Ds. M. Karens - 3 Johannes 1 : 11

Het kortste Bijbelboek

De lof over Gajus
Een klacht over Diótrefes
Het getuigenis over Demétrius

3 Johannes 1 : 11

3 Johannes 1
11
Geliefde, volgt het kwade niet na, maar het goede. Die goed doet, is uit God; maar die kwaad doet, heeft God niet gezien.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 67: 2
Lezen : 3 Johannes
Zingen : Psalm 119: 4 en 24
Zingen : Geb. des Heeren: 3
Zingen : Psalm 145: 4

Gemeente, met Gods hulp willen we de derde zendbrief van de apostel Johannes overdenken. Ik lees u daarvan het elfde vers, waar het Woord van God aldus luidt:

 

Geliefde, volg het kwade niet na, maar het goede. Die goed doet, is uit God; maar die kwaad doet, heeft God niet gezien.

 

We schrijven onder deze brief: het kortste Bijbelboek, en we letten op drie gedachten:

  1. de lof over Gajus (vers 1-8);
  2. een klacht over Diótrefes (vers 9-11);
  3. het getuigenis over Demétrius (vers 12-15).

 

  1. De lof over Gajus

Geliefden, opnieuw een briefje van Johannes, de apostel der liefde, zoon van Zebedeüs, een discipel, leerling op de leerschool van de grote Meester. Het is zijn derde brief, vermoedelijk geschreven vanuit Efeze, kort na zijn tweede brief. We spreken dan over het einde van de eerste eeuw, omstreeks het jaar 90.

De brief heeft de vorm van een Griekse brief, net als de tweede. Eerst wordt de afzender genoemd – de ouderling – en vervolgens het adres: aan den geliefden Gajus. Als derde staat er een wens: Geliefde, vóór alle dingen wens ik, dat gij welvaart en gezond zijt, gelijk uw ziel welvaart. Het onderwerp van deze brief komt daarna.

 

Johannes noemt zichzelf hier weer de ouderling, net als in zijn tweede brief.

Het is u misschien opgevallen dat het hier niet zozeer gaat over de leer. In zijn tweede brief lezen we daar veel over, als hij schrijft over de antichrist en verleidende machten. In deze brief gaat het meer over het praktische gemeenteleven. We krijgen in dit kortste Bijbelboek een inkijkje in de christelijke gemeente aan het eind van de eerste eeuw.

Weet u wat ik dacht? Het was toen al net als vandaag: mooie dingen (mensen waarover met lof gesproken wordt) en verdrietige dingen. In al die eeuwen is er nog niet veel veranderd, want hier klinkt de lof door over Gajus en Demétrius, maar ook de klacht over Diótrefes.

We zien dus alle eeuwen in de christelijke gemeente verblijdende dingen, wanneer er iets mag worden opgemerkt van het genadewerk in jongeren en ouderen, zoals we hier mogen lezen dat er bij Gajus een wandelen in de waarheid is. Maar we zien ook verdrietige dingen, zoals zo’n verwoester als Diótrefes, die de eerste wilde zijn. Daarnaast lezen we ook een goed getuigenis over Demétrius.

In de christelijke gemeente komt in alle eeuwen het werk van God openbaar en het werk van de vorst der duisternis. Dat is de strijd in de gemeente van Christus. Waar dat Goddelijke genadewerk mag worden verheerlijkt, bouwt de satan zijn kapel.

 

Het is een persoonlijke brief, gericht aan den geliefden Gajus, welken ik in waarheid liefheb. Wie deze Gajus is, weten we niet. Het is een veelvoorkomende naam in die tijd. We vinden er een stuk of drie in de Heilige Schrift.

De kanttekenaren wijzen er ook op: ‘Wie deze Gajus geweest is, wordt nergens elders verklaard, tenzij hij een van die is geweest waarvan men leest (…)’, en dan volgen er vier verwijsteksten uit de nieuwtestamentische brieven waarin we de naam ‘Gajus’ tegenkomen: een reisgenoot van Paulus, een man uit Derbe en de gastheer van Paulus in Korinthe, waarvan hij schrijft dat hij hem gedoopt heeft. Zij komen niet in aanmerking voor de Gajus die Johannes in zijn derde brief noemt.

Het is ook niet het belangrijkste.

 

Het belangrijkste is dat er staat: aan den geliefden Gajus, welken ik in waarheid liefheb.

Er blijkt een hartelijke genegenheid tot deze persoon te zijn, een band van liefde tussen de ouderling Johannes en deze gerespecteerde broeder. In dit korte briefje noemt Johannes hem drie keer ‘geliefde’. Johannes zegt erbij: welken ik in waarheid liefheb. Het zijn niet zomaar wat goede wensen waar je je eigen gedachten over kunt hebben. Johannes bedoelt hier dat hij Gajus in oprechtheid hartelijk liefheeft.

Weet je hoe dat komt? Omdat Gajus door God geliefd is. Voor deze voor ons onbekende man ergens uit een van de gemeenten in Turkije, geldt: Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid (Jer.31:3).

Daarom is hij ook geliefd bij allen die de Heere vrezen; dat gaat altijd samen. Als wij door Gods genade mogen weten: Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft (1Joh.4:19), dan zal er, ondanks allerlei karakterverschillen of andere mogelijke zaken, iets gevonden worden van: ‘Ik ben een vriend, ik ben een metgezel van allen die Uw Naam ootmoedig vrezen.’

 

Aan den geliefden Gajus, welken ik in waarheid liefheb – hier klinkt iets door van de gemeenschap der heiligen. Dat was toen waar, in de eerste eeuw, maar dat is ook vandaag nog waar. Allen die door een waar geloof Christus zijn ingelijfd, in gemeenschap met Hem mogen leven, zullen ook hun gaven en alles wat ze bezitten ten nutte van hun naasten besteden.

Dus: door God geliefd en door Gods kinderen geliefd. Ben je dan gelukkig of niet? Al weten we verder niets van die man, welgelukzalig is Gajus.

Het zou kunnen zijn dat hij een voorganger was in een van die gemeenten of een gewoon lid. In zo’n onbekende gemeente had hij een plaats.

 

Johannes gaat aan deze lieve vriend een brief schrijven. Eerst doet hij een wens: Geliefde, vóór alle dingen wens ik, dat gij welvaart en gezond zijt, gelijk uw ziel welvaart. Je mag het ook zien als een gebed, want het Griekse woord dat hier gebruikt wordt voor ‘wens ik’, wordt in de Statenbijbel soms vertaald met ‘bid ik’. Dus Johannes wenst en bidt het voor Gajus.

Vóór alle dingen – de kanttekenaren schrijven daarbij: ‘Of in alles.’ Johannes wenst en bidt dat het hem in alles goed mag gaan naar het lichaam. Dat roept bij veel verklaarders de vraag op of hij misschien ziek of zwak was en Johannes dat wist. Het is mogelijk dat zijn goede vriend veel lichamelijke klachten had. Ik wil u niet onthouden wat ik las bij Matthew Henry: ‘Genade en gezondheid zijn twee rijke bondgenoten. (...) Niet zelden woont een rijke ziel in een zwak lichaam.’ Vele rampen, vele zorgen zijn des vromen lot.

Dan staat er zo wonderlijk achter: gelijk uw ziel welvaart. Johannes is ervan overtuigd dat het met zijn vriend naar de ziel, de geestelijke omstandigheden, goed gaat.

 

Mag ik onder uw ziel een streepje zetten, jonge vrienden? Zeg eens eerlijk: heb je eraan gedacht dat je niet alleen een lichaam, maar ook een ziel hebt? Hier is een man die misschien een zwakke gezondheid en zorgen heeft, maar zijn ziel vaart wel.

Weet je wat een ziel is? Dat is het diepste innerlijk, de kern van een mens. Die komt bij God vandaan, de grote Schepper, en is onsterfelijk. Dat is onze geest. Van nature vaart onze ziel niet wel, want die is losgescheurd van God, vervreemd van onze Schepper en afgeweken van onze Formeerder. Onze ziel vaart dan rechtstreeks naar de buitenste duisternis.

Knoop het nu eens in je oren en vraag of God het wil afdrukken in je hart dat Christus heeft gezegd: Want wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewint, en lijdt schade zijner ziel? Of wat zal een mens geven – met al zijn welvaart – tot lossing van zijn ziel? (Matth.16:26). Zoek toch je ziel als een buit uit te dragen. Dat het je gebed mag zijn: ‘Och Heer’, och wierd mijn ziel door U gered!’ Welvaart en gezondheid zijn grote schatten, maar hoe staat het met je ziel? ‘Mijn ziele, doorziet gij uw lot? Hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor God?’

 

Waaruit bestaat dan de welvaart van de ziel? Wanneer gaat het goed met de ziel?

Waar welvaart uit bestaat in het tijdelijk leven, dat snappen we. Dan kijken we met zulke ogen naar een groot huis, een schip of een auto – al dat soort zaken.

Maar wat is nu de welvaart van de ziel? Gemeente, dat is door Goddelijke genade en het werk van de Heilige Geest wedergeboren zijn tot een levende hoop – de grootste zegen die we kunnen ontvangen. Maar God, Die rijk is in barmhartigheid door Zijn grote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft, ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus; (uit genade zijt gij zalig geworden) (Ef.2:4‑5).

Dan ontvang je, uit vrije genade, al die schatten, zegeningen en geestelijke gaven: geloof, bekering, vergeving en heiliging. Dan mag je op goede gronden weten dat je onderdaan bent van het Koninkrijk Gods, in de weg van wedergeboorte: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien (Joh.3:3).

Weet ieder kind van God in dezelfde mate van deze enige troost in leven en in sterven? Nee, er kan veel strijd zijn, maar waar de Heere dat genadeleven begon, zal Hij het ook voleindigen. Want door het zaligmakende geloof weet ik ‘dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christen eigen ben, Die met zijn dierbaar bloed voor al mijn zonden volkomenlijk betaald heeft’. Geborgen in een drie-enig God: door Christus verlost, door de Vader bewaard, door de Geest getroost, geleid en verzekerd.

Neem die vraag eens mee: hoe staat het met mijn ziel? Rust niet voordat u uw ziel tot een buit hebt uitgedragen.

We zien in deze wens, deze groet en dit gebed dat er in de christelijke gemeente alle eeuwen door oog moet zijn voor zowel geestelijke als stoffelijke zorgen (zorgen over de gezondheid, maatschappelijke zorgen, enzovoort). Johannes wenst dat Gajus gezond is en welvaart, zoals ook zijn ziel mag welvaren. In kanttekening 5 schrijven onze vaderen: ‘Namelijk daar zij begaafd is met de kennis der zaligmakende en gezonde leer, en met velerlei christelijke deugden; dat, gelijk gij een gezonde ziel hebt, gij zo ook een gezond lichaam moogt hebben.’

 

Nu komt Johannes tot de eigenlijke inhoud van de brief: Want Ik ben zeer verblijd geweest, als de broeders kwamen, en getuigden van uw waarheid, gelijk gij in de waarheid wandelt. Johannes heeft een goed bericht gehoord. Hij is waarschijnlijk in Efeze, waar hij op hoge leeftijd nog als predikant mag dienen. Daar had hij enkele broeders ontvangen, die gesproken hadden over Gajus. Ze hadden gevraagd: ‘Dat is toch een lieve vriend van je?’

Het is een voorrecht om broeders te mogen ontmoeten. Alleen al in het spreken over de wegen des Heeren ligt blijdschap. Of ken je dat niet? Verlang je er niet naar om te mogen horen wat de Heere gewerkt heeft? Maar Johannes was vooral verblijd door het getuigenis van de broeders dat Gajus in de waarheid wandelt.

Deze broeders hebben dus positief gesproken over wat ze gehoord en gezien hebben in het leven van Gajus. Zegt Prediker niet: Beter is een goede naam, dan goede olie (Pred.7:1)? Deze man mag een goede naam hebben onder Gods volk. De apostel schrijft letterlijk: ‘Ik heb mij zeer verheugd toen ik dat mocht horen.’ Ze hebben getuigd van de vreze Gods van deze man en hoe Gajus daarin mocht wandelen. Hij kénde de waarheid; hij leefde daaruit en wandelde erin.

In zijn tweede brief schrijft Johannes dit ook al. Daar lezen we in het vierde vers: Ik ben zeer verblijd geweest, dat ik van uw kinderen gevonden heb, die in de waarheid wandelen. Kanttekening 14 zegt: ‘Dat is, de ware leer van het Evangelie belijden, en hun leven daarnaar aanstellen, volgens de geboden Gods.’ In de waarheid wandelen is: de ware leer van het evangelie door het zaligmakende geloof kennen, je leven inrichten met een hartelijke lust en liefde om naar al de geboden Gods te wandelen. ‘Gun door ‘t geloof in Christus krachten, om die te doen uit dankbaarheid.’

 

Die broeders hebben getuigd van het leven van Gajus. Ze zagen dat hij leefde als een leerling en een volgeling van de Heere Jezus Christus, Die de Waarheid (met een hoofdletter), de Weg en het Leven is. Ze hebben gezien dat hij door een oprecht geloof, gewerkt door de Heilige Geest, deze Zaligmaker mocht volgen, Hem van wie de apostel zegt: Die ons Leven is (Kol.3:4). Het was zijn dagelijks gebed: ‘Leer mij naar Uw wil te hand’len, ‘k zal dan in Uw waarheid wand’len; neig mijn hart, en voeg het saâm, tot de vrees van Uwen Naam.’

Het kwam uit in zijn woorden en wandel. Leg dan uw leven er maar naast. Er wordt wat afgepraat en geredeneerd zonder geloof. Maar andersom is het onmogelijk dat zij die Christus zijn ingelijfd niet zouden voortbrengen vruchten der dankbaarheid. Het zal openbaar komen in ons leven waar ons leven is.

Matthew Henry schrijft over dat getuigenis van de broeders: ‘Hetgeen omtrent Gajus getuigd werd. De waarheid die in hem was, de werkelijkheid van zijn geloof, de oprechtheid van zijn godsvrucht, zijn toewijding aan God, en dit alles werd bewezen door zijn liefde.’

Ben je dan geen gelukkig mens? Zijn zij geen leesbare brieven in die gemeente in Klein‑Azië?

 

Johannes mag nog meer schrijven. Niet alleen is hij verblijd over Gajus’ leven, maar hij heeft ook geen meerdere blijdschap dan hierin, dat ik hoor, dat mijn kinderen in de waarheid wandelen.

Deze tekst wordt in bijna bij iedere trouwdienst gebruikt. Misschien bent u, als u een aantal getrouwde kinderen hebt, regelmatig toegesproken met deze woorden.

Hebt u het weleens mogen horen dat uw kinderen in de waarheid wandelen? Zijn er ouders of grootouders die met Johannes daarover verblijd zijn? Ik zeg vaak bij een trouwdienst: ‘Het is een voorrecht als je kinderen niet afdwalen, als ze onder de waarheid léven, waar het Goddelijk getuigenis – in alle gebrek – nog wordt verkondigd, in de volheid van wet en evangelie. Het is echter ook een verantwoordelijkheid.’ Maar als ik hoor dat mijn kinderen in de waarheid wándelen, dan is dat vrucht van een Goddelijk genadewonder.

 

Johannes heeft het niet over de kinderen van Gajus of van anderen. Met mijn kinderen bedoelt Johannes hier volgens kanttekening 8 zijn discipelen, die door de prediking van het evangelie zijn gebaard, zoals Paulus dat zegt van de Korinthiërs. Johannes is verblijd door het getuigenis van zijn kinderen, die door Gods genade geestelijke kinderen zijn geworden. Johannes’ prediking van het evangelie droeg vrucht door de kracht van de Heilige Geest.

Dat is toch de vreugde voor rechtgeaarde ouders, grootouders, ambtsdragers, als ze iets mogen horen van ritselingen van het genadeleven of doorbrekend werk.

Mag Johannes wel ‘mijn kinderen’ zeggen? Ik heb altijd geleerd dat ik niet ‘mijn’ gemeente mag zeggen: de gemeente is niet van mij, maar van Christus. Zij is de kudde van de grote Herder der schapen.

Uiteindelijk zijn het niet Johannes’ kinderen. Toch mag Johannes dit wel zeggen. Met vaderlijke liefde en herderlijke zorg mag hij ze zien als vrucht op zijn bediening en ze verzorgen, beschermen, bewaren en bestraffen.

 

Ik moet altijd denken aan Calvijn met Idelette van Buren. Zij kregen één kind en dat stierf heel jong. Toen werd in Rome het ‘Te Deum’ (Wij loven U, o God) aangeheven. Er was vreugde in Rome bij de paus en allen die bij hem waren, want ze zeiden: ‘Voor zo’n ketter is één kind nog te veel.’ Calvijn hoorde al die spot en laster. Toen zei hij: ‘Mijn kinderen zijn meerder dan de kinderen van velen. Mijn kinderen mogen in heel Europa leven.’ Want door het zaad van het woord van deze grote hervormer zijn er velen van nieuws geboren.

Op die manier zegt Johannes ‘mijn kinderen’.

Daarom, ouders: is het nu je uitzien om met Johannes te mogen instemmen?

Gemeente, is onze levenswandel tot blijdschap voor Gods kinderen? Neem dat eens mee in je gedachten. Zijn er kinderen van God die net als Johannes verblijd mogen zijn als ze ons zien wandelen? Of zullen ze schrikken als ze ons onderweg tegenkomen?

Laten de praktische lessen uit deze korte brief ons opscherpen.

 

Dan begint Johannes over het kernonderwerp (vers 5): Geliefde, gij doet trouwelijk, in al hetgeen gij doet aan de broederen en aan de vreemdelingen, die getuigd hebben van uw liefde, in de tegenwoordigheid der gemeente; welken indien gij geleide doet, gelijk het Gode waardig is, zo zult gij wel doen. Hier stelt hij de christelijke gastvrijheid aan de orde, hoe de goede werken mogen dienen voor het Koninkrijk Gods. Daarom prijst hij Gajus, want hij heeft zulke goede berichten hierover gekregen. Ten diepste prijst hij hém niet, maar het werk van God in hem. ‘Al wat Gij wrocht, zal juichen tot Uw eer.’ Het geloof dat door de liefde werkt, komt openbaar.

 

Er was toen geen geordend gemeenteleven zoals wij dat nu kennen, maar er reisden veel predikers rond. Die gingen van de ene naar de andere gemeente en dienden zich aan. In zijn tweede brief heeft Johannes geschreven over heilige ongastvrijheid, en de uitverkoren vrouw en haar uitverkoren kinderen gewaarschuwd voor dwaalleraars: Ontvangt hem niet in huis, en zegt tot hem niet: Zijt gegroet (2Joh.:10).

In deze derde brief wordt Gajus geprezen vanwege zijn gastvrijheid. De rondreizende predikers hadden onderdak nodig en voedsel. Zij reisden soms stad en land af. Denk eens aan Paulus, aan wat hij heeft afgelopen, in welke gevaren hij is geweest en wat hij allemaal heeft gedaan. Wat als ze dan in een gemeente kwamen en alle deuren op slot gingen? Het was zo belangrijk voor de verbreiding van het evangelie dat de rondreizende predikers werden opgevangen. Ze waren sterk afhankelijk van de hulp in de gemeenten.

Zo heeft Gajus getrouw de broeders en vreemdelingen (onbekende kinderen van God) gastvrij opgenomen in zijn huis. Over die vreemdelingen zegt kanttekening 11: ‘Dat is, die behalve dat zij broeders en gelovigen zijn, ook om des Evangelies wil in vreemde landen zich moeten ophouden.’ Volgens onze kanttekenaren wordt hier op twee soorten mensen gedoeld: predikers van het evangelie en kinderen van God die verjaagd waren door haat en vervolging en zo vreemdelingen waren geworden. Ook toen al waren de christenen over de wereld verspreid.

 

De broeders hebben getuigd van Gajus’ liefde. In al hetgeen, staat er in vers 5. Dat is, dat gij hen in uw huis ontvangt, herbergt en onderhoudt.’ Hij heeft ze onderdak, rust en voedsel gegeven. We zouden vandaag de dag zeggen: ze kregen bed, bad, brood en de Bijbel. Matthew Henry zegt ervan: ‘Dat zij Christus toebehoorden, was genoeg om hun toegang in Gajus’ huis te verschaffen.’ De reuk van Christus deed de deur opengaan bij Gajus en hij ontving ze in zijn huis. Daarvoor gaat Johannes hem hier prijzen. Dat is ook in de bijeenkomst in Efeze gebeurd, lezen we in vers 6.

De gastvrijheid van deze man was opvallend. Straks zullen we horen over een ander, Diótrefes, die de gemeente opriep om de rondreizende broeders níet te ontvangen. Daarom blinkt hier Gods genadewerk. Gajus was een voorbeeld van de christelijke herbergzaamheid. Vergeet de herbergzaamheid niet; want hierdoor hebben sommigen onwetend engelen geherbergd (Hebr.13:2). Hij deed dat tot eer van God. Deze predikers waren uitgegaan in de Naam van Christus, voor de zaak van de Heere (vers 7), zonder geld en reistas. Daarom kregen ze onderhoud. De Heere wilde ze gebruiken om in de heidenwereld Zijn Kerk te vergaderen door Geest en Woord.

Ze deden het voor niets, in tegenstelling tot die filosofen en heidense profeten, want zij vroegen alles van de mensen en gemeenten. Maar in onze tekstwoorden staat: Want zij zijn voor Zijn Naam uitgegaan, niets nemende van de heidenen.

 

Wat mogen we hier de lofprijzing horen van de apostel Johannes over het werk van God in het leven van deze onbekende Gajus. We hadden misschien nog nooit van hem gehoord, maar hij mocht een medearbeider zijn in het Koninkrijk Gods. Weet je wat dat betekent? Ze werden ontvangen in Gajus’ huis en dat diende tot bevordering van de prediking der waarheid. Daarmee was hij een hulpmiddel in de voortgang van het evangelie. De heilsboodschap van de verlossing die er is in de enige Naam moest worden verkondigd in de heidenwereld.

Dan word je niet allemaal dominee, prediker of evangelist, maar Gajus mocht medearbeider worden. Johannes mag die medearbeider in het koninkrijk van God prijzen. Indirect mogen het thuisfront van de zending en zij die arbeid verrichten voor de evangelisatie, medearbeiders zijn, zodat de waarheid verkondigd kan worden.

 

We gaan onze eerste gedachte besluiten en daarna gaan we zingen.

Ik heb nog een vraag: wat zou Johannes schrijven als hij aan jou een briefje schreef?

Gemeente, wat zou Johannes schrijven als hij een paar woorden, een kort briefje net als hier, aan u zou richten? Leeft u wel ónder de waarheid, maar hebt u nog nooit gewandeld ín de waarheid? Hebt u wel geloof, maar een dood geloof? Want een geloof zonder de werken is dood, schrijft Jakobus. Gij hebt het geloof, en ik heb de werken. Toon mij uw geloof uit uw werken, en ik zal u uit mijn werken mijn geloof tonen (Jak.2:18).

 

We gaan nog een ander gemeentelid zien, maar eerst gaan we zingen van het Gebed des Heeren vers 3.

 

Uw Koninkrijk koom’ toch, o Heer’!

Ai, werp den troon des satans neer;

Regeer ons door Uw Geest en Woord;

Uw lof word’ eens alom gehoord,

En d’ aarde met Uw vrees vervuld,

Totdat G’ Uw Rijk volmaken zult.

 

  1. De klacht over Diótrefes

Ik heb aan de gemeente geschreven; maar Diótrefes, die onder hen zoekt de eerste te zijn, neemt ons niet aan. Volgens de verklaarders is er eerst een brief gegaan naar de gemeente waar Diótrefes een belangrijke plaats innam. Diótrefes heeft deze brief achtergehouden, omdat hij de aanklacht en de leer die de apostel der liefde hierover had geschreven, afwees.

Wie is Diótrefes eigenlijk? Matthew Henry schrijft zo treffend: ‘Zijn naam, een heidense naam: Diótrefes, die een onchristelijk gemoed vergezelt.’ Dat is kort en krachtig.

Toch schijnt het een man te zijn met gezag in de gemeente. Hij werpt zich op als leider. Hij regeert en probeert de mensen te beïnvloeden. Over dat ene zinnetje – Diótrefes, die onder hen zoekt de eerste te zijn – zegt kanttekening 23: ‘Dat is, die uit eergierigheid boven zijn medebroeders zich verheffende, tracht om deze te overheersen en al het gezag aan zich alleen te trekken.’

Deze man staat in schril contrast met Gajus. De werkwoordsvorm in de tekst geeft aan dat hij er voortdurend mee bezig is om de eerste, de machtigste te zijn en alle dingen naar zijn hand te zetten. Daarom staat in het formulier tot bevestiging van ouderlingen en diakenen: ’(…) ten einde daardoor uit de gemeente Gods te meer geweerd worde alle tirannie en heerschappij, die lichter kan inbreken, wanneer bij één alleen of bij zeer weinigen, de regering staat.’

 

Gemeente, ik kan er niet meer lang bij stilstaan, maar hebt u daar nu ook zo’n last van? Altijd maar, net als deze man, zoeken om de eerste, de beste, de knapste, de meest geëerde en besprokene te zijn. Ook na ontvangen genade ervaren we dit zo vaak. Als je daar last van krijgt en dat gaat leren in het leven der genade, dan ga je bidden: ’Geen meerder goed, Heer’, Gij mij geven meugt, dan dat Gij mij vernedert en maakt kleine.’

Nee, dan te mogen leren met de apostel Paulus om de minste van de apostelen (1Kor.15:9) te zijn en dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben (1Tim.1:15) en zo’n lage plaats te mogen ontvangen.

 

Johannes schrijft hier dat Diótrefes, die de eerste zoekt te zijn, hem niet aanneemt. Kanttekening 24 zegt: ´Dat is, acht mij, noch mijn schrijven en voorspreken niet.’ Diótrefes wordt ons hier getekend als een man die het apostolisch gezag van deze ouderling niet erkent. Alles wat Johannes schrijft, wordt door hem buiten de gemeente gehouden.

Laat Johannes het er dan bij zitten? Zegt hij: ‘Het moet dan maar zo’? Johannes wil hen met spoed bezoeken en dan krachtig optreden. Hij zal de woorden en de daden van deze man openbaar maken. Kanttekening 26: ‘Dat is, hemzelf voor ogen stellen en de gemeente bekendmaken, dat zij het moge weten en bedenken.’

 

Er komen wel vier dingen in de klacht over Diótrefes openbaar.

Ten eerste: met boze woorden. Het grondwoord spreekt over duivelse laster, boze woorden geïnspireerd door de Boze, met een hoofdletter. ‘Eigen werken des duivels’, zo spreekt zondag 43 van de Heidelbergse Catechismus over het vals getuigenis bij de behandeling van het negende gebod.

Ten tweede: snaterende. Dat betekent: zwetsen, onzin uitkramen, van alles over Johannes vertellen. Je zou haast zeggen: hij spreekt als een kip zonder kop.

Ten derde: ontvangt hij zelf de broeders niet. Hij wijst de ambtsdragers en rondreizende predikers de deur. Daarmee wijst hij Christus de deur, want Christus zegt in Mattheüs 25 vers 42: Want Ik ben hongerig geweest, en gij hebt Mij niet te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest, en gij hebt Mij niet te drinken gegeven.

Ten vierde: en verhindert degenen, die het willen doen, en werpt ze uit de gemeente. Diótrefes verbiedt dat anderen deze predikers wel ontvangen. Hij gaat zelfs zo ver dat hij ze uit de gemeente werpt. Wij zouden zeggen: hij zet ze eigenmachtig onder censuur. Kanttekening 34: ‘Namelijk door den kerkelijken ban.’

 

Wat een kwalijke zaak moet Johannes hier aansnijden in die eerste christengemeente.

‘Verhinderen’ en ‘uitwerpen’ zijn twee woorden die bij deze man horen. Diótrefes tekent ons de mens in zijn zelfhandhaving en ik-gerichtheid. Hij wil de eerste zijn in de gemeente van God en werkt daardoor verwoestend. Er zijn mensen uitgegaan om de Naam van Chrístus te verkondigen, lezen we in vers 7, maar Diótrefes is een mens die uitgegaan is om zijn éigen naam te verheerlijken. Het is een verhindering voor de komst van het rijk van God.

Vervolgens komt Johannes tot een raad en waarschuwing die voor alle eeuwen geldt: Geliefde, volg het kwade (Diótrefes) niet na, maar het goede (Gajus). Die goed doet, is uit God; maar die kwaad doet, heeft God niet gezien.

Gemeente, uit de werken van Diótrefes blijkt dat hij God niet heeft gezien en God niet kent. Diótrefes is – ook in onze dagen – een baken in zee om de gemeente te verderven. Het ‘kwaad doen’ (of zonden doen) in onze tekst is een actieve bezigheid. Gods kinderen doen soms ook wel iets wat kwaad is, maar dat is uit zwakheid, zegt kanttekening 37. In vers 11 gaat het over doelbewust kwaad (zonden) doen.

 

Die goed doet, is uit God. Die zal God zien.

Daar liggen rijke dingen in. Als je door het wonder van de Heilige Geest uit God geboren bent, dan leer je God kennen in Zijn algenoegzaamheid, als die goeddoende en heilige God. Met ogen van het geloof zul je God zien. Ik lees in Johannes 14 vers 9 dat de Heere Jezus tegen Filippus zegt: Die Mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien. Christus heeft ook gezegd: Zalig zijn de reinen van hart; want zij zullen God zien (Matth.5:8).

Maar als je leven getekend is in dat kwaad doen van Diótrefes, dan laat je daarmee zien dat je God niet kent en niet weet wie Hij is.

 

Er is nog een derde man: Demétrius. Onze laatste gedachte:

 

  1. Het getuigenis over Demétrius

We lezen in vers 12: Aan Demétrius wordt getuigenis gegeven van allen, en van de waarheid zelve; en wij getuigen ook.

Jij dacht misschien dat je wist wie Demétrius was, maar het is niet de man uit Efeze die zilveren tempeltjes verkocht van Diána, waarover je leest in Handelingen 19.

Van de man waar Johannes het over heeft, weten we niet veel. Hij is waarschijnlijk een rondreizend evangelist en een leerling van Johannes. Johannes schrijft over hem dat elke christen die hem ontmoet heeft of kent, goed over hem spreekt.

Kanttekening 41: ‘Dat is, deze getuigenis is gans waarachtig, daar hij het ook met de daad en waarheid dagelijks betoont.’ Het blijkt dus uit zijn leven en Johannes onderstreept het met: wij getuigen. Demétrius is een betrouwbare, godvrezende man. Als je zo’n referentieadres hebt bij een sollicitatie ben je goed af.

Zo blijkt dat al in het jaar 90 in de gemeente van God Zijn werk schittert in Gajus en Demétrius. Maar het werk van de vorst der duisternis komt ook openbaar: in het leven, de daden en de woorden van Diótrefes.

 

Johannes besluit de brief met een groet: Vrede zij u, Gajus. Vrede zij u, gemeente, in de moeilijke situatie met mensen als Diótrefes. Het is een groet met apostolisch gezag. ‘Vrede’ of ’shalom’ – rust, herstel van alle dingen, zoals staat in het derde vers van de berijmde Psalm 122:

Dat vreed’, en aangename rust,

En milde zegen u verblij’;

Dat welvaart in uw vesting zij,

In uw paleizen vreugd’ en lust.

Om vriend en broed’ren spreek ik nu:

“De vrede zij en blijv’ in u;

Nooit moet haar nijd of twist verkloeken.

Om ‘s Heeren huis, in u gebouwd,

Waar onze God Zijn woning houdt,

Zal ik het goede voor u zoeken.”

 

Johannes besluit met vrede van en voor ‘vrienden’: een heel bijzondere benaming, die je verder niet meer tegenkomt in de brieven. Het is altijd: ‘kinderkens’, ‘geliefden’ en ‘broeders’. Johannes heeft onthouden wat Christus tegen hem zei: Gij zijt Mijn vrienden, zo gij doet wat Ik u gebiede. Ik heet u niet meer dienstknechten; want de dienstknecht weet niet, wat zijn heer doet; maar Ik heb u vrienden genoemd; want al wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, dat heb Ik u bekend gemaakt (Joh.15:14‑15). Zij die hopen in de hemel samen te mogen leven, mogen op de aarde elkaar groeten als vrienden. ‘De apostel die aan de borst van Christus heeft gelegen, legt hier de vrienden van Christus in zijn hart’, zegt Matthew Henry.

Vrede en aangename rust, als een wens te midden van de verstorende gevolgen van de zonde, ook daar in de gemeente bij Gajus.

 

We hebben deze brief van de apostel mogen overdenken. Mag ik dan aan het eind nog een paar vragen meegeven?

Wie bent u nu? Wie ben jij nu? Lig je besloten in die groet? Ben je een vriend van de wereld of van allen die Zijn Naam ootmoedig vrezen en leven naar Zijn Goddelijk bevel? Zeg me eens wie uw vrienden zijn. Als Johannes ons toeroept: ‘Vrede zij u. De vrienden groeten u’, groet hij dan u ook? Groet hij dan jou ook?

Wie of wat ben ik? Ben ik een vriend van de wereld? Dan zal ik met de wereld vergaan. Drie namen: Gajus, Diótrefes, Demétrius – wie van de drie bent u? Welk getuigenis gaat er uit van ons leven?

Keer daarmee tot uzelf in. Buig uw knieën en zeg: ‘O God, doorgrond me en ken mijn hart, o Heer’. Is hetgeen ik denk niet tot Uw eer? Want ik zoek altijd de eerste te zijn! Heere, leid me van de schadelijke weg op de eeuwige weg.’

Welk getuigenis moet Johannes geven van uw en van jouw leven?

 

Nog één keer: Geliefde, volg het kwade niet na, maar het goede. Die goed doet, is uit God; maar die kwaad doet, heeft God niet gezien en zal Hem ook nooit in vrede, vreugde en zaligheid zien.

Zoek dan de Heere. Hij kan van een Diótrefes nog een Gajus maken, door Zijn Geest.

Amen.

 

Slotzang: Psalm 145 vers 4

 

Al wat Gij wrocht, zal juichen tot Uw eer;

Uw gunstvolk zal verblijd U zeeg’nen, HEER’,

En roemen van Uw koninkrijk, Uw macht,

Uw heerlijkheid en Goddelijke kracht;

Om, waar zich ’t hart ooit voelt in leerzucht blaken,

Uw heerlijkheid, Uw macht bekend te maken,

En d’ eer Uws rijks, zo groot, zo hoogverheven,

Voor aller oor den hoogsten roem te geven.