Ds. S.W. Janse - Psalmen 40 : 2 - 3

Het begin van Davids psalm

Psalmen 40
Zijn nood
Zijn rots
Zijn weg

Psalmen 40 : 2 - 3

Psalmen 40
2
Ik heb den HEERE lang verwacht; en Hij heeft Zich tot mij geneigd, en mijn geroep gehoord.
3
En Hij heeft mij uit een ruisenden kuil, uit modderig slijk opgehaald, en heeft mijn voeten op een rotssteen gesteld, Hij heeft mijn gangen vastgemaakt.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 40: 1
Lezen : Psalm 40: 1-9
Zingen : Psalm 69: 1 en 6
Zingen : Psalm 61: 1 en 2
Zingen : Psalm 130: 3

Gemeente, biddend om de leiding van de Heilige Geest willen wij Gods Woord bedienen met de woorden die we vinden in Psalm 40, de verzen 2 en 3:

 

Ik heb den Heere lang verwacht en Hij heeft Zich tot mij geneigd en mijn geroep gehoord.

En Hij heeft mij uit een ruisende kuil, uit modderig slijk opgehaald. En heeft mijn voeten op een rotssteen gesteld. Hij heeft mijn gangen vast gemaakt.

 

Deze woorden vormen het begin van Davids psalm.

Dat bepaalt ons bij drie gedachten:

  1. Zijn nood;
  2. Zijn rots;
  3. Zijn weg.

 

In de eerste plaats dus zijn nood, want we lezen in vers 3 de woorden ‘een ruisende kuil’, ‘modderig slijk’;  en verder in vers 2 ‘mijn geroep’.

Vervolgens zijn rots; we lezen immers in vers 3: ‘En heeft mijn voeten op een rotssteen gesteld.’  Hoe is dat dan gegaan David? Wel, in vers 2 lezen we: ‘Ik heb de Heere lang verwacht en Hij heeft Zich tot mij geneigd.’

Ten slotte zijn weg, want het slot van vers 3 luidt: ‘Hij heeft mijn gangen vastgemaakt.’

 

1. Zijn nood

Kinderen, jullie zien wel eens een bordje met daarop: ‘Pas op! Drijfzand.’ Het is daar blijkbaar levensgevaarlijk. Daar moet je dus niet in terecht komen. Want kom je er ooit nog wel uit?

David, de dichter van deze psalm, is in grote nood. Hij kan zichzelf daaruit niet bevrijden. We lezen dat in vers 3. Hij heeft mij uit een ruisende kuil, uit modderig slijk opgehaald.

Wat moeten we ons daarbij voorstellen? Een ruisende kuil? Modderig slijk? Het is alsof David zich als een drenkeling bevindt in een kuil, in een put. We mogen voor die kuil ook wel lezen ‘de put van vernietiging’ of ‘de put van het verderf’. Dat is heel aangrijpend! David zinkt weg, hij zakt weg in de modder. En, kinderen, als je bijvoorbeeld in de modder van een moeras wegzakt, dan zuigt die modder aan je. Die grijpt je beet en trekt je er steeds dieper in. Dat is het beeld.

 

Zit David echt in een kuil? Nee, het is beeldspraak. David zegt: Ik bevind me in grote nood. De moeilijkheden groeien me boven het hoofd. Nog even, en dan wordt het me teveel. Het is net alsof ik onder de modder verdwijnen zal.

Wat is er dan met David aan de hand? zult u vragen. Dat is niet duidelijk. We lezen er iets van in vers 13. Daar staat: Want kwaden, tot zonder getal toe, hebben mij omgeven. Het kan zijn dat Saul achter hem aan zit, of dat Absalom, zijn eigen kind, hem achtervolgt. In die perioden heeft David namelijk ook psalmen gedicht. Hij noemt hen hier kwaden, kwaaddoeners; het zijn z’n vijanden. Het kan ook nog iets anders betekenen. De kanttekenaren wijzen bij het woordje ‘kwaden’ op ‘zwarigheden of ellenden’. Het zou dus ook kunnen zijn dat David ziek is, zoals sommige uitlegers denken. Psalm 38 en Psalm 41, die ook van David zijn, staan immers om deze Psalm 40 heen, en gaan daar ook over. We kunnen het niet met zekerheid zeggen.

Sommigen denken dat hij zich van God verlaten voelt, dat hij God kwijt is. Dat het donker is, dat alles toegesloten is. David vergelijkt dat hier met in de kuil zitten.

We raken allemaal weleens in de put. Misschien zijn er hier ook wel, die zeggen: ‘Dominee, het is één groot donker gat bij mij.’ Misschien bent u depressief of psychisch in nood. Dat is aangrijpend. Het wordt vaak niet begrepen. Het kan zo donker zijn.

Toch is dat hier in deze psalm niet zo. Hij zegt in vers 13: Mijn ongerechtigheden hebben mij aangegrepen, dat ik niet heb kunnen zien. Zijn schuld benauwt hem, zijn zonden vliegen hem aan. Dát vooral is er aan de hand.

 

Gemeente, vliegt uw schuld u ook weleens aan? Of denkt u: Ach, het valt wel mee! Nee hoor, dominee, zoveel zonden heb ik niet. Nou, David spreekt niet over zijn zonde, maar zelfs over zijn ongerechtigheden, in het meervoud. En hij zegt erbij: Ze hebben mij aangegrepen.

Kinderen, als je in de modder valt, zitten je kleren er helemaal onder. De modder kleeft overal aan je. Zo is het ook bij David. In Psalm 51 zegt hij: Mijn zonden zie ik mij steeds voor ogen zweven. Hij zegt: Ik heb mijn schuld steeds groter gemaakt. Dat ik niet heb kunnen zien, of: Ik kan er niet overheen kijken. Het zijn allemaal vijanden die op mij afkomen. Ik kan ze zelfs niet meer tellen. Ze zijn menigvuldiger dan de haren mijns hoofds. Probeer de haren op je hoofd maar eens te tellen; dat lukt je niet. En hij zegt ook nog: Mijn hart heeft mij verlaten. Het is alsof hij zeggen wil: nog even, en dan zal mijn hart het begeven. Je hoort het wel … David is in grote nood.

Gemeente, ik zal de kanttekening  voorlezen die bij de uitdrukking ruisende kuil en modderig slijk staat: ‘Een kuil of een put des geruis, waar de wateren steeds opwellende en opbobbelende bruisen en een groot gedruis maken.’ Dit wil zeggen dat de gevaren zó groot zijn, dat er zóveel zijn dat David er zelf nooit meer uit kan komen.

Kinderen, jullie kennen wel iemand die ook in de put zat. Dan denk je direct aan Jozef. Maar hij zat wel in een droge kuil. Misschien denk je ook aan Jeremia. Hij werd ook in een diepe kuil gegooid, en daar was heel veel modder in. Hij zinkt weg in die kuil en klaagt dat de modder tot boven zijn hoofd komt. Het is de Moorman Ebed-Melech, die hem uit die kuil verlost.

 

Maar, gemeente, Davids nood is ook onze nood. U zegt: Is dat mijn nood? Ja, wij zitten ook in een kuil, de kuil van zonden en van ongerechtigheden. En is het niet zo dat we het daar maar al te vaak goed naar onze zin hebben? Dat is toch zo dwaas! Daarom roept de Heere ons toe: ‘Zie nu eens in welk groot gevaar je je bevindt!’ We zijn deze woorden gewend. We kennen deze psalm uit ons hoofd. We kennen de uitdrukking dat we diep gevallen zijn in Adam. Maar zijn onze ogen er al voor geopend? We zitten in Adams kuil, in de put van vernietiging. Aangrijpend, gemeente! We zijn allemaal onderweg en zullen omkomen als we in de zonden blijven liggen. Daarom: Bekeert u van uw boze weg! Geloof het Evangelie! De tijd is voorts kort!

Het beeld is in deze psalm een ruisende kuil, modderig slijk. Je kunt het ook vergelijken met water dat van de bergen afstroomt. Dat water sleept grond en puin mee. Dat wordt met het water een modderstroom, en daarmee vult het dal zich. Als je daarin terecht komt, word je  meegesleurd.

We weten het wel, maar de vraag is nu: Kennen we dit met ons hart?  De Heere zegt: Het is uw eigen schuld dat u in zo’n droevige toestand terecht bent gekomen. Als we eerlijk zijn, kunnen we daarop alleen maar zeggen: Ja, door onze zonden zijn we daarin terecht gekomen.

 

Wat doe je als je in zo’n kuil bent terechtgekomen? Wel je gaat proberen jezelf te redden, te verlossen. Zal David dat ook niet geprobeerd hebben?

Misschien zit er hier wel iemand, die zegt: ‘Ik probeer uit alle macht uit die kuil te komen.’ Misschien grijp je je aan de rand vast en brokkelt die steeds maar af. Je probeert omhoog te klimmen. Maar wat gebeurt er? Je zakt steeds dieper weg. Het is hopeloos. Je bent reddeloos.

Misschien zit er hier wel iemand, een jongere, een oudere, die zegt: ‘Heere, hoe moet ik hier nu uit komen? Ik probeer steeds mijn leven te verbeteren, ik probeer de zonden weg te doen, ik ga trouw naar de kerk. Ik lees veel in mijn Bijbel. Ik zoek steeds op mijn knieën Uw aangezicht. Maar het lijkt alsof het steeds erger wordt en dat ik steeds dieper wegzak. Hoe moet dat nu toch?’

Wat doet David? Wel, dat staat in het tweede vers. En mijn geroep gehoord. David gaat roepen. Dat lezen we ook in Psalm 130: Uit de diepten van ellenden, roep ik met mond en hart. Wat zegt de dichter van Psalm 69? Hij zegt: Mijn keel is hees, zij is van droogte ontstoken. Wat doet een drenkeling, kinderen? Die roept: Help! Dat doet David ook. Lees maar, er staat in vers 14: Het behage U, Heere, mij te verlossen; Heere, haast U tot mijn hulp.

 

Psalm 40 kun je in tweeën delen. Deel 1 is dan vers 1 tot 11 en deel 2 is vers 12 tot en met 18. In vers 1-11 klinkt een loflied op! En in vers 12 tot en met 18 een klaaglied.

U zegt, dat is de omgekeerde volgorde. Nou, zo is dat ook bij David. David is verlost en geeft God de eer. Het ligt in zijn hart om God te verheerlijken. Dat doet hij in die eerste verzen, in dat eerste deel. En daarna kijkt hij terug en schrijft hij hoe het was in die kuil, hoe het was in de nood, hoe hij zich daaronder voelde. Hij spreekt daarover in onze tekstverzen.

 

Wat doet David dan? Hij roept! Dat begrijp je wel van iemand die dreigt te verdrinken of in de modder wegzakt. David  roept, hij roept uit alle macht. En wat roept hij dan? Het is niet zo lang. Het is eigenlijk maar heel kort. Het behage U, Heere, mij te verlossen; Heere, haast U tot mijn hulp.

David heeft het niet verdiend dat de Heere zijn reddende hand uitstrekt, en dat hij uit de kuil op het droge gezet wordt. Hoe weet ik dat? Er staat: Het behage U. Dat is misschien een wat oud woord. Het is alsof David zegt: ‘Heere, U bent het niet verplicht. U bent vrijmachtig. Als U mij in die kuil laat liggen, is dat rechtvaardig! Psalm 69 – we hebben het gezongen – zegt: Dat toch de put, dat toch de mond zich over mij niet toesluit. Het is of David zegt: Heere, als U nu een deksel op die kuil legt, als u die put dichtdoet, heb ik dat verdiend. Dan heb ik niets te zeggen. Dan moet mijn hand op de mond. Dan bent u volmaakt rechtvaardig.

Het behage U, Heere, mij te verlossen. Hij laat God vrij, maar hij laat Hem niet los. Heere, haast U tot mijn hulp. Het is een alarm, een kreet om redding. Hij is iemand die in doodsnood verkeert. Heere, haast U. Vertoef niet, zo eindigt hij straks deze psalm. Blijf niet achter, kom toch naar mij toe. Strek Uw hand uit, want zo kom ik voor eeuwig om.

Dat is de weg, gemeente. Roepen! Zijn er hier van die roepers? Of zegt u: ‘Ik heb het allang opgegeven.’ Dan hoop ik dat deze psalm tot bemoediging dient. ‘Ik heb al zo vaak geroepen.’ Maar, hoelang heeft de Heere ú al geroepen? Hoelang? Dag in, dag uit. Hij strekt Zijn handen nóg uit en roept u toe: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden.

 

En mijn geroep gehoord, staat er dan. Het gebed is de weg tot de verlossing. En wat vermag het gebed veel! Denk er niet klein over, gemeente. Hij hoort uw roepen. En daarom, de vraag is: Roept u al? Het hoeft geen langdurige roep te zijn. Och Heere, och wierd mijn ziel door U gered. Ik denk: hoe groter de nood, hoe korter het gebed. Denk maar aan de discipelen op het meer van Galilea. Ze vergaan. Wat doen ze dan? Wel, ze roepen: Heere, behoed ons, wij vergaan! De Kananese vrouw komt met de nood van haar zieke dochter tot Jezus en zegt: Heere, Heere, Gij Zone Davids, ontferm U mijner. Hij stuurt haar niet weg. Jezus is een Helper in de nood. Hoor ook David: Heere, haast U tot mijn hulp. Je hoort hem uit de diepte roepen.

David roept in zijn nood de Heere aan, maar nu zien we hoe hij redding vindt op een rots.

 

2. Zijn rots

Er staat nog meer in deze psalm.

En heeft mijn voeten op een rotssteen gesteld, zo lezen we. David bleef niet in de ellende. Van huis uit kunnen wij makkelijk leven in onze ellende en in onze zonden, in onze doodstaat. Het bevalt ons prima en we hebben het naar onze zin. ‘Ik hoef helemaal niet te roepen, dominee! Waarom zou ik?’ Maar, als de Heere je ogen opent, dan ga je roepen. Dat is het kenmerk van het nieuwe leven.

 

Dus het gaat niet alleen over ellende in deze psalm. Het stopt niet bij de ellendekennis. Het gaat verder. Dat is een les! Het gaat niet buiten kennis van de zonde om, maar de Heere maakt daarmee juist plaats voor de Rots.

En heeft mijn voeten op een rotssteen gesteld. Kinderen, je ziet die man wegzakken in de modder. Ik ga nog een keer naar Psalm 69. Daar staat het zo treffend. Het gaat daar ook over wateren die zijn gekomen tot aan de ziel. Ik ben gekomen in de diepte der wateren en de vloed overstroomt mij. Dan zegt deze dichter David ook hier: Ruk mij uit het slijk, en laat mij niet verzinken. Nog even ... en hij gaat kopje onder. Hij roept. En dan? Hij heeft mijn voeten op een rotssteen gesteld.

De Heere gaat hem verlossen. Je moet eens goed tellen, kinderen, hoe vaak hier het woordje ‘Hij’ staat. Vers 2: Hij heeft zich tot mij geneigd. Vers 3: Hij heeft mij uit een ruisende kuil, Hij heeft mijn gangen vastgemaakt. Vers 4: Hij heeft een nieuw lied in mijn mond gegeven. Heeft David dat gedaan? Nee, kan een drenkeling zichzelf redden? O nee, hij moet gered worden; hij moet verlost worden. Daarom zegt David straks in vers 18: Gij zijt mijn Hulp en mijn Bevrijder. Het moet van Boven komen. En het komt van Boven. Ja, het kan alleen bij de Heere vandaan komen. Daarom valt alle nadruk op ‘Hij’. 

Wie is die ‘Hij’ dan? Dat is de Heere, de Verbondsgod.  In vers 2 lezen we: Ik heb de Heere lang verwacht. Daar eindigt ook vers 4 mee. David vertrouwt op de Heere, de God van het verleden, van het heden en van de toekomst. David zegt: Hij is geen vreemde God voor mij, geen onbekende God. Hij heeft mij al meer keren uit grote nood en dood verlost. Hij zal mij ook nú verlossen. Hoe weet David dat? Let maar op; er staat nog meer in onze tekst.

 

Hoe is David op die rots gekomen? Hoe ging dat? Door te roepen. Maar er staat nog meer in vers 2: Ik heb de Heere, lang verwacht. Dat gaat samen op.

Als je tot God gaat roepen, is dat het werk van de Heilige Geest. Dan komt er in je hart verwachting. Wie legt die erin? God Zelf, omdat de liefde in je hart wordt uitgestort. Daardoor heeft David verwachting. Dat is niet zomaar een verwachting. Er staat in de kanttekening: Ik heb de Heere ‘verwachtende verwacht’. Dat wordt vertaald met ‘lang verwacht’. David heeft lang geroepen. Hij heeft ook lang verwacht.

Het is verschillend hoe de Heere werkt. Saulus van Tarsen werd na drie dagen en nachten opgezocht. Bij de Kananese vrouw leek het lang te duren. Ze riep maar en ze riep maar! Het leek wel of Jezus haar negeerde of haar niet zag. Maar Hij hoorde haar wel! O, hoor je dat, zondaar? Misschien antwoordt Hij niet, maar Hij hoort naar hen die Zijn heil verwachten. O, geef het dan niet op, blijf maar liggen aan Jezus‘ voeten.

 

De Heere gaat David antwoord geven en hem redden. Het duurde lang. En toch, was het een slechte tijd voor David? Nee, ik heb de Heere lang verwacht.

Mag ik het heel eenvoudig zeggen? Soms viel er licht in die kuil. Licht van het Woord van God. Dat gaf hem verwachting. Zoals Psalm 130 dat zegt:

 

Ik blijf den Heer’ verwachten;

Mijn ziel wacht ongestoord;

Ik hoop, in al mijn klachten,

Op Zijn onfeilbaar woord.

 

Misschien dat u dat kent in uw leven. In de grootste nood. Onder welke omstandigheden dan ook. Of als de Heere u uw zonden liet zien door het werk van de Heilige Geest. Je ervoer: een stroom van ongerechtigheden had de overhand. In de kerk mocht je horen: Maar de Heere zal uitkomst geven. Een bemoediging. Er kwam verwachting in je hart. Er kwam hoop. David spreekt erover in Psalm 39. En nu, wat verwacht ik o Heere, mijn hoop die is op U. Een adventsverlangen, zo zou je het kunnen noemen. Ik heb de Heere lang verwacht.

 

Als je God niet kunt missen, als je niet weet hoe je ooit zalig moet worden, als je het niet meer weet en je leest dan in je Bijbel: Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen; en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen – dan gaat je hart sneller kloppen. Is dat voor mij? Roept Hij ook mij? Wat geeft dat een uitzicht! Mensenwoorden geven geen hoop, maar Gods Woord wel.

Ik heb de Heere lang verwacht, zo lezen we hier. Davids verwachting had grond, was ergens op gefundeerd. Ze was verankerd in het Woord. Ze gaf zijn hart vertroosting, Geest en leven.

 

Wat kan wachten lang duren, kinderen. Als je jarig bent, tel je de dagen af en dan vraag je elke morgen: Is het al zover? Wachten kan heel lang duren. Als je in de wachtkamer zit bij de dokter, voordat de deur opengaat. Wat  zal de uitslag zijn, welke boodschap krijg je te horen? Nee, deze dichter wacht niet af, maar hij verwacht. Dat is een geloofszaak. In die kuil, in grote nood, is er geloof in zijn hart. Geloof, dat door de liefde werkt en uitgestort is in zijn hart. Die verwachting, die hoop richt zich op de Heere.

Die verwachting blikt hoger dan de kuil diep is. Die verwachting ziet omhoog. Ik heb de Heere lang verwacht, lezen we. En Hij heeft zich tot mij geneigd, en mijn geroep gehoord. Wat een wonder! Deze psalm is vol van het wonder. Waarom gemeente? Wel, Hij heeft Zich tot mij geneigd. De Heere neigde Zich tot David.

Denk daarbij aan iemand die ziek op bed ligt, misschien wel stervende is. Iemand staat bij het bed, en hij buigt zich naar de zieke toe om nog wat woorden op te vangen. Zo neig je je tot iemand. Of een moeder die haar baby uit de wieg haalt. Ze buigt zich om haar kind op te tillen.

En Hij heeft zich tot mij geneigd. Hij neigt Zijn oor, lezen we vaak in de psalmen. De Heere luistert scherp. Hij hoort David roepen.

Gemeente, de Heere hoort ook uw geroep, Hij hoort arme smekelingen, die hun roep richten naar Zijn genadetroon. Hij buigt Zich, strekt Zijn hand uit om u uit de kuil te verlossen.

 

Dat is de tweede gedachte: Mijn rots. Hij heeft mijn voeten op een rotssteen gesteld. Voeten die weg glibberden, weg slibberden. Voeten die geen grond hadden, want het was een kuil zonder bodem. En nu – Hij heeft mijn voeten op een rotssteen gesteld. Dat is het werk van God.

 

Dat is troost en houvast voor iemand die zichzelf niet meer helpen kan, die geholpen en gered moet worden. Voor u, die misschien moet zeggen: ‘lk heb alle pogingen ondernomen, maar tevergeefs, al mijn pogingen om mijzelf te redden ten spijt.’ O, Hij strekt Zijn hand naar u uit.

Nog meer: Hij, de Heiland, daalt Zelf in de kuil. Het is niet zo dat de Heere Jezus zegt: ‘Kom er maar uit.’ Of dat Hij een touw naar beneden gooit en roept: ‘Pak dat touw maar aan.’ Nee, Hij daalt Zelf af in de kuil. Dát is Evangelie.

Lager kan Hij niet afdalen. Dieper kan Hij niet buigen. U hoort het: deze psalm is vol van de Messias. Vers 7 tot en met 9 vormt hart ervan; hier horen we over het borgwerk van Immanuel. Het gaat niet om onze offers, maar het gaat om Zijn offer. Het gaat niet over ons ‘komen tot Hem’, maar ‘Zijn komen tot ons’. Zie, Ik kom.

Hij was gehoorzaam tot de dood. Hij deed Gods welbehagen, Gods wil. Christus daalde dieper af, Hij daalde af in de allerdiepste angst en versmaadheid der hel.

Hij is het Die David op een rotssteen zet. David klimt er zelf niet op, hij wordt erop gesteld. En heeft mijn voeten op een rotssteen gesteld. Daar zorgt Jezus voor door Zijn Geest.

Vrienden, rusten wij ook op die Rots?

 

We gaan er eerst van zingen, met het gebed uit Psalm 61, en daarvan vers 1 en 2.

 

Wil, o God, mijn bede horen;

Neigt Uw oren

Naar mijn zuchten en geween.

In veraf gelegen streken

Schier bezweken

Zoek ik heul bij U alleen.

 

Leid mij, Heer’; ik zou in ’t stijgen

Nederzijgen;

Leid mij op een hoge rots.

Wil mij tot een Toevlucht wezen,

Als voordezen,

’s Vijands wreed geweld ten trots.

 

We spreken over het begin van Davids Psalm. David liep vast in zijn nood, hij kon geen kant op. Hij riep tot de Heere met luider stem, en de Heere hoorde hem.

We horen over een rots, en heeft mijn voeten op een rotsteen gesteld. Wie is die Rots? Dat is toch eigenlijk geen vraag, gemeente. Paulus haalt de tekst in Hebreeën 10 vers 7-9 aan, en hij spreekt dan over Christus. Christus is die Rots. Hij heeft mijn voeten op een rotssteen gesteld. Kinderen, wat is een rots? Als je in berglanden bent, Zwitserland of Oostenrijk, zie je van die geweldig grote bergen en machtige rotsen. Indrukwekkend, imponerend! En op zo’n rots, eenvoudig gezegd, ben je veilig. Deze drenkeling wordt uit de kuil gehaald en op zo’n rots gezet. Zo is hij veilig.

 

Dat is de prediking die we horen. Deze Rots Christus biedt veiligheid en beschuting. En die Man zal zijn, als de schaduw van een zware rotssteen in een dorstig land (Jes.32:2). Hij is als een verberging tegen de vloed. Hij heeft mij op een Rots gesteld. Christus Zelf had geen beschutting. Hij hing aan het kruis tussen hemel en aarde. Hij was niet veilig op deze aarde. Hij had geen kussen waar Hij Zijn hoofd op neer kon leggen. Altijd was er de godsdienstige wereld en waren het zelfs Zijn eigen discipelen die Hem geen rust gunden. Deze Rots, Christus, biedt veiligheid voor drenkelingen, voor hopeloze gevallen. Voor zondaren in een ruisende kuil en in modderig slijk.

 

Een rots is onwrikbaar. Je ziet zo’n rots staan in de branding. Het water slaat ertegen, maar de rots blijft staan. Denk maar, kinderen, aan de gelijkenis van het huis op de rots. Toen de slagregen kwam en de winden gingen waaien, stond dat huis onbeweeglijk vast. Zo is hij, die op Christus vertrouwt. Als een drenkeling wordt David heen en weer geslingerd: dan weer heeft hij hoop en dan weer vreest hij. Zijn vertrouwen gaat op en neer.

Hebt u ook zo weinig vastheid, wordt ook u heen en weer geslingerd? Zoek het in Christus! Hij is de Rotssteen. Hij geeft vastigheid. Zoek het leven buiten uzelf, in de Ander. Het ligt vast in Hem. De zaligheid, het welbehagen, het verbond der genade - ze liggen vast in Jezus Christus. Kind van God, als u soms heen en weer geslingerd wordt als een riet in de wind, dan is Christus de vaste Rots, de Rots van uw behoud.

Op de Rotssteen Jezus Christus vinden we een veilige schuilplaats, maar Hij ís ook de Rotssteen, Wiens werk volkomen is, zegt Mozes (Deut.32:4).

Misschien ben jij er één die wil proberen jezelf uit die kuil op te werken. Dat lukt je nooit. Je kan tot je eigen redding niets meebrengen; je zonden worden alleen maar meer. Je bent net als een kind, jongens en meisjes, dat een mooie witte blouse aanheeft. Hij is gekleed om naar een bruiloft te gaan en dan valt hij in de modder. Hij probeert zelf de modder eraf te halen, maar het wordt alleen maar erger. Het wordt alleen maar viezer.

Misschien zit er zo’n zondaar in de kerk. Hoor dan over de Rotssteen wiens werk volkomen is. Zijn offer, vers 7, Zijn komen, vers 8, Zijn gehoorzaamheid, vers 9 – dat is wat u nodig hebt. U hebt Zijn gerechtigheid, een volkomen gerechtigheid nodig.

 

Daar spreken vers 10 en vers 11 over. Ik boodschap de gerechtigheid in een grote gemeente. David zegt: dat wil ik uitroepen, evangeliseren, staat er eigenlijk. Dat is waar het om gaat in de prediking. Uw gerechtigheid bedek ik niet. Hij kan zijn mond niet meer houden, zijn lippen niet bedwingen. Dat ligt in zijn hart.

Wel gemeente, zo is Christus. Alles is door Hem volbracht. De zondaar die niets meer heeft, is bij Hem welkom. Kom dan maar met uw schuld. Kom dan maar met uw armoede. Zijn werk, Zijn offer is  volkomen, is volmaakt af. De Vader is tevreden met het offer van Zijn Zoon. De Rotssteen Christus is de veilige rots. De Rotssteen Christus, o, die is zo vast en die is zo volkomen!

 

We gaan we naar de laatste gedachte. Zijn weg, die is zo schoon.

 

3. Zijn weg

Als je rotsen ziet liggen en de zon schijnt daarop, wat kunnen die rotsen dan schitteren. Prachtig! Wat weerkaatst dat licht. Christus is de Rotssteen. Hij is blank en rood, Hij draagt de banier boven tienduizend. Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk. Wat schittert Hij, ook in deze tekst. Wanneer schittert Hij nu het meest? Als je in nood bent. Wanneer schittert Hij het meest? Als het van jouw kant niet meer kan. David wist daarvan. En nu wordt hij op een rots gesteld.

Wat gaat David dan doen? We horen hem zeggen: Hij heeft mijn gangen vastgemaakt. Eigenlijk staat er: Hij heeft mijn voetstappen bevestigd. David zegt: Heere, ik wankel, ik dwaal zo vaak af, maar nu hebt U mijn voetstappen bevestigd. Denk ook maar aan Psalm 119: Gelijk een schaap heb ik gedwaald in het rond.

 

Gemeente, het gaat hier over de vraag of we in Christus geborgen zijn. We kunnen misschien wel veel beleefd hebben, we kunnen wellicht veel vertellen, maar de vraag blijft staan: Wat dunkt u van de Christus (Matth.22:44). Kent u Hem als de Rots, waarop u bouwt? U zegt: Ja, ik weet dat ik een zondaar ben. Die kennis is noodzakelijk, ja, maar kunt u meezingen: ‘Nu ken ik die waarheid, zo diep als gewis, dat Christus alleen mijn gerechtigheid is’?

David is uit zijn nood verlost en is geplaatst op de Rots, de Rots der eeuwen, Jezus Christus; en hij gaat ervan zingen. In vers 4 lees je: En Hij heeft een nieuw lied in mijn mond gegeven. Een lofzang onzen God; velen zullen het zien en vrezen, en op de Heere vertrouwen.

 

Jongens en meisjes, David mag nu rusten op die Rots. Hij heeft zijn gangen vastgemaakt. De Heere is zijn Leidsman, Hij wijst David de weg. Hij gaat hem voor en hij mag veilig Zijn spoor volgen. David gaat zijn weg met dankstof, een lofzang in het hart.

We horen David ook wel eens klagen en zuchten, maar nu mag hij omhoogzien. Hij mag vooruitblikken naar het erfgoed hierboven. Wat kijken wij vaak naar beneden, en hoe drukken de zorgen ons dan neer! We moeten als David hand en oog opheffen naar omhoog. 

We hebben Christus nodig, heel ons leven lang. We kunnen niets in eigen kracht.

We lezen in onze tekst steeds weer het woordje ‘Hij’. Hij heeft mijn gangen vastgemaakt, Hij is het begin en het middelpunt van ons leven. Hij is de bron van zaligheid. Zo kunnen we net als David met een vaste tred onze weg gaan.

 

En Hij heeft een nieuw lied in mijn mond gegeven, een lofzang onzen God; velen zullen het zien en vrezen, en op den Heere vertrouwen. De Heilige Geest geeft David een nieuw lied in het hart. Een lofzang tot eer van God. 

David zingt. Zing je mee? Mag je zeggen: Die psalm van David, dat is ook mijn psalm; die ken ik nu ook! Niet alleen uit het hoofd, maar met heel mijn hart.

David had juichensstof. Hij zegt: Velen zullen het zien en vrezen, en op den Heere vertrouwen. Daar ging wat vanuit

Wij zingen veel te weinig en wellicht wordt er ook in onze gezinnen te weinig gezongen. David zegt: Velen zullen het zien en vrezen. Er gaat veel vanuit als we zingen.

 

Velen zullen het zien en vrezen. Vrezen betekent hier niet dat je bang bent. Dat denken jullie misschien, kinderen. Vrezen …, dan ben je benauwd, bijvoorbeeld in het donker; dan ben je bang. Maar hier betekent vrezen: liefhebben, hoogachten.

Als we de Heere vrezen, gaat er een welriekende reuk van ons uit. Dan krijgen anderen ook de smaak te pakken. Ze gaan meezingen, instemmen. Maak de Heere met mij groot.

Als de Heere je verlost heeft, kun je niet meer zwijgen. Je kunt niet zwijgen als je weet van Zijn opzoekende zondaarsliefde. David zegt: Ik wil anderen er ook in laten delen. Vroeger zeiden ze weleens, dat zo het ene kooltje het andere aansteekt.

 

Waar leidt dat toe? Dat lezen we in vers 5. Welgelukzalig is de man die den Heere tot zijn Vertrouwen stelt. Eigenlijk staat er, die op de Heere leunt, op de Heere vertrouwt.

David had in die kuil geen enkele steun. Maar hij is op de rots gezet! En nu, nu mag hij leunen op Christus. Nu mag hij steunen op zijn Liefste. Nu mag hij Jezus’ voetstappen drukken. Een weg van sterven aan zichzelf, maar wel tot eer van God. Dan klinkt de lofzang uit Sions zalen, tot Hem, met stil ontzag. Hij stelt zijn vertrouwen niet op hovaardigen en die tot leugen afwijken, maar op de Heere.

 

Gemeente, we stellen ons de vraag: Op wie vertrouwen we?

Als je sterft, moet je alles achterlaten: je geld, je bezittingen, je vrienden. Waarop of op wie stel je dan je vertrouwen? David mocht de Heere, zijn Rots, overhouden. Hij is onwrikbaar trouw, in Hem is het onrecht nooit gevonden.

Al achtervolgde Saul hem, of Absalom, al maakten ze hem het leven zuur … hij hield God over. Dan zie ik David zitten bij Ziklag. Hij is alles kwijt; zijn vrienden worden zijn tegenstanders. Hij blijft alleen over. En wat staat er dan? Hij sterkte zich in de Heere, zijn God. Dat is op de Heere vertrouwen.

 

Hoe is nu ons leven? Klinkt er een nieuw lied in ons hart? Of zegt u: Ik kan helemaal niet zingen. Ik zit nog in de kuil, in diepten van ellende. Dan wijs ik u de weg naar Boven. Roep dan met de dichter tot Hem Die redding kan zenden.

Misschien zeg je: Ik wacht al zo lang. Blijf dan de Heere verwachten. Doe dat intens; eigenlijk staat er lang, gedurig, onophoudelijk. Zo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal gewisselijk komen, Hij zal niet achterblijven (Hab.2:3). En weet:

 

Hij neigt Zijn oor, ’k roep tot Hem, al mijn dagen;

Hij schenkt mij hulp, Hij redt mij keer op keer.

 

Als je de Heere mag kennen als je rots, je deel en je eeuwig goed, dan heb je de opdracht om goed van de Heere te spreken, om goed van deze Koning te spreken. Je mag hoog van Hem opgeven, opdat anderen het zullen zien wie God voor jou is. En dat voor zo één. Dat is de beste reclame voor de Kerk. Velen zullen het zien en vrezen. 

 

We lezen in vers 8: Toen zeide Ik: Zie, Ik kom; in de rol des boeks is van Mij geschreven. Dat is het middelpunt van deze psalm. Hier wordt de Middelaar, Jezus Christus, sprekend ingevoerd. We horen Hem hier zeggen: Ik kom; in de rol des boeks is van Mij geschreven.

De vraag is nu: Kennen we deze Middelaar? Als je Hem niet kent, zul je voor eeuwig wegzinken. Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft, is alrede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in den Naam van den eniggeboren Zone Gods. Zoek de Heere, vlied de toekomende toorn!

Christus is afgedaald in de diepste diepte, dieper dan David. Om Hem is David op de Rots gesteld en mag hij eeuwig zingen: Ik ben wel ellendig en nooddruftig, maar de Heere denkt aan mij. Zingt u mee?

Amen.

 

Slotzang: Psalm 130: 3

 

Ik blijf den Heer’ verwachten;

Mijn ziel wacht ongestoord;

Ik hoop, in al mijn klachten,

Op Zijn onfeilbaar woord.

Mijn ziel, vol angst en zorgen,

Wacht sterker op den Heer’,

Dan wachters op den morgen;

Den morgen, ach, wanneer?