Ds. M. Karens - 2 Johannes 1 : 7 - 13

Waardevol onderwijs van Johannes

Een ernstige waarschuwing
Een heilige ongastvrijheid
De blijde slotwoorden

2 Johannes 1 : 7 - 13

2 Johannes 1
7
Want er zijn vele verleiders in de wereld gekomen, die niet belijden, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is. Deze is de verleider en de antichrist.
8
Ziet toe voor uzelven, dat wij niet verliezen, hetgeen wij gearbeid hebben, maar een vol loon mogen ontvangen.
9
Een iegelijk, die overtreedt, en niet blijft in de leer van Christus, die heeft God niet; die in de leer van Christus blijft, deze heeft beiden den Vader en den Zoon.
10
Indien iemand tot ulieden komt, en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in huis, en zegt tot hem niet: Zijt gegroet.
11
Want die tot hem zegt: Zijt gegroet, die heeft gemeenschap aan zijn boze werken.
12
Ik heb veel aan ulieden te schrijven, doch ik heb niet gewild door papier en inkt; maar ik hoop tot ulieden te komen, en mond tot mond met u te spreken, opdat onze blijdschap volkomen moge zijn.
13
U groeten de kinderen van uw zuster, de uitverkorene. Amen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 147: 10
Lezen : 2 Timotheüs 2
Zingen : Psalm 25: 2, 4 en 5
Zingen : Psalm 78: 1
Zingen : Psalm 133: 1

Gemeente, voor ons ligt de tweede zendbrief van de apostel Johannes. We gaan daarvan het tweede gedeelte overdenken, de verzen 7 tot en met 13. Ik lees u daarvan vers 9:

 

Een iegelijk, die overtreedt, en niet blijft in de leer van Christus, die heeft God niet; die in de leer van Christus blijft, deze heeft beiden den Vader en den Zoon.

 

We schrijven onder dit laatste gedeelte van de tweede brief: waardevol onderwijs van Johannes, en we letten op drie aandachtspunten.

In de eerste plaats horen we in de verzen 7 tot en met 9 een ernstige waarschuwing. ‘Want er zijn veel verleiders in de wereld gekomen, die niet belijden dat Jezus Christus in het vlees gekomen is. Zie toe voor uzelf.’

In de tweede plaats horen we in de verzen 10 en 11 over een heilige ongastvrijheid: ‘Ontvang zo iemand niet in je huis, en zeg niet tegen hem: zijt gegroet.’ Heilige ongastvrijheid – een wonderlijk woord eigenlijk.

In de derde plaats staan we stil bij de blijde slotwoorden. In de verzen 12 en 13 horen we dat Johannes zegt: ‘Ik zou nog o zoveel kunnen schrijven, maar ik kom liever een keer bij jullie, om ons te verblijden in de leer van Christus.’

 

We beluisteren hier dus waardevol onderwijs van Johannes.

Daarbij letten we op drie aandachtspunten:

 

  1. een ernstige waarschuwing;
  2. een heilige ongastvrijheid;
  3. de blijde slotwoorden.

 

Het zal je maar gebeuren als gezin, dat je tussen de post een briefje vindt van de apostel Johannes. Want díe heeft dit geschreven, aan de uitverkoren vrouw en haar kinderen (vers 1).

Deze uitverkoren vrouw was mogelijk een bekende van Johannes. Hij had haar oprecht lief vanwege de waarheid. Maar deze vrouw kan ook beeldspraak zijn voor een gemeente.

Johannes schrijft haar dat hij zo blij is dat er onder haar kinderen zijn die in de waarheid wandelen. Een vraag: zou Johannes ook blij zijn als hij jou, als hij ons zag wandelen?

Daar moet je het antwoord op weten! Die kinderlijke vreze komt openbaar in een wandelen in de wegen des Heeren.

 

In vers 3 volgt de zegengroet: Genade, barmhartigheid, vrede zij met ulieden – genade voor een schuldige, barmhartigheid voor een ellendige, en vrede met God. Als je die drie dingen mag bezitten, dan heb je alles. Johannes zegt erbij waar deze zegeningen vandaan komen: van God de Vader en van Christus Jezus.

 

Dan volgt er een aansporing. In vers 4 spreekt Johannes over in de waarheid wandelen en in vers 6 over wandelen naar Zijn geboden, in liefde. Hij spoort die vrouw en haar kinderen, of die gemeente en haar leden, aan om te wandelen in liefde en waarheid. ‘Dat is geen nieuw gebod’, zegt Johannes, ‘maar u hebt dit vanaf het begin gehoord.’

Waarheid en liefde, leer en leven, ze horen in heilige harmonie bij elkaar. ‘Welzalig zij, die, naar Zijn reine leer, in Hem hun heil, hun hoogst geluk beschouwen.’

De kanttekeningen zeggen bij vers 4: ‘Dat is, de ware leer des Evangelies belijden, en hun leven daarnaar aanstellen, volgens de geboden Gods.’ Dus Johannes spoort ze aan om de leer van het Evangelie met hart en mond te belijden, maar ook om daarnaar te leven. ‘Och, of wij Uw geboôn volbrachten! Genâ, o hoogste Majesteit! Gun door ’t geloof in Christus krachten, om die te doen uit dankbaarheid.’

 

Nadat Johannes zijn blijdschap uitgesproken heeft en hen bemoedigd en aangespoord heeft, gaat hij hen waarschuwen. Onze eerste gedachte:

 

  1. Een ernstige waarschuwing

Nadat Johannes gezegd heeft dat ze in waarheid en liefde moeten wandelen, in de weg van Gods geboden, standvastig, en in onderlinge verbondenheid en eenheid, volgt vers 7, dat begint met het woordje ‘want’.

Dat woord verbindt dit vers met het voorgaande. Het wandelen in de waarheid en liefde zal op de proef gesteld worden: Want er zijn vele verleiders in de wereld gekomen.

Verleiders – het Griekse woordje betekent: misleiders, bedriegers, of dwaalleraars.

Matthew Henry schrijft: ‘Treurig en bedroevend nieuws behoort ook aan onze christelijke vrienden bekendgemaakt te worden; niet omdat wij hen gaarne bedroefd maken, maar omdat hen van tevoren waarschuwen tegen hun beproevingen hetzelfde is als hen tevoren daartegen wapenen.’

Johannes moet niet alleen die uitverkoren vrouw en haar kinderen bemoedigen en vertroosten, maar hen ook waarschuwen, opdat ze zich zullen wapenen tegen het gevaar dat hen omringt. Er zijn namelijk veel verleiders.

 

Het is opmerkelijk hoe hij het schrijft: die verleiders en dwaalleraars zijn in de wereld gekomen. Ze zijn uitgegaan in de gemeenten. Het is alsof Johannes een parallel trekt. Zoals Christus apostelen uitzendt met de leer van vrije genade, zo heeft de vorst der duisternis ook gezanten uitgezonden om zijn leugenleer te verkondigen.

Johannes kan zich nog herinneren dat de Meester bijna zeventig jaar geleden Zijn discipelen had gewaarschuwd voor verleiders: Alsdan, zo iemand tot ulieden zal zeggen: Zie, hier is de Christus, of daar, gelooft het niet. Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan, en zullen grote tekenen en wonderheden doen, alzo dat zij (indien het mogelijk ware) ook de uitverkorenen zouden verleiden. Ziet, Ik heb het u voorzegd! (Matth.24:23‑25).

Dat is nu vervuld, want die verleiders zijn in de wereld gekomen.

Bij Paulus lezen we daar ook veel over. Ik denk aan het moment dat hij op het strand van Miléte de ouderlingen van de gemeente van Efeze samenroept. Hij heeft haast, want hij moet met Pinksteren in Jeruzalem zijn. Toch spreekt Paulus hen toe met de bekende woorden: Zo hebt dan acht op uzelven, en op de gehele kudde (…). Want dit weet ik, dat na mijn vertrek zware wolven tot u inkomen zullen, die de kudde niet sparen (Hand.20:28‑29). Er zullen wolven op de schaapskudde afkomen en die zullen de kudde van Christus niet sparen.

 

Deze wolven zíjn gekomen in Efeze, en in de gemeenten van Klein‑Azië. In vers 7 zegt Johannes er krachtig bij: Deze is de verleider en de antichrist.

Matthew Henry schrijft over de antichrist: ‘Hij is een moedwillig tegenstander van de Persoon, de eer en het belang van de Heere Christus, en als zodanig zal Deze hem bij Zijn komst ten oordeel dan ook beschouwen.’ Het zijn dus vijanden van Christus.

Antichristelijke elementen komen openbaar. In 1 Johannes 4 en de kanttekeningen daarbij kunt u daarover meer lezen.

 

Hoe moeten we dit verder duiden?

Er waren rondreizende predikers, die gebruikmaakten van het prachtige wegennet in het rijk van de Romeinen. Deze gingen van dorp tot stad. Zij zeiden in het huis van een christen of in een gemeente dat ze gezanten van God waren. Ze wierpen zich op als leraren en onderwijzers, maar hun verkondiging was vals. Johannes schrijft dan: En alle geest, die niet belijdt, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God niet; maar dit is de geest van den antichrist (1Joh.4:3).

We hebben dat al meer gezien. In die tijd waren er vooral door de Griekse filosofie verlichte mensen, die wel spraken over de Naam van Christus, maar ten diepste niet beleden dat Jezus Christus in het vlees gekomen was. Ze wisten dit met prachtige woorden te bedekken.

 

Pas op, het zijn verleiders! Ze brengen niet de leer van de Heilige Schrift. Ze loochenen het Woord dat de christelijke kerk belijdt: ‘Ik geloof in Jezus Christus, Gods eniggeboren Zoon, onze Heere; Die ontvangen is van de Heiligen Geest, geboren uit de maagd Maria.’ Ze ontkennen dat Jezus van Nazareth de Zoon van God is.

Is dat eigenlijk zo erg? Het gaat er toch om dat je de bekende klanken van de waarheid hoort? Het is toch niet zo erg als het hier en daar rammelt? Moet Johannes daar nu zo fel en ernstig tegen waarschuwen?

Gemeente, ik hoop dat u begrijpt dat dit een van de fundamenten van de christelijke leer is. Want als Christus, als de Zoon van God niet in het vlees gekomen is, dan is er geen zaligheid, geen verzoening en geen gemeenschap mogelijk. Er is geen weg van verlossing als het niet waar is wat er geschied is in de kerstnacht: Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Joh.3:16).

Kinderen van God, denk eens terug aan het moment dat u voor het eerst mocht knielen bij de kribbe, in al uw verlorenheid en schuld, door de Heilige Geest geleid naar dat Kind. Als dat de Zoon van God niet was, dan zou uw zaligheid kwijt zijn!

Johannes heeft het gezien, aanschouwd en getuigd: En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader), vol van genade en waarheid (Joh.1:14).

Is voor het geloof niet juist de komst van Christus in het vlees de reden tot aanbidding en verwondering? Hebben Simeon en Anna niet gestaan met dat Kind: ‘O dierbaar kind, o stof van vreugd, geschenk van ’t Alvermogen’?

Deze verleiders ontkennen dat.

 

Daarom gaat Johannes ernstig waarschuwen: Ziet toe voor uzelven. Heb acht op uzelf.

Met klem waarschuwt hij, als de apostel der liefde, voor het afvallen van de leer van het Evangelie. Met nadruk, liefde en ernst zegt hij: Wees op je hoede! Het lijkt misschien over kleine dingen te gaan, maar de zaligheid staat op het spel!

Paulus schrijft ook zoiets in 1 Timotheüs 4 vers 16: Heb acht op uzelven en op de leer; volhard daarin; want dat doende, zult gij en uzelven behouden, en die u horen.

Het gaat dus om acht hebben op jezelf, op je leer en leven, en om standvastigheid. ‘Waak en bid’, zegt Johannes eigenlijk.

Nog een keer wat Matthew Henry zegt: ‘Hoe meer de bedriegers en de verleiders toenemen, des te meer moeten de discipelen waakzaam zijn. Begoochelingen kunnen zo de overhand krijgen, dat zelfs de uitverkorenen erdoor in gevaar zouden komen.’

De ernstige waarschuwing van Johannes is dus terecht – toen, maar nu niet minder. Want dwalingen kunnen soms zo subtiel doorklinken in de verkondiging van het Woord.

Gemeente, weet u wat zo gevaarlijk is?

Dwalingen lijken zoveel op de waarheid: dezelfde woorden, dezelfde klanken.

Daarom moet Johannes zeggen: heb acht; zie toe.

 

Om dwalingen te onderkennen, is het nodig om in de geschiedenis van de kerk thuis te zijn. Wij weten hoe subtiel Arminius in zijn geschriften die verderfelijke leer van de algemene verzoening en visie op de verkiezing heeft ingedragen.

Ik heb eens met een groot aantal docenten van reformatorische scholengemeenschappen een opleiding tot godsdienstleraar meegemaakt. We kregen van de docent zes citaten uit oude preken. Van elk citaat moest je zeggen of het van Gomarus of Arminius was. De docent gaf later de formulieren terug met de opmerking: ‘Ik heb nooit geweten dat er zoveel Arminianen op onze scholen zijn.’

Het verschil was zo subtiel dat het bijna niet te onderscheiden was, zo verborgen in de leer als een adder onder het gras – dezelfde klank, maar een andere inhoud.

Ik heb dat altijd onthouden.

 

Er zijn vele verleiders in de wereld gekomen. Ziet toe voor uzelven.

En wat zegt Johannes daarna?

Dat wij niet verliezen, hetgeen wij gearbeid hebben, maar een vol loon mogen ontvangen.

Johannes bedoelt met ‘wij’ de apostelen. Als u afdwaalt van de waarheid en u door verleiders laat meenemen, dan hebben de apostelen en ik tevergeefs gearbeid om u in het spoor van de waarheid te leiden.

Het woordje ‘wij’ mag ook vertaald worden met ‘gij’. Kanttekening 24 zegt: ‘Dat gij, namelijk die de ware leer eens aangenomen hebt en naar dezelve uw leven hebt aangesteld, de vrucht van uw belijdenis en wandel, welke is het eeuwige leven, niet verliest, door verleiding tot afval gebracht zijnde.’

Dus Johannes zegt: Waak over jezelf. Waak en bid. Verlies niet die ware zaligmakende leer die je hebt aangenomen, opdat wij – de apostelen – niet tevergeefs onder jullie gearbeid hebben en het volle loon mogen ontvangen.

Het volle loon is het genadeloon dat de Heere aan een getrouwe dienstknecht beloofd heeft. Het in het Grieks gebruikte woord voor ´loon´ is nauw verbonden met ‘arbeid’. God wil uit genade de dienst belonen van hen die door goddelijke genade velen hebben toegebracht.

Als het eerste ‘wij’ vertaald wordt naar ‘gij’ wordt de tekst: ‘dat gij niet verliest hetgeen wij gearbeid hebben’. Hij schrijft dan aan de vrouw en haar kinderen, de gemeente: laat je nu niet verleiden of meeslepen door allerlei wind van leer, opdat je het genadeloon mag ontvangen, hier op aarde het beginsel ervan, maar straks in de hemelse heerlijkheid het volle loon: die volkomen zaligheid, die geen oog heeft gezien, die geen oor heeft gehoord, die in het hart van een mens niet is opgeklommen. Wees daarom standvastig en getrouw in de leer.

 

Johannes rondt dit gedeelte af met een tweedeling. We lezen in vers 9: Een iegelijk, die overtreedt, en niet blijft in de leer van Christus, die heeft God niet (die heeft geen gemeenschap met God, zegt kanttekening 28); die in de leer van Christus blijft, deze heeft beiden den Vader en den Zoon (die heeft gemeenschap met Beiden – kanttekening 29). Wat rampzalig als we de leer van vrije genade hebben gekend, besproken en beleden, maar niet door een waar geloof hebben beleefd.

Het is opmerkelijk dat in het negende vers twee keer wordt gesproken over de leer van Christus. Dat vinden we niet zo vaak in de Heilige Schrift. Wat wordt daar nu mee bedoeld?

Je mag het in het Grieks op twee manieren lezen: de leer die Christus gebracht en verkondigd heeft, of de leer waarin Christus, Zijn Persoon en Zijn werk, het middelpunt is.

 

Het is de leer die de Heere Jezus Christus Zelf verkondigde. Het is het onderwijs dat Hij gaf. Dat heeft Johannes gehoord en aanschouwd. Johannes weet dit met zijn hart als geen ander. Hij heeft Hem horen verkondigen: Zalig zijn de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen (Matth.5:3). Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven. Want Mijn juk is zacht, en Mijn last is licht (Matth.11:28,30).

Het is de leer van vrije genade, die de Heere Jezus Christus als inhoud heeft, zoals Paulus schrijft: Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en Dien gekruisigd (1Kor.2:2).

Het is de leer van Hem Die op deze vervloekte aarde is gekomen, gezonden door de Vader. Hij is afgedaald langs vijf trappen van diepe vernedering, maar Hij is ook opgestaan op de Paasmorgen en opgevaren ten hemel, waar Hij zit aan de rechterhand des Vaders en waar Hij bidt voor Zijn volk.

In die leer van Christus wordt God op het hoogst verheerlijkt en de mens op het diepst vernederd.

Het is de leer waarin Jezus Christus als de enige Bron van het leven getekend wordt, als de Weg, de Waarheid en het Leven.

Het is de leer van de drie-enige God: van de Vader Die Zijn Zoon zond, van de Zoon Die op de wereld kwam, en van de Geest Die plaatsmaakt voor Christus.

Het is ook de leer van de drie ambten die Christus van Zijn Vader ontving – de leer van die Profeet, Die een blinde dwaas onderwijst in de weg van de zaligheid; de leer van die allerhoogste Priester, Die met een volkomen offer schuldige mensen wil verzoenen; de leer van die eeuwige Koning, Die een schare zal verlossen, regeren en beschermen.

 

Gemeente, mag ik eens vragen: Johannes schrijft over hen die niet blijven in de leer van Christus, en daarom God niet hebben. Daartegenover zet hij hen die in de leer van Christus blijven; dezen hebben de Vader en de Zoon. Hoe staat het nu in uw leven met de leer van Christus, die naar de godzaligheid is?

Laten we in gedachten eens teruggaan naar het moment waarop u belijdenis deed, misschien al vele jaren geleden.

U hebt toen ‘ja’ gezegd op de vraag: ‘Verklaart gij dat gij de leer van onze kerk, welke gij geleerd, gehoord en beleden hebt, houdt voor de ware en zaligmakende leer, overeenkomende met de Heilige Schriften?’ Hoe staat het nu, op reis naar de eeuwigheid, met de leer van Christus? Hebt u deze door de Heilige Geest met uw hart mogen aanvaarden?

Is de Persoon en het werk van deze Zaligmaker, deze Gezalfde van de Vader, voor u noodzakelijk, gepast, dierbaar en beminnelijk geworden? Want de leer zal u niet kunnen redden, maar wél die gezegende Persoon die daarin wordt voorgesteld als de Weg, de Waarheid en het Leven.

U hebt toen ook ‘ja’ gezegd op de vraag: ‘Belooft gij dat gij door Gods genade in de belijdenis van deze zaligmakende leer standvastig zult blijven, en in haar zult leven en sterven?’ Daartoe spoort Johannes de uitverkoren vrouw en haar gezin aan; daartoe spoort hij de gemeente aan: blijf standvastig in de leer van Christus, in leven en sterven.

 

De verleiders, mannen als Hymenéüs en Filétus uit de brief aan Timótheüs, zijn afgevallen. Ze hebben allerlei diepere inzichten gekregen en geven aan een hogere kennis te hebben.

Het is de wijsheid der wereld; daardoor belijden zij niet meer de leer van Christus.

Treffend is dat ze wel Jezus verkondigen, maar een ándere Jezus, zoals Paulus schrijft in de Korinthebrief.

Kan dat dan?

‘Als iemand zegt: hier is de Christus, of daar is de Christus, geloof het niet’, schrijft Mattheüs, want het is niet de leer overeenkomstig de Heilige Schrift. Het is niet de leer van die Christus Die door de Vader vanuit het eeuwig welbehagen is geschonken aan een uitverkoren Kerk. Het is niet de leer dat de Heilige Geest in het hart van een zondaar plaats moet maken voor die gezegende Persoon en dat een zondaar in het geloof wordt afgebroken in zichzelf, om meer en meer gebouwd te worden op die enige Rots.

 

Wie in de leer van Christus blijft, wie als een rank ingelijfd is in de Wijnstok Jezus Christus, wie door het ware zaligmakende geloof deel heeft aan Hem, die heeft Beiden, de Vader en de Zoon.

Veel mensen zeggen wel in God te geloven, ook deze verleiders, maar ze willen niets weten van het werk van Christus en het plaatsmakende werk van de Zaligmaker. Volgens Johannes is dit onmogelijk. Ze verliezen het volle loon, en zelfs God, de Vader en de Zoon.

Hoe zit het, gemeente, met het belijden, maar ook met het beleven van deze gezegende Christus?

‘Welzalig zij, die, naar Zijn reine leer, in Hem hun heil, hun hoogst geluk beschouwen; die Sions Vorst erkennen voor hun Heer’; welzalig zij, die vast op Hem betrouwen.’

 

Johannes laat het hier niet bij. Hij gaat iets heel wonderlijks zeggen.

Daar gaan we zo naar luisteren, maar we gaan eerst zingen over die leer, uit Psalm 78 vers 1:

 

Neem, o mijn volk, neem mijne leer ter oren;

neig oor en hart, om naar mijn stem te horen;

‘k zal met mijn mond u wijze spreuken leren,

verborgenheên, van ouds af waardig t’ eren;

mij vloeit een schat van wijsheid uit den mond,

gelijk een bron, die voortspringt uit den grond.

 

  1. Een heilige ongastvrijheid

Johannes onderwijst ons in het slot van zijn kleine brief. Hij geeft een ernstige waarschuwing: ‘Zie toe op uzelf, want er zijn zoveel verleidingen.’

Hij zegt er nog iets bij. Johannes wil de ernst van de dwaalleer aantonen. Hij noemt concrete maatregelen: Indien iemand tot ulieden komt, en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in huis. Dat betekent: verleen zulke mensen geen onderdak. Ik noemde dat een ‘onheilige gastvrijheid’.

 

Dat is een scherp bevel van de apostel der liefde. Je mag dus met zulke mensen geen gemeenschap hebben of er een vriendschap mee aangaan.

Ja, maar het zijn aardige mensen verder. We zitten niet helemaal op één lijn, maar …

Nee, ontvang ze niet in uw huis.

Wie deze leer niet leert, ontkent de menswording van Christus, waar het hier in het bijzonder over gaat. Als iemand allerlei wind van leer brengt, ontvang hem niet in uw huis. En als met die uitverkoren vrouw en haar kinderen de gemeente wordt bedoeld: laat zo iemand niet voorgaan, niet onderwijzen in uw gemeente. Matthew Henry schrijft: ‘Ontkenners van het geloof zijn verwoesters van de zielen.’

Gemeente, zeg me wie uw vrienden zijn, en ik zal zeggen wie u bent. Dat is een oud spreekwoord.

 

Het is een scherpe boodschap van de apostel der liefde, vooral in het licht van de Oosterse gastvrijheid. Tot op de dag van vandaag stellen ze daar huis en tafel open voor iedereen die rondzwerft.

Is dat ook niet de boodschap voor de christelijke gemeente? Schrijft de apostel niet: Vergeet de herbergzaamheid niet; want hierdoor hebben sommigen onwetend engelen geherbergd (Hebr.13:2)?

Toch zegt Johannes: ‘Ontvang ze niet in uw huis.’ De gastvrijheid en de herbergzaamheid moeten ook bij ons in het christelijk leven hoog in het vaandel staan, maar toch zegt Johannes: ‘Let op: als iemand deze leer niet brengt, ontvang hem niet in uw huis.’

 

Ik las hier en daar felle woorden over dwaalleraars in de eerste christengemeenten.

De kerkvader Ireneüs van Lyon schrijft bijvoorbeeld iets over Johannes, de leerling van de Heere – deze apostel dus. Johannes kwam in Efeze in het badhuis en zag daar in de verte Cerinthus, een vijand van de waarheid. Johannes verliet ogenblikkelijk het badhuis. Hij gaf dus zelf het voorbeeld.

En Polycarpus, die voorganger in de gemeente van Smyrna, noemt Marcion ‘de eerstgeborene van de satan’. Je leest de naam van deze Marcion ook in artikel 9 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis.

 

Zegt tot hem niet: Zijt gegroet.

Mag je dan geen ‘goedendag’ zeggen tegen zo iemand?

Sommige mensen nemen dat bijna letterlijk, maar dat is niet de bedoeling. ‘Zijt gegroet’ is een Griekse wens waarin iets ligt van zegen en vrede. Het komt van een werkwoord dat de betekenis heeft van ‘je in elkaar verheugen en verblijden’. Het is een soort welkomstgroet. Deze Griekse groet zegt dat we het hartelijk eens zijn met elkaar.

Johannes zegt: ‘Doe dat nou niet. Zeg niet: zijt gegroet.’

Waarom zo ongastvrij? Waarom zulke harde woorden?

Want die tot hem zegt: Zijt gegroet, die heeft gemeenschap aan zijn boze werken. Die is in levensgevaar door de dwaalleer.

Dit betekent niet dat wij ongelovigen, of anderen die niet leven overeenkomstig Gods Woord, ongastvrij moeten behandelen. Wij moeten juist anderen, misschien van ons werk of uit de buurt, ontvangen en in aanraking proberen te brengen met het Woord van God. Het is juist onze taak om hen tot inkeer te brengen, om zo gebruikt te mogen worden om hen te wijzen op wat er in God en in Christus te vinden is.

Maar Johannes waarschuwt die uitverkoren vrouw met haar gezin, en ook ons voor het grote gevaar. Let toch op met wie je omgaat. Het gaat zo sluipend.

Hoevelen zijn er in de achterliggende jaren al meegesleept? Met Johannes roep ik u op: zie toe voor uzelf, dat u niet de leer van Christus verliest die u is voorgehouden, die leer die u mocht belijden en beleven.

 

Johannes zegt dus dat alle omgang met de verleiders uitgelegd kan worden als instemming met een on-Bijbels standpunt. Matthew Henry schrijft: ‘Er zijn vele wijzen waarop men deel krijgen kan aan de ongerechtigheden van anderen. Dat kan geschieden door schuldig stilzwijgen, onverschilligheid, onbedachtzaamheid (…), innerlijke goedkeuring, openlijke verdediging.’

 

We gaan naar onze derde gedachte:

 

  1. De blijde slotwoorden

In vers 12 besluit Johannes zijn korte brief met blijde slotwoorden.

Ik heb veel aan ulieden te schrijven. Ik heb nog heel veel op mijn hart. Ik zou er nog zoveel aan toe kunnen voegen. Maar dat wil ik niet op papier doen: doch ik heb niet gewild door papier en inkt.

Voor ‘papier’ staat eigenlijk ‘papyrusrol’, dat papierblad uit Egypte. Voor ‘inkt’ wordt in het Grieks het woordje ‘zwart’ gebruikt. De inkt die toen gebruikt werd, was een mengsel van roet, gom en azijn. Dus Johannes zegt: ‘Ik heb nog zoveel aan u te zeggen, maar ik doe het niet zwart op wit.’

Ik hoop – ik wens – tot ulieden te komen, en mond tot mond met u te spreken, opdat onze blijdschap volkomen moge zijn.

 

Zijn wij wel blij dat Johannes, onder inspiratie van de Heilige Geest, dit korte briefje met die waarschuwing heeft opgetekend? Zijn wij wel blij dat de apostelen in de Naam van de Heere geschriften hebben nagelaten, dat wij die leer van Christus zwart op wit mogen hebben in het Woord van God?

 

Johannes heeft geruchten gehoord over rondreizende verleiders en dwaalleraars. Die brengen verwarring en er dreigen mensen tot afval te komen. Daarom heeft hij de kern van zijn boodschap in een klein briefje geschreven. Ze zijn niet ongewaarschuwd. Maar hij hoopt tot ze te komen en met hen te spreken.

Bij Paulus lezen wij ook dat hij wenst om met de ontvangers van zijn brief te spreken. In de brief aan de gemeente van Rome schrijft hij dat hij zich al vele jaren heeft voorgenomen om tot hen te komen, om de blijdschap te mogen ervaren van die gemeenschap der heiligen.

Er zijn dingen die je elkaar kunt schrijven. Misschien hebt u nog wel brieven van uw godzalige ouders of grootouders, waarin iets te lezen is van het genadewerk in hun leven. Wees er maar zuinig op! Bewaar ze niet alleen, maar lees en herlees ze, onder biddend opzien tot de Heilige Geest.

Wat is het echter bijzonder om elkaar persoonlijk hierover te spreken, mond tot mond, zegt Johannes, opdat onze blijdschap volkomen moge zijn. Als ze elkaar mogen zien en mogen spreken over het werk van God, dan zal Johannes verblijd zijn, en ook die uitverkoren vrouw met haar kinderen, die gemeente.

 

Daarom: blijde slotwoorden. Want dan zullen we ons samen verblijden in het werk van de drie-enige God, in Zijn opzoekende, ontfermende genade, in het heil dat Hij bereid heeft. Dan zullen we ons als ellendige zondaren samen verblijden in de weg die de Heere met ons gaat en met elkaar delen hoe we door vele verdrukkingen ingaan in het Koninkrijk Gods.

Paulus zegt tegen de Romeinen: ‘Ik wil gauw tot jullie komen. Ik verlang ernaar om jullie te zien en om vertroost te worden door uw geloof.’ Verlang je er weleens naar om Gods kinderen te ontmoeten, om van mond tot mond te mogen horen over de wegen des Heeren?

‘Dan zingen zij, in God verblijd, aan Hem gewijd, van ’s Heeren wegen.’ Dat is een volkomen verblijd zijn in een drie-enig God – een blijdschap die de wereld niet kent.

 

In vers 13 volgt dan een heel ongebruikelijke groet, want Johannes doet niet de groeten van zichzelf. Hij heeft zijn zegenwens al aan het begin van zijn brief uitgesproken, in vers 3: Genade, barmhartigheid, vrede zij met ulieden.

Paulus schrijft aan het eind van zijn brief vaak: De groetenis met mijn hand (1Kor.16:21, Kol.4:18, 2Thess.3:17). Daarmee bedoelt hij dat hij zelf de brief ondertekend heeft.

Maar hier is het slot: U groeten de kinderen van uw zuster, de uitverkorene.

 

Een bijzondere groet. Het kan een groet zijn van een uitverkoren zuster en haar kinderen, of de groet van een andere gemeente – waarschijnlijk de gemeente van Efeze, waar Johannes woont en werkt.

Stel je eens voor dat het echt twee zusters zijn. We denken aan Martha en Maria in Bethanië. Johannes zegt van die twee vrouwen in het eerste en in het laatste vers dat ze uitverkoren zijn, dat God ze naar Zijn eeuwig welbehagen van eeuwigheid heeft liefgehad. Ze zijn getrokken uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht.

Petrus schrijft ook zoiets: U groet de medeuitverkorene Gemeente, die in Bábylon is (1Petr.5:13).

Wat een wonder! Wat een voorrecht: twee zusters, uitverkoren door Gods welbehagen.

 

Kinderen die door Gods genade zijn uitverkoren – is dat niet uw hartelijke wens?

Hebt u bij de Heilige Doop niet beloofd en toegezegd om uw kinderen op te voeden in de leer van Christus, die naar de godzaligheid is? Is het niet de grootste wens van rechtgeaarde ouders dat hun kinderen in de waarheid mogen wandelen? Want daar komt die uitverkiezing in openbaar.

Hoe kon Johannes weten dat die kinderen uitverkoren waren? Kun je dat weten?

Ja. Niet door curieuselijk (dat is: nieuwsgierig) de verborgenheden Gods te onderzoeken, maar je kunt het weten als je door Gods genade de vruchten van die verkiezing in jezelf waar mag nemen, namelijk het geloof in Christus, een honger en dorsten naar de gerechtigheid, een droefheid over de zonde. Die vruchten komen in het leven der genade openbaar in een wandelen in de liefde en de geboden Gods, in een hartelijk liefhebben van Christus en de leer van Zijn Persoon en werk.

 

Johannes besluit zijn brief met het woord ‘amen’. Het is vast en zeker wat hij geschreven heeft.

Gemeente, onderzoek de zaken eens die ons vanuit dit korte briefje in deze dienst zijn aangeboden. Zie toe op uzelf, want er zijn vele verleiders in de wereld uitgegaan. Het gebeurt zo subtiel en bedekt. Vraag maar: ‘Maak in Uw woord mijn gang en treden vast.’ Bedel maar: ‘Leer mij, o Heer’ den weg, door U bepaald; dan zal ik dien ten einde toe bewaren. Geef mij verstand, met Godd’lijk licht bestraald’, zodat je in de leer van Christus, in die gezegende Persoon al je heil en zaligheid mag vinden. Want wie in Christus is, die is een nieuw schepsel. Deze Christus is de Weg tot de Vader, want niemand komt tot den Vader, dan door Mij (Joh.14:6).

 

Daarom nog een keer: ‘Welzalig zij, die, naar Zijn reine leer, in Hem hun heil, hun hoogst geluk beschouwen’, die de praktijk van hun leven kunnen spellen met deze woorden: ‘Welzalig zij, die vast op Hem betrouwen.’

Daar zeg ik ‘amen’ op.

Amen.

 

Slotzang: Psalm 133 vers 1

 

Ai ziet, hoe goed, hoe lief’lijk is ‘t, dat zonen

van ’t zelfde huis, als broeders, samenwonen,

daar ’t liefdevuur niet wordt verdoofd;

’t is als de zalf op ’s Hogepriesters hoofd,

de zalf, waarmee hij is aan God gewijd,

die door haar reuk het hart verblijdt.