Ds. C. Harinck - 1 Johannes 3 : 20

Het overwinnen van de twijfel en de onzekerheid

De oorzaak van de twijfel en de onzekerheid
Het medicijn tegen de twijfel en de onzekerheid
De verlossing van de twijfel en de onzekerheid

1 Johannes 3 : 20

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 35: 1
Lezen : 1 Johannes 3: 7 - 24
Zingen : Psalm 88: 1, 2 en 3
Zingen : Psalm 38: 4, 6 en 22
Zingen : Psalm 139: 1
Zingen : Psalm 140: 12 en 13

Gemeente,

 

De psalm die we gezongen hebben, is een bijzonder lied. Het is gedicht van Heman, een van de dirigenten van het tempelkoor. We horen hem zeggen: ‘Van de jeugd aan ben ik bedrukt en doodbrakende. Ik ben twijfelmoedig.’ Zijn leven was vol twijfel en strijd. En tóch was ook Heman een geliefd kind van God.

Onder Gods kinderen zijn ook zulke mensen. Mensen zoals deze Heman. Mensen die gekweld worden door twijfel: of het werk van God in hun hart wel van God is; of ze wel waarlijk wedergeboren zijn; of ze wel deel aan Christus hebben en hun bij het sterven de zaligheid wel wacht. De twijfel knaagt aan hun geloof, berooft hen van de blijdschap en van de vreugde van Gods heil en doet hen dikwijls in duisternis wandelen. De vraag is nu: Hoe kunnen we van zulke twijfels en aanvechtingen bevrijd worden? Daar willen we in deze dienst op letten. Onze tekst kunt u vinden in 1 Johannes 3:20, waar wij lezen:

 

Want indien ons hart ons veroordeelt, God is meerder dan ons hart, en Hij kent alle dingen.

 

Het thema van de preek is: het overwinnen van de twijfel en de onzekerheid.

Daarbij stellen we drie punten aan de orde:

1. De oorzaak van de twijfel en de onzekerheid;

2. Het medicijn tegen de twijfel en de onzekerheid;

3. De verlossing van de twijfel en de onzekerheid.

 

  1. De oorzaak van de twijfel en onzekerheid

Gemeente, deze brief is afkomstig van Johannes, de geliefde apostel; en ze is gericht aan de gemeenten in Klein Azië. Terwijl de andere apostelen verder de wereld ingetrokken zijn, weten we dat Johannes bijna heel zijn leven in Klein-Azië heeft gearbeid.

Hij is bezorgd over die gemeenten, want er zijn veel ketterijen binnengedragen door mensen die ogenschijnlijk tot het christendom bekeerd leken, maar die het christelijk geloof vermengd hadden met de gnostiek en de Griekse filosofie. We merken dat uit de brief die Johannes schrijft.

In de eerste plaats gaat om een dwaling over het God-zijn van de Heere Jezus. Er waren mensen die loochenden dat Jezus de Zoon van God is. Zij geloofden dat Hij een eigenlijk soort tussenwezen was: een soort halfgod. God en mens; half God, half mens. Dat denken kenden ze uit de Griekse en Romeinse godenwereld. De goden hadden soms seksuele gemeenschap met de mensen en dan ontstonden er halfgoden. Zo dachten zij over Jezus.

Ze namen het ook met de zonde niet zo nauw, vooral op seksueel gebied. Dat kwam doordat ze door de gnostiek beïnvloed waren. De gnostische leer maakte groot verschil tussen het vlees en de geest van de mens. Het kwaad had alleen met het vlees te maken. De geest had daar eigenlijk niets mee te maken en stond erbuiten. Als je dus zondigde, bleef toch je ziel en je geest, onbezoedeld. Dat was volgens hen ook het edelste deel van de mens.

 

Tegen deze ketterijen richt Johannes zich in deze brief. Hij probeert de christenen te wapenen tegen deze dwaalleraars. Dat was hard nodig. Deze zogenaamde verlichte Grieken konden mooi spreken. Zij gebruikten imponerende filosofische begrippen en toonden filosofische oplossingen voor de verborgenheid dat Jezus zowel God als mens was en de christen met vlees te strijden had. Wanneer zij over Jezus spraken als God en mens, maakten zij van Hem een soort tussenwezen. En als zij spraken over vlees en geest, verhieven zij de geest boven het vlees, dat alleen materie en ballast was.

De christenen werden daardoor beïnvloed. De theorieën van deze valse leraars, die hoog stonden met hun geleerdheid en welsprekendheid, leidden af van het Bijbelse denken over Jezus, Die God en mens is, en de christen, die vlees en geest is.

En wat doet nu Johannes? Hoe benadert hij deze problematiek? Je merkt aan zijn brief dat hij nadrukkelijk stelt dat Jezus God en mens is. Hij veroordeelt de filosofische ketterij op de meest scherpe manier, en zegt dat ieder die loochent dat Jezus waarlijk God en waarlijk mens is, de geest van de antichrist heeft.

Maar vooral wijst hij op de bekende woorden van Jezus dat de boom aan zijn vruchten wordt gekend. Hij wil dat de christenen zich daaraan zullen beproeven. Hij wapent de christenen tegen al die de schoonsprekende mensen die afweken van de ware leer, door hen op de merktekenen van de ware christenen te wijzen. Een waar christen vertoont bepaalde kenmerken, die hem of haar onderscheiden van de naamchristen.

De brief van Johannes bevat dan ook veel merktekenen. Je zou kunnen zeggen: zijn brief staat vol kenmerken van de christen. Herhaaldelijk komen we uitdrukkingen tegen als: ‘Hieraan kennen wij’ of ‘Hieraan weten wij het’. Steeds toont hij aan: hieraan kun je het verschil zien tussen de ware christen en de geveinsde christen.

 

Er worden dus merktekenen of kenmerken naar voren gebracht. Bijvoorbeeld in 1 Johannes 2: 3. Daar zegt hij: En hieraan kennen wij dat wij Hem gekend hebben, zo wij Zijn geboden bewaren. Wie zegt God lief te hebben, wie zegt God te kennen – en die filosofisch aangelegde mensen zeiden dat ze contact met God hadden – die bewaart Zijn geboden. Een leven in de zonde kan niet samengaan met de echte kennis van God!

Hij schrijft verder: ‘Wie uit God geboren is, zondigt niet.’ Dat wil zeggen: die kan in het kwaad van de zonde niet leven.

En in 1 Johannes 3, ons teksthoofdstuk, zegt hij: Wij weten dat wij overgegaan zijn vanuit de dood in het leven, dewijl wij de broeders liefhebben (1 Joh3:14). De dwaalleraars zaaiden verdeeldheid en twist. Zij genoten van heftige twistgesprekken. En ze stelden zich ver boven de eenvoudige gelovige. Ze verheerlijkten hun eigen ik.

Ze waren ook geldgierig. Ze eisten geld van de gemeenten in ruil voor hun diensten. Ze kenden geen echte liefde tot de broeders. Ze boden dan ook geen hulp aan christenen, die verarmd waren en broodgebrek leden. Zij lieten zich voor hun diensten betalen. Johannes wijst erop dat een waar christen die zijn broeder liefheeft, zijn hart niet toesluit voor de broeder in nood. Johannes laat echter zien dat de broederschap – de liefde tot de ander – ook betekent dat je de ogen niet toesluit als iemand in nood en ellende is.

Om niet meer te noemen, in 1 Johannes 5 vers 1 zegt hij: Een iegelijk die gelooft dat Jezus is de Christus, die is uit God geboren. Dat is de man of vrouw die gelooft in Jezus Die door Johannes de Doper gedoopt is in het water van de Jordaan, en die gelooft in Jezus Die Zijn bloed vergoten heeft op het kruis van Golgotha. Deze gelovige is uit God geboren.

 

Johannes vat al de kenmerken van het ware christen-zijn samen in 1 Johannes 3 vers 19; daar zegt hij: En hieraan kennen wij, dat wij uit de waarheid zijn en wij zullen onze harten verzekeren voor Hem.

‘Hieraan’, zegt hij. Aan al deze merktekenen weten we dat we uit de waarheid zijn. Dat we ware, oprechte kinderen van God zijn. Wij zullen daardoor dan ook onze harten verzekeren voor Hem, zegt hij. Dat zal onze verontruste hart tot rust brengen. En wel: voor Hem, dat is als het ware staande voor Gods geduchte rechterstoel.

Zo belangrijk acht Johannes de merktekenen van de christenen.

 

Gemeente, merktekenen zijn niet de grond van onze zaligheid. Het is verkeerd om daar een grond van te maken. De grond van onze aanneming door God is het volbrachte middelaarswerk van Christus. Wie langs een andere weg zalig wil worden, gaat een dwaalweg. Daarom lezen we ook in een van de boeken van Alexander Comrie een uitspraak dat sommige mensen met de ladder van de merktekenen over de muur klimmen. Hij bedoelt daarmee dat men Christus veracht en dat men zich tevredenstelt met de merktekenen. Dat is dus een onjuist gebruik van de merktekenen.

Maar kenmerken zijn wel onmisbaar. Want Jezus leerde: Uit de vruchten kent men de boom. En Johannes zegt in zijn brief voortdurend: Hieraan kennen wij, dat wij Hem gekend hebben (1 Joh. 2:3), of: Hierin zijn de kinderen Gods en de kinderen des duivels openbaar (1 Joh. 3:1). Je kunt dus uit de merktekenen weten of je een waar christen bent of een naamchristen.

Merktekenen zijn door God in de Schrift opgeschreven tot troost van Gods kinderen. Wat een troost is het om van de daken te horen verkondigen wat in de binnenkamer is gebeurd! Te horen en te mogen geloven dat je dezelfde droefheid over de zonde kent, die David kende. Te horen dat je hetzelfde geloof kent, dat Abraham en de Kananese vrouw kenden. Een geloof dat zich ondanks al onze onmogelijkheden aan God en Zijn beloften vasthoudt, zoals Abraham. Een geloof dat Jezus niet kan loslaten, zoals de Kananese vrouw. De merktekenen zijn in de Schrift gegeven om Gods kinderen te troosten, te sterken en te bemoedigen.

Onze vaderen belijden zelfs in de Dordtse Leerregels dat wij uit de merktekenen van de christen onze eeuwige verkiezing kunnen weten. Zij belijden: ‘Van deze, hun eeuwige verkiezing worden de uitverkorenen verzekerd als zij de onfeilbare vruchten van de verkiezing in het Woord van God aangewezen, als daar zijn: het waar geloof in Christus, kinderlijke vreze Gods, droefheid, die naar God is over de zonde, honger en dorst naar de gerechtigheid enz. in zichzelf met een geestelijke blijdschap en heilige vermaking waarnemen.’

 

Hieraan, kennen wij, zegt Johannes, dat wij uit de waarheid zijn. Uit die merktekenen weten we dat we ware kinderen Gods en ware gelovigen zijn. Hij zegt vervolgens: En wij zullen onze harten verzekeren voor Hem. We kunnen ons als staande voor Gods alwetendheid verzekeren dat we de merktekenen van Gods kinderen dragen.  Het geeft zekerheid en troost in het hart dat we tot Gods kinderen behoren.

Dan volgt in vers 20: Want indien ons hart ons veroordeelt, God is meerder dan ons hart en Hij kent alle dingen.

Het schijnt alsof de apostel overgaat tot een ander onderwerp. Hij heeft het erover gehad dat we ons hart door de merktekenen gerust kunnen stellen. Maar vervolgens spreekt hij over: ‘Want indien ons hart ons veroordeelt.’ Wat bedoelt hij hier?

 

Het gaat over christenen die horen over de merktekenen van de ware gelovigen. Maar in plaats dat ze daardoor vertroost worden, worden ze erdoor veroordeeld en tot twijfelen gebracht. Ze vrezen dat ze geen ware christenen zijn, maar dat ze slechts tijdgelovigen en naamchristenen zijn. Wanneer ze hun leven leggen naast de merktekenen die Johannes heeft opgeschreven, vrezen zij: ik bén geen waar christen. De vruchten die Johannes beschrijft, vind ik niet bij mezelf.

De christen is immers volgens Johannes iemand die Gods geboden bewaart. Dat is: niet alleen die de geboden doet, maar die deze ook als iets kostbaars bewaart. Wanneer ik daar mijn leven naast leg, ben ik geen waar christen. Want ik overtreed niet alleen Gods geboden en ik struikel niet alleen in zoveel dingen, maar ik bewaar Gods geboden niet als een rijke schat in mijn hart. Gods geboden bevatten voor mij een onmogelijke eis. Er gaat voor mij zelfs dreiging uit van Gods heilige geboden. Het genoemde merkteken brengt dan geen troost en zekerheid, maar eerder onrust en twijfel.

Zo schrijft Johannes van de waar gelovige: Die uit God geboren is, die zondigt niet. Gods oprechte kinderen moeten echter zeggen: ‘Maar ik zondig wel! In gedachten, in woorden en in werken. Ik vind zoveel kwaad en zoveel boosheid, zoveel ongerechtigheid diep in mijn bestaan! Dus ben ik geen ware christen.’

 

Johannes heeft geschreven dat een ware christen gelooft dat Jezus gekomen is door water en bloed. Hij schrijft: Deze is het, Die gekomen is door water en bloed, namelijk Jezus, de Christus. Niet door het water alleen, maar door het water en het bloed (1 Joh.5:6). De ware christen gelooft dat Jezus niet alleen door het water van Johannes de Doper is gekomen, maar ook door het vergieten van Zijn bloed op Golgotha. Johannes voegt eraan toe: En de Geest is het, Die getuigt, dat de Geest de waarheid is. Het is het merkteken van Gods kinderen dat de Heilige Geest hen van de waarheid van dit Evangelie overtuigd heeft. Maar menig christen zegt: ‘Ik mis deze zekerheid. Ik mis dat geloof, dat met zekerheid rusten op het volbrachte werk van Christus. De merktekenen brengen mij geen troost, maar veroordelen mij en klagen mij aan. Mijn hart veroordeelt mij. Mijn hart zegt: Je bént geen waar christen!’

We vinden deze dingen niet alleen bij christenen die maar kortgeleden tot bekering kwamen, maar ook bij christenen die allang op de levensweg zijn en toch wel enige zekerheid en bevestiging in het geloof kennen. In plaats dat de door Johannes genoemde merktekenen van de christenen hen troosten, brengen ze twijfel en onzekerheid. Hun hart veroordeelt hen. Gods kinderen moeten zo dikwijls zeggen: ‘Wie ben ik? Wie behoorde ik toch te zijn?’

Terwijl de farizeeër zo tevreden is over zichzelf en de naamchristen en tijdgelovige zo hoog opgeeft van zijn geloof, van zijn goede daden en van zijn spreken over God – ervaart de ware gelovige zo vaak veroordelingen vanbinnen. Hun gebreken en struikelingen en zoveel meer dingen die in hun leven anders zouden moeten zijn, veroordelen hen. 

 

Johannes heeft dit geweten. Nadat hij geleerd heeft dat we ons zelfs voor de alwetende God uit de merktekenen van de christenen mogen verzekeren dat we ware kinderen Gods zijn, schrijft hij: Want indien ons hart ons veroordeelt, God is meerder dan ons hart en Hij kent alle dingen.

Indien ons hart ons veroordeelt. Johannes spreekt over een hart dat ons veroordeelt en aanklaagt. Het woord ‘veroordelen’ is hier een woord dat gebruikt wordt in de rechtszaal. Het heeft de betekenis van aanklagen in zich. In de rechtszaal wordt de beschuldigde aangeklaagd. Aanklagers brengen allerlei beschuldigingen naar voren. De een beschuldigt van dit en de ander van dat. De vreselijkste dingen worden de aangeklaagde ten laste gelegd en de bewijzen ervan worden aan de rechter overhandigd.

Indien ons hart ons veroordeelt. Wat is dat dikwijls waar in het leven van gelovigen. De duivel is hierin vooral actief. Hij is er altijd bij om de gebreken van de christenen wijd uit te meten, om te wijzen op hun zonden en tekortkomingen en om hen daarmee te pijnigen en te zeggen: ‘Indien jij wedergeboren was, indien jij een ware gelovige was, zou je leven er toch heel anders moeten uitzien.’ En zo voort: dan zou je toch een heilig leven leiden, dan zou er toch een getuigenis van je leven uitgaan …! Dan zou je hart toch niet zo vol verdorvenheden zijn, dan zou je toch altijd vervuld zijn met geloof en met de liefde van God … En dan zou je toch opwassen in geloof en zekerheid.

 

Wat brengt dat een strijd met zich mee! Vooral ook door de aanvechtingen van de duivel die ons influistert dat we slechts een dwaze maagd zijn …; dat onze bekering niet anders is dan de verandering die koning Saul ook kende …; en dat we met al ons geloof niet beter zijn dan Simon de tovenaar, die ook geloofde maar een gans bittere gal en een samenknoping van ongerechtigheid bleef. Wat brengt dat een strijd met zich mee! Het doet ons met de regels uit een oud gedicht zeggen: ‘Ik vrees dat ik nog alles mis en dat mijn werk geen waarheid is.’ We beginnen dan te vrezen dat we nog eenmaal bedrogen zullen uitkomen en dat we met de dwaze maagden zullen uitroepen: ‘Onze lampen gaan uit!’

Het neemt de troost en de vreugde uit de harten van veel oprechte gelovigen weg. Het vervult hen met twijfel en onzekerheid. Het maakt hen een prooi van satan en zonder geweer in de strijd onder al zijn benauwingen.

Het is zo waar wat Johannes schrijft: Indien ons hart ons veroordeelt. Ja, wat moeten we dan doen? Johannes zegt het ons: Want indien ons hart ons veroordeelt, God is meerder dan ons hart en Hij kent alle dingen.

We letten erop in de tweede gedachte.

 

  1. Het medicijn tegen de twijfel en de onzekerheid

De apostel richt zich tot gelovigen die door hun eigen hart veroordeeld worden en moeten zeggen: ‘Ik vrees geen gelovige te zijn.’

De twijfel en onzekerheid kwelt hen zodanig, dat zij vrezen geen waar gelovige te zijn.  Wat moeten de bestreden gelovigen te midden van deze aanvechtingen doen? Is er een medicijn voor deze hardnekkige kwaal?

Johannes wijst het medicijn aan door te zeggen: Want indien ons hart ons veroordeelt, God is meerder dan ons hart en kent alle diengen. Hij wijst de bestreden gelovige op God. Hij zegt: Want God is meerder dan ons hart. Dat wil hier zeggen: betrouwbaarder, omvangrijker, meer wetend, alles overziend en beter beoordelend dan wij dat zelf kunnen. God bezit een omvangrijker kennis van ons hart dan wij zelf.

 

God is meerder dan ons hart. Waarom is Hij meerder dan ons hart? Waarom is Zijn kennis omvangrijker? Johannes zegt het: Hij kent alle dingen. Dat is de eerste reden waarom God meerder is dan ons hart.

Het oordeel van ons eigen hart is niet betrouwbaar. Het is ook niet het hoogste oordeel en ook geen onfeilbaar oordeel. Gods kinderen kunnen zó door de boze benauwd worden, dat ze oordelen: ‘Er is nooit een werk van God in mij geweest.’ Dan zeggen ze: ‘Ik ben slechts een huichelaar, ik ben niet meer dan een dwaze maagd.’ Het kan zelfs zijn dat ze zó bezet zijn met diepe moedeloosheid, dat ze met Jona zeggen: Ik ben uitgestoten van voor Zijn ogen. Of ze denken: De Heere heeft mij verlaten en de Heere heeft me vergeten. Dat is dan ons oordeel over onszelf, maar Johannes zegt: God is meerder dan ons hart.

Gods oordeel is betrouwbaarder, completer en zonder dwaling. Het iset is H H onfeilbaar, want Hij kent alle dingen. Hij kent de diepste roerselen van ons hart!

 

Met deze wetenschap wil Johannes de aangevochten christenen vertroosten. Er is zoveel in het hart van de gelovigen dat hen veroordeelt. De zonde kleeft hen in alle dingen aan. De zonde en struikelingen zijn zelfs meer dan zij weten. David zegt: Wie zou de afdwalingen verstaan? Reinig mij van de verborgen afdwalingen (Ps.19:13).

De vlam van de liefde tot God kan zo gedoofd zijn en de liefde tot de wereld zo de overhand hebben ... Het leven naar en het houden van Gods geboden kan zó gebrekkig zijn, dat zij in niets te onderscheiden zijn van een ongelovige. Ze kunnen de aarden flessen gelijk zijn geworden en ze kunnen zich zoals Lot gevestigd hebben in Sodom.

Ons geloof kan zo zwak zijn! Onze kennis van Christus zo gering! En we verspreiden zo weinig licht in de wereld! Dan moeten we zeggen: ‘Wat gaat er nu van mij uit? Wie ben ik? Wie behoorde ik te zijn?’ Daarbij komt dat de duivel hen steeds wijst op hun smetten en gebreken, zodat zij niet meer kunnen geloven een door Gods Geest vernieuwd en bekeerd mens te zijn.

Dan veroordeelt ons hart ons. Het kan dan zelfs zóver komen dat we zeggen: ‘Het is nooit waar geweest. Ik ben nooit vernieuwd. Ik bezit geen geloof en ben geen christen. God kent me niet. We oordelen dan als Petrus: Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens.

 

Maar, zo zegt Johannes, hoe wij ook oordelen, God is meerder dan ons hart. Johannes wil dat de bestreden gelovigen bij alle beschuldigingen van het eigen hart en bij alles waarmee de duivel hen benauwt, zullen denken aan God Die méérder is dan ons hart, omdat Hij alle dingen kent.

Het gaat hier over de alwetendheid van God. Johannes wil eigenlijk zeggen: Ondanks alle struikelingen, ondanks alle gebreken, ondanks de beschuldigingen waarmee wij onszelf beschuldigen, is God méér dan ons hart. God kan beter over ons hart oordelen dan wij. Hoewel wij de Heere zo kunnen vergeten, Hij weet toch dat wij Hem liefhebben. Hij weet dat, ondanks dat wij Zijn geboden zo gebrekkig houden, het tóch onze begeerte is naar al Zijn geboden te leven. Hij weet dat, hoe gebrekkig onze heiligmaking ook is, het tóch ons diepste verlangen is om zonder zonde voor Hem te leven. De Heere weet dat Christus ons tóch dierbaar is geworden en dat we onze zaligheid alleen maar bij Hem zoeken.

Als hun hart hen veroordeelt, moeten Gods kinderen bedenken, zo zegt Johannes: God is meerder dan ons hart en Hij kent alle dingen. Daarmee wil de apostel troosten, bemoedigen en sterken in de strijd. Het is het medicijn dat hij ons aanreikt in de strijd met zelfveroordeling, twijfel en onzekerheid. De apostel wil dat de gelovigen met hun hart dat hen veroordeelt, een beroep zullen doen op God Die meerder is dan hun hart.

 

De vraag is nu: ‘Hoe doe je dat?’ We hebben een voorbeeld in de Bijbel: Petrus. We lezen in Johannes 21 over het herstel van Petrus als apostel. Petrus had zwaar gezondigd: driemaal had hij Jezus verloochend, met eedzwering en aanroeping van de naam des Heeren.

Na die verloochening heeft het hart van Petrus hem veroordeeld. Hij is op de zeef van satan terecht gekomen. Wat een benauwde dagen heeft Petrus daarna meegemaakt! De duivel heeft hem aangevallen en gezegd dat hij niet beter was dan Judas. Dat het niet waar kon zijn dat hij behoorde tot de kring van degenen die Jezus liefhadden. Welke toevlucht bleef er toen voor Petrus over? God Die meerder is dan ons hart. God, Die alle dingen kent. Toen heeft hij uitgeroepen: Heere, U weet alle dingen! U weet dat ik U liefheb! Dat heeft de strik waarin Petrus gevangen was, gebroken.

Welnu, daar wil Johannes ons ook heenleiden. Hij wil dat de bestreden gelovige, ondanks alles waarvan zijn hart hem veroordeelt, zal zeggen: God is meerder dan ons hart en Hij kent alle dingen! Het is een beroep op God en Zijn alwetendheid.

Een hogere beroepsinstantie is er niet. Je leest over advocaten, die voor hun cliënten in hoger beroep gaan, maar dit is het hoogste beroep dat de mens kan doen: een beroep op God Die meerder is dan ons hart. Johannes wijst ons dit aan als hét medicijn, als het middel waardoor de strik van de duivel en de bestrijding gebroken kan worden, namelijk een beroep op God, Die meerder is dan ons hart en alle dingen kent.

En dat kán een waar gelovige! Een waar gelovige kan het woordje ‘ondanks’ en ‘hoewel’ gebruiken en zeggen: ‘Hoewel mijn hart mij beschuldigt en hoewel ik niet ben die ik zou moeten zijn, en ondanks dat er nog zoveel kwaad in mij gevonden wordt - U weet alle dingen, Heere, U weet dat ik U liefheb! U weet dat het mijn lust is om U te dienen, om Uw geboden te houden! U weet dat Christus mij dierbaar is geworden! U weet dat Zijn smaadheid mij meer waard is dan al de schatten van Egypte en dat ik nergens anders in kan rusten.’ Niemand kan zo’n beroep doen op Gods alwetendheid dan een werkelijk vernieuwd en oprecht gelovige.

 

Gemeente, dat betekent niet dat we de beschuldigingen ontkennen. Het beroep op Gods volmaakte kennis gaat gepaard met een belijdenis van onze struikelingen en onze zonden, zoals we dat zo prachtig lezen in ons Avondmaalsformulier, waarin we belijden: ‘Hoewel we geen volkomen geloof hebben en ons met zulk een ijver om God te dienen niet begeven als we schuldig zijn, maar dagelijks met de zwakheden van ons geloof en de boze lusten van ons vlees te strijden hebben’, toch…. En dan komt het: ‘desniettegenstaande ons door de genade des Heiligen Geestes zulke gebreken van harte leed zijn en wij begeren naar al Gods geboden te leven’.

Daardoor is het dat Gods kinderen zeker mogen zijn en dat er geen verhindering kan zijn ’dat ons God niet in genade zou aannemen en alzo dezer hemelse spijs en drank waardig en deelachtig zal maken’.

 Zie, zo mag de gelovige een beroep doen op zijn God en zeggen: God is meerder dan mijn hart, en Hij weet alle dingen. Daarin werpt de bestreden gelovige het anker uit. In de storm van de aanvechting en de zelfbeschuldiging stelt hij zich – met al zijn struikelingen en tekorten – voor het oog van de alwetende God. Dan kan hij zeggen: ‘Heere, U weet alle dingen. U weet dat ik U liefheb!’ U weet dat het toch waar is: Wien heb ik nevens U in de hemel? Nevens U lust mij ook niets op aarde! U weet dat Christus’ bloed en gerechtigheid toch mijn enige Toevluchtsoord is en dat ik niets anders wens te weten dan Jezus Christus en Dien gekruisigd. U weet, Heere, dat Ik U liefheb.

Dat doet de storm bedaren. Dan moet de duivel ons loslaten. Dat brengt het hart tot kalmte. De woorden van Johannes worden waar: En wij zullen onze harten verzekeren voor Hem. Het brengt het hart tot rust.

 

Wat een zegen! God is meerder dan ons hart! Het laatste woord is niet aan mij, maar aan God, Die meerder is dan mijn hart en Die alle dingen weet. Dan mag volgen wat Johannes schrijft: Geliefden, indien ons hart ons niet veroordeelt, zo hebben wij vrijmoedigheid tot God (1 Joh3:21). Daar letten we op in de laatste gedachte, maar laten we eerst samen zingen uit Psalm 139:1.

 

Niets is, o Oppermajesteit,
Bedekt voor Uw alwetendheid.
Gij kent mij; Gij doorgrondt mijn daân;
Gij weet mijn zitten en mijn staan;
Wat ik beraad', of wil betrachten,
Gij kent van verre mijn gedachten.

 

3. De verlossing van de twijfel en de onzekerheid

Gemeente, Johannes schrijft verder: Indien ons hart ons niet veroordeelt, zo hebben wij vrijmoedigheid tot God (1 Joh.3: 21). Wat is dat een grote zegen: een hart dat ons niet veroordeelt. Een geweten dat ons niet aanklaagt. Wie bezit zo’n hart? Van nature niemand. Sinds de zonde in het Paradijs is uitgebroken, is de vrede uit ons hart verdreven. Iedere zonde brengt immers veroordeling in het geweten met zich mee en neemt de vrede weg.

Zelfs bij de heidenen is dat zo, schrijft de apostel: bij het kwaad doen beschuldigt hun geweten hen. Een geweten dat ons beschuldigt, is kwaad gezelschap. Onze oudvaders zeggen: Een geweten dat je beschuldigt, is een slecht gezelschap op het sterfbed.

Johannes spreekt over een geweten dat ons níet meer veroordeelt. Hij schrijft over een hart dat vrede en rust kent. Hoe kom je aan zo’n hart?

Allereerst doordat het bloed van Jezus gestreken is aan de posten van je hart. Doordat je een Schuilplaats gevonden hebt achter het bloed van de Zaligmaker. Het is zo waar wat de apostel zegt in Efeze 2, dat Christus vrede gemaakt heeft door het bloed Zijns kruises.

Door je zo op God te beroepen en je voor God open te leggen mag een hemelse vrijspraak volgen. Nee, geen vrijspraak van schuld en zonde, maar een vrijspraak van bedrog. Wie dat kan, wie zich zo voor God kan stellen Die meerder is dan ons hart, kent een vrijspraak van bedrog en van geveinsdheid.

Dat brengt ons tot het woord van Johannes: Indien ons hart ons niet veroordeelt, zo hebben wij vrijmoedigheid tot Hem. Het maakt vrijmoedig om tot God te gaan in gebed. Het geeft de zegen van de gebedsverhoring. Johannes schrijft: En zo wat wij bidden, ontvangen wij van Hem (1 Joh.3:22).

Wat een rijke zegeningen zijn verbonden aan een hart dat oprecht en eerlijk is voor God! Het is en hart waarin rust en vrede is, omdat het tussen God en je hart in orde is.

 

Gemeente, Johannes schrijft over kenmerken van een waar gelovige. Hij ziet de kenmerken als een bewijs van de echtheid van ons geloof.

We moeten van de merktekenen niet de grond van ons geloof maken. Je moet er geen zaligmaker van maken. Maar merktekenen bewijzen wel de oprechtheid en de waarheid van het geloof. Ze zijn wel een rijke zegen als je je daarmee op God mag beroepen en zeggen: ‘Heere, U weet alle dingen! U weet dat de zonde mij tot smart is; dat het mijn lust is om Uw geboden te houden en dat ik U zou willen dienen, kon het zijn, zonder zonde! U weet dat Christus alleen mijn Toevlucht en mijn Gerechtigheid is.’

Daardoor verkrijgen wij de troost van de woorden van Johannes: Indien ons hart ons veroordeelt, God is meerder dan ons hart en Hij kent alle dingen. Het brengt tot een vrijspraak van bedrog en geveinsdheid.

 

Nu zijn er misschien die zeggen: ‘Ik heb geen last van een hart dat mij veroordeelt. Ik kan van alles doen wat God verbiedt en ik heb nergens last van.’ Dat is geen winst. Dat is een ontzettend verlies. Het ergste is om een geweten te hebben dat niet meer spreekt. Dan lijk je op de man die zijn waakhond doodde, omdat het dier hem met zijn geblaf ’s nachts wakker hield. Nadat hij dat dier gedood had, beroofden de dieven hem.

Jonge mensen en ook ouderen, het geweten is je beste vriend! Luister ernaar! Het is Gods stem in je binnenste! Het is als het ware Gods waakhond. Dood hem niet! Want als je hem doodt, komen de dieven. En die beroven je niet alleen van geld en goed, maar satan zal je van je ziel beroven.

Een hart dat ons veroordeelt, is een zware last. De meeste mensen hebben zo’n hart. Aan de buitenkant kun je je onverschillig opstellen en kun je vrolijk doen. Maar van binnen knaagt de onrust en de veroordeling. De oorzaak ligt in zonden die we bedreven hebben. Zonden op allerlei terreinen. En die zonden zwijgen niet. Die achtervolgen ons, soms tot in de ouderdom. Hoor David bidden: Gedenk niet de zonden mijner jonkheid, noch mijner overtredingen (Ps.25:7).

 

Wat te doen als je hart je veroordeelt?

Hier moeten we in de eerste plaats niet zeggen: ‘Vlucht tot Gods alwetendheid’.

Hier moeten we allereerst zeggen: ‘Vlucht tot het bloed van Jezus dat betere dingen spreekt dan Abel. Vlucht tot de Zaligmaker Die de vloek en de toorn heeft gedragen.’

Gods kinderen worden door veel dingen veroordeeld, en toch kunnen ze een hart bezitten dat hen niet veroordeelt, namelijk wanneer ze doen wat Johannes zegt, wanneer ze bedenken: ‘God is meerder dan ons hart.’ Laat die weg bewandeld worden! Laat de strijd en de aanvechting ons niet bij God weghouden. Dat zou de duivel wel willen! Maar ga er juist mee tot God! Met al je twijfel en strijd. Doe een beroep op die God Die meerder is dan ons hart en alle dingen weet!

De woorden van Johannes leren ons, dat twijfel, onzekerheid, vrees voor zelfbedrog en innerlijke veroordeling over onze gebrekkige heiligmaking wezenlijke zaken zijn. Die dingen waren er bij de gelovigen in de dagen van de apostel Johannes, en ze zijn er ook vandaag bij veel gelovigen.

 

Er zijn echter mensen, die daar niet van willen weten of horen. Ze zijn altijd blij. Ze bezitten altijd geloof. Ze kunnen de Heere altijd dienen. Men is vol ijver en getuigt vrijmoedig van Jezus. Er is geen zelfveroordeling. Er is geen twijfel, geen vrees voor zelfbedrog. Er is geen bange gedachte: Straks kom ik nog openbaar als een dwaze maagd en zal mijn lamp uitgaan.

Wat is dat erg, gemeente, om zo jezelf te bedriegen en de eeuwigheid tegemoet te gaan.

Het leven Gods in de ziel van de mens kent vijanden, kent tegenstanders. We kennen een christen niet alleen aan zijn blijdschap, maar ook aan de strijd die hij te strijden heeft tegen een driehoofdige vijand.

De verlossing van de twijfel is bij de Heere te vinden, door een beroep te doen op Zijn alwetendheid: Op God, Die meerder is dan ons hart.

De naamchristen kent dat niet en de tijdgelovige ontvlucht dat. Voor de geveinsde is Gods alwetendheid een verschrikking. Voor de oprechte een troost: Heere, U weet dat ondanks alles wat mij aanklaagt en veroordeelt, ik U tóch liefheb. U weet dat ik voor U wens te leven, en dat zonder zonde. U weet dat Christus mij dierbaar is en ik geen andere Toevlucht ken.

De merktekenen bewijzen de echtheid van het geloof. Ze kunnen ons bevrijden van onzekerheid. Het is een vrijspraak van bedrog en van geveinsdheid.

Gemeente, wat is dat kostbaar! Wat is dat een gezegend gezelschap, ook op je sterfbed.

 

Tot slot: kunt u Johannes navolgen? Want indien ons hart ons veroordeelt, God is meerder dan ons hart en kent alle dingen.

Kunt u zich beroepen op de hoogste Rechter, op God Die meer is dan je eigen hart en Die alles van je weet? Bent u daar blij mee of schuwt u dat? Laten we samen bedenken dat er tóch een dag komt waarin wij allen geopenbaard moeten worden, dat alles aan het licht moet worden gebracht voor de rechterstoel van Christus, opdat eenieder wegdrage wat in het lichaam is geschied, hetzij goed, hetzij kwaad.

En dan, zo zegt Maleachi, dan zal het onderscheid gezien worden tussen dien, die Hem dient en dien, die Hem niet dient. Dan zal het onderscheid gezien worden tussen de geveinsde en de oprechte. Tot die dag groeien ze tezamen op. Maar eens komt de scheiding. Word daarom nu oprecht voor God, en zeg met David: Mijn zonde maakte ik U bekend en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zeide: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen voor de Heere. En wat volgde toen? En Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde.

Amen.

 

Slotzang: Psalm 140: 12 en 13

 

Ik weet, dat God, getrouw in 't richten,
Des armen rechtzaak, daar hij schreit,
Hoe vals hem d' ontrouw moog' betichten,
Beslissen zal naar billijkheid.

 

De vromen zullen U verhogen,
Gezegend door Uw milde hand;
D' oprechten zullen voor Uw ogen

Steeds bloeien in gewensten stand.