Ds. H. Brons - Johannes 1 : 11 - 12

Christus als Licht en Leven

De komst van dat Licht
De ontvangst van dat Licht
Het wonder van dat Licht

Johannes 1 : 11 - 12

Johannes 1
11
Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.
12
Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven;

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 147: 10
Zingen : Psalm 147: 6
Lezen : Johannes 1
Zingen : Psalm 19: 3, 4 en 5
Zingen : Psalm 36: 2
Zingen : Psalm 93: 1 en 4

Gemeente, het Schriftwoord dat ik u met de hulp des Heeren mag prediken kunt u vinden in het Evangelie naar Johannes, hoofdstuk 1, de verzen 11 en 12.

 

Wij lezen daar:

 

Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn naam geloven.

 

Ons thema is: Christus als Licht en Leven.

 

Wij letten op drie aandachtspunten:

1. De komst van dat Licht

2. De ontvangst van dat Licht

3. Het wonder van dat Licht.

 

Christus als Licht en Leven. We overdenken ten eerste: de komst van dat Licht. Want in vers 11 lezen we: Hij is gekomen. Deze woorden verwijzen naar een Licht. Christus is dat Licht.

In de tweede plaats letten we op de ontvangst van dat Licht. Want we lezen in het vervolg van vers 11 en het begin van vers 12 de woorden: Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Maar zovelen Hem aangenomen hebben. Er zijn dus twee soorten ontvangst van dit Licht.

Ten slotte zien we het wonder van dit Licht: Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven, kinderen Gods te worden.

 

1. De komst van dat Licht

 

Heeft u weleens een indrukwekkende zonsopgang gezien? De hemel kleurt rood. Daarna verschijnt er een rode bal, die zich langzaam boven de aarde verheft. Het licht komt!

Let erop dat Johannes – door de Geest gedreven – zijn Evangelie begint met Licht. Hij schrijft vaker over dat Licht; je kunt er ook iets over lezen aan het begin van zijn eerste zendbrief. In onze tekstwoorden schrijft hij over de grote rijkdom van dat Licht, waardoor wij kinderen Gods kunnen worden. Licht! Er is een onmetelijke rijkdom daarin te vinden.

 

Net als in zijn zendbrief spreekt Johannes over het begin: In den beginne was het Woord en het Woord was bij God, en het Woord was God (Joh.1:1). God die eeuwig is. En over Zijn Woord dat ook God is en eeuwig is. Deze God zendt Licht naar de wereld.

Zijn Woord is Christus Zelf. Het Licht der wereld is Christus. Hoe krachtig, hoe rijk is het spreken van dit Woord. Dat kun je al zien bij de schepping. Op de eerste scheppingsdag was er licht. Alle dingen zijn door Hetzelve – het Woord – gemaakt, schrijft Johannes in vers 3. Als dat Woord er is en spreekt, dan is er Leven en Licht. In hetzelve was het Leven en het Leven was het Licht der mensen (Joh.1:4). Dat is zo aan het begin van de schepping, die volmaakt is.

Leven en licht zijn nauw aan elkaar verbonden. Vroeger had je geboortekaartjes, waar dit soms op stond. Een kindje heeft het levenslicht aanschouwd. Zo was het ook in den beginne. God sprak, en er was licht en er kwam leven. Hij was het Leven en dat was het Licht. Maar het is donker geworden.

 

Je kunt hierbij denken aan zo’n wintermiddag, als de avond begint te vallen. Het kan schemerig worden zonder dat je het in de gaten hebt. Zo langzaam gebeurt het. Maar ineens merk je dat je weinig meer kunt zien. Je kunt niet meer lezen en het licht moet aan. Het is langzaam donker geworden. Zo is het ook op de aarde donker geworden. Nu is er duisternis. Nu is er de dood. Is dat ook zo langzaam gekomen? Nee, opeens. Radicaal. Door de keuze van Adam en Eva is het donker geworden. In één keer is het leven geweken en schijnt het licht niet meer op deze aarde.

Het Evangelie van Johannes begint met licht, en het verdwijnen daarvan. Misschien zou je dingen over willen doen, maar je kunt de klok niet terugdraaien. We kunnen niet terug naar voor Genesis 3. Wel kunnen we het erger maken. Met onze keuzes bevestigen wij die van Adam om het zelfs nog donkerder te maken. Want we kunnen geen licht brengen. Dat kan de Heere alleen. En nu gaat het toch verder. Want de Heere gaat verder. Hij spreekt van Licht.

 

Het gaat in de preek over licht en duisternis. Soms met andere woorden; over zonde en genade, dood en leven. Hoe vaak heeft dat echt indruk gemaakt? Een voorbeeld: denk aan een bosbrand, aan die enorme hitte en dat verzengende vuur. Langzaam nadert het een woonwijk. Dan kun je blij zijn dat je daar niet woont. Je kunt het snel vergeten en er niet meer aan denken. Weet je wanneer dat niet gaat? Als je er zelf woont. Dan zie je geen vuur van een plaatje, maar heel dichtbij. Je kunt geen kant meer op. Omsloten door de vlammen, middenin een vuurzee.

Maar nu is het vaak zo dat je iets kunt horen over duisternis en zonde zonder dat het je echt raakt; zonder dat we werkelijk beseffen dat het over onszelf gaat. We kunnen heel vaak horen, dat de Heere een Licht is, vol van heiligheid, en rechtvaardigheid. Onze God, zo staat het in Hebreeën 12 vers 29, is een verterend vuur. En dan toch maar zo verder leven.

Weet u wanneer dat anders wordt? Als uw of jouw ogen en hart ervoor open gaan. In vers 13 schrijft Johannes hoe dat kan. Dat komt door een nieuw begin in een mensenhart. Je krijgt een geopend hart, geopende ogen en oren. Dat is niet uit de wil van vlees. Dat brengen wij mensen niet voort, maar het wordt werkelijkheid voor wie uit God geboren is. Het is genade. De Heere maakt een nieuw begin, een nieuw hart. Hij onderwijst u dan en geeft indrukken van Wie Hij is in Zijn Heiligheid en in Zijn rechtvaardigheid. Wij beseffen dan dat we voor Hem niet kunnen bestaan.

Zweeg de Heere toen het donker werd?

Nee, want het Licht schijnt in de duisternis!

Maar de duisternis heeft het niet begrepen. Want er is geen diepe indruk van wat het werkelijk betekent. Je dacht dat het maar een plaatje was, bijvoorbeeld in een boek. Je dacht dat je de bladzij kunt omslaan, en dat het plaatje dan weg is. Zo is het hier met de duisternis.

 

Als de Heere ons uit Hem geboren doet worden, dan merkt u dat uw hart vol opstand en verzet tegen de Heere is. Dan ervaart u het als een groot wonder dat dit Licht tóch schijnt in de duisternis. De duisternis probeert het Licht wel in zijn macht te krijgen, maar slaagt daar niet in. Want de Heere zendt een mens, Johannes, om van dat Licht te getuigen.

Johannes heeft dat Licht gezien, en mocht leven! Hoe is dat mogelijk? Om Gods goedheid. Johannes mocht dicht bij het Licht komen zoals eenmaal Mozes. Hij zag een braambos, dat brandde en niet verteerde. Maar Mozes mocht toch dichterbij komen. Waarom? Omdat de Heere alles voor Mozes doet. De Heere zendt Zijn Licht en Waarheid; Hij zendt Zijn Zoon – het Woord dat het Licht der wereld is. De Heere Jezus is vlees, mens, geworden. In Zijn menswording zal Hij de weg van nederigheid gaan. Hij draagt de vloek, die wij allen verdienen. Door onze zonden was er immers afstand tussen Hem en Zijn Vader. Daarvan mag Johannes getuigen en ernaar wijzen. Over de komst van dít Licht mag hij spreken. Dat Licht is gekomen in het vlees en wil ook komen in mensenlevens en in mensenharten. Het Licht, de Heere Jezus, vraagt om binnen te mogen komen in uw hart, in mijn hart, in jouw hart. Hij zegt: Ik sta aan de deur en Ik klop (Openb.3:20).

 

Het gaat in deze preek over de komst van het Licht. Een eerste ontmoeting met dat Licht, of bij vernieuwing. Het gaat erom dat Hij uw, jouw, hart binnenkomt, binnen mag komen. Johannes getuigt van Hem. Hoe ontvangen mensen die boodschap? Hoe ontvangen mensen dat Woord? Hoe ontvangen mensen dat Leven, dat Licht? We overdenken dat in ons tweede punt:

 

2. De ontvangst van dat Licht

 

Jongens en meisjes, misschien heb je het weleens meegemaakt, bijvoorbeeld met oud en nieuw. Midden in de nacht word je door papa of mama wakker gemaakt, en dan gaat opeens de lamp aan. Je knippert met je ogen. Dan wil je het liefst blijven liggen. Maar je moet kiezen: blijven liggen of je bed uitkomen. Dat is hier de keuze; de verantwoordelijkheid waar mensen voor staan. Kiezen we voor het donker of willen we liever bij het Licht horen? Er zijn maar twee mogelijkheden. Dat Licht is, laat ik het maar eenvoudig zeggen, welkom of niet. Dat kun je in vers 11 lezen: Hij is gekomen tot het Zijne en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Het Zijne gaat over mensen waar God recht op heeft. Maar ze hebben Hem niet ontvangen.

Tóch zijn er geweest die Hem wel hebben aangenomen. Dat staat in vers 12. Maar zovelen Hem aangenomen hebben… Bij hen was het Licht wel welkom.

Het is een Licht dat schijnt in de wereld. Dat is een wonder, want Adam koos voor de zonde, en Noach was geen haar beter. Het hart van de mens is te allen tijde boos. Toch komt de Heere met Zijn Woord en schijnt in de wereld. In het bijzonder over Zijn bondsvolk Israël. Hier op de drempel van het Oude en Nieuwe Testament. Maar wat hebben ze er mee gedaan? Johannes heeft ervan getuigd dat ze het Licht wel zagen, maar dat het riep actief verzet opriep. Duisternis, die zich tegen het Licht verzet.

Denk aan een tegel in de tuin. Je tilt die op. Daaronder is het heel donker en natuurlijk ook een beetje vochtig. Wat zie je dan onder die tegel? Kleine beestjes, insectjes. Je ziet dat ze bang zijn voor het licht. Ze kruipen snel weg. Dat is nu ons bestaan. Ver weg van het Licht. Als de Heere daar ons hart voor opent, word je heel verdrietig. De Bijbel noemt dat droefheid naar God. Bij het bondsvolk Israël merk je die droefheid nauwelijks.

Met het overschrijden van de drempel tussen het Oude en Nieuwe Testament is het Licht tot de kerk, tot ons allemaal, gekomen. Zovelen waren ten diepste vijand, en hebben Hem niet aangenomen (vers 12). Anderen hebben het Woord wél aangenomen. Dat is een belangrijk woord in onze tekstverzen.

 

We lezen over aannemen van Gods Woord. Maar dat kun je toch niet zomaar aannemen? Dat is toch geen werk van een mens? Er zijn mensen die daarmee worstelen, misschien u wel. Wat betekent het aannemen van Gods Woord? Dat we maar proberen goed te luisteren naar wat de Heere zegt in Zijn Woord?

Vers 11 spreekt over aannemen, en vers 12 ook. Er worden twee verschillende woorden gebruikt die veel op elkaar lijken. Toch is er verschil. Wat is het verschil?

Wel, de eerste keer ligt het accent op: ‘iets krijgen waar het mee eens bent’, je krijgt dan iets wat je ook aanvaardt. Niet voor niets gebruikt de Engelse King James vertaling beide keren in plaats van aannemen het woord: ‘ontvangen’.

Het tweede woord voor ‘aannemen’ lees je in vers 12. Daar heeft ‘aannemen’ de betekenis van ‘erkennen’. Dit aannemen brengt een vrijwillige onderwerping met zich mee. Iemand die dit Woord aanneemt, onderwerpt zich aan het gezag van de boodschap en van de Boodschapper.
Bij dit aannemen mag je denken aan een gebaar met onze hand.

In het heilige moment tijdens de instelling van het sacrament van het Heilig Avondmaal, klinken de volgende woorden van de Zaligmaker: Neemt, eet, dat is Mijn Lichaam (Mark.14:22). ‘Aannemen’ en ‘nemen’ hebben veel met elkaar te maken. Jongens en meisjes, welk gebaar hoort daarbij?

Een open, lege hand, die ontvangen mag. Als de Bijbel hier spreekt over aannemen, dan is dat een ontvangen in een geopende en lege hand. Geen gebalde vuist in opstand. Anders kan er niets in. Een hand die heel veel heeft losgelaten.

Maar er zijn er velen geweest die de boodschap niet hebben aangenomen. Die waren het er niet mee eens. Dat kun je zo goed begrijpen als je probeert tot je door te laten dringen wat Gods Woord van mensen, toen en nu, vraagt...

 

Johannes de Doper was een getuige. Velen zijn toegestroomd, maar later hebben velen hem verlaten. Toen hij zijn boodschap bracht in het paleis van Koning Herodes, werd hij opgesloten in de gevangenis.

Hoe komt dat?

Omdat de boodschap van het Licht dingen laat zien die je liever bedekt houdt is. Het vraagt van de mens om zoveel los te laten; de zonde die je uitleeft in het volgen van de begeerten van je hart. ‘Herodes, de vrouw met wie je leeft, is de vrouw van je broer. Ze is je echtgenote niet...’

 

De Bijbel spreekt over Licht dat duisternis zichtbaar maakt. Maar is die boodschap dan niet heel donker en somber? Vraagt deze godsdienst niet veel te veel van mensen? Hun hele hart en hun hele leven? Moet er eigenlijk niet heel veel in de kerk?

Weet u wat we ons altijd moeten afvragen als opvoeders, of als volwassenen?

Of wij tot dat beeld geen aanleiding geven.

Het is immers heel erg als mensen om ons heen denken dat het leven in de dienst van de Heere een harde dienst is. Alsof het geen leven van liefde en van verwondering is. De komst het Licht geeft juist grote vreugde! Er is zoveel loon in het navolgen van Gods geboden. De vreze des Heeren is rein. Zij is schoon, zonder zonde, zonder schuld en smetteloos! De vreze des Heeren is tot genezing en ze brengt u bij de Heere, omdat het Licht van Hem komt.

Mensen die de boodschap afwezen hebben het niet begrepen. Het is niet tot hen doorgedrongen. Ze hebben het niet in hun macht kunnen krijgen. Ze hebben zich er tegen verzet. Het Licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet begrepen. Het kan dus dat de boodschap tot je komt, maar dat je die niet toelaat in je leven. Velen van de Zijnen hebben dat Woord naast zich neergelegd.

 

Gemeente, we denken na over het Licht en dat de hemel geopend is. Christus als het Licht der wereld wil schijnen in de duisternis. Voor ons ligt nu de vraag: Heeft Hij een plaats in ons hart en in ons leven? Of zijn we het niet eens met Hem, niet eens met Zijn Woord?

Zijn dienst is een liefdedienst. Liefde vraagt veel van ons. Zijn we het eens met de boodschap zoals die tot ons komt? Ook wanneer die ons aanklaagt? Zijn we het ermee eens dat Gods Woord eerlijk en rein is, en wij onrein? Dat God de hoge Majesteit en onze Schepper is, en alle eer zo waardig is? Zijn we bereid van onze troon te gaan? Raken we het eens zijn met de aanklacht dat we in zonde ontvangen en geboren zijn en daarom kinderen des toorns zijn?  En met de aanklacht dat wij een zondaar zijn, schuldig zijn onder Gods wet? Begrijpt u dat aannemen instemming vraagt met alles wat de Heere over ons leven zegt? Zijn we het werkelijk eens met Zijn goedheid, die de onze in alles overtreft? Zijn we het eens met Hem in een volkomen overgave aan Hem? Het eens zijn met Hem Die spreekt. Die als een Leermeester en een Heelmeester komt om als een Licht te schijnen in een donkere plaats. Hij zegt: ‘Hier ben Ik. Ik ben uw heil, uw heil alleen.’

 

Om met dit alles van harte in te stemmen kan zo’n worsteling geven. Ook als het gaat over de vraag: Ben ik begonnen of is Hij begonnen? Maar dat aannemen, ontvangen, aanvaarden, en erkennen, is een daad van geloof. De Heere zegt dat onze vuist open moet. Laat los waaraan u en jij zich aan vastklemt. U denkt misschien dat u uzelf reinigen kunt, uw handen zelf kunt schoonmaken. Maar de Heere zegt: ‘Kom maar met die verlorenheid tot Mij. Bij Mij is het Leven.’ Dat ‘eens zijn’ vraagt veel, en boven alles vraagt het een hartelijke overgave. Heeft u dat ervaren in de achterliggende week, in het achterliggend jaar?

Het Licht is bij velen niet welkom, maar door een wonder van genade mag dat ook anders zijn. Als het licht ‘s nachts aangaat, en je knippert met je ogen, dan denk je: ‘Zal ik blijven liggen of toch maar opstaan?’ Velen zeggen: ‘Wij blijven in het donker. We willen liever in het duister en de kou leven, ver bij God vandaan, om zelf koning te zijn…’

Wat ben je dan dwaas!

Maar het kan gelukkig ook anders zijn. Want luister, vers 12 zegt: zo velen Hem aangenomen hebben.

Er is wel een tegenstelling tussen hen die ‘nee’ zeiden en wie Hem aannemen. In dit hoofdstuk lezen we hoe Johannes zelf bij de Heere Jezus gebracht wordt. Aan het eind van het hoofdstuk lezen we dat hij de Meester opzoekt. Johannes wordt van een discipel van Johannes de Doper een volgeling van Christus. Samen met Andreas volgt hij de Heere Jezus. Vele jaren later, weet hij nog van dat moment: het was die tiende ure. Toen ben ik Hem gevolgd en heb Hem mogen aannemen. Want Hij, de Meester, gaf Zich.

Andreas heeft zijn broer Petrus bij Christus gebracht. Dit zijn er drie. En Johannes de Doper als de vierde; mensen in dit eerste hoofdstuk van dit Evangelie van Johannes voor wie het Licht opging.

Er worden enkele bij naam genoemd, maar toch zijn het er velen. Enkelingen, maar samen met al die anderen zijn het er erg veel. Het zijn mensen die zich heel alleen kunnen voelen op aarde, onbegrepen, ook door zichzelf. Maar toch velen. De Heere zoekt op, trekt en geeft. Zovelen Hem aangenomen hebben.

 

Aannemen is een daad van geloven. Alexander Comrie behandelt in zijn prachtige boek – het ABC des geloofs – op volgorde van het alfabet allerlei woorden voor daden van het geloof. Eén van die woorden is aannemen. Comrie verwijst dan naar de wonderlijke daad van het geloof in onze tekst. Hij schrijft dan ook over de hand van het geloof. Een hand die loslaat, die zich niet meer vastklemt aan al het aardse, maar aanneemt. Aannemen is dan een ontvangen. Aannemen als een ‘het ermee eens zijn’. Heere laat Uw Licht maar schijnen op mijn leven. Zegt U maar hoe het is. Wat er niet goed of verkeerd is. Wat er te veel is, en ontbreekt. Maak mij het er maar mee eens. Dát is loslaten.

Bij aannemen, hoef je niet meer te pakken. In de ontmoeting met de Levende mag u het ontvangen. Hij wil Zichzelf geven. Tegelijk is dit een daad van geloof. Het is een hart dat uitgaat naar Hem. Een toegaan en een bereid zijn om de Bruidegom te ontmoeten Die uitgaat. Hij is het Licht, dat komen wil. Hét Licht, in het donker.

 

Er zijn mensen die zeggen: ‘Ik zou kunnen geloven als ik alles wist van de Bijbel en van de Heere.’

Zou dat waar zijn? Als Johannes de apostel in de tiende ure Jezus aanneemt en volgt, weet hij dan alles al?

Johannes heeft Hem dan wel gezien. Toen Johannes voor de tweede keer hoorde: ‘Zie het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt’ (Joh. 1:29), toen zag Johannes Hem en volgde Hem.

Toen erkende Johannes Hem als Onderwijzer, Leermeester en Profeet. Maar dat was pas het begin. De discipelen leren Hem later pas echt leren kennen als Borg en Middelaar, als Priester en Zaligmaker. Maar wel was er al de geloofsdaad en de band met de Levende Christus. Wel was er al een band met Hem, en een lege en geopende hand. Dan ga je naar Hem verlangen. Want in Johannes 4 zegt Jezus zelf tegen de Samaritaanse vrouw: ‘U kent de gave Gods niet.’ Het geschenk van God uit de hemel, kent u niet. U kent het Leven en het Licht niet. Want als u het Licht zou kennen, zou u er wel ernaar verlangen, ernaar vragen en zoeken.’

Het is zo belangrijk wat in ons hart is. Wat ten diepste ons verlangen is. Een begeerte naar de Heere om Hem te kennen, en dorstig te zijn naar levend water.

 

Jongens en meisjes, er woedt een oorlog om het hart van ons allemaal, ook om dat van jou, en ook om het hart van oudere mensen. De duivel voert deze oorlog. De duisternis vecht tegen het Licht. In ons hart heerst vanuit onszelf het donker.

Daarom is een heel belangrijke vraag wat het diepste verlangen van ons hart is. Wie willen we dienen, Wie willen we kennen. Zeg vanavond maar tegen de Heere wat je het allerliefste wilt. Hij hoort zo graag, ook uit de mond van jonge mensen, dat ze Hem als de Eerste willen erkennen in hun leven. Zeg maar tegen de Heere wat in het diepste van je hart leeft. Wat het verlangen van je hart is.

 

Maar, gemeente, het aannemen kan zo’n worsteling zijn. Het moet je toch gegeven worden?

Zondag aan zondag wordt u erop gewezen: Zie het Lam Gods. Is dat niet het welmenende aanbod van Zijn genade? Hij zegt: Zie Ik sta aan de deur en Ik klop. Alexander Comrie haalt onder het woord ‘aannemen’ voor geloven deze laatste nodiging uit de Bijbel aan. Iedere dag geldt: En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet. (Openb.22:17). Als dit uw worsteling is, bent u het dan waardig om dat water te ontvangen, te drinken en om te nemen?

John Flavel zegt: ‘Denk niet dat u het uzelf ooit waardig kunt maken’ U kunt zo schrikken van uzelf. Hoe meer dat Licht in uw hart schijnt, des te meer zien we hoe donker het is in ons hart, hoe er donkerheid heerst; hoe koud het is, en dat de dood daar heerst.’ Flavel zegt verder: ‘Is niet die mens het meest geschikt voor Christus, die beseft dat hij Christus niet waardig is?’

Een hand die leeg gemaakt is. ‘O Heere, zo onrein, en ik kan hem niet schoon maken. Ik kan niet meer meebrengen dan een verloren leven.’ Onze vaders, bijvoorbeeld Hellenbroek, noemden dit vaak in hun preken: onderhandelingen met de Middelaar en Borg. ‘Ik heb niets Heere, U maakt me alleen maar leeg. Moede kom ik arm en naakt, tot de God, die zalig maakt.’

Wat is het een wonder dat Hij ook vandaag met Zijn Woord tot ons komt en zegt: ‘Er is doen aan voor de grootste der zondaren. Is er voor Mijn Zoon plaats in uw, in jouw hart en leven?’

 

Laten we eerst samen het tweede vers van Psalm 36 over de goedheid van de Heere en over Zijn Licht zingen:

 

Bij U Heer is de Levensbron

Uw licht doet klaarder, dan de zon,

Ons ’t heuglijk licht aanschouwen.

Wees die U kennen mild en goed,

En toon d’ oprechten van gemoed

Uw recht waar z’ op vertrouwen.

Dat mij nooit trotse voet vertrapp’,

Noch boze hand in ballingschap

Ellendig om doe zwerven!

Daar zijn de werkers van het kwaad

Gevallen in een jammerstaat,

Waarin zij hulp’loos sterven.

 

3. Het wonder van het Licht

 

Christus als Licht en Leven. We stonden stil bij de komst van dat Licht en de ontvangst van dat Licht. Nu bij het wonder van het Licht.

 

Want dat Licht is al een wonder. Het is zo’n groot wonder als je beseft wat je leven en bestaan ten diepste is. Ons bestaan is zo’n actief verzet tegen het Licht! Wat is het dan een wonder als je Licht mag zien en als het komt in je leven. Dat kan alleen maar verlangen geven naar meer Licht en onderwijs. Dan kun je zo begrijpen dat Simon Petrus zegt: Heere, tot Wien zullen wij heen gaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens (Joh.6:68). Van die lippen stroomt een rijke overvloed van waarheid, onderwijs, Licht en Leven. En dat heeft Petrus nodig.

Ieder van ons heeft dit nodig. Wat ontstaat er veel afstand, als we – ook na ontvangen genade – voor de donkerheid kiezen. Maar tóch kan de Heere die zelfverkozen duisternis verdrijven. Wat geeft dat dan een droefheid naar de Heere om zoveel afstand en opstand. Dan zegt de Heere: ‘Het Licht is een wonder. Maar Ik kom opnieuw nog met dat Licht. Ik laat het nog schijnen, want luister: Zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven, kinderen Gods te worden, namelijk, die in Zijn Naam geloven.’ Als dat Licht komt, dan verandert alles. Wat verandert er dan en hoe? De Heere geeft macht om kinderen Gods te worden…

 

We denken bij het woord macht meestal aan ‘iets zelf kunnen’ of heel sterk zijn. Maar macht betekent hier: Het voorrecht, het wonder, het geschenk, dat u een kind van God mag worden…

Maar die mensen zijn toch al kind van God? Zij zijn toch al wedergeboren? Ze zijn toch al volgens vers 13 uit God geboren? Ze hebben toch al een nieuw begin en een nieuw leven?

Ja, dat is waar. Steeds weer valt het in het Evangelie van Johannes op, hoeveel nadruk hij legt op het vrije en het rijke van Gods werk. Dat Hij de eerste is. Namelijk, die uit God geboren zijn (vers 13).

 

Is het niet vreemd dat iemand die al een kind van God is, het recht krijgt om kind van God te worden. Als je al kind van God bent, heb je dat recht toch al? Wat bedoelt Johannes?

Wel, een klein baby’tje, net geboren, weet al wie zijn moeder en vader is. Het herkent de geur en de stem van vader en moeder. Verder weet zo’n baby’tje nog niets. Zijn naam weet de kleine nog niet, en ook niet van de erfenis die wacht. Pas als het kind groter wordt weet het dat het kind is. Dat bedoelt Johannes en dus de Heere hier. Die heeft het recht om kind te worden. Kind van God.

Dat brengt ons wel bij het onderzoek of we een kind van God zijn. Of God begonnen is in ons leven. Dit zijn moeilijke vragen, maar toch belangrijk om ze te stellen; omdat het gaat over het kindschap, het weten van Gods begin.  Wij moeten het eens worden met God; eens met Zijn oordelen over ons leven. Het eens worden ook met vrije genade, het wonder van het Licht en het aanvaarden en erkennen van dat Licht. Het kennen van Jezus als het Licht, dat schijnt in de wereld en alleen heil brengt.

Voor sommige mensen is dat heel duidelijk. Voor de Apostel Paulus bijvoorbeeld, die vanuit een leven als vervolger van de gemeente Gods tot de Heere bekeerd is. Voor hem was het helder en duidelijk. Voor anderen kan het begin van God zo verborgen zijn dat ze het pas achteraf zien. Maar dat heeft wel met het besef te maken dat de Heere een vuur is. Je kunt het niet zomaar weer vergeten. Het maakt indruk! Maar je kunt tegelijk toch niet bij de Heere vandaan blijven. Je blijft naar Hem en naar dit Licht verlangen; je verlangt verlost te worden, en om vrijheid te krijgen. Er is het verlangen Hem te kennen Die het Licht en het Leven is.

 

Aannemen is het wonder van geloven. Dat geloof gaat ‘mijnen’ zoals Maria spreekt: ‘mijn Heere, mijn Zaligmaker.’ Waar de Heere deze woorden geeft, geeft Hij ook diepe verwondering. Vraag en bid het dan iedere dag: Mag ik Uw kind worden? Mag ik daadwerkelijk ervaren Uw kind te zijn? Dat is geen gebed om twijfel te zaaien, maar juist om aan de troon van de genade te verbinden. Om kind van God te worden, zoals Zijn Woord in onze tekst klinkt. We verlangen dan met bewustzijn, ondervinding, kennis, onderwijs, en nabijheid kind van God te mogen zijn. We bidden dan dat Hij mij bij Zijn troon brengt en vandaaruit bedient. Dat Hij ervoor zorgt dat ik dagelijks met Hem wil beginnen en zonder Hem niet kan leven, dat ik Hem zoek, dat ik niet zonder Hem kan. Dat begrijpt u toch wel?

Mogen alleen Gods kinderen dit bidden?

Nee, iedereen mag bidden om door die nieuwe geboorte een echt kind van God te worden en van deze Leermeester onderwijs te krijgen.

 

Wat verandert er als we kind worden? Dat was onze vraag.

Hij geeft macht om kind van God te worden. Hoe gaat die verandering? Daar eindigt ons tekstvers mee: Namelijk, die in Zijn Naam geloven.

Het valt in het Evangelie van Johannes op dat er zoveel samenhang is. Veel dingen komen terug. Hoe vaker je het leest, des te meer valt dit op. Over het in Zijn Naam geloven lees je in ons tekstvers, maar ook als Johannes aan het slot van hoofdstuk twintig zijn pen lijkt neer te leggen en het Evangelie lijkt af te ronden. Met hoofdstuk eenentwintig neemt hij eigenlijk zijn pen opnieuw op. Het lijkt wel of hij met dat laatste hoofdstuk een nieuw begin maakt. In het laatste vers zegt hij dan: ‘Al deze dingen heb ik geschreven, heb ik moeten schrijven.’ Waarom zeg je dat, Johannes?

Opdat gij gelovende het leven hebt in Zijn Naam. Hier klinkt de echo van ons tekstvers: Namelijk, die in Zijn Naam geloven. Geloven, de daad van het geloof, is dan een ander woord voor aannemen. In het Grieks staat in onze tekst voor aannemen letterlijk: ‘gelovend in Zijn Naam’. Precies hetzelfde woord dat in Johannes 20 vers 31 wordt gebruikt voor ‘geloven’; een geloof dat een opgave is, een ‘het eens zijn met’ de Heere. Het eens zijn met alles wat de Heere zegt en vraagt. Het is een aanvaarden van de Heere, van heel Zijn rijkdom en heel Zijn wijsheid. Hem niet te kunnen missen: ‘Opdat gij gelovende dicht bij Zijn troon bent.’ Het is een ontvangen uit Zijn volheid, een volheid van genade en waarheid. Hem kunt u niet missen, vandaag en morgen niet. Geen dag van ons leven kan zonder Hem.

 

Maar, er kan zoveel duisternis zijn. Er kan zoveel afstand zijn. Is dat u tot schuld geworden? Heeft u onderzocht wat de oorzaak daarvan is, en heeft het u bij de Heere gebracht? Hij zegt: Al deze dingen heb ik laten opschrijven, opdat gij gelovende, het Leven hebt in Zijn Naam. In die Naam ligt het Licht en Leven. Licht en Leven zijn twee namen van de Heere Jezus. In Zijn Naam kunt u alles ontvangen. Zoals die vrouw die in het donker zat. Het was al schemerig. En opeens ging de lamp aan en kon je aan haar vinger een ring zien. Het was een gewone ring, maar er viel iets heel erg op. Wat dan? Er zaten edelstenen aan, die schitterden in het licht. Het geloof is als een ring, versierd met edelstenen. Geloof mag ontvangen. Geloof mag aannemen en Christus schenkt edelstenen. Dat zijn parels van Zijn volheid, van Zijn genade, van Zijn verlossingwerk. Wat een voorrecht om zo de Parel van grote waarde te zien glanzen, Christus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid en heiligmaking en verlossing (1Kor.1:30). Een volkomen verlossing! Verlossing van vijanden, van banden van de dood, van zonden en duisternis. Verlossing, bediend uit Zijn volheid.

 

Gemeente, we gaan eindigen. Christus is het Licht en het Leven. Zit u nog met kettingen vast aan de zonde en aan de dood? Kiest u liever voor het donker of verlangt u naar het Licht? Of mag u belijden: Bij U, Heer’, is de Levensbron. Uw Licht is klaarder dan de zon.

Hij komt nog tot ons en klopt aan de deur van ons hart. En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet (Openb.22:17).

 

Amen.

 

Psalm 93 vers 1 en 4:

 

De HEER’ regeert; de hoogste Majesteit,

Bekleed met sterkt’, omgord met heerlijkheid,

Bevestigd d’ aard’, en houdt door Zijne hand

Dat schoon gebouw onwankelbaar in stand.

 

Uw macht is groot, Uw trouw zal nooit vergaan;

Al wat Gij ooit beloofd hebt, zal bestaan.

De heiigheid is voor Uw huis, o Heer’,

Eeuw uit, eeuw in, tot sieraad en tot eer.