Ds. R.A.M. Visser - Kolossenzen 1 : 9 - 11

Paulus’ voorbede

de kennis van vers 9
de wandel van vers 10
de kracht van vers 11

Kolossenzen 1 : 9 - 11

Kolossenzen 1
9
Waarom ook wij, van dien dag af dat wij het gehoord hebben, niet ophouden voor u te bidden en te begeren, dat gij moogt vervuld worden met de kennis van Zijn wil, in alle wijsheid en geestelijk verstand;
10
Opdat gij moogt wandelen waardiglijk den Heere, tot alle behagelijkheid, in alle goede werken vrucht dragende, en wassende in de kennis van God;
11
Met alle kracht bekrachtigd zijnde, naar de sterkte Zijner heerlijkheid, tot alle lijdzaamheid en lankmoedigheid, met blijdschap;

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 92: 1
Lezen : Kolossenzen 1:1-14
Zingen : Psalm 48: 6
Zingen : Psalm 25: 3, 4 en 6
Zingen : Psalm 86: 6
Zingen : Psalm 45: 1 en 2

Gemeente,

De tekstwoorden voor de preek vinden we in het voorgelezen Bijbelgedeelte, Kolossenzen 1 de verzen 1 tot en met 14. We letten vooral op de verzen 9 tot en met 11. Kolossenzen 1 vers 9 tot en met 11:

 

Waarom ook wij, van dien dag af dat wij het gehoord hebben, niet ophouden voor u te bidden, en te begeren dat gij moogt vervuld worden met de kennis van Zijn wil, in alle wijsheid en geestelijk verstand,

Opdat gij moogt wandelen waardiglijk den Heere tot alle behaaglijkheid, in alle goede werken vruchtdragende, en wassende in de kennis Gods;

Met alle kracht bekrachtigd zijnde, naar de sterkte Zijner heerlijkheid, tot alle lijdzaamheid en lankmoedigheid, met blijdschap.

 

Ik noem u als thema hierbij:

Paulus’ voorbede.

We letten er op aan de hand van de volgende drie aandachtspunten. Want Paulus voorbede is achtereenvolgens gericht op:

 

1. de kennis van vers 9;

2. de wandel van vers 10;

3. de kracht van vers 11.

 

1. De kennis

 

Een brief aan Kolosse. Kolosse is een vrij onbelangrijke stad, gelegen op een afstand van ongeveer 160 kilometer ten oosten van Efeze. Een stad in het gebied van de zeven gemeenten van Klein-Azië uit Openbaring 1-3, het huidige Turkije.

Ooit was Kolosse in maatschappelijk opzicht een vooraanstaand en belangrijk handelscentrum. Het was gelegen in het vruchtbare Lycusdal bij een bergpas aan de weg die voert van Efeze naar het oosten.

In de tijd van Paulus was de stad echter voorbijgestreefd door Laodicea en Hiërapolis. Het stadje was gelegen in een gebied met vruchtbare grond. Daardoor waren er veel vijgen- en olijfboomgaarden. Ook was er een levendige wolhandel.

 

Kolosse was in godsdienstig opzicht een stadje dat ondergedompeld was in een mengeling van Griekse en Oosterse godsdienstigheid. Het is gebleken uit grafinscripties dat er ook een groep Joden met een synagoge is geweest. Maar verder vierde de vorst der duisternis heerschappij. Men leefde openlijk in zonden.

Hoe de gemeente daar ontstaan is, is niet met zekerheid te zeggen. We gaan er vanuit dat het allemaal begonnen is in de tijd dat Paulus tijdens zijn derde zendingsreis in Klein-Azië meer dan drie jaar in en vanuit Efeze het Evangelie heeft verkondigd. Naar alle waarschijnlijkheid is in die tijd een zekere Epafras tot bekering gekomen. Die bracht vervolgens het Evangelie naar de steden in het Lycusdal, waar ook Kolosse deel van uit maakt.

Zo ontstond deze christelijke gemeente in een verder door en door multiculturele en multireligieuze samenleving. Proeven we voorzichtig al wat van de actualiteit van deze brief? Ten diepste zoekt de Heilige Geest met deze brief de echte christen op die vandaag leeft in een even door en door zondige, multiculturele en multireligieuze samenleving. De Geest wil ons door deze brief onderwijzen in de Bijbelse samenhang tussen de christelijke leer en het christelijke leven, zodat jongeren en ouderen staande blijven door de kracht van Gods Geest en genade, en God alleen alle eer ontvangt.

 

Paulus zelf heeft de gemeente nooit bezocht. Pas wanneer Paulus later in de gevangenis in Rome zit, bezoekt Epafras hem en dan ontstaat de reden voor het schrijven van deze brief. Samen met de brieven aan Efeze, Filippi en aan Filemon is ook deze brief dus één van de zogenaamde gevangenisbrieven. De brief is daarom ongeveer in het jaar 60 of 61 geschreven. Ze is daarna met de brieven aan Efeze en Filemon, meegegeven aan Tychikus en de bekeerde slaaf Onesimus. De mensen in Kolosse moesten er daarna voor zorgen dat de brief ook in Laodicea gelezen werd.

 

Wat schrijft de apostel dan zoal? We lezen het direct al aan het begin van de brief en ons teksthoofdstuk. In de verzen 1 en 2 lezen we immers dat Paulus als apostel van Jezus Christus, met Timótheüs, deze brief aan de gemeente van Kolosse schrijft. Wat is het dan treffend om te lezen hoe de gemeente wordt genoemd! Het zijn volgens de apostel ‘heilige en gelovige broeders in Christus’ te Kolosse. Zou dat ook van ons gezegd kunnen worden?

Ze krijgen daarna de inhoudsvolle zegengroet mee: Genade zij u en vrede van God onze Vader en de Heere Jezus Christus. Deze woorden vertellen van Gods gunst en toegenegenheid, bewezen aan een in zichzelf verloren mens. Genade vertelt ons dat wij schuldig zijn en dat er alleen leven is door de onverdiende goedheid van de Heere. Wie daarin deelt, leeft in de échte vrede!

Opvallend is vervolgens hoe de apostel reageert op het verslag van Epafras over de stand van zaken in Kolosse. Epafras heeft namelijk niet alleen verteld van zorgen maar ook van zegeningen. Hij heeft onder meer verteld wat de Heere gedaan heeft in de gemeente.

Paulus dankt God in de verzen 3 tot en met 8 immers voor de genáde die in Kolosse wordt gevonden. Hij noemt in vers 4 het geloof in Christus Jezus en de liefde tot de heiligen. En in vers 5 de hoop die zorgvuldig bewaard wordt in de hemel. Met andere woorden: Epafras vertelde dat in de gemeente Góds werk blijkt in deze drie christelijke deugden die fundamenteel zijn voor het christelijke leven: geloof, hoop en liefde. Is dat ook ónze boodschap over onze gemeente aan anderen?

 

Geloof in Christus Jezus, waardoor mensen delen in vergeving van zonden en de zaligheid – zo merken de kanttekeningen terecht op. Het ziet op het verleden.

Liefde tot al de heiligen bindt werkelijk samen ondanks kleine punten van verschil en menige werkelijke zwakheid, zegt Matthew Henry. En het ziet op het heden.

Hoop kijkt uit naar de eeuwige gelukzaligheid met God en ziet dus op de toekomst.

Gemeente, als het goed is, functioneren ál deze drie christelijke deugden in hun eigenheid en samenhang voluit! Is dat zo bij ons? En wat is ons antwoord dan, wanneer wij zoiets horen? Letten we op Paulus? Hij dánkt God. Omdat dankzegging een deel van het gebed hoort te zijn. En omdat alles wat reden tot blijdschap is, ook reden tot dankzegging geeft. Zo is het nog.

 

Toch is daarmee niet alles gezegd. De apostel laat in het vervolg in de verzen 6 tot en met 8 weten dat het Evangelie op die manier tot hen is gekomen en vruchtbaar is geweest. Daarna gaat hij vanaf vers 9 door met zijn voorbede voor de gemeente. Waarom ook wij, van dien dag af dat wij het gehoord hebben, niet ophouden voor u te bidden, en te begeren dat gij moogt vervuld worden met de kennis van Zijn wil, in alle wijsheid en geestelijk verstand.

Gemeente, dat is wat je noemt ‘meeleven’ met eigenlijk heel het Koninkrijk van God en dan ook met elkaar! Bidden is de allerdiepste vorm van meeleven met onze naaste ver weg en dichtbij, las ik in de voorbereiding op de preek; en ik geloof dat dit waar is. Bidden, smeken, pleiten. Worstelen met God. De Heere niet los kúnnen laten, omdat Zijn zegen zo belangrijk is.

 

In vers 3 hoorden we van zo’n gebed voor de gemeente; en nu wordt dat opnieuw gedaan. Paulus bidt al biddend. Dat begint vanaf het moment dat hij er met Epafras over gepraat heeft. Paulus doet dat met Timótheüs en de anderen, met wie hij volgens hoofdstuk 4 vers 10 tot 14 contacten onderhield. Hij bidt als nooit tevoren, zou je kunnen zeggen. In die gebeden wordt iets gevraagd. Hij ‘begeert’ voor de gemeente van Kolosse dat zij mogen worden volgemaakt met de kennis van Zijn wil, die bestaat in alle wijsheid en geestelijk verstand. Wat bedoelt de apostel daarmee?

Met de kennis van Zijn wil bedoelt hij niet de verborgen kennis waarmee groepen mensen zich toen en nu zich bezig houden. Een soort geheime spirituele kennis voor ingewijden, zoals die in later eeuwen in de gnostiek naar voren kwam en vandaag in bijvoorbeeld oosterse godsdiensten aan de orde is. Hij bedoelt er ook niet de kennis mee die een naamchristen heeft van de Bijbel en de dienst van God. Maar hij bedoelt er de pure, oprechte, geestelijke kennis van God mee, die een mens eigen wordt gemaakt wanneer hij door de woorden van de Bijbel de Christus van de Bijbel leert kennen. Die kennis leer je wanneer je door het verlossingswerk van Christus de genade van God en de vrede met God leert kennen.

Het is de kennis van het hart door de omgang met God in het geloof. Daardoor wordt je hart schoongemaakt van zonden en je leven wordt vernieuwd.

Deze kennis geeft wijsheid. Je zou kunnen zeggen: ze geeft geestelijk inzicht in de samenhang van wat God in de Bijbel leert met toepassing op jezelf.

En die kennis geeft ook verstand, het inzicht in wat God in de praktische dingen van het leven als christen vraagt. Denken we daarover na?

 

Paulus dankt voor de geestelijke gaven van geloof, hoop en liefde. En hij bidt om vol gemaakt te worden met iets wat er blijkbaar niet of te weinig is. Ontdekkend is dat, vindt u niet? Misschien zeggen we in de stilte of hardop ‘amen’ op het werk van Gods genade in geloof, hoop en liefde. Maar hoe staat het vervolgens met de kennis van Gods wil in ons leven in deze geestelijke wijsheid? Is er in het leven van Gods kinderen voortgang en verdieping in deze kennis, ten diepste van God Zelf? Calvijn merkt heel onderwijzend op: ‘De stand van de gelovigen is nooit zo volmaakt in deze wereld dat hun niet altijd wat ontbreekt.’

Herkennen we dat? Gods kind blíjft leerling op de school van Gods genade, juist wanneer je tegenover deze wijsheid je eigen dwaasheid moet inleven en ervaart dat jouw wil zo vaak botst met Zijn wil! In die strijd geeft het meer leren kennen van God door de Heere Jezus altijd een dieper verlangen om in alles te leven zoals God dat wil. Herkennen we dat?

 

Zoals wij geboren zijn, hebben wij er ten diepste geen boodschap aan. Dan doen we, hoe dan ook, het liefst wat we zelf willen, hoe verschillend dat ook vorm wordt gegeven. Maar zodra de Heere in je leven komt, ga je met Paulus vragen: Heere, wat wilt U dat ik doen zal? Dan wordt de wil van God in Zijn geboden bepalend in alles. We denken toch niet in Gods weg te zijn wanneer we tegen Zijn geboden ingaan? Dan bedriegen we ons. Niet mijn wil, maar Úw wil geschiede!

Ja jongelui, dan wil de Heere Zijn wil ook aan jullie duidelijk maken. Denk je er aan in heel je staan in deze tijd, je opleiding, je werk, je vriendschappen, je relaties en noem maar op? Hij spreekt gewis tot elk die voor Hem leeft. Dat doe Hij soms in de weg van Zijn voorzienigheid, en ook door middel van woorden uit de Bijbel. Wat hebben we het nodig om in geestelijk opzicht geleerd en geoefend te worden, in het leren luisteren naar de stem van de Heere. En dan gaat het erom heel ons leven daarmee in overeenstemming te laten zijn, zoals Paulus daar ook om vraagt in de tweede gedachte.

 

2. De wandel

 

Daarover gaat het immers in vers 10: opdat – daarmee wordt dan een doel aangewezen – opdat gij moogt wandelen waardiglijk de Heere tot alle behaaglijkheid, in alle goede werken vruchtdragende, en wassende in de kennis Gods. En dan komen ook deze woorden zo dichtbij in ons leven!

 

Gemeente, jongelui, wat zou de apostel bedoelen met dat woord ‘wandelen’? We voelen wel aan dat het om iets anders gaat dan ons gewone wandelen, in het bos bijvoorbeeld. We kunnen hier voor ‘wandel’ ook lezen ‘levenswandel’. En dan begrijpen we allemaal dat het om ons totale leven gaat. Ons totale leven in wat wij denken, zeggen en doen. Ons totale leven dat zichtbaar is voor mensen en dat verborgen blijft voor mensen. Ons totale leven op school of in de opleiding. Op ons werk. In huwelijk en gezin. In onze vriendschappen en relaties en als we met de sociale media bezigzijn. Bij onze belastingaangifte, bij onze vrijetijdsbesteding. Op kerkelijke vergaderingen en ook in de consistorie.

 

De apostel bidt om de kennis van Gods wil. Opdat deze heilige en gelovige broeders in Christus wandelen, en leven zouden op een manier waar de Heere blij van wordt – als ik het zo mag zeggen. Het gaat er namelijk om dat we vruchtbaar zijn in álle goede werken. En dat we zo groeien in de kennis van God.

Wanneer dát blijkbaar het probleem was bij de kinderen van God in Kolosse, luisteren wij dan allemaal voor onszelf? Déze boodschap komt vandaag op ons allemaal af, of we het willen weten en horen of niet: ons hele leven hoort te corresponderen met Gods genade in Christus Jezus. Dat hoort een wandel te zijn waardig de Heere, een wandel die God behaagt.

Dat is een vrúchtbaar leven waarin de kennis van God groeít. In een multiculturele en multireligieuze samenleving toén én vandaag hoort ons leven te zijn als een zoutend zout en een lichtend licht. Als een stad die boven op een berg ligt en dus niet verborgen kan blijven. Als een kaars die op een kandelaar gezet wordt en dan op iedereen schijnt die in het huis is. Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken (Matth. 5:16).

 

Wat zeggen wij daarvan, gemeente? Een levenswandel waarmee de Heere blij kan zijn, een levenswandel waardig de Heere. Let dus goed op: het gaat níet om een wandel waar mensen blij mee zijn, een levenswandel om ménsen mee te behagen. Niet voor niets wordt het alleen maar behagen van mensen in het Nieuwe Testament meestal negatief gewaardeerd. Tegenover de ogendienst om mensen te behagen staat dan de eenvoudigheid en de eerlijkheid van het hart in het kinderlijke vrezen en dienen van God. Zo ongeveer moeten we het hier ook zien.

 

Geen ménsen behagen, maar de Héére, de Kurios behagen – dat staat er dan eigenlijk. Met deze naam Heere, de Kurios, wijst de apostel kort gezegd op de genade om een kind van God te zijn. Het is genade om Zijn eigendom te zijn, doordat de prijs, dat is het bloed van de Heere Jezus, ook voor jóu is betaald. En daar moet onze wandel mee overeenstemmen, zoals een vader in het gewone leven – in een goede verhouding met zijn kind – blij is met de gang van het leven van zijn kind.

Zo is dat in veel diepere zin nu ook hier het geval! Is dat in heel ons leven te merken? Is het dan in álles te merken dat hij of zij hoort bij de Heere, de Kurios? Dát is een kind van God, die de Heere uit liefde in heel zijn leven wil dienen!

 

En hoe is het dan met de voortgang, de toename, de groei van dat alles? De apostel heeft het immers over vrucht dragen in alle goede werken, wassen en toenemen in de kennis van God. Wanneer er in ons leven een begin is uit God in de wedergeboorte, dan hoort er ook voortgang te zijn. Wanneer een kind in het dagelijkse leven niet groeit, klopt er iets niet. En wanneer een kind van God in het geestelijke leven niet groeit, klopt er ook iets niet. Wie door wedergeboorte en geloof deelt in de goede en herstelde verhouding met God, in vergeving van zonden, ís er nog niet. Ons hele leven zal daar dan mee in overeenstemming moeten zijn. Dat zal dan ook ons diepste verlangen worden: dat Gód in mijn leven weer de eer krijgt! Dan gaat het erom of ik in alles de goede reuk, de lieflijke geur van Christus verspreiden mag. Dan wordt het ons diepste uitzien om méér van Hem te leren kennen en Hem méér lief te hebben! Het gaat dus om de vraag of míjn wandel een wandel is die bij het kind-van-God-zijn past. Wanneer er kennis van God geboren werd in mijn leven, wordt die dan méér, neemt die toe?

 

Onze wandel moet een wandel zijn, die past bij het kind-van-God-zijn. Laten we het invullen aan de hand van de lijn van de brief zelf. Want nadat de apostel in de hoofdstukken 1 en 2 de leer naar voren laat komen, komt in de hoofdstukken 3 en 4 het leven aan bod. Niet voor niets wekt hij op tot heiliging van het leven en waarschuwt hij deze ‘heilige en gelovige broeders in Christus’ tegen allerlei vormen van verkeerde seksualiteit. En wat is dat actueel! Denk aan overspel. Hoe is dat binnen onze huwelijken? Denk aan incest. Hoe is dat binnen onze gezinnen? Denk aan homoseksualiteit. Hoe is dat onder jongeren en onder ouderen? Denk aan pornografie. Hoe is dat onder ons, onder jongeren maar ook onder ouderen?

Wat wordt er met deze dingen geworsteld! Wanneer we dan ervaren dat we in strikken gekomen zijn waaruit we onszelf niet verlossen kunnen, neem dan verantwoordelijkheid en zoek biddend hulp!

 

De apostel waarschuwt ook tegen allerlei vormen van haat en nijd en kwaadsprekerij en onderlinge onoprechtheid. Er wordt opgeroepen tot onderlinge vrede, eensgezindheid en vergevingsgezindheid. Onderlinge verhoudingen binnen huwelijken, binnen het gezin en op het werk worden bezien in het licht van de doorwerking van Gods genade. Hoe is dat thuis met je ouders en op school met docenten en medeleerlingen? Hoe is dat op onze plaats binnen al die verbanden waarin wij met anderen te maken hebben die over ons gesteld zijn? De gemeente wordt opgeroepen tot gebed en wijsheid, en dat is ook niet zonder reden. Gemeente, wie zichzelf maar enigszins kent, moet zijn hoofd buigen en schuld belijden!

 

En hoe staat het daarna met de toename van de kennis van God? Opwas en groei in de genade betekent niet dat ík groter word. Nee, dat betekent dat Gód groter wordt, omdat Chrístus belangrijker wordt. Daartegenover word ik alleen maar kleiner en minder. Dan word ik in mijzelf niet al meer en meer gelovig, beter, bekeerder, onafhankelijker. Dan heb ik elke dag nodig om van Christus te leren en uit Hem te leven.

Hoe méér Hij voor mij de Weg, de Waarheid en het Leven wordt, hoe kleiner ik mezelf voel tegenover die grote God. Dat is een les die Gods kind zijn leven lang moet leren. Begrijpen we nu waarom Calvijn schrijft dat hij die het verst in de genade gevorderd is, het meest vernederd is? Zo gaan we Augustinus begrijpen die op de vraag wat het kenmerk van de ware christen is, tot drie keer toe antwoordde: ootmoed, ootmoed, ootmoed!

Laten we eerst met elkaar gaan zingen uit Psalm 86 vers 6:

 

Leer mij naar Uw wil te hand'len,

'k Zal dan in Uw waarheid wand'len;

Neig mijn hart, en voeg het saâm

Tot de vrees van Uwen naam.

Heer, mijn God, ik zal U loven,

Heffen 't ganse hart naar boven;

'k Zal Uw naam en majesteit

Eren tot in eeuwigheid.

 

3. De kracht

 

Gemeente, we letten op Paulus’ voorbede aan de hand van Kolossenzen 1 de verzen 9 tot en met 11. Eerst hebben we gelet op de kennis van vers 9, daarna op de wandel van vers 10 en dan nu ten slotte op de kracht van vers 11: Met alle kracht bekrachtigd zijnde, naar de sterkte Zijner heerlijkheid, tot alle lijdzaamheid en lankmoedigheid, met blijdschap.

 

Ook met deze laatste woorden komt de apostel weer zo dichtbij. Gods genade ging voorop: geloof, hoop en liefde zijn immers de drie hoofddeugden van het christen-leven in de diepe zin van het woord. Tegelijk werd er gebeden om op deze basis, dit fundament van Gods genade Góds wil te mogen kennen en van daaruit te leven zoals de Heere dat vraagt.

Gemeente, lukt u dat? Hoe gaat u dat af? Niet één van Gods kinderen zal als het goed is, kunnen zeggen dat dit in eigen kracht allemaal wel lukt. Gods kind leert zijn eigen zwakheid kennen in de strijd tegen de zonde, de duivel en zijn eigen hart. Zijn machteloosheid om het goede te doen terwijl het kwade hem bijligt. Je wilt wel, maar het lukt niet. Juist dan krijgt deze voorbede zo’n troostvol karakter. Er wordt gebeden om krácht!

 

In de werkwoordsvorm van het grondwoord zie je dat het gaat om een voortdurend en doorgaand bekrachtigd worden. Je bent er dus steeds op aangewezen, je kunt geen moment zonder deze kracht van God. Het gaat dus niet om de kracht van goden en heidense rituelen, die toen en nu opgeld deden en doen. Daar kunnen mensen vandaag nóg zo mee bezig zijn voor hun bescherming tegen boze geesten en verkeerde invloeden of om rijkdom en voorspoed te krijgen. Denken we er aan bij allerhande oosterse religies en occulte invloeden?

Nu gaat het om Gods kracht naar de sterkte van Zijn heerlijkheid. Daar mag je ook voor lezen: in overeenstemming met Zijn heerlijkheid. Een eenvoudig voorbeeld: als een multimiljonair wat van zijn geld geeft, is dat wellicht niet veel. Wanneer hij echter geeft in overeenstemming met zijn rijkdom, dan is het wel veel. En zo is het ook hier. Paulus bidt om sterk gemaakt te worden volgens Gods heerlijkheid; de maatstaf is dan de overvloed en de rijkdom van God. Want dan word je in staat gesteld tot lijdzaamheid en lankmoedigheid met blijdschap.

 

Lijdzaamheid heb je nodig om staande te blijven in verdrukkingen. De Heere gebruikt verdrukkingen in het leven van Zijn kinderen om ze te oefenen in deze lijdzaamheid. Om Hem te leren volgen, ook al begrijp je er zo vaak niets van.

Lankmoedigheid zou je ook kunnen vertalen met geloofsgeduld, als ik het zo zeggen mag. Dat betekent niet dat je alles maar over zijn kant laat gaan. Maar wel dat je het overgeeft in de handen van de Heere. Dat je geen kwaad voor kwaad vergeldt of de zaak maar in eigen handen neemt.

 

Calvijn merkt heel onderwijzend op: ‘De gelovigen worden zonder ophouden met het kruis geoefend in deze wereld. Daar komen elke dag duizend verzoekingen bij om hen te overvallen. En zij zien zo vaak niets van wat God beloofd heeft!’ Wat is dan nodig om je met deze lijdzaamheid en lankmoedigheid te wapenen en zo te leren wat Jesaja zegt in hoofdstuk 30 vers 15: in stilheid en vertrouwen zal uw sterkte zijn!

Lijdzaamheid en lankmoedigheid. En dan ook nog met blijdschap, een toevoeging die belangrijk is. Want gemeente, juist in omstandigheden waarin lijdzaamheid en lankmoedigheid, volharding en geduld nodig zijn, bestaat het gevaar de blijdschap te verliezen en bitter en opstandig te worden. Dan geef je in verdrukkingen en beproevingen de moed op; je geeft je over aan moedeloosheid en uitzichtloosheid of angst. Deze tijd en cultuur is er in zijn uitzichtloosheid van het leven zonder God een toonbeeld van.

 

Herkennen we dat? Want juist dan zegt Paulus: Nee! Laat de kracht die je ontvangen mag om te volharden, je blíjdschap geven in je hart en leven. Een diepe geestelijke vreugde, omdat je daarin mag opmerken dat de Heere zo dichtbij is, dat Hij je niet begeeft en niet verlaat.

Hoe dat kán? Niet vanwege de beproeving, de verdrukking zelf. Maar vanwege Jezus’ onvergelijkelijke liefde die zich in zulke tijden openbaart, zoals Mary Winslow er heel onderwijzend over spreekt.

Ik ben er mét haar zeker van dat als wij veel willen weten over de werkelijkheid en de waarde van Gods liefde, wij die in echte tegenspoed en verdrukking voelen en ervaren. Wat is Jezus in zulke tijden dierbaar, als alle andere liefde in het niet verdwijnt. Dan maakt Zijn liefde het hart los, dan maakt Zijn liefde het hart zacht en wint het voor Hem in.

In zulke tijden voel je dat je alleen maar kunt huilen om God te danken voor deze ‘Broeder in benauwdheid’, Die geboren is om míj in tegenspoed te ondersteunen. Dan is het alsof er geen ander schepsel in de wereld is die deze liefde nodig heeft en voel behalve ik. Zo is Jezus voor de bedroefde ziel.

En op deze manier kan de gelovige zich verblijden in beproeving en in verdrukking en verblijdt hij zich ook. Het werkt dan wat uit in het leven van de gelovige. Namelijk een vreedzame vrucht der gerechtigheid voor degenen die door dezelve geoefend zijn. Dan merk je met vrede en blijdschap in je geweten op, dat je door deze beproeving heen verzekerd wordt een kind van God te zijn. Hoe is dat nu met óns?

 

Deze vraag houden we in ons achterhoofd bij de afronding van deze preek. We hebben gelet op Paulus’ voorbede aan de hand Kolossenzen 1 de verzen 9 tot en met 11. Eerst stonden we stil bij de kennis, daarna bij de wandel en ten slotte ook bij de kracht.

Gemeente, een preek uit deze brief van Paulus aan de gemeente van Kolosse; een gemeente van christenen, die toegerust moesten worden om staande te blijven in een door en door zondige, multiculturele en multireligieuze samenleving. Paulus’ voorbede sluit aan op Gods werk in geloof, hoop en liefde. Sluit het ook aan op Gods werk in úw leven?

Misschien zegt u, misschien zeg jij: Nee, dat sluit niet aan op mijn leven; ik herken dat niet  in mijn leven. Het is voor mij geen worsteling om staande gehouden worden. Ten diepste komt dat omdat ik het veel te goed naar mijn zin heb in mijn leven zonder God. Wat is dat aangrijpend! Want in de vervolgverzen tot en met vers 14 zal de apostel nog wat dingen zeggen over het geluk van Gods kinderen, over hun eeuwige en zalige toekomst met God.

 

Wie in dit leven vreemd blijft aan deze genade van geloof, hoop en liefde; wie zich af blijft keren van deze kennis van Gods wil, en zijn leven alleen maar inricht zoals hij of zij dat zelf wil; wie aan volharding en geduld geen behoefte heeft in het vreugdeloze leven zonder God – die komt straks voor eeuwig om! En dat door eigen schuld! Bekeert u dan en geloof het Evangelie! Belijd Hem uw schuldige onmacht, die ten diepste onwil is. Smeek Hem erom, overgezet te worden in het Koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde, zoals vers 13 dat noemt. Gun uzelf geen rust, voordat u deelt in het wonder van Gods genade, in de verlossing door het bloed van de Heere Jezus; in de vergeving van ál uw zonden.

Misschien zegt u, misschien zeg jij het echter anders. Dan zeg je: Dat is nu precies mijn worsteling geworden! Misschien tobt u er al jaren over: is dat nu al zo bij mij? We zoeken steeds in onszelf en wat kan de twijfel dan toeslaan. Deel ik in dit geluk van Gods kind, in deze schat die als een erfenis bewaard wordt voor ieder voor wie de Heere Jezus wilde lijden en sterven? Ik wil hen dan nog eens herinneren aan het punt van de opwas en de groei, waar ik eerder over sprak. Daarin ligt ook iets waar u voor uzelf eens over na moet denken.

 

Opwas en groei in de genade betekent namelijk niet dat ieder kind van God een even sterk geloof heeft. Alles wordt ook niet op één dag geleerd. Een baby is niet direct volwassen, een boom ook niet direct volgroeid. Er zijn verschillen in oefeningen van het geloof, als ik het zo mag zeggen. Sommige gelovigen durven niet te spreken van een geloofsontmoeting met Christus door het Woord. Anderen hebben daarin meer helderheid en duidelijkheid gekregen. Er is verschil tussen een zwak en sterk geloof, een toevluchtnemend en een verzekerd geloof.

Het geloof van een kind van God is ook niet elke dag even sterk en krachtig. En wat is ten diepste zo nodig voor al Gods kinderen? Dit: dat we door het geloof ons aandeel in de erfenis van de eeuwige gelukzaligheid vastmaken in de verdiensten van de Heere Jezus alleen! Dán komt het tot vastheid in het werk van Christus, tot verzekering van de vergeving van zonden en de zalige geloofswetenschap een kind van God te zijn.

Een kind des toorns is dan vanwege Christus en Zijn werk een kind van God en een erfgenaam van het eeuwige leven geworden! Dan wordt het danklied gebracht aan God.

Dankende de Vader, Die ons bekwaam gemaakt heeft, om deel te hebben in de erve der heiligen in het licht; Die ons getrokken heeft uit de macht der duisternis, en overgezet heeft in het Koninkrijk van de Zoon Zijner liefde; In Dewelke wij de verlossing hebben door Zijn bloed, namelijk de vergeving der zonden; de Vader, Die ons bekwaam gemaakt heeft om deel te hebben in de erve van de heiligen in het licht. Die ons getrokken heeft uit de macht der duisternis, en overgezet heeft in het Koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde. In Dewelke wij de verlossing hebben door Zijn bloed, namelijk de vergeving van zonden. (Kol. 2: 12 t/m 14).

Amen

Slotzang: Psalm 45: 1 en 2

 

Mijn hart, vervuld met heilbespiegelingen,

Zal 't schoonste lied van enen Koning zingen;

Terwijl de Geest mijn gladde tonge drijft;

Is z' als de pen van een, die vaardig schrijft.

Beminlijk Vorst, uw schoonheid hoog te loven,

Gaat al het schoon der mensen ver te boven;

Genâ is op uw lippen uitgestort,

Dies G' eeuwiglijk van God gezegend wordt.

 

Gord, gord, o Held, uw zwaard aan uwe zijde,

Uw blinkend zwaard, zo scherp gewet ten strijde;

Vertoon uw glans, vertoon uw majesteit;

Rijd zegenrijk in uwe heerlijkheid

Op 't zuiv're woord der waarheid; rijd voorspoedig,

En heers alom rechtvaardig en zachtmoedig;

Uw rechterhand zal 't Godd'lijk rijk behoên,

En in den krijg geduchte daden doen.