Ds. B. Labee - Hosea 5 : 13 - 15

Een zondeziek volk

Hosea 5
Een ongeneeslijke kwaal
Een onafwendbaar oordeel
Een onmisbare wending

Hosea 5 : 13 - 15

Hosea 5
13
Als Efraim zijn krankheid zag, en Juda zijn gezwel, zo toog Efraim tot Assur, en hij zond tot den koning Jareb; maar die zal ulieden niet kunnen genezen, en zal het gezwel van ulieden niet helen.
14
Want Ik zal Efraim zijn als een felle leeuw, en den huize van Juda als een jonge leeuw; Ik, Ik zal verscheuren en henengaan; Ik zal wegvoeren, en er zal geen redder zijn.
15
Ik zal henengaan en keren weder tot Mijn plaats, totdat zij zichzelven schuldig kennen en Mijn aangezicht zoeken; als hun bange zal zijn, zullen zij Mij vroeg zoeken.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 13: 1
Lezen : Hosea 5
Zingen : Psalm 50: 2, 3, 4 en 9
Zingen : Psalm 38: 8
Zingen : Psalm 51: 9

Gemeente, als uitgangspunt voor onze overdenking van Hoséa 5 lees ik u de verzen 13 tot en met 15. Hoséa 5, de verzen 13 tot en met 15:

 

13. Als Efraïm zijn krankheid zag, en Juda zijn gezwel, zo toog Efraïm tot Assur, en hij zond tot den koning Jareb; maar die zal ulieden niet kunnen genezen, en zal het gezwel van ulieden niet helen.

14. Want Ik zal Efraïm zijn als een felle leeuw, en den huize van Juda als een jonge leeuw; Ik, Ik zal verscheuren en henengaan; Ik zal wegvoeren, en er zal geen redder zijn.

15. Ik zal henengaan en keren weder tot Mijn plaats, totdat zij zichzelven schuldig kennen en Mijn aangezicht zoeken; als hun bange zal zijn, zullen zij Mij vroeg zoeken.

 

Gemeente, onze tekstwoorden bepalen ons bij: een zondeziek volk.

We letten op drie gedachten:

  1. een ongeneeslijke kwaal;
  2. een onafwendbaar oordeel;
  3. een onmisbare wending.

 

  1. Een ongeneeslijke kwaal

Ware profeten, zoals Hoséa, hadden het nooit makkelijk. Dat voelt u wel als u de hoofdstukken doorleest en de inhoud van hun prediking hoort.

Ze dragen geen zachte kleren, die ware profeten, en ze hebben geen fluwelen tong. Hun boodschap is er een van Godswege. En dat is een last, een ware last, die verkondigd moet worden en aan de harten van de hoorders moet worden gelegd.

Zo zien we Elía met zo’n scherpe boodschap naar Achab gaan. En Johannes de Doper gaat naar Heródes; het kost hem uiteindelijk zijn leven. Paulus spreekt voor de groten der aarde over het komende gericht; en ook al vindt hij wat gehoor, ten diepste blijft hij daarmee in gevangenschap.

 

De profeet Hoséa is uit datzelfde hout gesneden. Heel scherp klinken zijn woorden, ook hier in vers 1: Hoort dit, gij priesters! en merkt op, gij huis Israëls! – het tienstammenrijk – en neemt ter ore, gij huis des konings! – het vorstenhuis – want ulieden gaat dit oordeel aan, omdat gij een strik zijt geworden te Mizpa, en een uitgespannen net op Thabor.

Het is weer een oordeelsprofetie. Kan die Hoséa nu nooit eens wat anders preken?

Misschien staan de hoorders van Hoséa’s boodschap wel verontwaardigd daar op het tempelplein. Of misschien staan ze wel te midden van die tien stammen, bij Bethel of bij Dan, waar Hoséa’s eerste arbeidsterrein was. Misschien zeiden ze verontwaardigd: Is het dan nooit wat anders? Spreek toch eens wat andere dingen, Hoséa! God is toch ook liefde?

Dan begint hij weer, wéér met dat oordeel, heel scherp.

Waarom? Waarom is de profeet Hoséa hier zo scherp tegen de priesters, tegen het vorstenhuis, tegen dat hele volk? Want ze worden er allemaal bij ingesloten.

 

Vers 1 spreekt over een strik. Wat hebben ze dan voor strik gespannen?

De kanttekenaren zeggen: ‘Dit kan men aldus nemen, dat de afgodische regenten en priesters der tien stammen aan beide zijden van de Jordaan op de hoogten wachten hebben besteld om te loeren op allen die naar Jeruzalem mochten trekken om de ware godsdienst te oefenen, om die te vermoorden.’

Te midden van dat afgodische tienstammenrijk zijn er nog mensen die de Heere willen vrezen. Die zijn er altijd geweest. Hoe donker het ook is in een land of onder een volk, de Heere heeft er vaak nog een klein getal der vromen. In Israël blijken ze er ook nog te zijn.

Die mensen gaan niet naar die gouden altaren van Dan of van Bethel, jongens en meisjes. Nee, daar hebben ze niets te zoeken! Ze verlangen naar de tempel te gaan. Met al z’n goddeloosheid is dat toch de plaats die de Heere verkoren heeft. Ze begeren bloed te zien. Ze begeren daar in waarheid neer te buigen.

Maar wat hebben de vorsten nu gedaan, in samenspraak met die afgodspriesters, met die afgodendienaars? Ze hebben wachtposten neergezet. Niemand komt erdoorheen. Die wachtposten staan bij de grenzen van het land, bij die plaatsen waar de routes naar Jeruzalem voeren. Daar wachten ze die tempelgangers op. Vanuit de hoogte zien ze hen naderen; ze hebben een prachtige uitkijkpost.

In vers 2 kunt u het lezen: En die afwijken, verdiepen zich om te slachten. Als je de weg afbuigt in de richting van Jeruzalem, dan komen de wachters tevoorschijn. Daar worden de tempelgangers vermoord, geslacht, en de offerdieren worden meegenomen. De weinige vromen in Israël worden in het geheim gedood.

 

Maar de levende God is geen ledig Aanschouwer! Met grote klem staat er: Maar Ik zal hun allen een Tuchtmeester zijn. Ik zal hen oordelen. Mijn oordeel zal zeker volgen. De Heere weet precies wat er aan de hand is. Vers 3: Ik ken Efraïm, en Israël is voor Mij niet verborgen.

Gemeente, dat klinkt als een donkere dreiging. David, die Israëliet van het Oude Testament, mocht zo hartelijk zingen: ‘Doorgrond m’ en ken mijn hart, o Heer’; is ‘t geen ik denk niet tot Uw eer?’ Maar nu is het precies tegenovergesteld. De Heere zegt: Ik weet wat er gebeurt. Al is het verborgen voor de meesten van het volk, Ik zie het. Ik ken Israël, en Efraïm – dat is die andere naam die zo vaak gebruikt wordt voor Israël – Ik weet hoe het ligt.

Zo is het ook vandaag. De Heere weet wie we zijn. Ja, kerkgangers, dat bent u. En dat is een voorrecht; het is goed dat u hier bent. Maar de Heere weet wie u bent, tot in de diepste schuilhoeken van uw hart. Ik ken Efraïm.

Het is zo anders dan bij die andere Israëliet, Petrus, die er een beroep op deed: Heere! Gij weet alle dingen, Gij weet dat ik U liefheb (Joh.21:17). Ja, aan de buitenkant leek het zo anders te zijn. Maar de inleving was: Heere, één bron van vuil wanbedrijf; en toch weet U wat er op de bodem van mijn hart is.

Die twee zijden, voelt u? Zijn er zo in ons midden vandaag?

Met grote klem zegt de Heere: Ik ken Israël; Ik weet wat er aan de hand is. En dan klinken de woorden van oordeel en gericht. De verzen rijgen zich aaneen; allemaal oordeel, en allemaal sprekend over God Die komt om te richten.

 

En dan lijkt het alsof het helpt.

Gemeente, wat zal Hoséa daarop gespitst zijn. Wat zijn Gods kinderen en wat zijn de ambtsdragers op de huisbezoeken daarop gespitst.

Waarop?

Ja, dat weet u toch wel? Ze begeren te horen dat er enige ritselingen zijn van geestelijk leven. Ze begeren te horen van mensen die daar nu werkelijk mee bezig zijn. Dat is toch het uitzien?

Hoséa heeft misschien wel verlangd, gehunkerd: Heere, zal al dat oordeel dan nooit vrucht dragen? Of zullen er toch nog in het hart gegrepen worden door dat Woord?

Het lijkt er wel op. We lezen in vers 6: Met hun schapen, en met hun runderen zullen zij dan gaan, om den Heere te zoeken. Dat is niet niks! Want schapen en runderen, dat waren de grote dieren van de kudde, jongens en meisjes. Een duif was een klein dier; dat was het offerdier van de armen. Maar als je rijk was, dan kwam je met een schaap. En als je nog rijker was, dan kwam je met een koe.

Daar komen ze: met grote offers voor de Heere. Het is werkelijk zo: ze willen de Heere zoeken, de Verbondsgod. Lees daar niet overheen: de Heere met hoofdletters, Die willen ze zoeken.

Dat is een heerlijke uitdrukking in de Schrift: mensen die, naar het schijnt, werkelijk de Heere zoeken. Niet mensen die het altijd maar voor het oprapen hebben en die het zomaar weten.

 

Ze komen met offers. Dus wat denk je dan?

Ja, nu zou je denken dat die mensen werkelijk voelen hoe groot hun schuld is, dat ze vanwege hun zonde en vervloeking voor het aangezicht van de Heere komen en hun zonden gaan belijden en dan de Heere gaan zoeken.

Gemeente, het lijkt heel wat. Maar er staat iets onthutsends in dit hoofdstuk. Want wat staat er ná dat om den Heere te zoeken? Daarachter staat: maar niet vinden.

Hij heeft Zich aan hen onttrokken. Het is alsof de Heere ze aan ziet komen. Zo staat het er letterlijk in de grondtaal, het Hebreeuws. De Heere ziet ze aankomen en dan verbergt Hij Zich. En zij maar zoeken! Ze kunnen de Heere niet vinden.

Hij heeft Zich verborgen, jongens en meisjes, zoals jij je vast ook weleens verstopt hebt. Je weet dat je moeder je zoekt en dan ga jij in de klerenkast zitten, waar ze je niet kan vinden.

Zo verstopt de Heere Zich eigenlijk ook – met eerbied gesproken – voor die mensen die daar komen, die naar het lijkt echt zoeken. Ze komen met hun offerdieren, vanwege berouw en waar schuldbesef. En de Heere is niet te vinden …

 

Jongeren in ons midden, hoe kan dat? Is het dan niet waar dat de Heere wacht om genadig te zijn? Is het dan in tegenspraak met het Nieuwe Testament, waar de Heere door Jezus Zelf getekend wordt als een Vader, Die wacht op de verloren zoon? Het lijkt zo in tegenspraak met het Wezen van God, met Wie God is. Hij verbergt Zich.

Misschien zijn er in ons midden die zeggen: Zou dát het zijn in mijn leven? Ik ben al zo lang aan het zoeken en er gebeurt niets. De Heere is zo verborgen. En ik bid toch echt. En als ik me niet vergis, voel ik best wel dat ik zondig ben. Wat mankeert er dan aan?

Gemeente, het luistert heel nauw. Deze mensen komen wel, maar ze missen iets; dat blijkt uit het tekstverband. Ze komen wel met hun schapen en hun runderen, maar ze missen dat diepe besef dat ze met hun offers God niet meer kunnen behagen. Ze hebben niet verstaan wat we zongen met Psalm 50.

Waartoe zal Mij zijn de veelheid van lammeren en van bokken? Die begeer Ik niet. Waartoe zul je komen met al je offers, als dat het alleen maar is? Het is alsof de Heere zegt: Het is allemaal van Mij. Zou Ik dan behoefte hebben aan zo’n lammetje dat je Mij brengt? Als dat offer – je goede bedoelingen – nu het enige is, dan zal Ik Mij verbergen, want daar heb Ik geen behoefte aan. Alles op deze aarde is van Mij, al het gedierte. Ik zou het allemaal kunnen laten toestromen. Maar daar gaat het niet om. Het zit ‘m niet in dat offer.

Jesaja zegt het in het eerste hoofdstuk: Waartoe zal Mij zijn de veelheid uwer slachtoffers? Ik ben zat van de brandoffers der rammen, en het smeer der vette beesten, en heb geen lust aan het bloed der varren, noch der lammeren, noch der bokken (Jes.1:11). Dat zijn de woorden van God Zélf.

 

Weet u wat ze missen? Ze missen dat mishagen, dat eerste, dat wezenlijke in het leven van allen die de Heere zijn gaan vrezen – dat mishagen vanwege je zonde en vervloeking. Ze voelen wel dat ze fout zitten.

Ja, wie zou dat niet voelen? Als je Gods wet hoort lezen, dan voel je dat toch weleens: ik ben niet in overeenstemming met die heilige wet. En we gaan weer rustig door ...

Hier zijn mensen die hun schuld niet hebben doorleefd voor het aangezicht van de levende God. Is dat ook uw grootste kwaal, gemeente, dat u uw zonden niet voelt, dat u er geen last van hebt dat u zondeziek bent en dat u die ware smart niet kent die uw hart verbreekt en die u aan de voeten des Heeren brengt? Want dán gaat u bedelen: O God! wees mij zondaar genadig! (Luk.18:13).

Er is geen traan van berouw, geen werkelijke verzuchting. Dat geblaat van die koeien, dat rumoer en die drukte van de priesters, die offeranden kunnen de Heere niet behagen. Het is alsof ze het oordeel willen afkopen, om maar weer goed met de Heere te zijn en zo rustig verder te kunnen leven. Maar ze hebben niet zoals David gekropen in de binnenkamer. Ze hebben niet verstaan wat hij zong: ‘Gods offers zijn een gans verbroken geest, door schuldbesef getroffen en verslagen; dit offer kan Uw heilig oog behagen; ’t is nooit, o God, van U veracht geweest.’

 

Jongens en meisjes, je kunt wel bidden: ‘schoon mijn zonden vele zijn, maak om Jezus’ wil mij rein’, maar als je in je hart niet echt last hebt van je zonden, dan zal de Heere het nooit verhoren. Dan verbergt de Heere Zich.

Gemeente, zult u eens overdenken hoe dat in uw leven is? Als dat in uw leven ook zo is, dan moet u dat ook maar tegen de Heere zeggen. Buig dan uw knieën: ‘Maar Heere, ik heb er geen verdriet van.’ Als je voelt: Dát zal het zijn in mijn leven. Ik ga er niet onder gebukt; ik ben nog niet zo’n schuldverslagen zondaar. Ik mis dat begin waar het in het leven van Gods kinderen echt mee begint. Vraag er dan maar om: Heere, ik heb niet eens smart over de zonde.

Dat ís wat! We voelen niet dat we God vertoornen, dag in dag uit. Heere, wilt U me dat toch doen voelen? Mag Uw Woord toch gebruikt worden als een pijl om mijn hart te doorwonden, en wilt U me zo op de knieën brengen, aan Uw voeten?

 

Maar nu lijkt het toch echt te gaan veranderen, want we lezen in vers 13: Als Efraïm zijn krankheid zag, en Juda zijn gezwel (…). Dan zien ze níet alleen dat het oordeel komt, het oordeel dat ze zullen vallen door ongerechtigheid (vers 5), ze zien níet alleen dat straks de wegvoering komt, dat de Heere komt om te oordelen, maar ze zien ook iets bij zichzelf. Ze voelen dat ze zondeziek zijn. Dat is een wonderlijke lijn in de Schrift, en zo is het ook in de genade. Als Efraïm zijn krankheid zag, en Juda zijn gezwel – Israël ziet zijn ziekte en Juda merkt zijn gezwel op.

Hoe is dat gegaan?

 

Er zijn mensen in het midden van de gemeente die weten hoe dat in de natuur gaat. Je dacht dat je gezond was, dat je niets mankeerde. Je dacht dat je zo sterk was en dat je zoveel werk kon verzetten. Je meende gezond te zijn, dag in dag uit. Totdat je ineens die symptomen kreeg … Toen wist je: er is iets aan de hand. Je wist niet wat het was, maar je ging naar het ziekenhuis en daar kreeg je de uitslag: je bent ziek, krank – krankheid is een ander woord voor ziekte. Er is een gezwel. Die volksziekte is zo wijd verspreid. Ineens hoorde je de werkelijkheid. Al had je er nog niet eens zoveel last van en al voelde je je misschien nog best, toch wist je het: Ik ben ziek. Er zit een ziekte in mijn lichaam die me aangetast heeft. Zal er nog wat aan te doen zijn? Is er nog raad voor?

 

Juda en Efraïm voelen ineens wat er aan de hand is.

Opmerkelijk: nu worden dat tienstammenrijk en dat tweestammenrijk samengenomen.

In vers 12 wordt het met andere woorden getekend. Daar staat: Daarom zal Ik Efraïm zijn als een mot, en den huize van Juda als een verrotting. Daar hoort u iets van dat proces.

Een mot is een klein beestje. Ze hadden er veel last van in het Midden-Oosten. Zo’n kledingmot kroop in je kleren en in dat warme Oosten vermenigvuldigde zo’n beestje zich heel snel. Het legde eitjes, waar dan weer rupsjes uit kwamen en binnen de kortste keren kropen er tien van die motjes in je kleren rond. Onzichtbaar, want ze kropen in de stof en daar deden ze hun werk. Dat ging net zo lang door totdat ineens de gaten erin vielen. Ja, dan wist je het: de mot zit in m’n kleren.

Dat tweede woord is nog veel verschrikkelijker: een verrotting. Er staat letterlijk: een beeneter. Dat zit niet zomaar aan de buitenkant, maar dat zit in je lichaam, net als een gezwel dat je helemaal aantast van binnenuit, zodat er geen bestrijding meer mogelijk is. O, gemeente, als er geen behandelingen meer kunnen volgen, dan betekent dat je dood. Dat betekent je ondergang.

Nu is het ineens alsof Efraïm, het tienstammenrijk, wakker wordt, wakker geschud door de Heere. En Juda zegt ineens: zo is het!

Je kunt als in een roes leven. En wanneer je dan plotseling ziet of hoort dat je een gezwel hebt, dan stort heel je wereld in. Wees maar heel eerlijk, gemeente; waar leven we allemaal voor? Maar dan zie je het ineens: er is maar één ding nodig. Alles van deze wereld gaat voorbij en de dood wacht me. De ondergang is daar, de Godsontmoeting en de rechterstoel.

Het lijkt alsof Efraïm en Juda werkelijk voelen dat het niet goed gaat in hun leven.

 

En dan – ja, dat is weer zo bedroevend – weet u wat er dan staat? Zo toog Efraïm tot Assur, en hij zond tot den koning Jareb.

Ze gaan hulp zoeken. Benauwd als ze zijn, proberen ze toch redding te zoeken. Maar ze zoeken helemaal verkeerd.

U ook?

Het wordt heel benauwd en ze zien het: de ondergang komt eraan. Dat rijk zal weggevoerd worden. Dan sturen ze boden naar Pul, de koning van Assyrië, zeggen de kanttekeningen. Ze proberen hem gunstig te stemmen door geschenken, in de hoop dat hij van een vijand in een vriend veranderen zal.

Kom, gemeente, waar ben je mee bezig? Met een voorzichtig verdrag met de hel? Dat is toch zo? Als je niet de Heere zoekt met ingespannen krachten, maar je hulp zoekt bij dokters, bij vrienden, bij jezelf – waar kun je allemaal hulp zoeken – als je probeert jezelf wat op te knappen, als je zondekwaal wordt aangewezen en je gaat toch maar weer door met dat leventje dat je misschien al jaren geleefd hebt, dan lijk je op dat volk. U voelt toch hoe dwaas dat is? Want als God gesproken heeft, zal het niet veranderen.

Het is ook niet veranderd; de straf is gekomen.

Hij zond tot den koning Jareb. ‘Jareb’ betekent zoiets als: twisten, rechten, of pleiten. Er zijn verklaarders die het vertalen met ‘koning Vechtjas’. Zou hij voor hen kunnen strijden? Jongens en meisjes, ze willen zo’n vechtjas huren om hen te helpen, zodat hij geen vijand zal zijn. Dan zullen ze misschien blijven bestaan.

 

Eerst proberen ze de Heere om te kopen met hun offers en dan proberen ze hulp bij een ander te vinden. Is dat ons bestaan niet, van nature? We hebben een ongeneeslijke kwaal en we leven rustig door. Als het benauwd wordt, zoeken we hulp, zelfs bij de Heere.

Maar gemeente, is dat wel de goede manier? Zonder dat mishagen van onszelf zal de God van hemel en aarde nooit gehoor geven. Daarom lezen we in het slot van vers 13: maar die zal ulieden niet kunnen genezen, en zal het gezwel van ulieden niet helen.

 

We gaan naar onze tweede gedachte:

 

  1. Een onafwendbaar oordeel

Dan klinken er woorden om van te huiveren. We lezen in vers 14: Want Ik zal Efraïm zijn als een felle leeuw, en den huize van Juda als een jonge leeuw.

Nog een keer. Er zijn mensen die het vaak over de Heere hebben en die zeggen: God is liefde. En gemeente, dat is zo. Dat is het Wezen van God. God is liefde. Maar u moet wel eerlijk zijn: dat is één kant van de zaak. Wat we hier lezen, is de andere kant. Hier wordt God ook getekend in Zijn Wezen, als een felle leeuw en als een jonge leeuw. Zo is Hij óók. Hebt u zo de Heere al leren kennen?

 

Jongens en meisjes, dan moet je niet denken aan een leeuw in de dierentuin, zo’n prachtig beest dat rustig ligt te slapen achter de tralies, of zo’n dier dat na jarenlange gevangenschap genoeg heeft aan het vlees dat hem wordt toegeworpen, zo’n leeuw die weleens kan brullen, maar die op afstand blijft. Nee, het gaat nu om een felle leeuw.

Voor die tien stammen zal de Heere zijn als een felle leeuw. Dat is een leeuw in de natuur, die tegen de avond wakker wordt en op jacht gaat, die zijn prooi gaat zoeken, een zekere prooi. Dat wil de Heere er eigenlijk mee zeggen. Die leeuw zal op jacht gaan. Hij zal zijn poten uitslaan om die prooi te grijpen en hij zal niet missen. Hij zal niet rusten voor hij zijn prooi gegrepen heeft.

En je kunt wel raden, jongens en meisjes, wat zo’n leeuw dan doet. Dan zal hij die prooi in stukken scheuren en doorgaan tot er niets meer over is, tot al dat vlees opgegeten is.

Zo zal de Heere voor het huis van Juda zijn als een jonge leeuw. Een leeuw die nog jong is, is niet lui en vadsig en heeft niet genoeg aan wat voedsel. Het is een jónge leeuw die hongerig is, die met grote ijver zijn prooi zal zoeken en zal grijpen. Juda, het tweestammenrijk, is die prooi.

 

Voelt u de ernst?

Jakob had eens gesproken van Juda: Juda is een leeuwenwelp! (Gen.49:9). Nu zal die leeuwenwelp – u ziet de woordspeling? – die jonge leeuw, overmeesterd worden door een andere jonge leeuw, het beeld van de Heere.

Dat zal niet meevallen, gemeente. Het zal niet meevallen als je valt in de handen van de levende God. Zult u dat bedenken? We kunnen een zoet en een goed Godsbeeld proberen te vormen, maar dit is ook de Heilige Schrift: de Heere zal zijn als een leeuw. Als je onbekeerd sterft, zal het wat zijn om in Zijn handen te vallen. Vreselijk zal het zijn om te vallen in de handen van de levende God. O, dat het u eens raken zou!

 

Het is gebeurd; het oordeel is gekomen, in 722 voor Christus. Vermoedelijk zo’n twintig jaar na deze profetie is dat hele tienstammenrijk in handen gevallen van Assyrië. En zo’n honderdvijftig jaar later, in 586 voor Christus, kwam de grootmacht Babel als een jonge leeuw om Juda weg te voeren.

Dat wordt geprofeteerd in de verzen 8 tot en met 10. Daar hoort u wat er gebeuren zal: Blaast de bazuin te Gíbea (dat betekent: alarm!), de trompet te Rama; roept luide te Beth-Aven (dat is Bethel, dat in een afgodshuis veranderd was): achter u, Benjamin. Efraïm zal tot verwoesting worden ten dage der straf; onder de stammen Israëls heb Ik bekend gemaakt, dat gewis is. De vorsten van Juda zijn geworden, gelijk die de landpalen verrukken; Ik zal Mijn verbolgenheid, als water, over hen uitgieten.

Het is alsof je het ziet gebeuren. Ze komen binnen en er is niets meer aan te doen.

Gemeente, Gods Woord is gewis.

Er zal alarm geblazen worden. Gíbea en Rama, sterke plaatsen waar het leger samengeroepen wordt, zullen proberen zich te verweren, maar het zal allemaal niet baten. De toorn van God zal uitgegoten worden.

Hoort u hoe overvloedig die toorn is? Uitgegoten – er is blijkbaar geen einde aan, totdat het oordeel van de hoge God zal zijn uitgevoerd.

 

Wie zou niet beven? Want als de Heere zo handelt met Zijn bondsvolk, hoe zal de Heere dan handelen met bondelingen, mensen zoals wij, levend op het erf van het verbond, het merendeel nog gedoopt ook? Als de Heere Zijn bondsvolk, dat uitverkoren volk al niet spaart, hoe zal Hij óns dan sparen? Zal het ons niet op dezelfde manier vergaan?

Dat is aangrijpend. Wie zou niet beven?

Soms lijkt het alsof je zomaar kunt zondigen, zomaar door kunt leven ondanks alle waarschuwingen. Jongeren, misschien denk je wel: die leeuw is nog zo ver weg! Je hoort hem weleens brullen. Heel in de verte hoor je weleens die klanken, die waarschuwingen, en toch leef je maar rustig door. Maar wat zal er toch gebeuren als je in de disco zit en die leeuw dan daar is en je verscheurt? Ik weet dat er zijn die daar af en toe naartoe gaan. Wat zal er gebeuren als je in de kerk zit en de wolken des hemels de Zoon van God zullen vertonen, en je bent onbekeerd?

Voelt u? Wat als de Heere komt, als het je sterfdag is of als het de oordeelsdag is, en het ligt niet goed tussen de Heere en je ziel? Wat als de Heere komt en je bent net als dat volk, levend bij de tempel of bij je afgodsbeelden, of levend als een vroom kerkganger, en het ligt niet goed in je hart?

 

Die waarschuwing is een waarschuwing uit liefde. Dat mag ik ook zeggen vandaag. Zult u dat bedenken? Want als de Heere getekend wordt als een jonge en felle leeuw, dan mag ik toch ook zeggen: de Heere is niet als een verscheurend dier, erop belust om te verscheuren.

Zo is wel ónze aard. Aangrijpende gedachte. Onze aard is door de zonde de aard van een leeuw die niet rust en die niet anders kan dan verscheuren.

De leeuw in de natuur, dat verscheurende dier, is het beeld van satan. Dat weet u toch wel, gemeente? Hij gaat rond als een briesende leeuw, zoekend wie hij zou kunnen verslinden. Maar dan mag ik u ook dat tegenbeeld laten zien. Als het gaat om wie God is, dan mag ik zeggen: het is de Heere die dreigt, die waarschuwt. Waarom? Waarom die oordeelsprofetie?

Het is uit liefde. Want achter die straffende en kastijdende hand ziet u de hand van God de Vader, en Die straft niet uit lust tot plagen. Het is niet Zijn begeerte om dat volk weg te voeren en het te doen verteren. Maar Hij dreigt ten diepste opdat dat volk bekeerd zal worden.

 

Zo is het ook vandaag. Als die oordeelsprofetieën van Hoséa over ons uitgegoten worden, dan is het met dát doel: dat het ons raken zou, dat het ons vervullen zou en dat we de stem van de Heere zouden vernemen, ook in die ernstige woorden. ‘Zo gij Zijn stem dan heden hoort, verhard u niet, maar laat u leiden.’

Als de Heere in je leven komt, dan ga je het horen. Als het werkelijk zo is dat je moet gaan buigen onder God, dan hoor je het vandaag: Ik zal verscheuren.

Nee, dat staat er niet. Ik, Ik zal verscheuren, met grote nadruk. Tenzij een mensenkind wederom geboren wordt, zal hij eeuwig omkomen. Ik, Ik zal verscheuren en henengaan. Ik zal wegvoeren – in ballingschap, naar het eeuwig verderf, als je zo sterven moet – en er zal geen redder zijn.

Ziet u dat ‘redder’ met een kleine letter staat? En zo moet het, gemeente. Er zal geen redder zijn. Als je het verwacht van iets van de aarde, dan kom je eeuwig om. O, dat je vandaag zou bidden: ‘Heere, wil mijn zondezieke bestaan openleggen; wil me eraan ontdekken. Laat me een mishagen krijgen aan mezelf, opdat ik niet eeuwig verloren zal gaan, opdat ik een andere Redder zou mogen kennen – geen redder met een kleine letter, maar met een hoofdletter. Laat Uw Heilige Geest me werkelijk in het stof brengen. Laat het oordeel me gaan drukken en laat me gaan bedelen, met Psalm 39 vers 8, dat we nu samen gaan zingen:

 

Hoor mijn gebed, mijn bang geroep, o Heer’,

daar ‘k schreiend U mijn leed vertoon;

ik, die bij U als vreemdeling verkeer,

en hier, gelijk mijn vaders, woon.

Ai, wend Uw hand en plagen van mij af;

verkwik mij, eer ik daal in ’t graf.

 

Een zondeziek volk. We hoorden van een ongeneeslijke kwaal, van een onafwendbaar oordeel. Maar in onze derde gedachte zullen we ook horen van:

 

  1. Een onmisbare wending

Gemeente, wat is het slot van dat hoofdstuk een wonder! Daar wordt iets heel rijks gezegd, iets heel moois, al is het wat bedekt, al moet je wel heel goed lezen – biddend en studerend de Schrift lezen. We lezen in vers 15: Ik zal henengaan en keren weder tot Mijn plaats.

Als een felle en als een jonge leeuw heeft de Heere Israël en Juda gestraft. En dan keert Hij weder. Heel menselijk gesproken is het alsof de Heere, nadat Hij uit de hemel gedaald is en Zijn oordeel volvoerd heeft, weer teruggaat naar de hemel en als het ware daar weer verblijft. De kanttekenaren schrijven: ‘Menselijk van God gesproken, Die gezegd wordt neder te dalen, wanneer Hij iets bijzonders op aarde werkt of Zijn oordelen uitvoert, en weder in Zijn plaats te keren en Zich stil te houden, als Hij de mensen in ellende laat of niet verlost’ – en dan komt het; dan staat er geen punt, maar: – ‘totdat zij zich bekeren en Zijn tijd daar is.’

Matthew Henry, de bekende Bijbelverklaarder, schrijft bij dit tekstvers: ‘De Heere gaat terug naar de hemel, of naar het verzoendeksel, de troon der genade, die Zijn heerlijkheid is, want wanneer Hij Zijn gunst wil bewijzen, gaat Hij naar Zijn plaats terug, waar Hij, om hun genadig te zijn, wacht op hun onderwerping.’

 

Jongeren in ons midden, zo is nu de Heere. Hij laat Zijn woorden van oordeel horen. Het zal straks ook echt gebeuren: de wegvoering komt; de Heere maakt werkelijk waar wat Hij spreekt. En dan toch, dwars door dat alles heen: Hij is in de hemel, maar niet om te toornen. Zijn troon is nog niet de rechterstoel. Nee, dat is de stoel waar je genade kunt verkrijgen als je nog in het heden der genade bent. Dat is de plaats waar de Heere wacht om genadig te zijn, zegt Matthew Henry.

Daar vertoeft de Heere nu nog steeds, die Koning der Kerk, Die met Zijn bitter lijden en sterven verzoening en voldoening gevonden heeft voor schuldverslagen zondaren, totdat ze komen zullen.

Hoe? Met hun offers?

Nee, maar met die ware schuldverslagenheid.

 

Gemeente, het is de goedertierenheid Gods die we u heden mogen prediken. Het lijkt alsof de Heere Zich verbergt. Is er moeite, verdriet, zorg, tegenslag, ziekte in uw leven? Denkt u nu werkelijk dat dat het oordeel van God is? U mag dat niet te snel aan elkaar verbinden. U mag niet te snel iets inkleuren. Maar als het zo zou zijn …? Of als er nu zoveel is in je leven waarmee je vastloopt? Wat is de bedoeling daar dan van? Om maar gewoon door te leven? Om er maar wat van te maken? Jongeren, om van de leuke dingen nog wat te genieten?

Nee. Nee, de bedoeling, gemeente, de oproep vandaag is: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden (…), want Ik ben God, en niemand meer! (Jes.45:22).

De Heere wacht bij het verzoendeksel. Dat is een wonderlijke uitdrukking, een oudtestamentisch beeld. Jongens en meisjes, de ark stond toch in de tempel? Tot de wegvoering stond daar die ark met dat verzoendeksel, het teken van Gods tegenwoordigheid. Daar werd voortdurend bloed op gesprenkeld, wijzend naar de Borg, naar het bloed der verzoening. De levende God is bij dat verzoendeksel, zegt Matthew Henry. Daar is nog verzoening mogelijk, zelfs voor dat zondezieke volk, dat ongeneeslijk lijkt en waarvan de meesten straks in ballingschap zullen omkomen.

Ben je ook zo ongeneeslijk ziek? Is die zondekwaal ook in je leven en heeft de Heere je daar al aan ontdekt?

O, als het nog onbekend voor je is, vraag dan of de Heere het je laat zien, of je er smart over mag krijgen, of je het mag gaan inleven.

 

Want dan lezen we toch twee wonderlijke dingen in het slot van vers 15.

Wanneer zal het nu veranderen? Wanneer kun je bekeerd worden? Wanneer gaat de Heere nu een wonder doen in je leven?

Het is heel eenvoudig; de jongens en meisjes kunnen het begrijpen.

Er staan twee dingen: totdat zij zichzelven schuldig kennen. Dat is het eerste. En het tweede is: en Mijn aangezicht zoeken; als hun bange zal zijn, zullen zij Mij vroeg zoeken.

Totdat zij zichzelven schuldig kennen – totdat zij hun schuld inleven, hun zonde erkennen en zich daarom voor God verootmoedigen. Gemeente, mag ik daar met grote klem op wijzen? In die weg werkt de Heere.

Jong en oud, vraag dan of de Heere je je zonden wil laten zien, of je niet alleen schuldig gesteld mag worden – dat word je, door de prediking in Gods huis – maar ook zult gaan doorleven: ‘Ik heb tegen U zwaar en menigmaal misdreven.’ Wat zou dat een wonder zijn.

 

Je schuldig kennen – we zijn niet zómaar schuldig; dat voelt u wel. Daar moet de Geest van Christus aan te pas komen, Die je werkelijk schuldverslagen maakt. Als je dat mist, vraag de Heere daar dan om: Heere, wilt U me schuldverslagen maken, opdat ik dat mishagen over mijn zonden leer inleven?

Dan ga je leren wie God is in Zijn grootheid, in Zijn heiligheid, in Zijn deugden. Dan ga je leren wie je zelf bent in je doemwaardigheid, in je vloekwaardigheid, in dat zondezieke bestaan waarmee je de Heere alleen maar moeite aandoet.

En dan ook dat tweede: en Mijn aangezicht zoeken. Dat is er onlosmakelijk aan verbonden, als het oprecht is. Dan zoeken ze niet meer de tempel met hun offers. Dan zoeken ze niet meer koning Jareb, die koning ‘Vechtjas’. Dat hébben ze wel gedaan. In ons midden zijn er die het weten: dat er een tijd kwam in je leven dat je van alles ging zoeken, overal. Maar waar je ook zocht, je vond niets. Je liep ermee vast. Je schreef er de dood op. Want het waren geen betaalmiddelen die God konden behagen. Totdat … totdat dat ene overbleef: ‘‘k Wou vluchten, maar kon nergens heen, zodat mijn dood voorhanden scheen.’ En toen dat wonder, die weg van de Heere te mogen zoeken: als hun bange zal zijn, zullen zij Mij vroeg zoeken.

 

Jongens en meisjes, wil je de Heere jong zoeken? Want dat staat er letterlijk: ze zullen Mij vróeg zoeken. Zoek de Heere, zo jong als je bent. Hoe oud ben je? Vijf jaar misschien? Zoek de Heere. Heere, bekeer mij. Dan kom je graag naar de kerk. Dan wil je graag mee. Dan wil je graag horen wat de Heere zeggen wil. Want Hij kan één woord gebruiken, ook in jouw hart.

Als je oud bent, denk je misschien: Ik ben veel te laat. Het zal voor mij wel nooit meer komen. Die zondeziekte heeft me zo aangetast. Ik ben zo hard.

Maar ‘vroeg zoeken’ betekent ook: ijverig, ernstig, met grote aandrang zoeken.

Misschien hoort iemand voortdurend die stem van satan in zijn hart: het zal voor jou niet meer zijn.

Maar hier staat: ze zullen Mij zoeken, vroeg zoeken, ernstig zoeken, met ingespannen krachten zoeken.

Heere, ik kan niet zoeken, zegt een zondaar vanmorgen.

Dat volk zocht ook niet.

Er staat niet: misschien gaan ze Mij zoeken. Maar er staat: totdat zij zichzelven schuldig kennen en Mijn aangezicht zoeken; als hun bange zal zijn, zúllen zij Mij vroeg zoeken. Het zál gebeuren. Ze zullen er alle eeuwen door zijn.

 

O, de Heere wacht als een verborgen God, totdat …

Hij wacht om genadig te zijn. En Hij ziet zo graag onbekeerde zondaren die niet weten hoe het moet, die voelen dat ze niet kunnen bidden, die weten dat ze dat echte mishagen nog missen. De Heere ziet ze zo graag op hun knieën liggen, bedelend en roepend: Heere, zou U nog willen beginnen in mijn hart? Heere, ik zal niet kunnen aflaten, maar ik zal U voortdurend aanroepen, al ben ik het niet waardig, al kunt U me voorbijgaan. Het zou recht zijn als U me zou grijpen als een leeuw, als U me eeuwig zou ombrengen en ik zou sterven in mijn zonden, maar zie op mij in gunst van Boven.

 

Ben je werkelijk bekommerd vanwege je zonden?

Misschien zijn er die zeggen: Het is echt waar dat ik voortdurend mijn zonden voel. ‘Mijn zonde zie ‘k mij steeds voor ogen zweven.’

Blijf dan liggen aan de troon der genade. Laat dan niet af. Gemeente, roep dan maar en blijf de Heere maar achterna schreeuwen, totdat …

Totdat – zult u het bedenken? Zo staat het in de Schrift. Totdat Hij Zich, vrijmachtig, soeverein, zal wenden tot zo’n schuldverslagen volk.

 

Kinderen des Heeren, boven dat arme bedelaarsleven kom je nooit meer uit. Te midden van strijd en aanvechting, beproeving en duisternis moet je voortdurend jezelf aanklagen: Heere, ik ben zo’n wegloper, zo’n eerrover, zo’n rustzoeker, zo’n zelfbedoeler.

Als de Heere dan weer in het donker brengt en Zijn hand weer op je gaat drukken, en als dan dat wonder daar is dat de schuld in je leven weer bij vernieuwing opengelegd wordt, dan ga je Hem toch weer zoeken. En – o wonder van genade – kinderen des Heeren, dan is het toch je uitzien dat het weer eens waar mag worden: ‘en aan hen, schoon diep in schuld, met berouw gedenken zult’.

Amen.

 

Slotzang: Psalm 51 vers 9

 

Gods offers zijn een gans verbroken geest,

door schuldbesef getroffen en verslagen;

dit offer kan Uw heilig oog behagen;

’t is nooit, o God, van U veracht geweest.

Doe Sion wel, laat om mijn zwaren val

Uw goedheid niet van zijne burg’ren wijken;

bouw Salem op, laat nooit zijn muur en wal,

door Uwe straf, voor ’s vijands macht bezwijken.