Ds. D.W. Tuinier - Efeze 6 : 14

Het borstwapen der gerechtigheid

Efeze 6
De functie van het borstwapen.
De betekenis van het borstwapen.
Het aandoen van het borstwapen der gerechtigheid.

Efeze 6 : 14

Efeze 6
14
Staat dan, uw lenden omgord hebbende met de waarheid, en aangedaan hebbende het borstwapen der gerechtigheid;

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 54: 1
Lezen : Lukas 1: 1- 6; Efeze 1: 10-20
Zingen : Psalm 20: 3, 4 en 5
Zingen : Psalm 86: 6
Zingen : Psalm 76: 2
Zingen : Psalm 9: 9, 10 en 18

Gemeente, het Woord van de Heere ligt open bij Efeze 6. Onze tekst kunt u vinden in het tweede gedeelte van vers 14. We lezen daar het Woord van God als volgt: 

 

En aangedaan hebbende het borstwapen der gerechtigheid.

 

Het thema van de preek is: Het borstwapen der gerechtigheid.

 

We letten dan op:

1. De functie van het borstwapen.

2. De betekenis van het borstwapen.

3. Het aandoen van het borstwapen der gerechtigheid.

 

Ten eerste overdenken we:

 

1. De functie van het borstwapen der gerechtigheid

 

Jongens en meisjes, als het winter wordt zorgt jullie moeder ervoor – om je te beschermen tegen de winterkou – dat je zomerkleren verwisseld worden voor warmere kleren. Ik kan me nog heel goed herinneren dat mijn moeder daarmee bezig was. Zo gaat dat in elk gezin. Het is altijd een hele klus; onderschat dat niet! Maar wat is mama blij en dankbaar als ze het op een gegeven moment weer voor elkaar heeft gekregen en alles in de kast ligt om jullie beschermd de winter in te laten ingaan.

Maar in de preek gaat het vandaag over een ander soort kleding. Het is eigenlijk niet het belangrijkste dat je tegen de kou beschermd bent, maar ik zou de vraag aan je hart willen leggen: Heb je kleren van de Heere gekregen? Is je hart vernieuwd? Dan heb je, als je een nieuw hart van de Heere hebt gekregen, kleding waarmee je beschermd bent tegen de vijand. Want dat bedoelt de apostel Paulus in het gedeelte uit Efeze 6 dat we net lazen. We moeten namelijk beschermd, we moeten veilig zijn, door en met de gehele wapenrusting van God.

 

Jongens en meisjes, jullie weten wel dat Paulus een knecht van God is. Hij schrijft zijn brief aan de jonge Christelijke gemeente van de Efeze. Dit is een stad middenin de goddeloze en heidense wereld van toen. Wij horen óók een Christelijke gemeente te zijn, wij leven óók in zo’n tijd, vol ongeloof en bijgeloof. Paulus roept daarom als knecht van God, de christenen van toen en nu op om heilig te leven, om als kinderen van het licht te wandelen in een dóór en dóór donkere samenleving. Hij schrijft in één van de voorgaande hoofdstukken: Laat uw levenswandel zich sieren met ootmoedigheid en zachtmoedigheid, en met lankmoedigheid. Verdraagt elkaar in de liefde. 

Maar de apostel weet maar al te goed dat het niet zonder strijd zal gaan. Oh nee, die strijd is hevig! Want ondanks de rijkdom van Gods genade, die in de harten en levens van de Efeziërs verheerlijkt is, staat de jonge Christelijke kerk in die dagen nog midden in de strijd. Een strijd tegen de geestelijke boosheden in de lucht, tegen de duivelse machten, tegen de geest van leugen en bedrog. Paulus noemt heel bewust die wereld van leugens en bedrog ‘de wereld van de ongerechtigheid’.

 

Het is te begrijpen dat de apostel erover inzit of zijn schapen te midden van de wolven wel staande kunnen blijven in die strijd. Hebben ze wel de juiste kleding aan? Zijn ze wel uitgerust met de wapenrusting van God? Zijn ze wel weerbaar genoeg? Hoe houden ze het vol? Hoe kunnen ze staande blijven?

Daarom schrijft Paulus in vers 10 van ons teksthoofdstuk dat we zojuist samen lazen: Wordt krachtig in den Heere en in de sterkte Zijner macht. Hij wil zeggen: ‘Gemeente van Efeze, het is nodig en onmisbaar om de gehele wapenrusting van God aan te doen. Die wapenrusting van God ontvangt u in het uur van de wedergeboorte. Die uitrusting ontvangt u als u uw eigen wapenrusting inlevert en afschrijft. U moet uw eigengemaakte kleding dus uittrekken. In de plaats daarvan gaat God de Heilige Geest u omkleden; uitrusten met Gods wapenrusting, want uw vijanden zijn vanaf dat moment Gods vijanden!’

Gemeente, iemand die als vrucht van het zaligmakende werk van de Heilige Geest vernieuwd wordt naar het beeld van God, gaat de strijd aan tegen een driehoofdige doodsvijand. Paulus beschrijft die strijd op een beeldende wijze in Efeze 6.

Hoogstwaarschijnlijk heeft Gods knecht het beeld van een wapenrusting letterlijk voor ogen omdat als gevangene in zijn eigen huis dag in dag wordt bewaakt door een Romeinse soldaat. Ik lees dat in Handelingen 28 vers 16.

 

Het eerste onderdeel van die wapenrusting is de gordel, de riem om de lendenen, de gordel van de waarheid. Het tweede onderdeel is het borstwapen der gerechtigheid. Die gordel van de waarheid, die tegenover de leugen staat, en het borstwapen der gerechtigheid, horen bij elkaar. Zonder borstwapen, zonder harnas, heeft de gordel geen functie. Die gordel moet immers het bovenstuk van het harnas – het borstwapen – verbinden met het onderstuk. Dus zonder borstwapen heeft de gordel van de waarheid geen zin. En andersom is het ook zo. Wat heb je aan een harnas als de gordel der waarheid niet functioneert? Dat zou levensgevaarlijk zijn. Het harnas en de gordel geven samen de strijder veiligheid, steun, bescherming en zekerheid.

Gemeente, waarheid en gerechtigheid horen bij elkaar. Het is niet voor niets dat de apostel Paulus in één van zijn brieven aan de gemeente van Korinthe schrijft dat de ware liefde zich niet verblijdt in de ongerechtigheid, maar in de waarheid. Het is ook niet voor niets dat hij aan de gemeente van Thessalonica schrijft dat de goddelozen de waarheid niet hebben geloofd, maar een welbehagen hebben gehad in de ongerechtigheid (2Thess.2:12). Dus heel nadrukkelijk spreekt de apostel over ‘ongerechtigheid’, en niet over ‘leugen en bedrog’. Omdat de waarheid en de gerechtigheid samen opgaan.

Zo ligt het toch ook voor u persoonlijk? Als u als vrucht van het zaligmakende werk van de Geest wáár wordt voor God, eerlijk wordt voor de Heere, wat krijgt u dan nodig?

Gerechtigheid!

Een gerechtigheid waarmee u voor God kan bestaan. Een gerechtigheid, een borstwapen, waarmee u in de geestelijke strijd staande kan blijven.

 

Jongens en meisjes, een borstwapen – ik heb het al gezegd – is het gepantserde harnas dat de soldaat van zijn schouders tot zijn dijen bedekt. En je begrijpt, daarachter liggen de meest belangrijke en vitale delen van het lichaam: hart, longen, je ingewanden, je nieren. En natuurlijk moeten die meest wezenlijke lichaamsdelen uitermate goed beschermd zijn in de strijd. Het hart bijvoorbeeld van de strijder, achter het borstwapen. En we weten allemaal: ons hart is het meest belangrijke orgaan; het meest centrale deel van het lichaam. Ons hart is het meest kwetsbaar.

Nu is het hart in meerdere opzichten belangrijk. Wat gaat het toch om een wezenlijk punt. Het gaat in deze preek ook om úw hart. En over het hart van het Evangelie. En dat vloeit weer voort uit het liefdeshart van God de Vader. Dat laatste heeft te maken met ‘welbehagen’.    

 

Als er in de Bijbel over ons hart wordt gesproken, denken we vooral aan het innerlijke leven. Als het over ons hart spreken, heeft dat te maken met onze persoonlijkheid, met ons ‘ik’, ons innerlijk. De uitdrukking ‘hij of zij heeft mijn hart gestolen’ zegt genoeg.

Salomo spreekt in zijn Spreukenboek jongeren aan en roept ze op: Behoed uw hart boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de uitgangen des levens (Spr.4:23). Jongeren, Salomo roept jullie als tolk van de hemel toe: Mijn zoon, geef Mij uw hart (Spr.23:26).

Catechisanten, hebben jullie dat al gedaan? Is je hart al ingewonnen voor de Heere? Is het al gaan kloppen in liefde voor Hem? Leeft het uit Hem? Want als de Heere je hart heeft, dan bezit Hij alles van jou. Dan heeft Hij ook je hoofd en dan heeft Hij ook je handen en je voeten; dan heeft Hij heel je leven.

Maar als er iemand is die óók weet hoe belangrijk jouw hart is, dan is dat de duivel. Daarom richt hij zijn pijlen allereerst op jou, op uw en mijn hart. Maar om juist het belangrijkste orgaan van ons lichaam te beschermen, geeft God aan Zijn strijders op aarde een pantser: het borstwapen der gerechtigheid.

 

Zullen we er eerst biddend over gaan zingen? Psalm 86 vers 6:

 

Leer mij naar Uw wil te hand’len

‘k Zal dan in Uw waarheid wand’len;

Neig mijn hart, en voeg het saâm

Tot de vrees van Uw Naam.

Heer’, mijn God, ik zal u loven,

Heffen ’t ganse hart naar boven;

‘k Zal Uw Naam en majesteit

Eren tot in eeuwigheid.

 

Gemeente, aangedaan hebbende het borstwapen der gerechtigheid. In de eerste plaats ging het om de functie ervan. Vooral om die van ons hart: ter bescherming, steun, zekerheid en veiligheid. In de tweede plaats denken we over:

 

2. De betekenis van het borstwapen der gerechtigheid

 

We zien weer twee betekenissen van het borstwapen. De apostel bedoelt het zo ook in de oorspronkelijke taal van zijn brief. Weet u de betekenis nog van de gordel der waarheid, die ik noemde in de vorige preek? Die heeft allereerst betrekking op oprechtheid, eerlijkheid, betrouwbaarheid. Als vrucht van het werk van Hem Die dé Waarheid is.

Nu, als het gaat om het borstwapen der gerechtigheid, heeft dat ook weer eerst te maken met menselijke oprechtheid, eerlijkheid, rechtvaardig zijn, recht door zee zijn, op een rechte wijze, integriteit. Het heeft alles te maken met uw levenshouding.

De Efezebrief staat in het teken van de heiligmaking. De gelovigen van Éfeze worden opgeroepen om rechtvaardig te zijn. Uw leven, uw levenshouding tegenover de Heere en uw naaste moet eerlijk, oprecht, betrouwbaar zijn. Als u het borstwapen der gerechtigheid niet op een juiste wijze hebt aangedaan, of het wordt niet door de gordel der waarheid op een juiste manier vastgehouden, dan bent u uitermate kwetsbaar in de strijd. Dan hebt u geen kracht om te strijden en staande te blijven. Dan bent u zonder hoop, dan bent u in levensgevaar, dan hebt u geen innerlijke vrede en rust. Dan hoort u misschien nog bij diegenen over wie Paulus schrijft in Romeinen 3: Er is niemand rechtvaardig, ook niet één (Rom.3:10). Dat geldt ons allen van nature, we worden zo geboren.

 

Maar nu wijst de apostel juist op het tegenovergestelde: En aangedaan hebbende het borstwapen de gerechtigheid. Met andere woorden: een nabij leven met de Heere, de verborgen omgang met Hem, het leven vanuit Zijn Woord, vanuit de bediening van Christus, door Goddelijke genade die bewaart voor onrust, voor onzekerheid en valse rustgronden. Het geeft u juist vastheid, troost, zekerheid, steun, bescherming.

Waardoor? Als u het borstwapen der gerechtigheid hebt aangedaan en u trekt dat steeds weer aan, en het wordt vastgehouden door de gordel van de waarheid, en het zit strak om uw lichaam, dan is uw hart op de Heere gericht. U leeft dan in de vreze Gods. En door de vreze des Heeren wijkt men af van het kwade (Spr.16:6). De eerste betekenis van het borstwapen der gerechtigheid is dus: oprechtheid, eerlijkheid en integriteit.

De tweede betekenis van het borstwapen – natuurlijk is die onlosmakelijk aan de eerste verbonden – wijst op de bron: de gerechtigheid van God. Het is de gerechtigheid die God uit genade schenkt en toerekent. Het is de geschonken gerechtigheid van de Heere Jezus Christus, die hij in de weg van Zijn lijden en sterven verworven heeft.

De gerechtigheid die Hij uitdeelt, schenkt en toepast. Het is de gerechtigheid van Christus over Wie Paulus schrijft aan de gemeente van Rome: Welke overgeleverd is om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking (Rom.4:25). Gemeente, dat is het hart van het Evangelie. We zien dat Goede Vrijdag aan Pasen voorafgaat. Dat moest, en dat kon niet anders. De dood van Gods Zoon, de Heere Jezus Christus, is noodzakelijk vanwege Gods heilig recht en onze zonden. Alleen in die weg is er verzoening. Alleen in die weg kan God rechtvaardig zijn. In de weg van recht en gerechtigheid is er genade, is er verzoening, is er redding en behoud. Goede Vrijdag: Overgeleverd om onze zonden.

En dan volgt Pasen. Christus’ opstanding en Zijn hemelvaart zijn ook noodzakelijk om de verworven, de aangebrachte gerechtigheid van Christus, de genade van God, toe te passen en uit te delen. Die gerechtigheid wordt door het geloof toegeëigend; en dat is het werk van God de Heilige Geest.

En die gerechtigheid – het borstwapen der gerechtigheid – wordt u geschonken in het uur van de wedergeboorte, de levendmaking. Dat wapen beschermt, verdedigt, en doet staande blijven in de strijd, om eens in Hem en door Hem, de Heere Jezus Christus, in Zijn kracht overwinnaar te zijn. Meer dan overwinnaar.

En daarom: Aangedaan hebbende het borstwapen der gerechtigheid. Gemeente, het moet vrede zijn, het moet recht liggen tussen u en uw naaste. U moet, Efeziërs, met hen in een rechte verhouding leven.

Dit alles is de vrucht – en dan ziet u de hand van de apostel Paulus omhooggaan – de vrucht van het ware geloof. Het is vrucht van het leven vanuit de bediening en de volheid die er is in de Heere Jezus Christus. Zijn aangebrachte, Zijn verworven, Zijn geschonken, Zijn – in de weg van het geloof – toegerekende gerechtigheid. Het borstwapen der gerechtigheid: een vroom, een godzalig en een heilig leven.

 

Gemeente, u denkt misschien: Dominee, kunt u het nog eens eenvoudig aan de kinderen uitleggen? Dan begrijp ik het ook. Wat bedoelt u, wat bedoelt Paulus, nu met die gerechtigheid voor God? Dat borstwapen der gerechtigheid, wat moet een kind zich daarbij voorstellen?

Wel, jongens, meisjes, dan is het goed tussen de Heere en jou. Dat borstwapen der gerechtigheid, dat is een nieuw hart, dat is een hart dat de Heere vreest en liefheeft. En dat betekent dat de Heere je alles geeft wat je nodig hebt om voor Hem te kunnen verschijnen. Om getroost te kunnen leven – echt heel blij te zijn in de Heere – en als je gaat sterven dat je dan ook kunt sterven. Dat het dan goed is tussen de Heere en jou. Want er mag niets in de weg zitten. Er is wel veel, heel veel dat niet goed zit! Want we hebben een boos en een zondig hart. Zo zijn we geboren. Het moet dus weer goed komen tussen de Heere en jou. En nu moet je leren dat het niet zomaar door iets van jezelf weer goed komt.

Ik denk dat de meester of de juf wel eens verteld heeft over Maarten Luther. Als er iemand is geweest in de kerkgeschiedenis die ook zoveel moeite had met dat woordje ‘gerechtigheid’, dan was hij het wel. Hij schrijft ergens: ‘Ik haatte dat woordje. Gerechtigheid, wat is dat?’ Hij begreep het niet. Begrijpen jullie het?

Luther dacht dat met de gerechtigheid van God ‘Gods straffende gerechtigheid’ werd bedoeld. God is rechtvaardig, en daarom moet Hij ook recht doen. En dat is waar! Ik heb een boos hart. Ik heb Gods straf verdiend; dat is rechtvaardig. En als ik de straf van God krijg, dan zal God daarin de eer ontvangen. Zó dacht Luther. Misschien jij ook wel…  Kun je begrijpen dat Luther bang was en angstig?

Op allerlei manieren probeerde Luther daarom God tevreden te stellen. Om met Hem in het reine te komen. Om zijn schuld bij God te betalen. Rust te zoeken voor zijn hart, vrede voor zijn ziel. Maar het gaat niet. Hij wordt er op een gegeven moment radeloos van. Totdat… het ogenblik aanbreekt, dat God hem licht geeft. Licht van boven. Het licht van de Heilige Geest.

En wat ziet Luther dan? Die gerechtigheid, zoals die in de Bijbel onder woorden wordt gebracht, is geen gerechtigheid als eis: Je moet rechtvaardig zijn voor God, en dan… Je moet het zelf doen… Nee. Die gerechtigheid van God is een geschenk. Het is niet de eisende, niet de straffende, niet de wrekende gerechtigheid van God, maar de Heere schenkt die gerechtigheid om niet; louter en alleen uit genade, om de gerechtigheid van Zijn Zoon, de Heere Jezus Christus. Want Hij heeft in een weg van lijden en sterven, door Zijn opstanding en Zijn hemelvaart, en Zijn zitten aan de rechterhand van Zijn Vader de eer van God volkomen verheerlijkt. En zo de schuld voor Maarten Luther en al Gods kinderen betaald. Hij heeft het oordeel weggenomen. De welverdiende straf gedragen en een eeuwig geldende gerechtigheid verworven en aangebracht. En door Zijn Geest mogen Zijn kinderen daarin delen. Die geschonken, die toegerekende, die verworven gerechtigheid van de Heere Jezus Christus, krijgt je in de weg van het geloof. Daarover zeg ik straks nog iets.

Als Luther dit alles ontdekt, als God hem ontdoet van zijn eigen kleding en hem laat zien dat hij met een eigen gerechtigheid voor eeuwig zal omkomen, en dat zijn zelfgemaakte wapenrusting hem vroeg of laat voor eeuwig zal teleurstellen – als Luther dat ontdekt – als God hem het borstwapen der gerechtigheid aandoet – dan schrijft hij: ‘Ik voel me als nieuwgeboren. Het is net alsof de poorten, de deuren, van het hemelse paradijs voor me opengaan’.

 

Gemeente, leest u straks Zondag 23 van onze Heidelberger nog eens na. Ik zou het graag willen, maar de tijd laat niet toe de inhoud van deze zondag uitvoerig met u te behandelen. Zondag 23 verwoordt het hart van het Evangelie: ‘Hoewel alles tegen me getuigt – de wet me aanklaagt en beschuldigt, ik mezelf moet veroordelen, ik tot alle boosheid ben geneigd, tot alles in staat – God snijdt alles van mij af, alles van mij moet verdwijnen. Ik moet leren dat mijn beste werken, mijn gerechtigheden, mijn eigengerechtigheden, ook mijn ongerechtigheden, verwerpelijk zijn voor God. Maar! Zonder enige verdiensten van mijn kant schenkt God mij, uit louter genade, de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus.’

Dat gaat Hij mij ontkleden, dan kom ik – ik bedoel het eerbiedig – zonder kleding, naakt in mijn schande, voor God te staan. Zo kom ik bij het kruis, waar Christus hangt in Zijn schande, in Zijn naaktheid, om de klederen des heils en die mantel der gerechtigheid te verwerven, en als Paasvorst ook toe te passen.

Gods Kerk wordt zalig in een weg van recht en gerechtigheid. ‘Een vrolijke ruil!’ roept Maarten Luther uit. ‘Zalige ruil, Hij mijn zonden en ik Zijn gerechtigheid voor God.’ Gemeente, dat is nou het borstwapen der gerechtigheid. Jongens, meisjes, alleen achter dat wapen, dat borstwapen, dat harnas dat je van de Heere krijgt, ziet God je aan in Christus; alsof je geen zonde gedaan hebt, alsof je geen schuld hebt. Alsof je zelf volkomen aan Gods recht hebt genoeg gedaan. Die gerechtigheid, die enig geldende gerechtigheid van Christus, preek ik u, wijs ik u aan, prijs ik u aan. En de beslissende vraag is: Is uw, jouw, mijn hart al door dit wapen, harnas, pantser, beschermd?

Of probeert u zich op de één of andere manier op de been te houden met uw eigen kleren, uw eigen werken, uw eigen wapens, uw eigen gerechtigheid? Wees toch gewaarschuwd! In de strijd is alles van de mens, van u en van mij en van jullie, kinderen, ontoereikend. Die gerechtigheid zal niet baten. Goed doet geen nut ten dage der verbolgenheid (Spr.11:4). Alléén Christus’ gerechtigheid redt van de dood.

 

Kinderen, weet je nog van koning Achab die ten strijde trok? We lezen over hem in de Bijbel. Hij heeft zich héél goed aangekleed. Maar met een uitrusting van hemzelf. Eigenlijk heeft hij zichzelf vermomd. Hij strijdt eigenlijk anoniem; niemand die hem kent, want hij heeft zichzelf als een gewone soldaat verkleed. Maar dan lezen we in de Bijbel – zal dat met u ook gebeuren, met jou? Toen schoot een man in zijn eenvoudigheid een pijl, en die doodde Achab, die zichzelf vermomd had als een gewoon soldaat. Want die pijl trof hem precies tussen zijn gesp en het pantser. We lezen dat in het boek Koningen: Toen spande een man de boog in zijn eenvoudigheid en schoot den koning van Israël tussen de gespen en tussen het pantsier. (1Kon.22:34;2Kron.18:33).

Wat een ernstige waarschuwing. Achab, voor eeuwig verloren. De weg geweten. Gehoord van een andere wapenrusting. Om eigen schuld omgekomen. Maar ook voor u en jou geldt: Met je eigen wapenuitrusting, met je eigengerechtigheid, zoals je geboren bent zonder waarachtige bekering, kun je voor God niet bestaan. Alleen achter het harnas van de gerechtigheid van Christus is je hart veilig en beschermd.

Daarover zingt de dichter van Psalm 76. We zingen nu het tweede vers:

 

Daar heeft de vijand boog en schild

En vuur’ge pijlen op verspild;

God brak het zwaard, bedwong den krijg.

Dat vrij het roofgebergte zwijg’;

Uw roem, o groot en heerlijk Wezen,

Is tot veel hoger top gerezen.

 

De functie van het borstwapen: ter bescherming van het hart. De betekenis: oprechtheid en eerlijkheid. En dat als vrucht van de gerechtigheid van Christus, die Hij verworven heeft en die Hij door Zijn Geest toepast. Gemeente, dat wapen is onmisbaar. Ten slotte ons derde en laatste punt:

  

3. Het aandoen van het borstwapen der gerechtigheid

 

Aangedaan hebbende… Die woorden verwijzen naar een steeds terugkerende zaak. In de wedergeboorte gaat de Heere u aankleden en we moeten elke dag weer dat borstwapen der gerechtigheid aandoen. Dus elke dag weer met je armoede voor de dag komen. Elke dag je eigen kledingkast voorbijlopen. We hebben een Ander nodig.

Aangedaan hebbende… Ik heb al gezegd: dat gebeurt in de weg van het geloof.

U vraagt wellicht: Hoe gaat dat dan?

Wel, aannemen met lege handen, als een zondaar, een zondares, tot God komen en uw eigen kleren, uw eigen wapenrusting afschrijven. Afscheid nemen van alles wat van uzelf is, vluchten tot Christus’ gerechtigheid. Bij Hem leren schuilen. Gelovig op Hem leren vertrouwen. Dan krijgt u, voor het eerst en steeds weer, deel aan Hem en Zijn gerechtigheid. Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, zegt de Heere Jezus; want zij zullen verzadigd worden (Matth.5: 6).

Elke keer weer beseffen, ervaren en leren dat u in uzelf niet voor God rechtvaardig bent, en dat het met alles wat van u is nooit wat wordt. Dat valt echt niet mee!

Herkent u dat? Want op de één of andere manier wil ik het toch elke keer weer zelf proberen. Dat zit in mijn bloed, in mijn genen: toch nog zelf iets proberen. Het is misschien wel met de beste bedoelingen, maar toch moet ik leren: Uit mij geen gerechtigheid. Uit mezelf geen vrucht meer in der eeuwigheid. ‘Maar’, zegt de Heere Jezus, ‘uw gerechtigheid, uw vrucht, wordt uit Mij gevonden; uit Mijn volheid, Mijn genade, Mijn gerechtigheid!’

Zondag 23 van onze Catechismus – ja, weer Zondag 23 – geeft de kern aan: Daar wordt gezegd: ‘In zoverre ik zulk een weldaad – zo’n zegen en genade – met een gelovig hart aanneem. Ik ontvang die genade met een bedelaarshand. Ik ontvang de gerechtigheid; ik doe het borstwapen der gerechtigheid aan. Het wordt mij aangedaan, wanneer ik die geschonken weldaad, die gerechtigheid – dat borstwapen van de gerechtigheid – met een gelovig hart aanneem. En me geheel aan God en Zijn genade – Zijn beloften die in Christus Jezus ‘ja en amen’ zijn – toevertrouw. Ik moet me op Zijn beloften verlaten.’

En naar de mate van het geloof mag ik er zeker van zijn dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben. Naar de mate van het geloof. Alleen dat geeft de ware vreugde en echte blijdschap.

 

Jongens en meisjes, ik las van de week Jesaja 61 vers 10. Jesaja heeft dan het borstwapen der gerechtigheid om. Hij roept dan zó blij, zo vol van vreugde en blijdschap uit: Ik ben zeer vrolijk in den Heere, mijn ziel verheugt zich in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de klederen des heils, den mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan. Dat is de kern. Dan ontbrandt mijn hart in liefde. Gelukkige Jesaja!

En de apostel Paulus schrijft dat hij de nieuwe mens heeft aangedaan, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid (Ef.4:24). Dat is het harnas van Christus’ gerechtigheid aandoen.

 

Aangedaan hebbende… Dat wijst op een voortdurende activiteit, een geloofsoefening. Het is een proces. Dat harnas is van Goddelijke kwaliteit. Absoluut veilig. Alle aanvallen van de boze ketsen daarop af. De duivel mag u beschuldigen en aanklagen. De boze mag dreigen, maar tevergeefs. Want de gerechtigheid van Christus is in Gods ogen volmaakt.

En in Zacharia 3 lezen we dat de duivel, die aanklager der broederen, het de profeet zó benauwd maakt dat het water tot aan zijn lippen komt. Maar toch lezen we: Doch de Heere zeide tot den satan: De Heere schelde u, gij satan… (Zach.3:2). En Paulus roept uit: Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? (…) Christus is het Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt (Rom.8:33,34). En: Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? Dominee MacCheyne zingt ervan:

 

Nu ken ik die waarheid, zo diep als gewis,

Dat Christus alleen mijn gerechtigheid is.

 

Jongens en meisjes, hebben jullie het nu een beetje begrepen? Het aandoen van dat borstwapen der gerechtigheid – ik bedoel het eerbiedig, hè? – dan moeten je eigen kleren uit. Als je vanavond je pyjama aandoet, denk dan nog eens aan de preek en bid maar: ‘Heere, ik heb gehoord dat ik met lege handen sta. Ik heb een boos hart. Maar, bij U is alles. Alles, omdat de Heere Jezus alles heeft verdiend. Omdat Hij op Golgotha heeft uitgeroepen: Het is volbracht (Joh.19:30). U wilt mij alles geven, U wilt me aankleden met die gordel der waarheid en met dat borstwapen der gerechtigheid. U wilt me aanzien in de Heere Jezus.’ En dan ga je zingen: ‘Het boze dat ik heb gedaan – de zonden van elke dag – zie het, Heere, toch niet aan. Schoon mijn zonden vele zijn – het staat in de tegenwoordige tijd – maak om Jezus’ wil mij rein.’

 

Het borstwapen van de gerechtigheid van Christus aandoen. Kinderen van de Heere, wat stelt ons dit schuldig. U staat midden in de strijd. En Paulus roept u toe: ‘U moet dat borstwapen aandoen!’ En die gordel der waarheid moet dat borstwapen om uw lichaam heen snoeren. Dat moet aan uw lichaam vastkleven; hoe vaster, hoe beter. Als die gordel van de waarheid wat losjes hangt, dan gaat het niet goed! Dan gaat het echt niet goed. Daarom is er dagelijkse bekering nodig. Dagelijks uw oude wapenrusting afschrijven, de oude mens kruisigen. Uzelf verootmoedigen. En die begeerte om heilig voor de Heere te leven brandend houden. Maar dat kan alleen als u die grote Strijder, die grote Voorbidder, als u Christus in het oog hebt. En als u met de discipelen aan de Heere vraagt: Vermeerder ons het geloof (Luk.17:5).

 

Gemeente, we hebben zojuist gelezen over Zacharias en Elisabeth. Had dit echtpaar geen kruis? Jazeker. Dat weet u net zo goed als ik. Wat een kruis; zeker in die tijd werd kinderloosheid zo gezien. Maar wat lezen we van deze twee oude mensen? Zij waren beide rechtvaardig – ze droegen het borstwapen der gerechtigheid! Dat was in de vrucht te zien. Een leven van heiligmaking en de praktijk van de Godzaligheid – wandelende in al de geboden en rechten des Heeren, onberispelijk (Luk.1:6).

Daarom hebben we Lukas 1 gelezen, om u zomaar een voorbeeld mee te geven. Kijk, dat zijn nu twee mensen die door Goddelijke genade het borstwapen der gerechtigheid hebben ontvangen en die het ook in de praktijk van elke dag, in het leven der godzaligheid, in de praktijk brachten.

En Calvijn schrijft: ‘Zonder het borstwapen der gerechtigheid is een mens blootgesteld aan, en ligt een mens open voor verscheidene dodelijke slagen en gevaarlijke verleidingen van de grootste geestelijke tegenstanders.’ Want als u het borstwapen der gerechtigheid niet aanhebt, och, dan heeft de duivel aan u een gemakkelijke prooi. Dan kan hij zo gemakkelijk uw aandeel in Christus betwisten.

Als het borstwapen der gerechtigheid niet goed op z’n plaats zit, als u die gordel der waarheid niet goed aangetrokken hebt, dan is het gevolg daarvan: een slordig leven, een wereldgelijkvormig leven. Het geeft ook veel onzekerheid.

Ik vraag me weleens af: Waarom is er zoveel twijfel, zoveel onzekerheid, zoveel ‘de baren der zee gelijk’? Dat op en neer… Waarom is er niet meer vastheid, meer troost en zekerheid in de harten en de levens van Gods kinderen? Zou het misschien komen omdat dat borstwapen der gerechtigheid niet op de juiste plaats zit en die gordel der waarheid niet goed functioneert?

 

Gemeente, ik eindig met de oproep van de Heere Jezus – allereerst tot Zijn kinderen in de Bergrede – en daarna voor ons allemaal: Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid – ziet u het in het licht van onze tekst? – en al deze dingen zullen u toegeworpen worden (Matth.6:33). God is geen karig God. Nee, zeker niet. Hij vergeeft menigvuldiglijk (Jes.55:7). Dat betekent héél veel, dat betekent álles!

 

Amen.

                   

Psalm 9 vers 9, 10 en 18:

 

De Heer’ zal zijn een hoog vertrek

Voor wie getrapt wordt op den nek;

Een Hoog Vertrek in drukkend lijden;

Een Toevlucht in benauwde tijden.

 

Hij die Uw Naam in waarheid kent,

Zal, Heer’, op U in zijn ellend’

Vertrouwen, wijl Gij nooit liet zuchten

Hen die gelovig tot U vluchten.

 

Nooddruftigen vergeet God niet,

Noch laat hen eind’loos in ’t verdriet;

’t Ellendig’ volk mag op Hem wachten;

Hij zal hun hoop niet steeds verachten.