Ds. M. Karens - 2 Johannes 1 : 1 - 6

Wandelen in waarheid en liefde

De aanhef
De zegengroet
De aansporing

2 Johannes 1 : 1 - 6

2 Johannes 1
1
De ouderling aan de uitverkoren vrouwe en aan haar kinderen, die ik in waarheid liefheb, en niet alleen ik, maar ook allen, die de waarheid gekend hebben;
2
Om der waarheid wil, die in ons blijft, en met ons zal zijn in der eeuwigheid:
3
Genade, barmhartigheid, vrede zij met ulieden van God den Vader, en van den Heere Jezus Christus, den Zoon des Vaders, in waarheid en liefde.
4
Ik ben zeer verblijd geweest, dat ik van uw kinderen gevonden heb, die in de waarheid wandelen, gelijk wij een gebod ontvangen hebben van den Vader.
5
En nu bid ik u, uitverkoren vrouwe, niet als u schrijvende een nieuw gebod, maar hetgeen wij gehad hebben van den beginne, namelijk dat wij elkander liefhebben.
6
En dit is de liefde, dat wij wandelen naar Zijn geboden. Dit is het gebod, gelijk gijlieden van den beginne gehoord hebt, dat gij in hetzelve zoudt wandelen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 25: 2
Lezen : 2 Johannes
Zingen : Psalm 85: 4
Zingen : Psalm 119: 16
Zingen : Psalm 86: 6

Gemeente,

Onder biddend opzien om de leiding van de Heilige Geest willen wij in een tweetal preken de tweede brief van de apostel Johannes overdenken. Daarom nu de eerste zes verzen van deze brief. Ik lees u daarvan vers 4 voor: Ik ben zeer verblijd geweest dat ik van uw kinderen gevonden heb die in de waarheid wandelen, gelijk wij een gebod ontvangen hebben van den Vader.

 

Gemeente, we schrijven onder deze zes verzen: Wandelen in waarheid en liefde. We letten op drie aandachtspunten:

 

1. de aanhef;

2. de zegengroet;

3. de aansporing.

 

De aanhef zien we in vers 1: Wie er schrijft en aan wie. De zegengroet lezen we in xx vers 3. En de aansporing in de verzen 4, 5 en 6.

 

Dit is een echte brief van Johannes, de zoon van Zebedeus. Hij was een visser uit Galilea, door Gods genade getrokken uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht. En hij was niet alleen kind, maar ook knecht.

De eerste brief lijkt meer op een preek. Er is immers geen aanhef en er wordt geen adres genoemd. Johannes begint die eerste brief met: Hetgeen van den beginne was, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben, hetgeen wij aanschouwd hebben van het Woord des levens (1 Joh.1:1).

De tweede brief van  Johannes is maar een kort briefje. Het origineel is een vel papyrus met 245 woorden. We krijgen de indruk dat de apostel alleen een korte mededeling wilde doen, want in vers 12 schrijft hij: Ik heb veel aan ulieden te schrijven, doch ik heb niet gewild door papier en inkt; maar ik hoop tot ulieden te komen en mond tot mond met u te spreken. Hij heeft dus alleen maar geschreven wat hij in de kern wilde zeggen.

 

De indeling van brieven was toen anders. In de Romeinse wereld begon een brief met de afzender en aan wie deze gezonden wordt. Daarna volgt altijd een groet. We vinden dat ook in de brieven van de apostel Paulus.

Hier lezen we dat de afzender zich de ouderling noemt; de naam van de schrijver wordt niet vermeld. Daarom zijn er in de kerkelijke traditie allerlei theorieën geweest, wie de schrijver wel geweest kan zijn. Aan het eind van de eerste eeuw is echter erkend dat de apostel Johannes de auteur is. Johannes noemde zijn naam niet zo graag. In zijn Evangelie en in de eerste brief wordt zijn naam ook niet genoemd. Maar de stijl, de woordkeus, de inhoud en de opbouw van deze tweede brief zijn helemaal die als van het Evangelie naar Johannes.

Johannes noemt zich hier de ouderling of oudste. De kanttekenaren zeggen: ‘Zo noemt zichzelven de apostel Johannes, óf vanwege zijn ambt, gelijk ook Petrus, óf vanwege zijn hoge ouderdom, alsof hij zeide: de oude.’ Dat Johannes zich hier de ouderling noemt, kan dus zien op het ambt, want Johannes was apostel en ouderling. Het formulier voor de bevestiging van ouderlingen spreekt over ‘de ouderlingen die wel regeren’, en ‘die arbeiden in het Woord en de leer’. Petrus noemt zichzelf: Ik, die een medeouderling ben (1 Petr. 5:1).

 

Johannes, de discipel die Jezus liefhad, noemt zichzelf dus ouderling. Een lerend ouderling, die uitgezonden was om het Woord te verkondigen en de leer van het christelijk geloof nader uit te leggen. De apostel had in meer dan één gemeente gezag, invloed en een hoog aanzien.

De lezers van deze brief hebben het direct begrepen: deze presbyter, deze ouderling is niemand minder dan de oude discipel Johannes. Hij is nog de enige levende discipel. Al de apostelen van de Heere Jezus hadden inmiddels hun leven gegeven voor Zijn zaak.

Het was in het leven van de andere apostelen werkelijkheid geworden: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis dagelijks op en volge Mij (Lukas 9:23). Ze hadden ervaren: Indien u de wereld haat, zo weet dat zij Mij eer dan u gehaat heeft (Joh. 15:18).

Jakobus is als een van de eersten gedood door het zwaard van Herodes. Petrus is in Rome gekruisigd. Van anderen weten we uit de ongewijde geschiedenis, hoe ze aan hun einde zijn gekomen.

Matthew Henry zegt zo treffend over Johannes: ‘Een oud discipel is eerwaardig; veel meer nog een oud apostel, en leidsman van de discipelen. Hij was nu oud in de heilige dienst en in ondervinding; hij had veel van de hemel gezien en gesmaakt, en was veel nader dan toen hij eerst geloofde.’

 

Deze brief is geschreven door de oude Johannes, die met zoveel oefeningen in het allerheiligst geloof moest ervaren: Hij moet wassen, maar ik minder worden (Joh.3:30). Hij mag hier gebruikt worden om naast zijn dienstwerk in de gemeente van Efeze deze brief te schrijven.

Hij schrijft aan de uitverkoren vrouwe en aan haar kinderen. Johannes schrijft dus aan een vooraanstaande christin. In het Grieks staat kyria, zodat we weten dat hier niet alleen van iemand van het vrouwelijk geslacht sprake is, maar van een voortreffelijke, aanzienlijke en invloedrijke vrouw. Met haar gezin mag zij de Heere vrezen.

Tussen haakjes, jongelui, je zou eens brieven moeten lezen uit de vorige eeuw, waarin Gods kinderen over de zaken van hun hart schreven. Het ging daarin vooral over de waarachtige bekering, de oefeningen in het geloof, en het leven van heiligmaking. Door middel van brieven keek men als het ware elkaar in het hart!

 

Wat deze brief betreft, er is een legende, die zegt, dat de vrouw uit deze brief Martha van Bethanië is. Anderen schrijven dat het de moeder van de Heere Jezus is. Johannes kreeg aan de voet van het kruis de opdracht om als zoon voor haar te zorgen.

Hoe het ook zij, Johannes schrijft als ouderling aan de uitverkoren vrouw en haar kinderen. Nog een keer Matthew Henry: ‘Het is dus niet te verwonderen, dat een heldin in de Christelijke godsdienst, vereerd door de goddelijke voorzienigheid, en onderscheiden door goddelijke genade, ook verwaardigd zou worden om een apostolisch schrijven te ontvangen.’ Hij verwondert zich er niet over dat de apostel Johannes haar een briefje schrijft.

 

Kyria is hier, zoals gezegd, vertaald met vrouw. Het is de vrouwelijke vorm van Kurios, wat heer betekent. De aanduiding wordt ook wel als meisjesnaam gebruikt; en daarom zijn er ook veel uitleggers die het als haar eigen naam zien.

Ook ons woord kerk is afgeleid van Kurios. De Kerk of de gemeente des Heeren wordt in de Heilige Schrift vaak vergeleken met een vrouw als het beeld van Christus bruid’ met haar kinderen. Dit levert vragen op voor de verklaring. Gaat het in onze tekst nu echt om een uitverkoren vrouw? Schrijft Johannes wel aan een vrouw als moeder in haar gezin? Of is het beeldspraak en bedoelt hij de Kerk?

Als dit laatste waar is, wordt met de uitverkoren vrouw de gemeente des Heeren bedoeld, de Kerk met een hoofdletter, een heilige vergadering, of de bruid van de Heere Jezus Christus.

In Jesaja 54 wordt Sion vergeleken bij een vrouw en haar kinderen. Volgens Calvijn in zijn Institutie dient de Kerk een moeder te zijn. Hij zegt immers: ‘Zoals een moeder ons in haar schoot ontvangt, baart, aan haar borsten voedt en ten slotte onder haar hoede neemt en door haar leiding beschermt. Daarbij komt, dat er buiten de schoot van de kerk geen vergeving van zonden te verwachten is en geen zaligheid.’

Er zijn veel andere plaatsen in de Bijbel waar zo over de Kerk gesproken wordt. Het zou dus ook kunnen zijn dat de ouderling schrijft aan de gemeente van Christus en de afzonderlijke gemeenteleden.

Aan het slot van dit hoofdstuk, in vers 13, doet Johannes de groeten van de kinderen van uw zuster, de uitverkorene. De meeste uitleggers zeggen dat dit ziet op een andere gemeente. Het is goed mogelijk. Hoe het ook zij, gemeente, één ding is zeker: ze is uitverkoren. Of het nu om de moeder van een gezin gaat of dat de heilige gemeente Gods bedoeld wordt, voor beide geldt dat ze uitverkoren zijn tot een levende hoop.

 

Het is namelijk een kenmerk van de gemeente Gods dat ze een uitverkoren gemeente is, vanwege Gods eeuwig welbehagen. Als ik aan een belijdeniscatechisant vraag om een definitie te geven van de Kerk, hoop ik dat hij of zij op de vraag: ‘Wat gelooft gij van de heilige, algemene Christelijke Kerk?’ dit antwoord kan geven: ‘Dat de Zone Gods uit het ganse menselijk geslacht Zich een gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren, door Zijn Geest en Woord, in de enigheid des waren geloofs, van den beginne der wereld tot aan het einde vergadert, beschermt en onderhoudt; en dat ik daarvan een levend lidmaat ben en eeuwig zal blijven’ (HC vr. en antw. 54).

De uitverkoren vrouwe en aan haar kinderen. In kanttekening 2 lezen we:Zo noemt hij haar naar het oordeel der liefde, naar welke allen die Christus belijden, voor uitverkorenen moeten gehouden worden.’

Zo schrijft ook Petrus aan het begin van zijn eerste brief: De uitverkorenen naar de voorkennis van God den Vader, in de heiligmaking des Geestes, tot gehoorzaamheid, en besprenging des bloeds van Jezus Christus (1 Petr. 1: 2).

 

Johannes heeft deze uitverkoren vrouw, deze gemeente of deze moeder van haar gezin, hartelijk lief. Die ik in waarheid liefheb, en niet alleen ik, maar ook allen die de waarheid gekend hebben. Van dit gezin geldt wat we in de profetie van Jeremia lezen: Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid (Jer.31: 3).

In waarheid betekent: in oprechtheid. Het is een eerlijke zaak. Er wordt heel veel geschreven tussen mensen onderling, en we kunnen ook heel wat dingen tegen elkaar zeggen. Maar het komt wel op waarheid aan. Johannes schrijft: Die ik in waarheid liefheb. Oprecht, zeggen de kanttekenaren. Er is een hartelijke liefdeband tussen de apostel der liefde, de ouderling, en aan wie hij schrijft.

Hoe zong de ouderling uit Werkendam, Jacob Groenewegen, dat ook alweer?

‘Zoete banden die mij binden, aan des Heeren lieve volk. Wis, zij zijn mijn hertevrinden.’

Dit klinkt door in de aanhef van Johannes in deze brief. Hartelijk verbonden met zoete, geestelijke banden. Kent u daar iets van? Men zegt weleens: ‘Dan wordt eigen vreemd, en dan wordt vreemd eigen.’ Er vallen soms hartelijke banden, als er iets mag worden geproefd en gesmaakt van de waarheid, van dit goddelijke werk. Die ik in waarheid liefheb, slaat op al degenen die de waarheid kennen. Het zal u misschien opgevallen zijn, dat de woorden waarheid en liefde in deze verzen de twee kernwoorden zijn. In de verzen 1 tot en met 4 zien we vijf keer het woord waarheid.

 

Volgens Johannes is er liefde bij hen, maar ook bij allen die de waarheid gekend hebben. Vanuit het Grieks mag je ook vertalen: hebben leren kennen. Dus die hartelijke onderlinge liefde is er ook bij al degenen die de waarheid hebben leren kennen.

De wederzijdse liefde tussen de apostel Johannes en de gemeente of de uitverkoren vrouw en haar gezin, vindt zijn grond in het liefhebben van dezelfde waarheid.

Wat is dan de waarheid? Heel eenvoudig! Niet een ‘oude waarheid’, of weet ik wat voor waarheid, want er is maar één waarheid! Dat is die van Gods Woord. Daarbuiten is geen waarheid.

De waarheid is die van het Heilig Evangelie. Dat bindt allen die de ware leer hebben leren kennen, in liefde aaneen. Hoort u daarbij, hoor jij daarbij? Is er die hartelijke liefdesband gelegd tot Gods kinderen?

We kunnen strijden voor de waarheid. Maar hebben we die waarheid leren kennen waarover de apostel hier spreekt? Daar komt het immers op aan! Het woord kennen betekent in de oorspronkelijke taal: kennen met je hart. Dat is een bevindelijk kennen en leren kennen door het ware geloof. Het is natuurlijk een voorrecht als je met je verstand mag weten wat de waarheid is; dat is een voorrecht in deze verwarde tijd. Maar het is niet genoeg, het is eeuwig tekort!

Hebben we met ons hart leren belijden, vanuit het Doopsformulier dat wij met onze kinderen in zonden ontvangen en geboren en daarom kinderen des toorns zijn? Hebben wij onze zonde en schuld door genade leren bewenen voor God? Is in het uur van Gods welbehagen de weg der verlossing in ons leven geopenbaard?

 

Bij Johannes is dat gebeurd. Waar heeft hij de waarheid leren kennen? Kom, dat weten we wel! Hij stond toen aan de oever van de Jordaan, en het is al zeventig jaar geleden, toen hij nog maar een jonge man was. Er was zo’n wonderlijke prediker gekomen, die ook Johannes heette. Hij had de bijnaam ‘de Doper’. Deze predikte het oordeel, ook over verbondskinderen, schriftgeleerden en farizeeën. En ook is alrede de bijl aan den wortel der bomen gelegd; alle boom dan die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen (Matth. 3:10). Daar had de jonge Johannes met Simon, Andreas en Jakobus gestaan.

Het Woord had geklonken, en hij had zichzelf gezien in de spiegel van de Heilige Wet, waardoor de kennis der zonde is. Die kennis leer je niet bij het kruis. Want door de wet is de kennis der zonde (Rom. 3:20).

Zo is Johannes een verloren zondaar geworden aan de Jordaan. ‘Zulk een last van zond’ en plagen, niet te dragen’ (Ps. 38:4 ber.). Maar daar is hem ook de waarheid geopenbaard, de leer van het heilig Evangelie, toen de vinger van de Doper heen wees naar Jezus, Die het Lam Gods is. Toen is Johannes Hem gevolgd, Die tegen hem zei: Komt, en ziet (Joh. 1:40).

Dat is nu de waarheid leren kennen met je hart, en dat gebeurt door de Heilige Geest. Johannes schrijft dat al diegenen die de waarheid, de ware leer van het heilig Evangelie hebben leren kennen, elkaar hartelijk lief hebben. Zij hebben allemaal deze vrouw en haar gezin lief, omdat het werk van Gods genade daarin openbaar komt.

Ik lees u kanttekening 8: ‘Namelijk heb ik hen lief, dewijl zij dezelve aangenomen hebben, belijden en beleven.’ Dus de onderlinge liefde is niet zomaar wat lievigheid of sociaal mededogen.

Hebt u de waarheid van het Heilig Evangelie, dat er in Christus Jezus alleen verlossing is, leren beleven?

 

U begrijpt, dat de waarheid van het Evangelie door de misleiders en dwaalleraars werd ontkend. We zijn dat ook in de eerste brief tegen gekomen. Er waren daar predikers gekomen die een andere waarheid brachten.

In vers 7 komt Johannes erop terug: Want er zijn vele verleiders in de wereld gekomen, die niet belijden dat Jezus Christus in het vlees gekomen is. Deze is de verleider en de antichrist.  Want dit is toch de leer van het Evangelie, dat de Zoon des Mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken wat verloren was (Luk. 19:10)?

Van deze gezochten en gevondenen mag Johannes zeggen in vers 2: Om der waarheid wil, die in ons blijft en met ons zal zijn in der eeuwigheid.

Johannes heeft die vrouw en haar kinderen hartelijk lief, omdat de waarheid door hen is beleden en beleefd. De waarheid van zalig worden is alleen verworven door de Zaligmaker, de Heere Jezus Christus. Deze is ín de gelovigen, en blijft mét de gelovigen tot in eeuwigheid. In kanttekening 9 lezen we daarvan: ‘Namelijk door de genade en naar de beloften Gods, dat Hij ons in dezelve altijd zal bewaren.’

Sinds Johannes in de tiende ure Christus als Zaligmaker mocht leren kennen, blijft de waarheid in hem. Want niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken, heeft Christus gezegd (Joh.10:28).

 

In het slot van vers 2 lezen we: en met ons zal zijn in eeuwigheid. De geschonken genade zal eeuwig blijven, omdat God en Zijn werk eeuwig is. Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde, en in der eeuwigheid (Hebr. 13: 8). Deze waarheid blijft altijd dezelfde, omdat de Geest der waarheid niet verandert.

Heeft de Heere Jezus dat niet beloofd, toen Hij opvoer ten hemel? ‘Naar Zijn Godheid, majesteit, genade, en Geest wijkt Hij nimmermeer van ons’, zegt onze Catechismus (antw. 57). ‘Want goedertieren is de Heer’; Zijn goedheid eindigt nimmermeer; Zijn trouw en waarheid houdt haar kracht, tot in het laatste nageslacht’ (Ps. 100: 4, ber.).

 

En Ik zal den Vader bidden, en Hij zal u een anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid; namelijk den Geest der waarheid, Welke de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet; maar gij kent Hem, want Hij blijft bij ulieden en zal in u zijn (Joh. 14:16,17). Zo mag Johannes in de aanhef getuigen van de genade waarin ze samen mogen delen.

Wat ben je gelukkig, als je zulke vrienden hebt. Wat ben je goed af, als je een dergelijk briefje krijgt! Als je die zoete banden, gelegd door God, mag ervaren in de gemeenschap der heiligen. Wanneer deze waarheid méér mocht worden beleden en beleefd, zou het openbaar komen in de gemeenschap der heiligen, in de onderlinge, hartelijke liefde in Christus’ gemeente.

Als er geen gemeenschap is met het Hoofd, betekent dit dat deze ook niet functioneert onder elkaar. Ach, moge de Heere de brieven van Johannes gebruiken, waarin waarheid en liefde centraal staan, om in onze harten iets van die genade te werken. Waar we de leer van het heilig Evangelie beleven, komt het openbaar in de vruchten.

 

We gaan naar de zegengroet, onze tweede gedachte. Maar we zingen eerst: Psalm 119:16.

 

Mijn hart kleeft vast aan waarheid en aan deugd;

Het zal op Uw getuigenissen hopen;

Beschaam mij niet, wil mij, in U verheugd,

Tot Uwe vrees, o HEER’, gestadig nopen.

Als Gij mijn hart verwijdt door ware vreugd,

Zal ik het pad van Uw geboden lopen.

 

We luisterden naar de aanhef van de brief, de schrijver, en het adres. Maar we hoorden ook van de hartelijke band der liefde, waar men in waarheid door het geloof met elkaar verbonden was. Verbonden met Hem, Die de Waarheid is.

 

2. De zegengroet

Dan gaat Johannes in zijn brief verder met de zegengroet. We lezen die in vers 3: Genade, barmhartigheid, vrede zij met ulieden van God den Vader, en van den Heere Jezus Christus, den Zoon des Vaders, in waarheid en liefde.

Je moet je voorstellen: dat papyrusbriefje kwam in het gezin. Moeder riep haar kinderen aan tafel. ‘We hebben een briefje gekregen van de oude dienaar van God, de apostel der liefde. Luister eens naar wat hij schrijft.’ Of het kan in de gemeente door de engel, de voorganger engel van de gemeente zijn gelezen. Toen hoorden zij: Genade, barmhartigheid, vrede zij met ulieden.

Komt u dat niet bekend voor? U moet eens uitrekenen hoe vaak u dit in de achterliggende jaren hebt gehoord. Van rustdag tot rustdag mag in Gods Naam deze zegenwens en groet worden uitgesproken.

Wat een ontzaglijk rijke zaken liggen daarin. Zo vaak al gehoord, en nog nóóit over nagedacht? Mag ik er dan nu eens een streep onder zetten? Hoe hebt u dat gehoord in uw leven? Als een standaardbegin van de kerkdienst?

Of zitten er jongens of meisjes als bij deze uitverkoren vrouw? Hebben zij de zegengroet weleens anders gehoord? Hebben zij hongerig en dorstig geloofd dat er genade, barmhartigheid en vrede is, die worden toegewenst in Gods Naam?

 

Dit is trouwens niet alleen een wens en bede. Kanttekening 11 legt dit uit: ‘In het Grieks staat er: ‘zal zijn’. Het is een zekerheid, een bevestiging. Als de zegengroet in de gemeente mag worden uitgesproken, is het in de Naam van de almachtige en alwetende God. In deze drie woorden genade, barmhartigheid en vrede ligt nu alles wat je nodig hebt voor tijd en eeuwigheid. Hebt u deze woorden al zestig of zeventig jaar gehoord, en hebt u de inhoud ervan nog niet nodig gehad? Is het nooit een wonder geworden, dat er genade, barmhartigheid en vrede te vinden is?

Of is het wel eens anders geworden in uw leven? Deze zegenbede zal vervuld worden. Bent u deelgenoot geworden van deze weldaden? Mag u spreken van genade die u vond in Gods ogen? Hebt u die grondeloze barmhartigheid leren zien? Mocht u iets proeven van een geschonken vrede? Dan worden deze zaken grote weldaden. Dan wordt het een wonder dat de Heere die wil bevestigen en schenken.

 

Wat is eigenlijk genade? Er staat gratie. Waar hoort genade, gratie bij? Help me eens, jongelui. Genade hoort bij zonde, schuld en oordeel. Het heeft betekenis voor een ter dood veroordeelde. Genade van God in Christus staat tegenover een hemelhoge schuld, en die genade wil Hij nu aan zondaren schenken.

‘Genade’, zegt Matthew Henry, ‘is goddelijke gunst en genegenheid; de oorsprong van alle goede dingen is genade; inderdaad, het is enkel genade indien enige geestelijke zegeningen aan zulke zondige stervelingen worden verleend.’ Heb je zo van genade gehoord en heb je die zo beleefd?

Weet u, wanneer deze zegengroet van de hemel, in Gods Naam op u gelegd, waarde krijgt? Als u uw schuld en zonden leert kennen. De woorden van de groet gaan aan u voorbij als u hiervan geen weet hebt. De tollenaar bad achterin de tempel: O God, zijt mij zondaar genadig (Luk. 18:13). Het woord genade wordt veel gebruikt. Mogen wij er iets van beleven in ons hart? Is de genade niet alleen over ons uitgesproken, maar heb je weleens jouw lege handen opgeheven naar God, om die te mogen ontvangen?

Ik ontmoette eens een wat bijzondere kerkganger. Hij bleek een Jood te zijn. De eerste keer, op een warme zomeravond vele jaren geleden, trof het mij. Toen ik de zegengroet ging uitspreken, stond hij vooraan in de kerk. Hij hief zijn lege handen op naar de hemel. Begrijp je, wat ik bedoel?

Als dat werkelijkheid is in je hart en leven, wil de Heere die genade meedelen door Zijn Woord en Geest. ‘Genâ, o God, genâ, hoor mijn gebed; verschoon mij toch naar Uw barmhartigheden. (Ps. 51: 1, ber.).’

Kinderen van God, daar kom je nooit bovenuit. Over de diepte van het woord genade raak je nooit uitgeleerd.

Wat betekent Johannes ook alweer? De Heere is genadig. Dit is werkelijkheid geworden in zijn leven. Dat woordje genade is voor Gods kinderen het léven, van het begin tot aan de laatste snik.

 

Barmhartigheid of eleos staat er. Het woorddeel barm komt van branden. Barmhartigheid ziet dus op het brandende hart van God de Vader; ze is Zijn innerlijke ontferming. Dat mag Johannes hier zeggen in deze zegengroet. Maar God, Die rijk is in barmhartigheid, door Zijn grote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft, ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus (uit genade zijt gij zalig geworden) (Ef. 2: 4,5).

Weet u het nog? Misschien is het al lang geleden dat u catechisatie kreeg uit het boekje van Hellenbroek. Daar wordt gevraagd: ’Wat is Gods barmhartigheid?’ Weet u het antwoord nog? ‘Die goedheid van God omtrent de ellendige, uitverkoren zondaar, waardoor Hij hem metterdaad herstelt in de genadestaat door de Middelaar Jezus.’

Wat een rijkdom ligt er dan in dit woord! Dat is nu de goedheid van God, die oneindige, grondeloze barmhartigheid, waardoor en waarmee Hij ellendige zondaren wil opzoeken en oprapen.

Daar zit geen bodem in.

 

Eirène of vrede betekent niet alleen een einde aan oorlog en vijandschap onder elkaar. Het wil ook zeggen dat alle verhoudingen hersteld zijn. De goddelozen hebben geen vrede; die zijn als een voortgedreven zee. Zij kunnen niet rusten. Het zijn mensen zonder God en Christus. Zij hebben geen hoop en weten nooit van vrede. Jesaja schrijft: Doch de goddelozen zijn als een voortgedreven zee, want die kan niet rusten, en haar wateren werpen slijk en modder op. De goddelozen, zegt mijn God, hebben geen vrede (Jes. 57:21,22).

Nu deelt Christus deze vrede uit en Johannes mag dit aan die uitverkoren vrouw verwoorden. Eris herstel in alle verhoudingen tussen God en de naaste. Vrede met God door Christus. Dan is alles vlak tussen God en je ziel.

 

Gemeente, drie woorden die u elke zondag, misschien gedachteloos, voorbij hoort gaan. Zult u daar eens aandachtiger naar luisteren? Geef, Heere, dat ook mijn hart uit onbezweken trouw mag delen in Uw genade, barmhartigheid, en vrede. Want genade en vrede horen bij elkaar als oorzaak en gevolg.

Zalig worden is alleen uit genade, en dat wordt gesmaakt in de vrede door het bloed des kruises. Deze drie zaken horen bij elkaar.

 

De vrouw zal de brief voorgelezen hebben aan haar kinderen. Dan heeft misschien één van hen gevraagd wat de bron van de zaligheid is. En moeder zal gezegd hebben dat de zaligheid van God de Vader komt, en van de Heere Jezus Christus, de Zoon des Vaders, in waarheid en liefde.

De Zoon, Jezus Christus, heeft de zaligheid verdiend voor doodschuldigen. Hij betaalde hun schuld. Hij stond in het gericht, waar schuldige zondaren hadden moeten staan, wij zíj hadden moeten staan. Hij verwierf voor hen het eeuwige leven. Daar komt ze uit voort: de genade, de barmhartigheid en ook vrede. Dan wordt genâ van waarheid blij ontmoet; de vrede met een kus van ’t recht gegroet (Ps. 85: 4, ber.).

 

Vrede laat Ik u, Mijn vrede geef Ik u; niet gelijkerwijs de wereld hem geeft, geef Ik hem u (Joh. 14:27). Dat is een vrede die alle verstand te boven gaat. Dat is het onuitsprekelijk wonder waarover Petrus schrijft: Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden (1 Petr. 1: 3).

 

Johannes schrijft in vers 3 er bewust achter: in waarheid en in liefde. Dat sluit aan bij de twee vorige verzen, en is de overstap naar de volgende.

Het christelijk geloof bestaat alleen uit waarheid en liefde. Daarin ligt geheel het leven van de genade verklaard. Die wordt in het hart geleerd door de Heilige Geest, met de liefde tot God en de naaste. De profeet Zacharia schrijft in hoofdstuk 8:19: Hebt dan de waarheid en den vrede lief.

Deze tekst van Zacharias hangt op mijn gebrekkige manier in het Hebreeuws geschreven aan één van de wanden in mijn studeerkamer. Dat was en is mijn hartelijke wens.

Er zijn mensen die de waarheid lief hebben, maar daarbij alles verwoesten. Er zijn ook mensen die de vrede liefhebben, en veel te aardig zijn voor elkaar, zonder één woord van vermaning. Laat het toch onze hartelijke bede zijn: Hebt dan de waarheid én den vrede lief.

Wat een rijke weldaden worden in deze brief verwoord. Dan komt Johannes tot de aansporing, wat ons derde punt is.

 

3. De aansporing

Ik ben zeer verblijd geweest dat ik van uw kinderen gevonden heb die in de waarheid wandelen, gelijk wij een gebod ontvangen hebben van de Vader. Johannes gaat zijn lezers aansporen. Hij schrijft dit positief, omdat Hij deze kinderen of gemeenteleden heeft gevonden. Johannes heeft naar hen uitgekeken, gezocht, gezien en gesproken.

Johannes is daardoor zeer verblijd, want zij wandelen in de waarheid. De genade van de leer van het Heilig Evangelie is in hun hart en leven openbaar gekomen. Ze mogen wandelen in de weg en de geboden des Heeren.

 

Jonge vrienden, er zal blijdschap zijn in de hemel over één jongere die tot zichzelf komt. Er zal blijdschap zijn onder de engelen Gods over één zondaar, die met smeking en geween in het verborgene voor God neerbuigt, en zegt: ‘Gena, o God, gena, hoor hoe een boet’ling pleit’ (Ps. 51:1 ber.). Er is ook blijdschap bij Gods kinderen, wanneer er zijn die in de waarheid wandelen en deze ook mogen beleven.

Wat een blijdschap is er bij een moeder of vader, wanneer zij mogen zien dat hun kinderen de Heere vrezen. Daar bent u toch blij mee? Maar zult u hen niet gelijk de handen opleggen? Want dan bederf je alles; nee, u moet zomaar stilletjes kijken naar wat de Heere in hun leven doet.

De oude Johannes was zeer verblijd, dat hij kinderen in de gemeente aantrof, die in de waarheid wandelden. Voor ons, broeders kerkenraad en gemeente, is het tot hartelijke blijdschap als er onder kinderen en jongeren gevonden worden waar dit wandelen voor Gods aangezicht openbaar komt.

Matthew Henry schrijft: ‘Gelukkige ouders die gezegend zijn met nakomelingschap van vele godvrezende kinderen. Voorts zien wij hier hoe heerlijk het is voor oude dienaren en voor alle oude discipelen een hoopgevend nieuw geslacht te zien opstaan, dat God zal dienen ook na hun verscheiden.’

Dat was me uit het hart gegrepen. Hoe heerlijk en verblijdend zal het zijn als een oude dienaar mag zien dat er onder het opkomende geslacht zijn, die in de waarheid wandelen, en deze hartelijk lief kregen. Zij leren door de vruchten van het ware geloof te wandelen in de wegen van God.

Als dit mag worden gezien en gehoord, is dat tot vreugde van de Kerk. Het zaad zal Hem dienen (Ps. 22:31). Ze komen aan, door Godd’lijk licht geleid (Ps 22: 16, ber.).

 

Weet je wat er ook nog staat? Er waren in dat gezin en in die gemeente ook kinderen en volwassenen die niet wandelden op de smalle weg naar Sion. Zij holden voort als een briesend paard op de brede weg. Johannes was zeer verblijd, en toch was er ook verdriet. Want je hebt toch niet één van je kinderen, ouders en gemeenteleden, over voor de buitenste duisternis?

 

Wat zou Johannes geweest zijn als hij u of jou ontmoet of gesproken had? Zeer verblijd of bedroefd?

Amen.

 

Psalm 86:6:

 

Leer mij naar Uw wil te hand’len,

‘k Zal dan in Uw waarheid wand’len;

Neig mijn hart, en voeg het saam

Tot de vrees van Uwen Naam.

Heer’, mijn God, ik zal U loven,

Heffen ’t ganse hart naar boven;

‘k Zal Uw Naam en majesteit

Eren tot in eeuwigheid.