Ds. S.W. Janse - Psalmen 40 : 18

Het slot van Davids psalm

Psalmen 40
Zijn klacht
Zijn geloofstaal
Zijn gebed

Psalmen 40 : 18

Psalmen 40
18
Ik ben wel ellendig en nooddruftig, maar de HEERE denkt aan mij; Gij zijt mijn Hulp en mijn Bevrijder; o mijn God! vertoef niet.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 40: 8
Lezen : Psalm 40: 10 - 18
Zingen : Psalm 72: 2, 6 en 7
Zingen : Psalm 70: 1 en 3
Zingen : Psalm 25: 3

Gemeente, de woorden van onze tekst kunt u vinden in Psalm 40, en daarvan het laatste vers, vers 18. We lezen daar de tekstwoorden als volgt:

 

Ik ben wel ellendig en nooddruftig, maar de Heere denkt aan mij; Gij zijt mijn Hulp en mijn Bevrijder; o mijn God! vertoef niet.

 

We letten bij deze tekstwoorden op het slot van Davids psalm, en staan dan stil bij drie gedachten.

 

1. Zijn klacht – Ik ben wel ellendig en nooddruftig.

2. Zijn geloofstaal – Maar de Heere denkt aan mij, Gij zijt mijn Hulp en mijn Bevrijder.

3. Zijn gebed – O, mijn God, vertoef niet.

 

1. Zijn klacht

 

Het kan weleens gebeuren, gemeente, dat je mensen ontmoet van wie wij zouden zeggen: Ze hebben alles voor elkaar, ze hebben alles wat hun hart begeert. Ze zijn geslaagd in het leven. Misschien een geweldige woning, een prachtige auto of auto’s. Voor het oog keurig. Misschien ben je jaloers op die mensen, die het goed hebben naar de begrippen van deze wereld. Mensen die genoeg hebben om te besteden. Totdat je binnenkomt’, en dan merk je al snel dat er een ‘maar’ is!

Misschien is er onvrede in het huwelijk. Misschien heeft men een ernstige boodschap gekregen: nog enkele maanden te leven; of er is sprake van allerlei zorgen, bijvoorbeeld over de kinderen.

Dus het lijkt zo mooi, en toch zijn er zoveel zorgen. Er is een ‘maar’. Dat zie je ook vaak in de Bijbel. Misschien ken je wel iemand uit Gods Woord, die een geslaagde man leek te zijn.  Hij had om zo te zeggen al heel wat medailles binnengehaald en bekers in zijn kamer staan. Hij had oorlogen gevoerd en de overwinning behaald. Je begrijpt wie ik bedoel: Naäman.

En dan staat er heel treffend: doch melaats, maar … melaats (2 Kon. 5:1). Wat heb je dan aan al die medailles? Wat heb je dan aan al die bekers, en aan die overwinningen? Je hebt wel naam en faam en je bent misschien beroemd. Maar wat heb je eraan? Helemaal niets! Want er is een ‘maar’.

 

De tekst heeft ook een ‘maar’, alleen precies andersom: Ik ben wel ellendig en nooddruftig. Is dat het enige wat David te zeggen heeft? Nee. Maar, zegt hij. Er komt een wending, de deur gaat open. Maar is eigenlijk een scharnierwoord. Hier gaat het vanuit de ellende, vanuit de nooddruft naar God toe. Hij vertelt Wie God voor hem is. Maar de Heere denkt aan mij.

Daar gaat het over vandaag. Zijn klacht. U zegt: Is dat wel een gepast slot? We hebben het begin van deze psalm overdacht, en we hebben David horen zingen. Hij heeft een nieuw lied in mijn mond gegeven. God had hem verlost uit die ruisende kuil, uit dat modderige slijk. Hij was op een rotssteen gesteld. Dan spreekt hij in vers 6 over Gods wonderen: Gij, o Heere, mijn God! hebt Uw wonderen en Uw gedachten aan ons vele gemaakt. Daar wist David van. God is een wonderdoend God, en daar wist hij ook iets van in zijn eigen leven. David spreekt in vers 11 over Gods deugden: Uw waarheid en Uw heil spreek ik uit; Uw weldadigheid en Uw trouw verheel ik niet in de grote gemeente. Het is één lofzang op Wie God is voor David.

 

Dan komt deze tekst: Ik ben wel ellendig en nooddruftig. Zeg David, had je nu niet anders kunnen eindigen? Moet je nu weer terug naar dat begin, waar je ook sprak over je ellende in de ruisende kuil? En nu in deze laatste verzen, in het bijzonder in het achttiende vers, kom je er weer op terug!

Er is tweeërlei uitleg als het over deze psalm gaat. De vorige keer hebben we er één genoemd: het eerste deel is een danklied en het tweede een klaaglied. Dan kijkt David in dat tweede deel terug naar hoe het was in de kuil.

Het kan ook zijn, zeggen andere verklaarders, dat David opnieuw in de nood gekomen is. Dus David is verlost door de Heere, maar nu is hij weer in de nood gekomen. Daarom deze woorden. Maar hoe het ook zij, David zegt: Ik ben wel ellendig en nooddruftig. Ondanks zijn verlossing, ondanks zijn redding, zegt hij dit. Wat betekent dat?

 

Laten we het eens samen overdenken. Onze kinderen weten dat wel: ellendig is uitlandig. Dus David zegt: Ik ben niet meer in mijn land. Dat was bij David vaak zo. Hij is in ieder geval niet in Jeruzalem. Daar zou hij toch op de troon gezet worden? Daar zou hij de kroon krijgen. Maar hij moest vaak vluchten. We zien hem gaan als een veldhoen over de bergen, achternagezeten door zijn vijanden. Soms is hij in het Over-Jordaanse, als Absalom achter hem aanzit. Dus David is niet zo vaak op de plaats waar hij graag wil zijn. Hij is een zwerver, zou je kunnen zeggen.

Hij voelt zich niet thuis. Hij is een vreemdeling op de aarde, zegt Psalm 119. Ik ben wel ellendig. We gebruiken dat woord nogal eens. Wat is er veel ellende. Ons doopformulier begint daar ook mee: aan allerhande ellendigheid, ja, de verdoemenis zelf onderworpen. Er zijn hier heel wat mensen die weten wat het woord betekent.

Het grondwoord wijst naar de oorzaak. Wij zijn uit het land verdreven. Of moet ik het anders zeggen? We zijn zelf uit ons land weggelopen, uit het paradijs. We zijn familie van Adam, en daarom geldt het in zekere zin voor ons allemaal: Ik ben wel ellendig.

 

Weet u dat? Is het uw grootste ellende dat u uw ellende niet kent? We zijn ballingen. Denk eens, jongens en meisjes, aan Johannes, die daar op Patmos zit, dat eiland in de Egeïsche zee. Hij is verbannen, hij is daar vanwege de naam en de zaak van Christus. Hij hoort in Efeze, in zijn gemeente thuis. Hij is een balling.

Wat zegt David? Ik ben een balling. Hoe is dat bij ons? Verbannen vanwege de zonde? Mag ik het zo zeggen? Vanwege de zonde in het oord voor ballingen terecht gekomen, buiten het paradijs, waar het goed was. Daarom zijn we  dus ellendig. Als Johannes een brief uit de hemel krijgt, moet hij schrijven aan de gemeente van Laodicea. En dan schrijft hij: Gij weet niet, dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt (Openb. 3:17). David, hij wist het door genade.

 

Er is nog een betekenis die we misschien niet zo vaak horen: ‘neergebogen’ betekent het eigenlijk. David zegt: ik ben iemand die loopt onder een last. Hij gebruikt datzelfde woord in Psalm 119, waar hij zegt: Ik ben gans zeer verdrukt (Ps. 119:107). Het woord ‘verdrukt’ betekent eigenlijk hetzelfde als ellendig. We hebben gehoord wat de verdrukking van David was, en waar David onder gebukt liep.

 

Misschien gaat u ook wel gebogen onder de last van de zorgen die er kunnen zijn. Uw gezondheid, die afneemt. Vragen in uw hart. Kuren en behandelingen die u moet ondergaan, psychische nood; noem maar op. Gebogen ... Misschien dat het leven u haast te veel is. We kunnen allerlei dingen noemen waaronder we gebogen gaan. Het gaat over iemand die gebogen loopt. Natuurlijk niet letterlijk; maar dat is het beeld dat David hier gebruikt: ik ben neergebogen. David heeft ook al aangegeven hoe dat kwam; kijk maar naar vers 13: vanwege zijn ongerechtigheden.

Misschien zitten er vandaag mensen in de kerk, die zeggen: Heere, ik voel mijn krachten wijken en bezwijken. Ik ben net als Christen die uit de stad verderf gaat; ik heb ook een pak op mijn rug. Dat loopt niet zo makkelijk, jongens en meisjes. Dat pak op je rug voel je wel. Het is of David zegt – hij komt nu op huisbezoek bij jou – voel je die last ook al? Of kun je nog vrolijk fluitend je weg gaan? Ik heb nergens last van. Ik heb helemaal geen last, dominee. Ik heb helemaal geen last, het gaat me voor de wind. Ik vind het leven wel best zo. Als u het hebt over ellende – het leven lacht me toe, ik ben nog jong, ik volg graag de stem van mijn hart. Ik ben wel ellendig en nooddruftig? Dat is aan mij niet besteed.

 

Toch zeg ik vandaag, dat het in zekere zin over ons allen gaat: neergebogen. Het ergste is: we voelen het niet, het weegt niet. Bij David woog het wel. Zijn er hier ook mensen in de kerk, die moeten zeggen: Dat is nu mijn leven? Er zijn heel dikke levensbeschrijvingen van Gods kinderen. Dat is op zich niet verkeerd. Het kan ons jaloers maken op hun geluk. Alleen is het gevaar wel dat het zoveel over de méns gaat. Dan leggen we zo’n boek naast ons eigen leven als een soort maatstaf.

Maar hier hebben we eigenlijk een heel korte levensbeschrijving van een kind van God. Dat zou elk kind van God als het ware op kunnen hangen in de slaapkamer of waar dan ook. En dan kan hij zeggen: Dat is nu mijn leven, deze ene zin; ook al volgt er straks meer: Ik ben wel ellendig en nooddruftig.

Wat zijn dat voor mensen? Wie is er nooddruftig? Ik begon met te zeggen: misschien hebt u alles wat uw hart begeert. Maar deze mensen missen wat. Die missen niet enkele dingen, die missen álles! Die missen het meest nodige! Dan ben je nooddruftig.

 

Wat mist David? David mist zijn troon, hij mist zijn kroon, hij mist zijn paleis, zijn vrouw en zijn kinderen. Hij zwerft over de aarde: Gij weet o, God, hoe ik zwerven moet op aard. David mist God, Zijn gunst, Zijn gemeenschap – en daar is het David toch om te doen. Dat blijkt wel uit deze psalm en uit andere psalmen van David. Lees Psalm 42, waar hij verlangt naar God, waar er heimwee is in zijn hart.

Ik ben wel ellendig en nooddruftig. Zijn die hier, nooddruftigen? U zegt misschien: Ja, ik mis genoeg, maar God? Nee, God mis ik niet. Ik zou dít wel willen en ik zou dát willen bereiken in mijn leven, maar de gunst en de gemeenschap met God, daar is het ons van huis uit niet om te doen.

Maar daar is het David wel om te doen, en dat geldt voor al die ellendigen en nooddruftigen. Ze zijn mensen die behoeftig en arm zijn, mensen die echt wat nodig hebben. Arme mensen hebben niets! Die hebben alles nodig, die leven van het gegeven goed. Denk maar aan bedelaars, jongens en meisjes. Je komt hen nog steeds tegen in de steden. Een bedelaar zit langs de weg te bedelen. Hij houdt zijn hand op, hij heeft niets; hij moet leven van wat hij krijgt van een ander. Dat is het leven van David.

 

Is dat ook uw en jouw leven? Is hier geschetst hoe het in uw of jouw hart is? Ik ben een balling, een zwerver, een uitlandige, die zich hier niet thuis voelt. Ik ben iemand die gebukt gaat onder de last van zonden en plagen, niet te dragen. Ik ben ook nooddruftig. Vanuit mezelf heb ik niets dan lege handen.

Ja maar, David, wat heb je nu net in deze psalm gezegd? Je hebt ons gezegd Wie God voor je is. Toen mocht David zeggen, ook ná de genade die hij ontvangen mocht: Als het over mij gaat, valt er niets goeds van me te zeggen. Als ik op mezelf zie en door de werking van de Heilige Geest in mijn hart blik, is dít mijn leven. Ik ben nooddruftig, arm.

 

Misschien zitten er wel zulke armen in de kerk of aan de kerktelefoon. Mensen die arm zijn aan geloof, arm aan hoop, arm aan liefde. Mensen die moeten zeggen: Heere, ik mis wat U wilt geven; dat wordt bij mij niet gevonden. Ik ben wel ellendig en nooddruftig. Mogen we u dan heenwijzen naar Christus! Hij is toch het Middelpunt van deze psalm, hebben we gezegd. Als er nu Eén was Die als een ellendige en arme over de aarde ging, was het Christus wel. Als er Eén nooddruftig was, was het de Middelaar wel, toen Hij op de heuvel Golgotha kwam. Daarom – deze tekst stopt niet; er staat geen punt, maar een komma. Want Hij gaat nooddruftigen verschonen, hebben we gezongen; ’t ellendig volk wordt dan uit lijden door Zijnen arm gerukt. David zegt méér.

 

2. Zijn geloofstaal

 

Wat zegt hij dan? Maar de Heere denkt aan mij. Gij zijt mijn Hulp en mijn Bevrijder. Denk dus niet dat David zegt: Nou ja, de Heere denkt dan wel aan mij, maar ik ben tóch ellendig en nooddruftig. U begrijpt, dat klinkt heel anders dan wat deze psalm zegt. David blijft ook niet bij het eerste hangen. Nee, hij mag verder zien, hij mag omhoogzien. Maar de Heere denkt aan mij.

Kinderen, als iemand ernstig ziek is, zeggen we weleens: Ik zal aan je denken. Of je zegt tegen iemand die je spreekt: Ik zal eraan denken, ik zal het meenemen. Maar … we vergeten het, we denken er niet aan. Denk maar aan Jozef, die eerst in de put zat en later in de gevangenis. Waar is de schenker? Hij zou aan Jozef denken, maar hij vergat hem. Zou het nu ook zo zijn bij deze ellendigen, bij die armen? Ik zal in het midden van u doen overhouden een ellendig en een arm volk (Zef. 3:12).

Nee, er is een wending. Van welke kant komt die? Wel, de Heere opent hier als het ware de deur. Maar de Heere denkt aan mij. Waarom kan dit er staan? Wel, daar heeft David eerder over gesproken. We lezen in vers 6: Gij, o HEERE mijn God, hebt Uw wonderen en Uw gedachten aan ons vele gemaakt. In de kanttekening staat: gedachten des vredes.

Wat zijn dat? Als wij onze gedachten op papier moeten zetten, zou je schrikken. Als mijn en uw gedachten hier op de muur zouden staan, zouden we wegvluchten. Wat kunnen we goddeloze gedachten hebben, onreine gedachten.

 

Maar nu gaat David spreken over Góds gedachten. Hier spreekt hij er ook over: maar de Heere denkt aan mij. Wat zijn dat voor gedachten? Gedachten van vrede en niet van kwaad. Het is of David zegt: Eén ding weet ik, ik ben ellendig en dat blijf ik tot mijn laatste snik. Gods kind zegt dat ook. Ik ben een ellendig mens. Het wordt met mij niet beter. Maar de Heere denkt aan mij. Hij roemt hier in Gods welbehagen. Hij roemt in de gedachten van eeuwigheid, en die noemt hij in vers 6 gedachten des vredes. Maar de Heere denkt aan mij.

U zegt misschien: Is het dan zo belangrijk dat God aan mij denkt? Mag ik het eens omdraaien vandaag? Denk je weleens aan God, jongelui? Hoe vaak heb je vandaag al aan God gedacht? Ja, het is zondag zeg je. Nou, dan morgen, een gewone dag in de week. Hoe vaak gaan je gedachten naar de Heere? Naar de dag van het sterven, naar de eeuwigheid, naar wie God is?

Wat zijn we druk, wat zijn we bezet, wat zijn onze gedachten vaak aards en niet hemels gericht. Niet gericht op de dingen van de eeuwigheid. We hebben soms geen moment tijd, zelfs niet om aan God te denken.

 

Zelfs Gods kinderen denken niet altijd aan God, en dat deed ook David niet. Als David in het land van de Filistijnen is, het speeksel door zijn baard loopt en hij zich aanstelt als iemand die geen verstand heeft en aan de deurpost krabt - o, dan is David wel druk met van alles en nog wat, maar hij is níet met zijn gedachten  bij God.

Als David op het dak staat en daar Bathséba zich ziet wassen, als David bezig is een plan te beramen om Uría om het leven te brengen, dan is hij druk met van alles, maar hij denkt niet aan de Heere. Daarom moeten Gods kinderen ook zeggen: Wij hebben Hem vergeten, dagen zonder getal. Je kunt ze niet tellen.

Daarom is dít wonder zo groot: Maar de Heere denkt aan mij. Eén gedachte van God aan u, aan jou is genoeg. Is dat genoeg? Ja, dan zie ik daar de moordenaar hangen, naast de Middelaar. Wat vraagt die moordenaar? Onze kinderen weten het ook wel. Die moordenaar vraagt helemaal niet veel, zou je zeggen. Hij vraagt maar heel weinig: Heere, gedenk mijner! Wilt U één keer aan mij denken, als u in het paradijs zult gekomen zijn? Wat was het antwoord? Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn (Luk. 23:43). God dacht aan deze moordenaar.

Zo denkt de Heere ook aan David. Zijn er hier ook zulke ellendigen en armen? Dan moet u zeggen: Heere als het aan mij ligt, heb ik niet zoveel gedachten aan U. Maar wilt U aan mij denken? Denk aan mij toch in genade om uw goedheid eer te geven!

Maar de Heere denkt aan mij.

 

Ik heb eens gelezen van Spurgeon, de prins der predikers, dat hij op een dag de preekstoel opging, terwijl hij iets had meegenomen. Hij had het tussen de knopen van zijn jas gestoken. Het was een bloem: vergeet mij niet. Die ken je wel, kinderen. Aan het einde van de dienst vroegen de mensen zich natuurlijk af, waarom hij die meegenomen had, een vergeet mij niet. Toen zei hij: Vergeet mij maar – ik zeg het maar in mijn woorden – maar vergeet nu niet de woorden die ik tot u sprak. Vergeet vooral God niet!

Het is of de Heere dat ook nú zegt, omdat de Heere precies weet hoe wij zijn: vergeetachtig. We zijn de kerk nog niet uit of de boodschap is door ons misschien al vergeten. Daarom is het wonder des te groter, want God vergeet David niet. God vergeet ellendigen niet. Het is of de Heere tegen David zegt: Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd (Jes. 49:16). Het is of de Heere zegt: David, als Ik naar Mijn handen kijk, zie Ik uw naam erin staan. Ik denk aan u.

 

In het Oude Testament droeg de hogepriester de borstlap, met de namen van de twaalf stammen Israëls erop. Hij droeg die namen op zijn hart, hij vergat ze niet.

Heeft de Heere Jozef vergeten in de gevangenis? De schenker vergat hem wel. Maar de Heere dacht aan Jozef, Hij haalde hem eruit.

Heeft de Heere Jeremia vergeten in die kuil vol modder en slijk? Nee, er komen dertig mannen aan; het zijn er nogal niet weinig, en ze trekken hem met touwen uit de kuil waar hij in zit. De Heere heeft Jeremia niet vergeten.

Denk bijvoorbeeld aan Paulus op zijn zendingsreizen.  Wat heeft die man meegemaakt: hij droeg de littekenen van Christus in zijn lichaam. En vergat de Heere hem te midden van een storm, een schipbreuk en geselslagen? Nee, de Heere dacht aan Paulus. Dat is nu het wonder: Hij heeft gedacht aan Zijn genade, Zijn trouw aan Israël nooit gekrenkt. Dat denken gaat dus niet van David uit; nee, dat gaat van God uit.

 

Kinderen des Heeren, éér u begon te denken, had de Heere al aan u gedacht. Al van eeuwigheid. Dat kunnen wij niet begrijpen. Wij leven ín de tijd. Maar vóór de tijd was de eeuwigheid, God was er al. Hij had gedachten die goed waren over diep gevallen Adamskinderen. Wel, daar is deze tekst vol van. Daarom ook zegt David in vers 17: Laat in u vrolijk en verblijd zijn, allen die U zoeken. Dat zijn diezelfde ellendigen, de nooddruftigen. Laat de liefhebbers uw heils gedurig zeggen: de Heere zij grootgemaakt!

Waarom moet God verheerlijk worden in het leven van deze man naar Gods hart, die de psalmen maakt? Wel, de Heere denkt aan mij. De kanttekening zegt heel treffend: ‘Om mij te rechter tijd te helpen.’

U kunt hier in uw bank zitten en zeggen: Ja, de Heere heeft mij vergeten, de Heere denkt aan die en aan die, maar aan míj denkt Hij niet.

Zou het waar zijn, Sion? Weet u wat Jesaja zegt? Sion zegt: de Heere heeft mij vergeten en de Heere heeft mij verlaten. Dat zegt Sions hart, dat fluistert de duivel in. Wat zegt de Heere door Jesaja? Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over den zoon haars buiks? Ofschoon deze vergate, zo zal Ik toch u niet vergeten (Jes. 49:14).

Hoe kan nu een vrouw haar kind vergeten, haar baby? Als dat zou gebeuren, nochtans zal Ik u niet vergeten.

Dat is dezelfde strekking als deze woorden. Misschien klaagt u wel en zegt u: Ja, de Heere weet niet van me af. Hoor dan te midden van alle moed benemende omstandigheden, te midden van alles wat er soms kan zijn wat je terneerdrukt: Maar de Heere denkt aan mij.

 

Wat een wonder, wat een voorrecht, wat een weldaad! Je ziet David te midden van alle vijanden. Misschien te midden van een ernstige ziekte of misschien wel in neerslachtigheid, zegt Matthew Henry. Waar is God op Wie gij bouwdet? En dan komt de Heere vaak zo onverwacht, zo ongedacht over. Dan weet de Heere van David af.

De Heere denkt aan mij. Gods gedachten zijn veel hoger dan onze gedachten. Zijn wegen zijn veel hoger dan onze wegen. Soms staat het water tot aan de lippen, dan denkt u: Nog even en het gaat eroverheen. Soms denkt u misschien door het vuur te moeten gaan; nog even en ik zal verbranden. Maar de Heere zegt: U zult niet verdrinken, u zult niet verbranden, want Ik denk aan u. Maar de Heere denkt aan mij.

 

Ik denk dat er wel een zondaar in de kerk is of thuis meeluistert, die dat weleens ervaren heeft. Die zegt: Ja, Heere, hoe kan dat nu dat U aan mij denkt? Wie die ‘mij’ is, hebben we gehoord en ook wie de Heere is: de Getrouwe, de Onveranderlijke, Die zo getrouw is als sterk.

Hoe kan Hij nu aan mij denken? Dat een mens aan je denkt, je vriend of vriendin, dat kun je begrijpen; of ouders aan hun kinderen. Maar dat de Heere aan u en aan jou denkt! Kinderen, misschien zeg je wel: De Heere, Die hoog en ver weg woont. Nu mag David weten dat de Heere aan hem denkt, dat voelt hij in zijn hart.

 

Wáár David ook naartoe gaat, de Heere is met hem. Al gaat hij door het dal van de schaduwen des doods, zegt hij in Psalm 23, Uw stok en Uw staf die vertroosten mij (vs. 4). Wat is dat een troostwoord voor een ellendige. Eén van de verklaarders zegt het zo: ‘Hij denkt aan mij alsof Hij op de ganse aarde maar één kind had.’ Natuurlijk heeft de Heere veel meer dan één kind op de hele aarde. Maar de Heere denkt aan hen alsof ze de enige zijn. Het is of David zegt: Nu zijn Gods gedachten zo vervuld met mij, zo‘n ellendeling.

Hoe is dat toch mogelijk - alsof ik de enige was aan wie de Heere zou denken! Is dat geen woord ter bemoediging voor zo’n ellendige?

 

David  mag nog meer zeggen, maar we gaan er eerst van zingen en wel uit Psalm 70, en daarvan het eerste en het derde vers:

 

Daal haastig ter verlossing neer,

O God, en red mij uit gevaren,

Uit angsten, die mijn ziel bezwaren;

Spoed U te mijner hulp, o Heer’!

Laat allen, die mijn ziel belagen,

Beschaamd en schaamrood van mij vliên;

Laat, die met vreugd mijn rampen zien,

In hunne wensen nimmer slagen.

 

Ik ben nooddruftig, arm en naakt;

O God, mijn Helper uit ellenden!

Haast U tot mij; wil bijstand zenden;

Uw komst is 't, die mijn heil volmaakt

 

Het slot van David psalm. Het is Davids slotwoord, de laatste woorden die hij schrijft in deze psalm. Dat was zijn klacht. David klaagt, maar hij klaagt niet over de Heere. Dat moeten wij ook maar nooit doen! Maar wel klagen over jezelf. Dat doet David in zijn klacht. Wat zegt hij dan van zichzelf? We hebben het overdacht: Ik ben wel ellendig en nooddruftig. Zo vat hij zijn leven samen. Is dat alles? Nee, dit is zijn geloofstaal: maar de Heere denkt aan mij. Hij jubelt het uit! Hij roemt in vrije gunst alleen.

Dit had er nooit kunnen staan als er geen welbehagen bij God was. Hij zegt: Nu denkt de Heere tóch aan zo een, aan zo’n albederver. Maar de Heere denkt aan mij, zo lezen we hier.

 

Wat zegt hij nog meer? Gij zijt mijn Hulp en mijn Bevrijder. David mag door het geloof spreken. De gelovige kent eb en vloed. Hij kent in zijn leven verschillende getijden, om het zo maar te zeggen. Het geloof is vast, het geloof is onwankelbaar, in het geloof is zekerheid. Dat klinkt ook door in deze woorden: Gij zijt mijn Hulp en mijn Bevrijder.

U zegt misschien: Dat is het verlangen van mijn hart, om dát nu te mogen zeggen: mijn Hulp, mijn Bevrijder. Zoals je dat zeggen mag als je getrouwd bent: Mijn man, of: mijn vrouw; die is van mij. Dat verlangen klinkt hier door, nu het over de Heere gaat.

 

David heeft in het midden van deze psalm over Christus gesproken. Kijk maar, van vers 7 tot 9. Alleen om Jezus’ wil kan God aan David denken. Dat geeft deze woorden als het ware kracht. Gij zijt mijn Hulp en mijn Bevrijder. Voor Jezus was er geen hulp, toen Hij omringd werd in de hof van Gethsémané, toen er een stierenheir van Basan op Hem afkwam. Zo zegt David dat in Psalm 22. Waar was de hulp voor de Middelaar? Waar was de bevrijding voor Christus, toen Hij hing aan het vloekhout der schande tussen hemel en aarde, van God en mensen verlaten?

Waar was God voor de Borg? Het leek wel of Hij de Heere Jezus Christus aan het kruis  vergeten was. Het leek of de Vader Zijn vriendelijk aangezicht bedekte voor Zijn Zoon.

Nu mag David zeggen: Gij zijt mijn Hulp en mijn Bevrijder. Heere, U wás het niet alleen, maar U bent het nog steeds! Gij zijt mijn Hulp en mijn Bevrijder.

Wat mag nu het geloof doen? Het geloof mag de armen eromheen slaan. Zoals je misschien je vriend of je vriendin omhelst, zo mag nu het geloof Hem omhelzen. Zo mag nu het geloof het Woord van God, maar ook het vleesgeworden Woord, Christus, aan het hart drukken.

 

Dat zegt dit woordje ‘mijn’. Als er geloof mag zijn in het hart, dan is er altijd een ‘mijnen’. Het geloof is toe-eigenend van aard. Dan sluit het mij erbij in. David heeft ook ogenblikken gehad dat hij erbuiten stond. Dan was het niet voor hem.

Dat kennen Gods kinderen. Maar nu sluit de Heere David erbij in. Nu hoort hij erbij. Nu is het voor David.

Is dat ook uw en jouw uitzien? Heere, is het ook voor mij? Hoor dan eens wat David zeggen mag: Gij zijt mijn Hulp.

Misschien hebt u geen hulp en geen helper. Van nature hebben we ook geen Helper nodig. Maar als de Heere komt in het leven der genade, strekt Hij Zijn helpende hand uit; en dan laat Hij een zondaar niet hulpeloos varen.

Gij zijt mijn Hulp, maar ook mijn Bevrijder. Het is of je David in Psalm 116 hoort. Och, Heere, bevrijd mijn ziel. Zijn ziel is bevrijd. Is jouw ziel al bevrijd?

 

Op 5 mei herdenken we Bevrijdingsdag. Dan denken we terug aan de oorlogsjaren, en dat we bevrijd werden. David kent ook zo’n bevrijdingsdag. Een dag waarop zijn ziel gered is, zijn tranen gedroogd zijn. Een dag dat zijn voet geschraagd is en zijn gangen vastgemaakt zijn. Hij mag nu roemen in zijn Bevrijder.

Wie is dat? Indien de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult gij waarlijk vrij zijn (Joh. 8:36). Dat is niemand anders dan Dezelfde over Wie we de vorige keer hoorden. De Rotssteen, de Heere Jezus Christus.

Gij zijt mijn Hulp en mijn Bevrijder. Hij wijst omhoog. Hij wijst van zichzelf af. Hier hoeft hij het niet te zoeken. Hier hoeft hij het niet van te verwachten, maar … Gij alleen, Gij zijt Verwinnaar in de strijd, en geeft Uw volk de zege.

 

Gemeente, kom, bij Wie moet u zijn om hulp, om heil, om bevrijding? Bij Hem! Tot Wien zullen we anders heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens (Joh. 6:68). Davids leven is een leven van op en neer, van hoop en vrees, heb ik gezegd. Maar hier ligt het vast in Hem.

Toch spreekt hij woorden van gebed. Dat is de laatste gedachte.

 

3. Zijn gebed

 

Ja, het is een heel kort en heel krachtig gebed: O, mijn God, vertoef niet. Een kort gebed. Wij denken vaak dat het om heel lange, vrome, mooie gebeden gaat. We denken dat ze moeten klinken als een klok. Maar David komt op zijn knieën terecht. Hij is op zijn knieën begonnen in die kuil, en hij eindigt op zijn knieën.

Wat is het leven van een kind van God? Dat is een leven op de knieën. Dat is een leven als een bedelaar. Hoort u David bedelen en smeken? U zegt: Ja, maar David heeft toch geloofsoefeningen? David heeft zekerheid, en bij hem ligt het vast!

Toch is er dit gebed, een gebed van een arme zondaar. Dat is de echo van alle arme zondaren vandaag in Gods huis. O, mijn God. Dat geeft de verzuchting aan. Het komt regelrecht uit zijn hart. Nee, David houdt zijn stand niet op. Dat kunnen wij goed. David legt heel eenvoudig alles voor de Heere neer. Stort voor Hem uit uw ganse hart. O, mijn God.

 

Hoort u dat? Het komt weer terug, het klinkt voor de derde keer in deze tekst; en het staat meerdere keren in deze psalm. Dat woordje ‘mijn’. Heere, u weet toch wie ik ben? U weet toch waar U aan begonnen bent, toen U mij opraapte? U weet toch wie ik voor U ben, hoe vaak ik afwijk en het voor U verknoei. Ik ben ellendig en nooddruftig, maar nu bent U tóch mijn God.

In Psalm 43 komt het terug. Heere, mijn God. Wat is dan zijn gebed? Hij richt zich tot de Heere. Hij spreekt God aan als ‘mijn God’.

De inhoud van zijn gebed bestaat eigenlijk maar uit twee woorden: Vertoef niet. Het is of David zegt: ‘Heere, blijf niet achter’; zo zeggen de kanttekeningen. Heere, blijf niet achterwege. Het is of David zegt: Heere, wilt U Zich opnieuw haasten tot mij?

Als David dit uitgesproken heeft nadat hij verlost is, zegt u misschien: Moet je dan nog zo’n gebed bidden? Toch wel, want Gods kinderen zien steeds opnieuw uit naar Zijn komst.

Dat is toch ook zo als je verkering hebt of getrouwd bent? Wat wil je dan het liefst? Elkaar zien, elkaar ontmoeten! Dan wil je bij elkaar zijn. Het is of David zegt: Heere, U bent gekomen, U hebt me verlost, mijn hart gaat uit naar U. Ik kan niet zonder U leven. Ik kan niet zonder U sterven. Ik kan zonder U geen stap zetten, want als U mij niet vasthoudt, hoe moet het dan? Daarom: vertoef niet. Zijn hart schreeuwt om Jezus.

 

U zegt: Ja, maar die naam wordt helemaal niet genoemd! Kijk eens naar vers 17; daar gaat het over de liefhebbers Uws heils. Wie brengt dat heil aan? Wie anders dan de Heiland? En Wie is deze Heil-aanbrenger anders dan de Heere Jezus Christus?

O, mijn God, vertoef niet. In een andere psalm zegt David: Verlaat niet wat Uw hand begon, o, Levensbron, wil bijstand zenden. Daar ligt hij, een smekeling aan de troon van Gods genade. Heere, blijf niet achter.

Het is net, kinderen, als iemand die helemaal achteraanloopt in een grote groep. Het is of David zegt: Heere, blijf nu niet helemaal achter, maar spoedt U opnieuw tot mij. Haast u tot mij, want ik heb U nodig.

Als u Davids hart open kon leggen, zou u zien dat dit zijn leven is: Zonder U kan ik niet zuchten, noch van hier naar boven vluchten. Zonder U niet zijn verblijd, schoon Gij goedertieren zijt.

 

Wat is er in jouw hart? Wat ligt er in jouw ziel? Is het ook dit gebed? Het is Davids innige, hartelijke smeekbede: O, mijn God, vertoef niet.

Er staat van de bruidegom in de gelijkenis van de vijf wijze en vijf dwaze maagden dat hij vertoefde. Ze zaten maar te wachten. Ten slotte vielen ze allemaal in slaap, en ineens kwam de roep: De bruidegom komt, gaat uit hem tegemoet! Hij had Zijn pas vertraagd. Hij scheen niet meer te komen.

Mag dat tot troost zijn! Misschien zegt u: Het lijkt wel of Hij nooit meer komt. De hemel is gesloten, mijn gebed gaat niet verder dan het plafond. Het lijkt wel of de Heere mijn stem niet hoort.

Zou Hij de stem van de jonge raven niet horen als ze roepen? Zou hij ú dan niet horen? Hij vertoeft te komen, maar Hij zál komen; Hij zal niet achterblijven. Daarom smeekt David erom: O, mijn God! Vertoef niet.

Het was Davids klacht, maar het was ook Davids geloofstaal. Zo wijst hij in het slot van deze psalm sterk heen naar de Messias, de Heere Jezus Christus.

 

Kunt u zonder Hem? Of kunt u Hem niet meer missen? Kunt u nog makkelijk in die kuil en put verder leven? Of is dit uw en jouw gebed geworden? Het zijn maar enkele woorden, twee woorden: Vertoef niet.

De Heere wacht nog om genadig te zijn. Het is of Hij Zijn handen nog uitbreidt tot zondaren die daar in deze kuil liggen. Zondaren die steeds verder zinken en voor eeuwig onder de toorn Gods moeten verzinken. Hij roept het ons nóg toe, ook vandaag: Zie, er is een plaats bij Mij! Als het nu voor David kon, als er voor David plaats was, zou er dan voor u en voor jou geen plaats zijn?

 

David zegt niet: Ik ben bekeerd, ik ben gelovig, en daarom denkt de Heere aan mij. Nee, dat zegt David niet. Hij zegt: Ik ben wel ellendig en nooddruftig. Maar dát is nu juist de ruimte vandaag.

Dan kan het nog voor de meest ellendige. Dan kan het juíst nog voor de meest nooddruftige, die moet zeggen: De Heere zal mij wel voorbijgaan als een wandelaar. De Heere zal mij wel niet zien, Hij zal mij wel laten liggen. Maar de Heere denkt aan mij. Ondanks die ellende, ondanks alles. Het is: nochtans. Dat woordje spreekt de Bijbel zo vaak: nochtans. De Heere denkt aan mij.

Wat is dan uw gebed vandaag? Wel, dit: Verzoen de zware schuld, die mij met schrik vervult, bewijs mij eens genade! David mocht het ervaren!

 

We hebben iets gehoord uit het genadeleven van David. We hoorden hem de psalm  zingen aan het begin ervan en aan het einde.

Zegt David dan aan het einde: Nu ben ik bekeerd …? Natuurlijk wás David bekeerd, begrijp me goed. Maar David zegt als het ware: Nu moet ik steeds weer van genade leven; nu kom ik steeds weer bij U met lege handen. Nu ben ik steeds weer die ellendige, die nooddruftige.

Maar U bent óók Dezelfde. Bij U is een fontein geopend, juist tegen de zonde en tegen de onreinheid, in Christus, voor Wie de hemel gesloten en de hel geopend was. Daarom kan God denken aan nooddruftigen.

 

Amen.

 

Slotzang Psalm 25: 3

 

Denk aan't vaderlijk meêdogen,

Heer’, waarop ik biddend pleit;

Milde handen, vriend'lijk' ogen,

Zijn bij U van eeuwigheid.

Sla de zonden nimmer ga,

Die mijn jonkheid heeft bedreven;

Denk aan mij toch in genâ,

Om Uw goedheid eer te geven.