Hanánja was godvrezend boven velen. Godsvreze vloeit voort uit het kennen en liefhebben van de Heere. Het stempelt heel je leven. Je wil Hem gehoorzamen en niets tegen Zijn wil doen.

In de tijd dat je verkering krijgt, bid je om een jongen of meisje met wie je de Heere kunt vrezen. En dan zeg je niet tegen elkaar: ik ben bekeerd. Maar wel: De Heere is goed. Zonder Hem kan ik niet gelukkig zijn. Hij is de belangrijkste in mijn leven. Je beseft dat je leeft voor Gods heilig aangezicht. En in dat licht word je trouw en betrouwbaar, net als Hanánja.

Tot zover ons eerste aandachtspunt: de bewaking van Jeruzalem.

 

2. De herbevolking van Jeruzalem

We lezen vers 4: De stad nu was wijd van ruimte en groot; doch des volks was weinig daarbinnen; en de huizen waren niet gebouwd.

Wat is er veel tot stand gebracht, door Gods genade. De muur is herbouwd. De bewaking is uitstekend geregeld. Jeruzalem is een veilige stad: ommuurd en bewaakt. Maar hoe is het met dat volk binnen de muur gesteld?

Wel, er is één groot probleem dat Nehemia nu onder ogen moet zien. Er is te weinig bewoning van deze stad. Jeruzalem is wijd en groot, maar feitelijk heeft de stad veel te weinig inwoners. Bij een sterke stad hoort een sterke bevolking. Anders kan de stad niet voldoende verdedigd worden. Bovendien, wat heb je nu aan een ommuurde stad als er haast geen mensen in wonen? De muur omringt voor een groot deel lege ruimte. Hier en daar staan wat huizen, maar veel terrein ligt nog braak. Overal zie je nog ruïnes van het oude Jeruzalem.

Zeg, Nehemia, waarom heb je die muur dan toch zo wijd laten optrekken? Zo groot, en dat voor een paar van die amechtige Joden!? Was het niet veel verstandiger geweest om die muur veel nauwer te bouwen, alleen om de bewoonde gedeelten heen? Dat zou toch vanuit het oogpunt van verdediging veel beter geweest zijn?

 

Wat zit daar achter?

Gemeente, hier zit een groot wonder achter, een wonder van geloof. Hoewel de bevolking nog zo klein is, gelooft Nehemia toch dat deze heel talrijk zal worden en daarom heeft hij de muur zo gebouwd dat er nog velen bij kunnen. De oude glorie van het Jeruzalem van voor de verwoesting zal hersteld worden.

Nehemia is door Gods genade een man van geloof. En het geloof houdt niet in de eerste plaats rekening met de dingen die men ziet, maar met de dingen die men niet ziet maar wel hoort uit Gods mond. En dan moeten we denken aan de profeet Zacharia, die al zo’n 80 jaar eerder profeteerde: Er zullen nog oude mannen en oude vrouwen zitten op de straten van Jeruzalem; een ieder zal zijn stok in zijn hand hebben vanwege de veelheid der dagen. En de straten dier stad zullen vervuld worden met knechtjes en meisjes, spelende op haar straten (Zach.8:4‑5). Dat woord van God stond toen dwars op de zichtbare werkelijkheid en dat staat het in de dagen van Nehemia niet minder.

 

Dat woord was wonderlijk in de ogen van Israël toen en Gods kerk nu. Maar de Heere had Zacharia erbij laten zeggen: Omdat het wonderlijk is in de ogen van het overblijfsel dezes volks in deze dagen, zou het daarom ook in Mijn ogen wonderlijk zijn? (Zach.8:6). Nee toch? Voor de Heere is niets te wonderlijk!

Dat bouwen van die muur zo ruim en zo groot was een geloofsdaad van Nehemia. Net als bij Noach, die de ark bouwde op het droge. Gemeente, nooit kan het geloof te veel verwachten. Wat God belooft, dat zal Hij doen.

Hoe beschamend voor velen van ons. Wat verwachten wij soms weinig van de Heere, als het gaat om ons gezin, onze gemeente, de vrucht op het evangelisatiewerk. Wat zijn we vaak aan het redeneren in ongeloof en kleingeloof. We wachten soms alleen maar af om te zien wat ervan komt. Al hadden we maar geloof als een mosterdzaadje, we zouden tegen een berg zeggen: word opgeheven en in de zee geworpen, en het zou gebeuren.

Het ongeloof maakt ons vleugellam. Maar de Bijbel zegt: alle dingen zijn mogelijk voor een ieder die gelooft. Wat doen het ongeloof en kleingeloof tekort aan Gods goedheid en grootheid. Laten we ons er maar over schamen en vandaag besluiten om God voortaan te geloven op Zijn Woord.

Ja, zegt u, maar ik kan dat niet veranderen in mijn hart.

Val dan maar aan de voeten van de Heere, Die het wel kan en zeg: Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp (Mark.9:24). De Heere wil dat we als een kind leven uit Zijn hand. Hij doet wat Hij belooft!

 

Geloofsvertrouwen sluit echter werkelijkheidszin niet uit. Dat treffen we steeds weer aan bij Nehemia. Groot is zijn vertrouwen op de Heere, maar in dat vertrouwen gaat hij ook nuchter en zakelijk te werk. Als hij naar dat kleine aantal inwoners van Jeruzalem kijkt, neemt hij voorbereidende maatregelen om de bevolking van het platteland naar de stad te laten verhuizen. Hij belegt een vergadering om heel het volk te laten registreren. En daarbij kan hij gebruikmaken van een al bestaand register, waarin de geslachten stonden opgetekend die in 537 onder Kores uit de ballingschap waren teruggekeerd.

Het volk moet geteld worden naar de geslachten. Misschien zijn er die nu buiten de muren wonen, maar die toch eigenlijk daarbinnen hun erfenis hebben. Er zijn immers veel meer Israëlieten teruggekeerd dan er in Jeruzalem wonen.

En zo komt Nehemia tot de ontdekking dat velen in de dorpen buiten Jeruzalem wonen. Begrijpelijk. In de eerste plaats is het niet zo prettig om in een half verwoeste stad te wonen, en verder is het met de voedselvoorziening op het platteland beter gesteld dan in de stad.

Uit Nehemia 11 blijkt dat Nehemia heeft bepaald dat één op de tien Joden die buiten wonen, zich in de stad moet vestigen. En verder doet hij een krachtig beroep op de andere om zich vrijwillig in Jeruzalem te gaan vestigen. De ommuurde stad moet immers ook een goed bewoonde stad worden.

 

Weet u wat ook heel typerend is voor Nehemia? Dat lezen we in vers 5: Zo gaf mijn God in mijn hart, dat ik de edelen, en de overheden, en het volk verzamelde, om de geslachten te rekenen; en ik vond het geslachtsregister dergenen, die in het eerst waren opgetogen, en vond daarin geschreven aldus: (…).

God geeft het hem in zijn hart. Dat lezen we ook in hoofdstuk 5 vers 7 en in hoofdstuk 2 vers 12. Dan ben je er wel mee bezig. Dan leef je dicht bij God. En dan twijfel je er niet aan of het plan dat in je hart komt ook echt een goed plan is, met Gods goedkeuring.

God gaf het in mijn hart. Mooi, hè? Hebt u dat ook weleens?

 

Gemeente, wij leven in een totaal andere tijd. Wij leven in een dichtbevolkt land waar de steden juist hele gedeelten van de dorpen opslokken. Maar er is wel een andere lijn te trekken naar de actualiteit van vandaag.

In de eerste plaats dit: Jeruzalem blijft tot op de dag van vandaag een twistappel, een lastige steen waaraan de volken zich vertillen. Vandaag willen juist te veel mensen in Jeruzalem wonen: zowel de Joden als de Palestijnen. Als we bidden om de vrede voor Jeruzalem moet u niet denken aan een politieke vrede tussen Israël en de Palestijnen. Er zal pas vrede komen als de kinderen van Izak en Ismaël de Heere Jezus mogen leren kennen als de Messias.

In de tweede plaats: de gemeente is een vergadering van gelovigen, die ook bewaakt en bewaard moet worden. Maar die gemeente moet natuurlijk ook leden hebben. In de veelheid van de onderdanen ligt immers de heerlijkheid van de koning. De vraag is dan ook: gaat er werfkracht van ons uit? Een kerk die niet werft, sterft. Laten we maar beginnen bij onszelf.

Maar ze komen niet vanzelf. Waar zouden we drempelverlagend kunnen zijn? Wat gaat er van ons uit? Wat is er veel lauwheid onder de christenen. Als dat zo blijft, spuwt Christus ons uit Zijn mond. Zijn alle levende leden ook echt getuigen? Wat is daar vaak gebrek aan in de gemeente, aan mensen die mild en royaal uitdelen aan anderen wat ze zelf van de Heere hebben ontvangen. Kijk eens even terug in uw leven. Hoe lang is het geleden dat u zelf door de Heere bent vertroost? En wie was de gelukkige die mee mocht delen in die rijkdom?

We leven in een tijd van kerkverlating. Zeventig procent van ons Nederlandse volk is buitenkerkelijk. En bij de resterende dertig procent kerkleden is nog veel kaf onder het koren. Bekommert u zich weleens om de lege plaatsen in de kerk? Wie mist u die er zou moeten zijn? Zijn ze er nog, de mensen met wie u belijdenis deed? Gaf God het niet in uw hart om mensen te bereiken die Hem niet kennen?

Laten we de boodschap van redding in Christus toch brengen in een ondergaande wereld. Zo immers laat Hij Zijn rijk komen.

 

Tot zover ons tweede aandachtspunt: de bevolking van Jeruzalem. Voor we beginnen met ons derde aandachtspunt zingen we eerst uit Psalm 27 de verzen 6 en 7:

 

Want, schoon ik zelfs van vader en van moeder

verlaten ben, de Heer’ is goed en groot;

Hij is en blijft mijn Vader en Behoeder.

Leer mij, o God, Uw weg in allen nood;

bestuur, om mijns verspieders wil, mijn voet

op 't effen pad; dat 's vijands euvelmoed

mij nimmer treff'; vervoerd door list en dwang,

getuigt men vals tot mijnen ondergang.

 

Zo ik niet had geloofd, dat in dit leven

mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou,

mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed, gebleven?

Ik was vergaan in al mijn smart en rouw.

Wacht op den Heer’, godvruchte schaar, houd moed:

Hij is getrouw, de bron van alle goed;

zo daalt Zijn kracht op u in zwakheid neer;

wacht dan, ja wacht, verlaat u op den Heer’.

 

3. Het paspoort voor Jeruzalem

Een belangrijke vraag is altijd of onze papieren in orde zijn. Als je een ander land binnen wil gaan, is het eerste waar ze naar vragen je paspoort. Als de politie je aanhoudt, kijkt ze naar je rijbewijs, of het niet is verlopen. Vaak moeten we ons bij belangrijke zaken legitimeren, om aan te tonen dat we werkelijk zijn wie we zeggen te zijn – bij de ambtenaar van de burgerlijke stand bijvoorbeeld, als je gaat trouwen.

De legitimatieplicht wordt steeds verder aangescherpt. Dat is wel goed. Er komen immers steeds meer illegalen ons land binnen.

 

Deze dingen spelen ook in ons teksthoofdstuk.

De lijst van degenen die onder koning Kores zijn teruggekeerd naar Jeruzalem, die Nehemia bij de volkstelling vindt in het tempelarchief, is wel honderd jaar oud.

We vinden die lijst ook in Ezra 2. Die lijst is door God in Zijn openbaring niet zomaar gegeven. Die registers maken het mogelijk om vast te stellen wie er onvervalste Joden zijn en daarom ook gerechtigd om deel uit te maken van de Jeruzalemse gemeenschap. Eveneens kan op grond daarvan vastgesteld worden wie er gerechtigd zijn om de tempeldienst te verrichten.

In deze lijst valt de orde op in de samenstelling, orde in de geslachten. God had aan Abraham beloofd zijn God te zullen zijn, en de God van zijn kinderen na hem in hun geslachten. Zo trekt God door de generaties heen in Zijn genadeverbond een lichtend spoor. Eerst worden de leiders genoemd onder wie het volk was opgetrokken. Twaalf leiders waren dat en dat getal beeldt de totaliteit en de volheid van Gods gemeente uit. Dan volgen de geslachten van de voorname mensen, terwijl de lager geplaatsten naar hun woonplaats worden genoemd.

En daarna wordt de geestelijkheid geteld. Priesters, Levieten, zangers, poortwachters en tempelslaven, waaronder de kinderen van de knechten van Sálomo. Die geestelijkheid neemt hier niet de eerste, maar wel een aparte plaats in. Ze komt op uit het volk en staat ook over het volk, net zoals nu bij ons de ambten in de kerk – apart gezet om de Heere te dienen in de dienst van verzoening en lofprijzing, en zo ook weer in haar positie onder het volk een type van Christus.

 

Hij is onzer een, uit onze geslachten. Zowel Lukas als Mattheüs geven ons Zijn geslachtsregister. En toch staat de Heere Jezus apart en is Hij uniek, door God gezalfd tot de bediening van de verzoening. Hij vat in Zijn volbrachte werk heel die tempeldienst samen en vervult die. Met één offer heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen die geheiligd worden. Daar zien we Hem hangen op Golgotha. Zijn bloed vloeit. Zijn hoofd buigt. Hij is Priester in der eeuwigheid. En in Hem mogen al Gods kinderen een volk zijn van koningen en priesters, om de deugden te verkondigen van Hem Die ons geroepen heeft uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht.

Doet u dat ook?

 

Aan het eind van de lijst vinden we nog iets merkwaardigs.

Eerst lezen we in vers 61: Ook togen dezen op van Thel‑melah, Thel‑harsa, Cherub, Addon en Immer; maar zij konden hunner vaderen huis, en hun zaad niet tonen, of zij uit Israël waren. De mensen uit die nederzettingen in Babel kunnen niet bewijzen dat ze afstammen van Israël.

In de tweede plaats de verzen 63 en 64: En van de priesteren, de kinderen van Habája, de kinderen van Koz, de kinderen van Barzillai, die een vrouw van de dochteren van Barzillai, den Gileadiet, genomen had, en naar hun naam genoemd was. Dezen zochten hun geschrift, willende hun geslacht rekenen, maar het werd niet gevonden; daarom werden zij als onreinen van het priesterdom geweerd. Deze priesters kunnen niet bewijzen dat ze uit het priesterlijk geslacht zijn en daarom worden ze van de heilige dienst geweerd totdat daar uitsluitsel over verkregen zal zijn.

Habája is de ‘pater familias’ van deze priesterfamilie. Hij is getrouwd met een vrouw uit het geslacht van Barzillai, de gastheer van koning David toen hij moest vluchten voor zijn zoon Absalom. Die Barzillai en zijn nageslacht wonen in het Overjordaanse, in het land Gilead – bepaald geen streek waar priesters wonen. Als ze zich in Jeruzalem presenteren, wordt er naar hun papieren gevraagd. Ze moeten kunnen aantonen dat ze een priesterlijke voorvader hebben. Ze zeggen dat wel, maar ze kunnen het document niet vinden. Hun papieren zijn dus niet in orde en daarom mogen ze niet meedoen in de priesterdienst. Alleen als je papieren in orde zijn, mag je daar dienen.

 

De hele gemeente van de teruggekeerden is samen 42.360 mensen (vers 66). Daar komen dan nog 7.337 knechten bij en 245 zangers (vers 67) – totaal bijna 50.000 mensen. Zij zijn het overblijfsel van Israël. Zij zijn in al de oordelen van God over de zonden gespaard. Zij zijn het levende bewijs dat God zorgt voor Zijn eigen werk en dat Zijn kerk niet zal ondergaan.

 

In de laatste vier verzen van hoofdstuk 7 lezen we over de verschillende bijdragen voor de tempelschat. Gul wordt er gegeven: goud, priesterkleding en zilver. Het zijn offers voor de dienst van de Heere. Ze hebben er veel voor over.

Ja, wie leeft uit de volheid van Christus, die wordt gul en mededeelzaam voor de dienst van God. Daar blijkt toch ook, gemeente, wat de kerk en de dienst van de Heere ons waard zijn. De zaligheid is niet te koop, maar als God Zijn genade verheerlijkt in je leven, breng je offers uit dankbaarheid.

 

De belangrijkste vraag is of onze papieren in orde zijn.

Je hoort iemand weleens zeggen: ik zou op zijn of haar paspoort niet willen afreizen. U begrijpt de bedoeling. Wij moeten net zo nauwkeurig te werk gaan als in ons teksthoofdstuk. Wiens papieren niet in orde waren, werd van de dienst geweerd.

Hoe is het met uw burgerschap in het koninkrijk der hemelen? Is uw paspoort getekend? Onze doopkaart is niet genoeg; ook onze belijdeniskaart niet. Het gaat om de inhoud van die belijdenis: ik geloof dat Jezus Christus de Zoon van God is. Het gaat om de inhoud van de doop: Zijn bloed is ook voor mij gestort. Het gaat om de besnijdenis van ons hart, om een hart dat verbroken is door de kracht van de Geest. Dan voel je jezelf schuldig en verloren, maar word je uitgedreven naar de Heere Jezus, tot verzoening van zonden en eeuwig leven.

Dan gelden er geen geslachtsrekeningen, maar gaat het erom dat onze namen geschreven staan in het boek des levens. Wat een zorg en strijd kan dat geven. Gelukkig kan uw naam daar nog bij, want het is het boek des levens des Lams. Wie dus gelooft in de Heere Jezus Christus, diens naam wordt erin geschreven.

Opnieuw de vraag: zijn uw papieren in orde? Zo ja, dan delen we in de erfenis der heiligen. En zo niet, dan moeten we eeuwig omkomen.

Wanneer zijn uw papieren in orde? Als de mensen hun goedkeuring hechten aan uw bekering?

Nee, het gaat uiteindelijk maar om één Naam, één handtekening: de naam van Jezus Christus. Heeft Jezus uw paspoort getekend? Staat er met bloedrode letters in geschreven dat u vergeving van zonden hebt door Zijn borgbloed? Dat alleen is voldoende; de rest is te kort. Met Zijn handtekening erin komt u het nieuwe Jeruzalem binnen.

 

De naam ‘Jeruzalem’ is in het Hebreeuws: Jeroesjalajiem. Dat wil zeggen: er zijn er twee van. In onze tekst gaat het om het aardse Jeruzalem. Voor ons gaat het om het hemelse Jeruzalem. Het geslacht van Barzillai is afgekeurd voor de priesterdienst. Ze hadden geen priesterbloed. Onder het Nieuwe Testament gelden andere eisen dan de eis van de priesterlijke afstamming. Daar gaat het om een priesterhart. En al Gods kinderen mogen op grond van het bloed van de grote Hogepriester Jezus Christus dienen in het ambt van alle gelovigen, schuilend achter Zijn bloed en dienend in Zijn kracht.

 

Toch wel gelukkig voor die mannen uit dit Schriftgedeelte die geen zekerheid hadden over hun afstamming: ze mochten toch mee naar Jeruzalem. En als blijken zou dat ze niet uit Israël waren, konden ze nog altijd als vreemdelingen bij Israël worden ingelijfd.

Dat kunt u ook. Hebt u er belang bij? Van nature zijn we allemaal afstammelingen van Adam. Maar de poorten van Sion staan nog steeds wagenwijd open. De prediking van het Evangelie gaat nog altijd nodigend uit. Christus is gewillig en bereid om zondaren zalig te maken. Tot wie moet u anders heengaan? Hij heeft de woorden van het eeuwige leven. Hij heeft gezegd: ‘Wie in Mij gelooft, die heeft het eeuwige leven. Die wordt niet veroordeeld.’

Kijk uw paspoort eens na. Ons leven is zo ernstig. Het kan morgen eeuwigheid voor ons zijn.

Amen.

 

Slotzang: Psalm 87 vers 4

 

God zal ze Zelf bevestigen en schragen,

en op Zijn rol, waar Hij de volken schrijft,

hen tellen, als in Isrel ingelijfd,

en doen den naam van Sions kind'ren dragen.