Ds. C.G. Vreugdenhil - Zondag 39

Onderwerp

Het gezag, gebaseerd op het eerste gebod met een belofte
De oorsprong van het gezag
De dragers van het gezag
De onderwerping aan het gezag

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 66: 1
Lezen : Efeze 6: 1 - 9
Zingen : Tien Geboden: 1, 2, 5, 6 en 9
Zingen : Psalm 103: 5 en 7
Zingen : Psalm 118: 9

Aan de beurt is Zondag 39 van de Heidelbergse Catechismus.

 

Vraag 104: Wat wil God in het vijfde gebod?

Antwoord: Dat ik mijn vader en mijn moeder, en allen die over mij gesteld zijn, alle eer, liefde en trouw bewijze, en mij hunner goede leer en straf met behoorlijke gehoorzaamheid onderwerpe, en ook met hun zwakheid en gebreken geduld hebbe, aangezien het Gode belieft ons door hun hand te regeren.

 

Het gaat in Zondag 39 over:

Het gezag, gebaseerd op het eerste gebod met een belofte

 

Drie gedachten:

1. De oorsprong van het gezag

2. De dragers van het gezag

3. De onderwerping aan het gezag

 

Jongelui, gemeente, het probleem van de tijd waarin wij leven is de gezagscrisis, de uitholling van het gezag waar God mensen mee bekleedt in alle levensverbanden. De moderne mens proclameert zijn mondigheid. Dat is de leus van de Franse Revolutie en die leus is nog levend tot op de dag van vandaag. ‘Geen God en geen meester’, ieder eigen baas!

De gezagscrisis gaat ook niet om de kerken, om de kerkleden heen. Daarom is het goed dat de Catechismus in onze tijd wordt gepreekt, ook als het gaat over het gebod van God over gezag. God heeft het gezag niet gegeven om ons te plagen en om ons voet dwars te zetten, maar Hij heeft het gezag gegeven tot ons behoud. Wat zeg ik? Tot onze zaligheid! Het is Gods goedheid. Zijn geboden zijn heilzaam.

Denk alle gezag eens even weg. Kunt u het zich voorstellen: een gezin zonder ouders, een school zonder leraar, een kerk zonder ambtsdragers, stad of straat zonder politie, een land zonder regering. Dan is er geen leven mogelijk. Dan komt er anarchie.

We hebben God verlaten en we erkennen het gezag van God niet meer. Adam is daarmee begonnen.

 

Temidden van alle ontreddering in de wereld, in de maatschappij, in het leven van mensen, komt God met het gebod van Zijn heilzame gezag:

Eert uw vader en uw moeder.

 

Uit de vraag op zich blijkt al dat God de Oorsprong is van alle gezag, want er staat niet: ‘Wat wil het vijfde gebod?’, maar: ‘Wat wil God in het vijfde gebod?’ Het gaat niet alleen maar om een stukje moraal of naastenliefde of medemenselijkheid, maar het gaat om wat de Heere van ons vraagt, als het over deze dingen gaat.

God regeert! Alle gezag is van God. Gezagdragers zijn ten diepste plaatsbekleders van God. Vader en moeder, de onderwijzer, de leraar op school, de officier in het leger, de ambtsdrager in de kerk, de burgemeester en de regeerders van ons land.

Waar wij ouders en overheden tegenkomen, daar komen wij dus God tegen. God heeft iets van Zijn macht, van Zijn gezag, overgedragen aan mensen, aan gezagsdragers.

Daarom letten we op:

 

1. De oorsprong van het gezag

 

Als de Catechismus in antwoord 104 de plichten van ouders en kinderen, onderdanen en overheden opsomt, dan staat aan het slot zo duidelijk het zinnetje:

Aangezien het God belieft ons door hun hand te regeren.

 

Nou, daar hebt u de oorsprong van alle gezag: Goddelijke oorsprong.

Waarom moeten we onze ouders eren? Waarom zullen we onze overheden gehoorzaam zijn? Waarom moeten we doen wat de leraar of de meester voor de klas zegt? Omdat zij God vertegenwoordigen. Al die menselijke gezagsdragers hebben ten diepste een van Hem afgeleid gezag, een overgedragen gezag.

 

De Heere heeft ons ouders gegeven, een kerkenraad en een meester en juf op school en een overheid. God bekleedt hen met gezag over ons. Hij geeft Zijn gezag niet uit handen, maar Hij oefent Zijn gezag uit door hen.

Die gezagsdragers mogen ook niet doen wat zij willen. Nee, zij moeten helemaal lijken op God, want zij weerspiegelen God. Zij vertegenwoordigen God. Zij moeten Gods wil tot uitdrukking brengen in de wijze waarop zij gezag uitoefenen over anderen.

Als je dat beseft, gemeente, als je dat beseft, jongelui, dan praat je eerbiedig over je ouders en dan praat je ook eerbiedig over de meester of de juf of de leraar op school.

Daarbij moet je bedenken dat je dan ten diepste tegen God praat, want zij dragen dat gezag namens Hem.

 

Je moet gehoorzijn zijn, zoals de Heere van je  vraagt, daarmee staat of valt je zaligheid. O ja? Jazeker! Wie gehoorzaam is ontvangt het eeuwige leven en wie ongehoorzaam is de eeuwige dood. Eenvoudig, hè?

Om een paar voorbeelden te noemen.

Absalom, die tegen zijn vader opstond. Wat een verdriet heeft David daarvan gehad! Het mooiste wat Absalom had en waar hij zo prat op ging, die prachtige haren van hem, daarmee bleef hij bleef in een boom hangen en het kostte hem zijn leven. De opstand tegen zijn vader kostte zijn leven.

Denk aan Cham die zijn vader oneer aandeed. Denk aan hoe het afgelopen is met Kanaän. Een knecht der knechten zij hij zijn broederen.

Denk aan die kinderen, die jongens en meisjes in Bethel, die een ambtsdrager van God hebben uitgescholden. Zij zagen Elisa lopen en blijkbaar had Elisa niet zo veel haar meer. Wat riepen ze toen? ‘Kaalkop, ga op, kaalkop, ga op.’ Toen kwamen er twee beren uit het bos en de kinderen werden verslonden. Dat is wat!

Ja, ongehoorzaamheid lijdt tot de dood.

 

Het gezag is de grondslag van heel de wet. Heel de wet komt met ‘gij zult’ en ‘gij zult niet’. Dat is gezag. Dat is zeggenschap, macht, recht waaronder wij hebben te buigen. Niet dwars, maar met liefde, want de liefde is de vervulling van de wet. Het is voor ons bestwil.

Wie geen gezag en geen wet erkent, die geen zeggenschap over zich aanvaardt, die kan niet gehoorzaam zijn. Het gezag is de grondslag, het fundament van alle andere geboden.

 

Daarom komt God het eerst van alles met het gezag in de kring van het gezin en vader en moeder.

Eert uw vader en uw moeder.

Het eerste dat een kind moet leren is gehoorzaamheid en vanuit die gehoorzaamheid aan vader en moeder de gehoorzaamheid aan God, want vader en moeder vertegenwoordigen God. Vanuit die gehoorzaamheid vloeit de gehoorzaamheid aan alle andere geboden van God voort. De oorsprong van het gezag ligt in God, want in vader en moeder is het alsof God dat kind voor Zich heeft.

 

Vindt u het niet groot, gemeente, dat het God belieft om ons door de hand van vader en moeder te regeren? Is het geen voorrecht als God je christelijke ouders heeft gegeven die door middel van de opvoeding je van jongs af aan hebben gewezen op het Koninkrijk van God?

En ouders, klopt dat ook in de opvoeding? Proeven onze kinderen, hoe klein ze nog zijn, dat God achter ons staat, dat wij Hem weerspiegelen, ook in de uitoefening van ons gezag, Goddelijk gezag? Leert u ze ook gehoorzaamheid aan de Heere? Staat er op de deurposten van ons huis en ons hart geschreven: ‘Aangaande mij en mijn huis, wij zullen de Heere dienen.’?

 

Dat is rijk, want aan dit gebod is een rijke belofte verbonden. Voor Israël lezen we de belofte in Exodus 20 en Deuteronomium 5: Opdat uw dagen verlengd worden in het land dat u de Heere uw God geeft. Of: Opdat het u welga in het land dat de Heere geven zal. Dat betekende voor Israël, toen ze dat gebod van God ontvangen hebben in de woestijn van de Sinaï, dat de Heere hen het land Kanaän, dat Hij reeds aan Abraham, hun voorvader, had beloofd, zal geven. Dat is de letterlijke betekenis. Maar ook: welvaart, voorspoed, vrede, geluk in dat land. Opdat het u welga!

In onze situatie geldt die belofte vooral het gezinsleven, want het gezin is de kiemcel van de samenleving. Opdat het u welga.

Waar gehoorzaamheid is, daar is toekomst! Toekomst voor een land, toekomst ook voor het gezin.

Als ouders en kinderen leven in gehoorzaamheid worden de dagen van het gezin verlengd. Huwelijk en gezin vallen vaak dan uit elkaar als het gebod van God wordt losgelaten.

 

Dat het gehoorzamen en de gehoorzaamheid het eerste gebod is met een belofte, dat dateert niet pas vanaf de Sinaï. Daar moet u voor teruggaan naar de schepping. Vandaar dat ik het in het thema heb verwerkt:

Het gezag als het eerste gebod met een belofte.

 

We moeten terug naar de schepping. Gehoorzaamheid was het eerste waar God mee kwam, toen Hij hemel en aarde geschapen had en Adam geschapen had. In Adams hart heeft Hij Zijn wet ingeschapen. En heel deze wet hing aan het gebod tot gehoorzaamheid, de erkenning van Gods gezag.

Dat was geen knellend gezag, maar het was een liefdevol gezag dat God uitoefende, het gezag van een liefderijke Vader ten opzichte van Zijn liefhebbend kind. Toch was er gezag. En de gehoorzaamheid van de mens aan dat gezag was het fundament van alle wetsvervulling.

Die gehoorzaamheid heeft God toegespitst op één bepaald punt, op één bepaald gebod, het eerste gebod, het proefgebod. Het gebod om de Heere te dienen. Niet omdat Adam niet anders kon, als een robot, maar omdat hij niet anders wilde, ziende op de vaderlijke goedheid van God. Dus niet uit dwang. Het was een zuivere erkenning van Gods gezag.

Dat was het eerste gebod. Heel de wetvervulling hing af van de vervulling van dat ene gebod. Daarom was toen het vijfde gebod, om het zo eens te zeggen, ook al het eerste. Het eerste waar Adam mee in aanraking kwam.

 

Het was ook een gebod met een belofte: Opdat uw dagen verlengd worden. Jawel, want aan de gehoorzaamheid aan dat gebod had God zelfs de belofte van het eeuwige leven op aarde verbonden.

Doe dat en gij zult leven! De zondeval zou niet gekomen zijn als Adam gehoorzaamd had. Maar dat is het juist. De zondeval is wél gekomen; Adam heeft de gehoorzaamheid aan God opgezegd en van zich afgeworpen. En wij met hem, want wij zijn kinderen van hem en wij zijn naar zijn beeld op aarde gekomen.

Toen de ongehoorzaamheid zijn intrede deed, viel het steunpunt van heel de wet weg. En ja, toen verviel ook de belofte van het eeuwige leven. Toen kwam de dood.

Toen de mens het hoogste gezag verworpen had, verwierp hij ook al het andere gezag. Dat blijkt direct al in het gezin, het eerste gezin. Kaïn sloeg Abel dood. Ja, dat komt ervan.

Maar wat heeft God gedaan? Heeft God het erbij gelaten, toen Adam Hem de dienst opzegde en Adam ongehoorzaam werd aan God?

Nee, Hij wilde nochtans, ondanks of dwars door de zondeval heen, dat we Hem zouden liefhebben en dienen. Hij kwam met de moederbelofte. Hij heeft Zijn Zoon gezonden op aarde in de gelijkheid van ons zondige vlees. Jezus Christus! Híj heeft de wet van God vervuld, volbracht als Plaatsbekleder.

Hij is gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises. In Zijn bange lijden en Zijn verdrukking onder de toorn van God, toen Hij neerboog in Gethsémané, heeft Hij gezegd: ‘Vader, niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede.’ Dat is gehoorzaamheid aan God.

Waar we Hem ook zien, waar we Hem ook horen spreken of getuigen, altijd weer stuiten wij op die volmaakte gehoorzaamheid van de tweede Adam. En dat voor schuldige wetsovertreders, voor mensen die de dood verdiend hebben. Volg Hem maar door Zijn hele gang in Zijn leven.

 

Jongens en meisjes, jullie zijn je vader en moeder vaak ongehoorzaam. Ik hoef niet te vragen of het waar is. Dat weet ik gewoon, want we zijn allemaal wel eens ongehoorzaam.

Maar de Heere Jezus is Zijn vader en moeder op aarde nooit ongehoorzaam geweest.

Het staat zo duidelijk in de Bijbel: En was hen onderdanig. Hij had geduld met hun zwakheden. Als Maria haar Kind tot verantwoording roept: ‘Waar ben je gebleven?’ Dan zegt Hij: ‘Wist gij niet, dat Ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders?’ Maar Hij heeft geen lelijk woord gezegd tegen Zijn ouders.

Hij zorgde als een liefdevolle Zoon voor Zijn moeder, toen Hij in de bitterste uren van Zijn lijden aan het kruis Zijn moeder zag huilen. ─ Jozef was toen blijkbaar al overleden. ─ Maria huilde omdat ze haar Kind, Dat ze negen maanden onder het hart gedragen had en Dat de Zoon van God was, daar zag lijden en sterven. Toen heeft Hij aan het kruis met stervende lippen gezegd: ‘Zie uw moeder.’ ‘Johannes, zorg voor Mijn moeder.’ Hij is Zijn moeder niet vergeten, tot in het laatste uur van Zijn leven. Wat een kindertrouw!

Hij was de overheid gehoorzaam, want Hij sprak, toen ze Hem wilden verleiden: ‘Geef de keizer wat des keizers is.’ ‘Wiens beeltenis staat er op de munt?’ ‘Van de keizer.’ ‘Betaal je belasting en geef zo de keizer wat des keizers is.’

 

Zelfs op Zijn kruisweg heeft Hij geen klacht geuit tegen de misdadige behandeling van de ─ wettige ─ overheid. Ze hebben een spotkoning van Hem gemaakt. Hij heeft dat alles verdragen. Zie je Hem staan met Zijn doornenkroon en met die spotmantel om Hem heen. Zie de wonden van de geselslagen op Zijn rug en het bloed dat van Zijn slapen afloopt.

Zo draagt Hij de drukkende toorn van God voor onze ongehoorzaamheid aan God, aan vader en moeder, aan de meester of de juf en allen die over ons gesteld zijn.

Daar stond Hij, de gehoorzame, lijdende Knecht des Vaders.

Hij heeft de wet volbracht, ook het vijfde gebod. Wat is het voor een gebod? Een gebod met een belofte, want Hij verwierf het leven. Zijn dagen zijn verlengd. (Jesaja 53) Hij is opgestaan uit de dood. Schuldbetalend en plaatsbekledend heeft Hij voor heel Zijn Kerk het eeuwige leven verworven.

 

Hij heeft de straf gedragen voor onze overtredingen van Gods wet, ook van het vijfde gebod. Bij Hem is vergeving, genezing, eeuwig leven te vinden. Wie tot Hem komt, mag zijn schuldige handen ophouden en uit Zijn doorboorde handen schuldvergeving en het eeuwige leven ontvangen. Er is vergeving bij Hem en we leren gehoorzaamheid van Hem.

Hij vernieuwt mensen die tot Hem komen en zij raken bij Hem hun schuld kwijt raken.

 

Dan komt het leven der dankbaarheid. We hebben samen gezongen: ‘Om die te doen uit dankbaarheid.’

Dat komt vanuit de doorboorde handen van Christus, de gehoorzame Knecht des Vaders.

Dat komt vanuit de liefde tot Hem en het beeld dat Hij herstelt in ons leven. De navolging van Hem.

Die komt uit bij het kruis van de Heere Jezus. Dan zeggen we: ‘Ja, Heere, ik wil U gehoorzaam zijn. Ik wil U dienen en U volgen.’

 

Dat geldt trouwens ook voor de andere geboden. Het vijfde gebod is het eerste gebod met een belofte, maar die belofte gaat over op de andere geboden.

 

2. De dragers van het gezag

 

De Catechismus noemt een paar gezagsdragers. Wie zijn dat? Vader en moeder en allen die over mij gesteld zijn. Als het gaat over gezagsdragers, dan hoort daar ook hun goede leer en straf bij, die ze, als het goed is, in hun opvoeding immers toepassen. Daar horen zijdelings ook nog even hun zwakheden en gebreken bij. Gezagsdragers zijn namelijk geen volmaakte mensen. Dat blijkt ook; zwak en gebrekkig.

 

We hebben gezien dat alle gezag zijn oorsprong vindt in God. Gods gezag, eerst krachtens de schepping en na de zondeval door het geloof in Christus’ gehoorzaamheid.

De gezagsdragers dragen hun gezag namens God.

 

In de eerste plaats in het gezin, want daar vindt de eerste ontmoeting plaats met het gezag.

Gemeente, het gezinsleven is zo belangrijk. Dat zet een stempel op alle andere gezagsverhoudingen. Dat werkt door. Vraag het maar aan de meester of juf op school. Je proeft aan de houding van de kinderen op school hoe het in het gezin is. Je proeft in heel de maatschappij aan de houding van mensen hoe het in het gezin is geweest. Dat gaat het hele leven mee. Daar is de grondslag gelegd voor alle verdere gezag. Hoe nodig is het dat in het gezin de verhoudingen zuiver zijn en goed, want daar ontluikt het jonge leven! Daar buigt God de jonge takjes als ze nog teer zijn. We lezen immers aan het eind van het antwoord dat het God belieft om ons door hun hand, de hand van vader en moeder, te regeren.

Die hand is het eerst zichtbaar in het gezin. Dat is een hand die je kunt voelen, die je kunt grijpen. Het is de hand die jou bij de hand grijpt en zegt: ‘Kom joh, niet zo dicht bij die sloot. Pas op, anders val je erin. Kom, die kant op!’

De hand die leidt. Het kan ook de hand zijn waar je wel eens een pak op je broek meekrijgt, jongens en meisjes. Dat kan wel eens nodig zijn op zijn tijd. Kohlbrugge zegt: ‘Vader en moeder zijn de twee handen van God, waarmee Hij het kinderleven wil leiden en sturen.’

 

Het vijfde gebod begint eigenlijk niet bij de kinderen maar bij de ouders. Het vijfde gebod veronderstelt een huwelijksleven waarin man en vrouw goed met elkaar omgaan, elkaar liefde en trouw bewijzen. Dat zien de kinderen. De inhoud van het vijfde gebod moeten kinderen leren van hun ouders.

Hoe is ons huwelijk, het leven van vader en moeder met elkaar? In hartelijke liefde, samen zij aan zij, een hulp voor elkaar? Zien we onze kinderen als geleend goed, vaders en moeders? Bedenkt dat als ze achttien, negentien, twintig, eenentwintig jaar zijn, als ze het gezin uitgaan dat ze dan zelfstandig komen te staan in deze wereld, in de maatschappij. Beseffen we dat het uiteindelijk gaat om het Koninkrijk van God, dat daar het gezin ook voor in stand gehouden wordt?

 

En gij vaders ─ en moeders ─ verwekt uw kinderen niet tot toorn, maar voedt hen op in de lering en vermaning des Heeren. Daar gaat het toch om? Het wachtwoord van de opvoeding is ‘liefde’. Niet drillen, dat doe je een hond. Gehoorzaamheid vragen in liefde.

Gehoorzaamheid zonder liefde leidt tot slaafse vrees. Dat mag niet. Dat werkt juist averechts.

Zien ze zo in ons leven de vreugde die we ervaren in de dienst van de Heere? Want, gemeente, een kind ziet zó scherp. Daar hoeven ze helemaal niet zo oud voor te zijn. Een kind ziet in het leven van vader of moeder of hun daden kloppen met hun woorden. Leven we ze voor? Liefde werkt door in heel de opvoeding.

 

Ook als je wel eens iets verbieden moet, als je tegen je kind moet zeggen: ‘M’n jongen, m’n meisje, moet je eens luisteren, jij wilt daar naartoe en ik zeg ‘nee’. Het mag niet!’ ‘Waarom niet?’ Dan moet je niet zeggen: ‘Daarom niet!’ Dan moet je een antwoord hebben en als het kan met de Bijbel erbij. ‘Kijk, hier staat het.’

Er staat natuurlijk niet in de Bijbel: ‘Je mag niet naar de bioscoop gaan of naar de disco of naar een houseparty.’ Dat staat er niet, want die waren er toen nog niet. Maar je kunt er wel iets in vinden waaruit je het kunt afleiden.

‘Zie je wel dat het niet kan? Want daar kun je God niet ontmoeten. Dat wil de Heere niet. Dat hoort niet bij de vreze des Heeren. Dat hoort bij het rijk van de satan en de demonen die ons omringen. Daar moeten we juist tegen strijden. Jij bent voor iets anders bestemd, mijn kind. Jij bent bestemd voor God en Zijn Koninkrijk. Je draagt het stempel van de drie-enige God op je voorhoofd.’

 

Moeilijk, gemeente, vindt u niet? Wat een strijd! Toch blijven strijden, want God vraagt het van ons. Het is een hoge roeping die we hebben van Godswege. Wat hebben we er een wijsheid voor nodig om het goed te doen!

Maar ook bekering, dagelijks. Laten we vooral biddende ouders zijn aan de voeten van de Heere:

‘Heere, geef toch wat ik nodig heb in de opvoeding van mijn kinderen in de vreze des Heeren.’

Aan het gebed van Monica heeft Augustinus middellijkerwijs zijn bekering te danken.

En dat Israël een Samuël kreeg, hing in alles samen met het gebed van zijn godvrezende moeder.

 

Uit de liefde van ouders volgt wat de Catechismus hier verder noemt:

Hun goede leer en straf.

Daar moeten we ons aan onderwerpen. Goede leer, het onderwijs, de vermaning, dat begint bij de ouders, niet bij de meester of de godsdienstleraar op school en ook niet bij de dominee op catechisatie. De school is een verlengstuk van het gezin, van de opvoeding in het gezin.

 

Nu even heel eerlijk, gemeente.

Je kan een drukke baan hebben, een zaak en van alles en nog wat. Hoeveel tijd heb je over voor je kinderen? Zijn we er ook, als ze naar ons vragen? Hoeveel tijd per dag heb je over voor je kinderen? Steek je hand maar in eigen boezem.

‘Ja maar, per dag? Maar als je zo’n drukke baan hebt?’ Dus een drukke baan en geen tijd voor de eeuwige belangen van onze kinderen! Voelt u?

Die goede leer, gemeente, dat is maar niet zo even tussen neus en lippen je mening ten beste geven: ‘Ik vind er dát van. Genoeg ervan!’, maar met ze spreken, onderwijzen vanuit Gods Woord. Gods woorden naspreken en doorgeven. Uit de Bijbel aantonen waarom iets wel of niet mag. Maar vooral heel positief iets doorgeven en voorleven van de dienst van de Heere.

 

We kunnen onze kinderen helpen als we tijd voor ze vrijmaken en met hen spreken en zij aanvoelen dat er tijd voor hen is. Kunnen zij met hun problemen bij ons terecht?

‘Ja, maar ik ben niet zo welbespraakt.’ ‘Ja, maar ik heb niet gestudeerd.’ Dat hoeft niet. Levenswijsheid komt niet in de eerste plaats van de school vandaan, maar van de omgang met de Heere. Dáár komt de levenswijsheid vandaan. Want de omgang met de Heere betekent omgaan met de Bijbel. Dat is het meest wijze boek dat er is, ook voor de opvoeding.

U mag ook bedenken, dat het meest wezenlijke onderwijs doorgegeven wordt in het voorleven. Dat blijft hangen. ‘Mijn vader zei altijd…’ Of: ‘Mijn moeder deed altijd zo.’

 

Goede leer en straf.

Niet alleen goede leer, maar ook straf. Dat betekent straf met een goede bedoeling, tot welzijn van het kind. Tot zijn tijdelijk welzijn, maar ook zijn eeuwig welzijn. Het betekent inhoudelijk een goede straf. Geen onzinnige straf. Geen kinderen beulen of mishandelen uit drift.

Goed straffen is zoals God Zijn volk straft: met pijn in het hart, uit liefde. Hij kastijdt een iegelijk zoon die Hij aanneemt. Dat is een mooi woord voor straf.

Niet onze drift bekoelen: ‘En nú ben ik het zat!’ Daar gaat niets van uit. Straffen in liefde, met pijn in je hart.

Liefde en smart mengen zich in het ouderlijk hart. ‘Mijn kind, ik heb je voor de zonden niet over. Ik heb je voor de dienst van de wereld niet over.’

Als je dan hun zakgeld een keer inhoudt, moeten ze daarin proeven dat het je pijn doet. Goede straf is vooral heel consequent zijn in het straffen en elkaar als ouders niet afvallen. Althans niet waar de kinderen bij zijn, want anders weten ze niet meer waar ze aan toe zijn.

Het valt niet mee, gemeente, om goed te straffen. Wat het betekent om niet te slap en ook niet te streng zijn.

 

Trouwens ook beseffen dat je zelf een zwakke gezagsdrager bent. Dat zegt de Catechismus ook.

Ouders zijn niet volmaakt, jongens en meisjes, houdt daar rekening mee. Ze hebben hun zwakheden en gebreken. Dat maakt ze ook milder in hun straffen.

Belijd het maar eerlijk aan uw kinderen als u fout geweest bent. Dat bevordert alleen maar hun geduld.

Laat altijd aan uw kinderen duidelijk zijn, dat de straf niet bepaald wordt door de overtreding, want dan zou het vergelding zijn, maar dat de straf bepaald wordt door de liefde en het behoud van degene die gestraft moet worden. Zo is het bij de Heere ook.

 

Door altijd maar te straffen, maar ook, door nooit te straffen, is menig gezin te gronde gegaan. Straf uit liefde verbindt kinderen en ouders aan elkaar. Hoe ik dat weet?

Geestelijk is dat ook zo, het is naar de Heere toe ook zo. Er zijn mensen die kunnen zeggen:

‘Ja, het is waar. De Heere wilde mij wel hard kastijden, maar Hij stortte mij niet in de dood. Hij verzachtte vaderlijk mijn lijden en het heeft me meer aan de Heere verbonden. Hij kastijdt een iegelijk zoon die Hij liefheeft. Dank u, Heere, dat U toornig op mij geweest bent.’

Als je er middenin zit, is het moeilijk. Maar achteraf?

Maar de toorn is afgekeerd en Gij troost mij.

De Heere doet het om ons dichter aan Zijn voeten te brengen.

‘O God, wat bent U nog goed! U had mij voor de zonde niet over. U liet me niet gaan, maar U zorgde voor iets waardoor ik opnieuw aan Uw voeten terecht mocht komen. O Heere, geef me toch niet over aan de dwaasheid van mijn hart. Straf mij met medelijden, gelijk een vader doet.’

 

Laten we samen zingen over die straf van God uit liefde, uit Psalm 103 vers 5 en 7:

 

Hij zal Zijn volk niet eindeloos kastijden,

Noch eeuwiglijk Zijn gramschap ons doen lijden;

Hij is het Die ons Zijne vriendschap biedt;

Hij handelt nooit met ons naar onze zonden;

Hoe zwaar, hoe lang wij ook Zijn wetten schonden,

Hij straft ons, maar naar onze zonden niet.

 

Geen vader sloeg met groter mededogen,

Op teder kroost ooit zijn ontfermend’ ogen,

Dan Isrels Heer’ op ieder die Hem vreest.

Hij weet wat van Zijn maaksel zij te wachten;

Hoe zwak van moed, hoe klein wij zijn van krachten,

En dat wij stof, van jongs af, zijn geweest.

 

Het gezag als het eerste gebod van God met een belofte.

We hebben gelet op de oorsprong van het gezag ─ God ─ en de dragers van het gezag ─ vader en moeder en allen die over ons gesteld zijn ─

 

Nu over

 

3. De onderwerping aan het gezag

 

Nu komen jullie aan de beurt, jongens en meisjes.

Hoewel toch ook weer niet alleen jullie, want dit gebod houdt niet op als je achttien jaar bent, als je meerderjarig wordt, maar het gaat door, heel je leven.

Wat moeten we?

 

Alle eer liefde en trouw bewijzen.

Eert uw vader en uw moeder.

Gij zult uw ouders need’rig eren.

Nederig, dat is een mooi woord.

In de Hebreeuwse taal betekent ‘eren’: zwaar laten wegen, gewichtig achten, er veel betekenis aan hechten.

Waaraan? Aan de adviezen, aan de leiding van vader en moeder. Het woordje ‘eren’ zegt dus méér dan alleen maar gehoorzaamheid. Het is gehoorzaamheid in liefde, in respect, in hoogachting voor vader en moeder. Waarom? Omdat het God belieft om ons door hun te regeren, omdat het God belieft dat zij ons bij de Hem brengen. Gezag heeft recht op ontzag, omdat God vader en moeder bekleedt met dat gezag. De Heere wil ons door hen leiden tot Hem, tot Zijn dienst, tot een leven voor Hem.

Als je dat beseft, spreek je nooit minachtend over vader of moeder. Vreselijk als je niet met respect spreekt over je ouders! Dan heb je geen ontzag in liefde. Als je dat respect hebt, snauw je moeder niet af.

Er staat in Exodus 21 vers 17: Wie ook zijn vader of zijn moeder vloekt, die zal zekerlijk gedood worden. Je eert je ouders, want wie zijn ouders verwerpt, verwerpt God, Die achter hen staat. Gods Woord zegt: Diens lamp zal uitgeblust worden in zwarte duisternis. (Spreuken 20:20)

 

Eren en ook liefhebben.

Want eerbied zonder liefde ontaardt in slaafse vrees. Waarom liefhebben? Omdat God dat wil, omdat dat de vervulling van de wet is. Omdat zij ons liefhebben als antwoord op Gods liefde.

Wat hebben onze ouders voor ons gezorgd en met liefde omringd toen we nog klein waren!

Hoeveel nachten zijn ze opgestaan als de kinderen ziek waren of pijn hadden of klaagden?

Sommige ouders hebben misschien wel het eten uit hun mond gespaard of zich dingen ontzegd om het aan hun kinderen te kunnen geven.

Dag en nacht staan vader en moeder voor je klaar.

En daarom: liefhebben, niet alleen met woorden, maar ook met daden.

 

Ook wel met woorden. Het is toch niet vanzelfsprekend als je iedere zaterdagmiddag je weekendtas met wasgoed bij de trommel in de bijkeuken neerploft en er verder niets meer over zegt of over nadenkt. Je hoeft er natuurlijk niet altijd wat over te zeggen, maar weet je, het is ook wel eens fijn als je zegt: ‘Fijn mam, dat je dat voor mij gedaan hebt.’ of ‘Bedankt!’ voor iets wat je vader of moeder veel inspanning kost.

Oók wel met woorden. Weet je, je zult het merken, jongelui, als je getrouwd bent, dan realiseer je je pas goed hoe het vroeger was. Dan waardeer je het nog veel meer.

Daarom, neem mijn advies aan, ook als je nog niet getrouwd bent, dat het heerlijk is als vader en moeder wel eens een woord van waardering horen van jullie, voor de zorg die ze geven aan jou.

 

Het derde:

eren, liefhebben en… trouw bewijzen!

Wat betekent dat? Trouw in dat liefhebben volharden, niet ophouden met eren, betekent dat.

Denk aan Sem en Jafeth, die hun vader blijven eren, zelfs als hij zijn eigen eer te grabbel gooit door dronkenschap. Ze bedekken het met de mantel der liefde. Letterlijk! Trouw blijven, ook als je groot wordt, ook dan op huis blijven aantrekken, niet je genoegen ergens anders zoeken, maar dan blijven meedoen in het gezin.

Dan onttrek je je niet aan het oog van je vader en moeder. Dan neem je niet allerlei beslissingen van verstrekkende aard over je huwelijk of je studie of je toekomstig beroep, zonder hen. Dat betekent het ook: je ouders eren, liefhebben, trouw bewijzen. Je laat hun oordeel zwaar wegen.

 

Trouw bewijzen, ook als de kinderen door hun studie op een maatschappelijk hogere trap gekomen zijn en misschien boven het hoofd van vader en moeder uitgegroeid zijn.

Dat kan niet. Salomo eerde zijn moeder, ook in haar ouderdom. Als onze ouders ouder worden, dan moeten de kinderen ze niet loslaten. Veracht uw moeder niet als ze oud geworden is. (Spreuken 23:22)

Je moet ze trouw bewijzen. Je doet voor ze wat je kunt doen. Dan laat je bij wijze van spreken niet de diaconie voor ze opdraaien, als ze van hun AOW niet rond kunnen komen.

Denk aan Ruth. Ze is trouw; ze zorgt voor haar schoonmoeder. Denk aan Jozef die zijn vader naar Egypte liet komen en voor hem heeft gezorgd.

 

Het tweede wat we hier lezen is:

En mij hunner goede leer en straf met behoorlijke gehoorzaamheid onderwerpe.

De Heere vraagt niet blindelingse gehoorzaamheid.

Je mag je wel vergewissen: ‘Waarom ben ik gehoorzaam? Is het goed wat ze van me vragen?’ Gehoorzaamheid kent grenzen; de grenzen van het Woord. Men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan de mensen.

Mag een ouder een kind vragen om te stelen? Nee, natuurlijk niet, dan moet zo’n kind zeggen: ‘Nee, dat doe ik niet.’ Hij moet Gods gebod meer gehoorzaam zijn dan vader en moeder.

Er staat: een behoorlijke gehoorzaamheid, een christelijke gehoorzaamheid. Het moet in overeenstemming zijn met de wil en wet van God. We mogen dan niet zeggen: ‘Nou, vooruit maar, ze bedoelen het allemaal wel goed.’

We zijn ermee begonnen, gemeente: ‘Zonder gehoorzaamheid wordt niemand zalig.’ Het gaat om onvoorwaardelijke gehoorzaamheid. We moeten ons buigen voor de heilige, goede wet van God.

 

Tenslotte staat er:

Met hun zwakheden en gebreken geduld hebben.

Waarom?

Ik zei al: ‘Wat hebben vader en moeder veel geduld gehad toen we nog jong waren! Wat heeft moeder veel moeten verdragen! Wat heeft vader veel moeten vergeven! Wat hebben we soms niet naar hun hoofd geslingerd!’

Ouders hebben ook hun zwakheden en gebreken. Moeder kan ook te bezorgd zijn. Vader kan misschien te stil of te driftig zijn. Natuurlijk ze zijn niet volmaakt. Ze hebben hun fouten, maar die ga je niet onbarmhartig bekritiseren en naar buiten brengen.

Waarom niet? Nou, als je eens even ziet op je eigen gebreken, als je die leert kennen voor Gods heilig aangezicht, dan krijg je heus wel geduld met een ander.

 

Dan ben je bewogen met ze, vooral als vader en moeder ouder worden en lichamelijke en geestelijke gebreken gaan vertonen. Dan word je niet boos als je iets voor de tweede keer moet vertellen, omdat ze het vergeten zijn of niet goed horen vanwege de doofheid of als hun verstand teruggaat.

 

Het is ontluisterend als dementie toeslaat in het leven van vader of moeder. O, wat ben je dan bewogen in je hart! Dan voel je toch nog zoveel liefde? Als moeder zo’n zwijgzame vrouw wordt, of vader soms opeens vreemde dingen zegt die je hem niet kunt aanrekenen. Geduld hebben en bedekken. Nee, dat is niet altijd gemakkelijk. Dat is soms heel pijnlijk, vooral als vader of moeder het verval van krachten niet kan verwerken en misschien ook nog moeilijk van karakter wordt.

Maar het blijft staan, gemeente, levenslang: Eert uw vader en uw moeder. Want God staat achter hen! Zij hebben ons ook gedragen en verdragen in al die jaren toen wij nog niet tot ons verstand gekomen waren.

Wat hebben wij veel geduld met onze eigen zwakheden! ‘Ik ben nu eenmaal zo.’ Hoeveel te meer moeten we geduld hebben met vader en moeder, als de aftakeling in de ouderdom zichtbaar wordt.

 

Gemeente, wie is tot deze dingen bekwaam? Om dit gebod van God gehoorzaam te zijn? Nou, als u eerlijk bent en ik ook, dan moeten we zeggen: ‘Niemand is daartoe bekwaam.’

O zeker, het kan in je hart liggen om het te doen. De wil is er. Maar ik bedoel volmaakt. Niemand!

Toch, er is er Eén, de Heere Jezus Christus, Die Zijn hemelse Vader heeft geëerd, geliefd, trouw betoond tot in de dood. Die Zich plaatsbekledend voor Zijn volk diep in de schuld liet steken, zó dat Hij moest boeten met de kruisdood op Golgotha. Hij was Zijn vader en moeder altijd gehoorzaam.

Als je daar iets van ziet, wat krijg je dan spijt van de harde woorden die je je vader hebt toegevoegd. Of die snauwende opmerkingen die je moeder zo’n pijn deden, zodat ze zich wel eens omdraaide om de tranen in haar ogen niet te laten zien.

 

Heb je er wel eens spijt van, jongens en meisjes? Kijk op de Heere Jezus! Hij wil het vergeven. Er is een weg om het weer goed te krijgen.

Ga tot Jezus en buig je aan de voet van het kruis voor Hem, Die gehoorzaam was aan Zijn hemelse Vader, tot in de dood toe.

 

Amen.