Ds. B. Labee - Hosea 4 : 6

Het gericht over Israël

Hosea 4
Wat de Heere in Israël mist
Wat de Heere in Israël vindt
Wat de Heere in Israël straft

Hosea 4 : 6

Hosea 4
6
Mijn volk is uitgeroeid, omdat het zonder kennis is; dewijl gij de kennis verworpen hebt, heb Ik u ook verworpen, dat gij Mij het priesterambt niet zult bedienen; dewijl gij de wet uws Gods vergeten hebt, zal Ik ook uw kinderen vergeten.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 1: 3
Lezen : Hosea 4
Zingen : Psalm 21: 9 en 12
Zingen : Psalm 119: 11
Zingen : Psalm 103: 5

Gemeente, vanmorgen vragen we uw aandacht voor Hosea 4, en ik lees u alleen vers 6: Mijn volk is uitgeroeid, omdat het zonder kennis is; dewijl gij de kennis verworpen hebt, heb Ik u ook verworpen, dat gij Mij het priesterambt niet zult bedienen; dewijl gij de wet uws Gods vergeten hebt, zal Ik ook uw kinderen vergeten.

 

Onze tekstwoorden bepalen ons bij het gericht over Israël. We letten daarbij op drie aandachtspunten.

1. Wat de Heere in Israël mist.

2. Wat de Heere in Israël vindt.

3. Wat de Heere in Israël straft.

 

Eerst horen we namelijk wat de Heere in Israël mist. Elke keer komt de profeet erop terug wat de Heere in Israël mist.

Het tweede wat we horen is, wat de Heere in Israël vindt. Ook hierover lezen we ook op verschillende plaatsen in ons hoofdstuk.

In de derde gedachte horen we wat de Heere in Israël straft; daarover lezen we vanaf vers 9.

 

1. Wat de Heere in Israël mist

Hoort des HEEREN woord, gij kinderen Israëls. Met deze bekende profetenwoorden begint hoofdstuk 4. Dan voelt u wel dat er een heel nieuw gedeelte begint. Het is heel anders van opzet dan de eerste drie hoofdstukken. In hoofdstuk 4 horen we niets van Gomer, Jizreël, Lo-Ruchama of Lo-Ammi. Toch verandert ten diepste de toon niet, maar die zal in dit hoofdstuk wel heel scherp en veroordelend worden.

Het gaat om het gericht over Israël. God scheldt, dreigt en tiert zeer heftig tot Israël, vanwege de algemene boosheid en hardnekkigheid van het volk, de profeten en de priesters. Toch blijft er iets doorklinken van de gesmade en gekrenkte liefde van God. Dat is de ondertoon van de preek.

 

Gemeente wat is het een wonder, wanneer in de ondertoon van de preek, hoe veroordelend ook, hoe scherp ook, altijd weer doorklinkt: Bekeert u toch, een iegelijk van zijn bozen weg en maakt uw handelingen goed (Jer. 35:15). In hoofdstuk 4 is het alsof we in de rechtszaal staan. De profeet wordt heel direct de mond van God.

Het is u hopelijk wel opgevallen dat in de loop van dit hoofdstuk de Heere rechtstreeks spreekt tot het goddeloze volk van Israël. Dan valt Hosea er als profeet en dienstknecht van de allerhoogste God helemaal buiten. Maar aan het slot van dit hoofdstuk gaat hij Juda ernstig waarschuwen.

De aanklacht is tweeledig. Eerst gaat de Heere spreken over wat hij in Israël mist, en vervolgens wat Hij daar vindt. Wat mist de Heere dan? Waarom heeft de Heere een twist of rechtsgeding met de inwoners van het land? Als ik dat samenvat, zijn er drie dingen die gemist worden: trouw, weldadigheid en kennis.

Dat horen we met name in vers 1: Want de HEERE heeft een twist met de inwoners des lands. De Heere mist de trouw, de weldadigheid en de kennis van God in het land. Die wordt in het leven van elke dag gemist. In vers 2 lezen wij wat de Israëlieten wél doen. Stelen, liegen en bedriegen is aan de orde van de dag. De kanttekenaren schrijven bij ‘trouw’: ‘of waarheid, God wil zeggen dat zij gans niet deugen, noch in woorden, noch in werken.’ Zo bleek dat ze God niet recht, oprecht en werkelijk kenden. Ze maar deden alsof.

 

Weldadigheid wordt als tweede genoemd. Wat is dat? Letterlijk is dit weldoen; anderen, je naaste, behandelen zoals je zelf zou willen worden behandeld. Het is omgaan met elkaar, zoals de Heere die van ons vraagt in de tweede tafel van de wet.

Denk niet dat dit een kleinigheid is. Mag ik de woorden uit Micha 6:8 citeren? Hij heeft u bekend gemaakt, o mens, wat goed is; en wat eist de HEERE van u, dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben, en ootmoediglijk te wandelen met uw God?

 

Kennis van God is het derde wat gemist wordt. Het is ook de kern van die beide andere begrippen. Dit komt verschillende keren terug. Vers 6a: Mijn volk is uitgeroeid – dat mag ook vertaald worden met: zal worden uitgeroeid – omdat het zonder kennis is. In vers 14b horen we dan dat het volk dat geen verstand en kennis heeft en omgekeerd zal worden. Het gaat dan niet om verstandelijke kennis.

Jongeren, die verstandelijke kennis hoef je niet te verachten. Als je op school zit, hoop ik dat je veel kennis verzamelt, goed je best doet en probeert om veel te leren. Allermeest gaat het natuurlijk om kennis van de Heere. Daarom is het goed dat je in de kerk en op catechisatie goed luistert met de vraag in je hart of de Heere Zijn zegen aan je wil geven.

 

Nu gaat het hier niet om verstandskennis, maar om de ware kennis van God. De kanttekenaren schrijven heel treffend: ‘Versta rechte, ware en zaligmakende kennis Gods, gericht naar Zijn Woord, vergezelschapt met geloof en liefde Gods en liefde tot de naaste.’ Het Hebreeuwse woord kennis is een heel teer woord. U vindt dit bij voorbeeld in Genesis 4: 1: En Adam bekende Eva, zijn huisvrouw, en zij werd zwanger. Kennis wordt hier weergegeven met het woord ‘bekende’, wat de meest intieme gemeenschap tussen man en vrouw tekent.

 

Deze intieme verhouding zien we in het leven van Abraham die als vriend sprak tot de Allerhoogste. Maar deze verhouding tot de Heere wordt nu in onze tekst helemaal gemist. Dit wordt te meer aangrijpend als u bedenkt dat Israël het uitverkoren volk is. Israël is in de eerste hoofdstukken getekend als de vrouw die bij de hemelse Bruidegom behoort. Israël is de bruid van God en verkoren vanwege de beloofde Zaligmaker.

Nu kent de bruidskerk in algemene zin niet de Bruidegom in de meest intieme vorm. Ze leven langs elkaar heen en dwalen van de Heere af. Dat is aangrijpend! Gemeente, is dat van nature niet ons beeld? We zijn goed uit de hand van onze Maker voortgekomen in ware kennis, gerechtigheid en heiligheid. We kenden de Heere, maar nu zijn we God kwijt. Wat weten we nu eigenlijk van Hem? Misschien nog heel wat met ons hoofd. Maar hoe is nu je hart betrokken op de Heere? Hoe ben je als je ‘s morgens opstaat? Waar gaan dan jouw gedachten over? Waar ligt de liefde van ons hart?

 

God zegt zelfs bij monde van Hosea in de rechtszaal: ‘Mijn volk, je kent Me niet met de ware en rechte kennis van je Schepper. Als dit je beeld is, ga je verloren.’ Deze woorden zijn heel ernstig. Mijn volk is uitgeroeid of zal worden uitgeroeid, omdat het zonder die kennis is. Als je de Heere niet kent met die meest intieme en hartelijke liefde, wat moet je dan in de hemel doen? Je hebt daar niets te zoeken. Je zou het er geen minuut uithouden. Je hoort niet bij de Heere, want je kent Hem niet en wilt Hem niet kennen. Dát is de ernst in de prediking van Hosea.

 

Toen Adam van God afviel, ging het ook fout tussen hem en zijn vrouw. Het huwelijk dat zo goed was, was niet meer naar de reinheid van Gods heiligdom. Ze vielen ook elkaar af. De vrouw die Gij bij mij gegeven hebt. De schepping viel uit de handen van Eva. Zij verwees naar de slang als het schepsel van God, maar ten diepste beschuldigde ze de Heere. Gemeente, sinds die dag is moord en doodslag in de wereld gekomen. Adam geeft Eva de schuld. Kaïn slaat Abel dood. Haat en geweld tekenen dan de samenleving. Legt u de kranten er maar naast. Het is dwaasheid en een fabeltje, dat waar het recht van God niet gekend wordt, een volkerenrecht wél zou kunnen bestaan. Nee, een samenleving zonder kennis van Gods recht, zonder deze ware kennis, kan de rechten van de mens niet waarborgen.

En heel persoonlijk: mist u de Heere? Is dat je smart weleens geworden? Heere, het is nu mijn bestaan dat ik U mis en U mij mist. Daar spreekt de Heere over. Gemeente, met het beeld dat we van God maken, gaan we verloren. Daarom is het zo nodig dat de Heere Zijn beeld weer opricht in mijn ziel, en dat de ware kennis van Hem in mijn hart gewerkt wordt. Dan zal wat God nu mist, in je leven gevonden worden.

 

Het is heel ernstig als er staat: Mijn volk is uitgeroeid – of zal worden uitgeroeid – omdat het zonder kennis is. In vers 14b lezen we het nog een keer: Het volk dan, dat geen verstand (kennis), heeft, zal omgekeerd worden. Let op de dreiging. Jongens en meisjes, jullie weten wel wat uitroeien is. Hitler heeft dit geprobeerd met de Joden. En je weet ook wel wat er met ‘omkeren’ bedoeld wordt. Wie denkt niet aan Sodom en Gomorra? Die steden werden omgekeerd. Zwavel en vuur daalde neer uit de hemel. Dat is de verwachting voor mensen die zonder kennis zijn. Daarom zegt de Heere ook dat door het missen van de kennis, Hij Zijn volk verworpen heeft (vers 6b). Dat is ons bestaan van het paradijs af.

 

Is dat nu uw smart? O God, nu zit ik wel in Uw huis als zo’n mensenkind. Maar ik ken U niet. Wie bent U toch Heere? Bent u al als een goddeloze of vrome ontmaskerd, zoals Paulus op weg naar Damascus? Wat had hij veel kennis in zijn hoofd. Maar toen hij op de grond lag, wist hij dat hij God miste: Wie zijt Gij, Heere? Daar werd hij eerlijk gemaakt. Heere, ik ken u niet. En het werd hem tot smart.

Is dat gebeurd in uw leven? Mist u de Heere? Is dat uw schuld? Bedel dan de Heere om de ware en zaligmakende kennis van God. Die kun je leren uit Zijn Woord. Als God Zijn Heilige Geest openbaart, ga je zien dat je deze kennis mist. Dan wil de Heere je die gaan leren. Hij wil je terugbrengen, zodat je weer kennis van God krijgt.

 

Hoe vaak ga je bij Hem aanlopen? Hoe lang denkt u na over een preek? Hoeveel keren bidt u? Hoeveel goede boeken leest u, en hoe leest u? Hoe vaak maak je dan dat boek nat met je tranen? Als je nu leest wat je mist, leert dan hoe je moet zijn en wie je niet bent. Hosea is scherp, want volgens deze tekst mis je kennis.

Het ontbreken van deze kennis is niet zomaar een gebrek, maar het is schuld! Die kennis mág niet ontbreken, en daarom moet je die zoeken bij de Heere, in Zijn Woord. Vraag toch veel of de Heere die kennis wil schenken.

Er zijn er onder ons die weten hoe de Heere die kennis geeft. Toen de Heere in uw leven kwam, wist u niet meer zoveel. Deze Godskennis is toen in uw ziel afgedrukt.

Paulus heeft in dat verblindende licht niet alles geweten. Ik denk dat hij meer niét wist dan wel. Hij kreeg een indruk wie God was, en is gaan beven voor de levende God. Hij heeft ook zichzelf leren kennen. In dat huis aan de straat genaamd de Rechte, kroop hij op de vloer in de doorleving van zijn zonde. O God, zijt mij zondaar genadig (Lukas 18:13). Daar is toen ook Christuskennis gekomen. En terstond predikte hij niet zichzelf, maar Christus.

Welnu, déze kennis wordt gemist in Israël. Hosea moet het grote klem tot het volk spreken.

De Heere mist in Israël trouw en weldadigheid, omdat er geen godskennis is. Wie zou niet vrezen?

 

2. Wat de Heere in Israël vindt

De Heere ziet neer uit de hemel op de aarde, op u en op mij; en ook op Israël. Wat ziet nu de Schepper in Zijn schepping?  Mensen die vloeken, liegen, doodslaan, stelen en overspel doen. Ze breken door en raken aan bloedschulden. We dachten bij de overdenking van dit vers: hier gaat het als het ware om ónze samenleving! De wereld van nu wordt ook met deze zonden getekend. De kanttekenaren schrijven bij deze tekst: ‘Dat is, nemen de overhand, gelijk een watervloed doorbreekt met het geweld van veel water; insgelijks gelijk geweldenaars en vijanden door de bressen inbreken, alzo breken zij met allerlei gruwelen stoutelijk door, zonder schroom van Gods wetten en ordinantiën.’ ‘Dat is, de ene moord of doodslag volgt op de anderen.’ (Kant. 4 en 5).

 

In Israël was het onder de burgers en vorsten ook zo. Koning Sallum doodde Zacharia. Pekah vermoordde Pekáhia, en Menahem liet veel bloed vloeien bij de verovering van Tifsah. En de Heere ziet uit de hemel dat al die zonden bedreven worden als een watergoot; wij zouden nu zeggen: als een tsunami. Jongens en meisjes, dat begrijpen jullie ook. Die kan niemand tegenhouden en brengt een spoor van verwoesting.

De Heere ziet wat mensen ervan maken. Hoe ze nu leven met hun naaste en met de schepping. Zonder de Heere, en zonder Godskennis. Dan is er iets van de hel op deze aarde, waar satan zijn rijk bouwt. Dat is aangrijpend.

Wat vindt de Heere nog meer? Het wordt nog aangrijpender. Dit lezen we in vers 8 over de priesters: Zij eten de zonde mijns volks en verlangen een ieder met zijn ziel naar hun ongerechtigheid. Van de priesters mag je de vreze Gods verwachten. Misschien hebt u tot nu toe gedacht aan de wereld, de burgers buiten ons. Maar nu komt het heel dichtbij, nu komt het in de kerk.

 

Het zijn moeilijke verzen, maar we proberen er iets van te zeggen. De priesters hebben de taak om het volk te onderwijzen en om op te roepen tot bekering. Dat was de opdracht van God. Hebben die priesters een welgevallen in de dienst van de Heere? Was het maar waar. Zij eten de zonde Mijns volks. Wat betekent dat nu? De kanttekenaren geven weer een kernachtige omschrijving. ‘Dat is, een ieder van hen verheft zijn ziel, dat is, verlangt met grote begeerte daarnaar, dat het volk veel mag zondigen en dienvolgens vele zondoffers aanbrengt, opdat hij zich daarvan moge mesten; hoe meer het volk zondigt, hoe liever het hun is, wil de profeet zeggen.’ Dat is het meest aangrijpende.

Je ziet iemand naar de tempel komen. Als je gezondigd had, moest je een offer brengen. ‘Denk er om’, zeiden de priesters tegen het volk, ‘als je gezondigd hebt dat je met offers komt.’ Dan kwamen de armen of rijken met een offerdier om de zonde te verzoenen. Een ieder gaf naar zijn vermogen conform de wet van God. Bij het brandofferaltaar stond dan natuurlijk een bedroefde priester. De priester zou moeten wenen. Als iemand zijn zonde eerlijk beleed voor de priester, zou hij smart moeten voelen, omdat God was beledigd. Dan zou hij zijn mes nemen, en een kort preekje houden en zeggen: ‘Belijd je zonden en ween voor het aangezicht van de Heere. Zoek toch bekeerd te worden.’ Hij moest wijzen op het bloed, want dit wast en reinigt van alle zonden. Daarna zou hij de halsslagader van het offerdier doorsnijden en het bloed opvangen.

Maar … er staan handenwrijvende, blije priesters bij het altaar. Gelukkig, er is weer heel wat gezondigd. Er komt een hele rij mensen aan. Ze brengen allemaal trouw hun offerdieren. Waarom zijn ze zo blij? Van het offerdier was het grootste deel van het vlees voor hen. Daar mochten ze van leven. De niet-eetbare delen worden snel op het rooster gelegd. De rest van dat vlees is voor hen. Het is alsof ze zeggen: Volk, zondig maar door, doe maar, we worden er beter van!

Dat is huiveringwekkend, gemeente. Alsof de alwetende God niet hun hart proeft en hun nieren kent. Over hen komt het oordeel in vers 10: Eet maar priesters! Ze zullen eten, maar niet zat worden. Ze zullen hoereren, maar niet uitbreken in menigte, want ze hebben nagelaten de HEERE in achting te nemen.

Dit zijn aangrijpende woorden, want prostitutie, oude en nieuwe wijn neemt het hart weg. Het is alsof de Heere zegt:  Het volk leeft bij me vandaan. Van de koning is niets te verwachten. Ze zondigen, en het is één moordpartij. Maar de priesters in het huis van God maken het nog erger. Er wordt maar raak gezondigd door hen. Ze verheugen zich over de zonde van het volk en liggen daar nooit wakker over.

 

Is het uw bestaan om zo maar door te leven? Offers brengen en nooit de smart over de zonde gevoelen? Meent u dat het wel goed zal gaan in uw leven zónder de kennis van de Heere? Het is alsof de profeet zegt: Als je nu één ogenblik zou voelen wat zonde is en wat voor straf daarop rusten moet; als je zou voelen een goeddoende God beledigd te hebben met je dwaze overtredingen – dan wil je nooit meer zondigen.

Er is gelukkig nog een volk op aarde dat bidt: O, Heere hoef ik nooit meer te zondigen? Bestrijdt toch mijn zonden die lijken dóór te breken, en geef toch Uw vreze. Geef toch kennis in de harten van zondaren.

 

De Heere mist heel veel, maar wat vindt Hij des te meer? Misschien is dat nog wel het meest gruwelijke, dat de Heere, toen en nu, heel veel godsdienst vindt! Ik geloof dat er vandaag de dag nog nooit zo weinig Godsvreze in ons land gevonden wordt. Er is bijna geen mens die niet ergens in gelooft of aan doet. Je ziet hen echter niet in de kerk. Ze zijn echt wel religieus op hun eigen manier, net als in de dagen van Hosea. Dit wordt getekend in vers 12: Mijn volk vraagt zijn hout, en zijn stok zal het hem bekendmaken; want de geest der hoererijen verleidt hen, dat zij van onder hun God weghoereren. Op de hoogten der bergen offeren zij en op de heuvelen roken zij, onder een eik en populier en iepenboom, omdat derzelver schaduw goed is; daarom hoereren uw dochters, en uw bruiden bedrijven overspel.

Op elke heuvel, op elke hoogte, zegt de Heere, is nu wel een offerplaats. Daar hebben ze een hout, of een boom staan, en dienen ze en roepen zij zogenaamd Mij aan. Ze hebben Mij ingeruild voor een stukje hout en een stok. Misschien wordt er gedoeld op een toverstaf, die gebruikt werd bij het voorspellen van de toekomst. In plaats van een sprekende God hebben ze nu genoeg aan een boom, waaronder ze een afgodenoffer brengen. Maar ze hoereren, wijken bij Mij weg en dienen een andere god.

Hier is Hosea heel scherp. De Heere legt het bestaan van deze godsdienst bloot. We moeten huiveren, want de Heere weet ook wat voor soort godsdienst wij hebben. Hij weet ook dwars door uw kerkgang heen hoe het in uw hart is. Hij ziet tot op de bodem van onze ziel.

Want waarom zijn die mensen zo ijverig in het dienen, zoals in vers 13 lezen? Omdat derzelver schaduw goed is. Het is vroom egoïsme. Het gaat hun niet om God of om een afgod. Ze kruipen graag onder deze boom om een poosje in de schaduw te zitten. Het is alsof Hosea zegt: ‘Ze willen zogenaamd graag een zegen van de Heere hebben, maar het gaat niet om Mij.’ Ze hebben geen verlangen om God te vrezen. Ze kunnen Hem best missen, maar willen Zijn zegen graag nog een poosje houden. Het liefst zouden ze ook in de hemel komen.

 

Zullen er uitzonderingen geweest zijn? Dat is een vraag die je bezetten kan. Zijn er onder ons die gevoelen: Heere, als ik me niet vergis, is mijn leven zo geweest. Het draaide uiteindelijk alleen om mezelf. Wat was ik toch belangrijk, en wat wilde ik ook voor U veel doen. Maar ik had nooit Uzelf op het oog, totdat U in mijn leven kwam.

Toen kwam het ogenblik dat je voelde hoe dwaas je bezig was. Want de Heere ziet niet de buitenkant aan, maar de binnenkant. De Heere weet hoe je in Zijn huis zit, op je knieën ligt en Zijn woord onderzoekt. Of lig je niet op je knieën en onderzoek je Zijn Woord nooit? De Heere weet of je wel eens een goed boek pakt of nog zoveel andere lectuur hebt, waar je genoeg aan hebt, terwijl je je nooit verdiept in de kennis van God.

Er is echter een volk op aarde, dat dit wel weet. Al zou er geen hemel tot beloning wachten en zou er nooit een gericht zijn, dan zou hun hart toch schreeuwen naar God, omdat ze Hem niet meer kunnen missen. Al zou er geen hemel zijn, dan zou ik toch niet meer kunnen en willen zondigen. Ik doe nog wel zonden, maar het is de smart van mijn hart. Mijn hart begeert om U te vrezen. Nadat ik U heb leren kennen, is er iets van de vreze van Uw lieve Naam.  

Kinderen des Heeren, was het maar meer in beoefening. Misschien dat er een tijd is geweest dat je nog niet over een strootje kon heenstappen. Zo zeiden ze vroeger wel eens. De minste zonde deed zoveel smart. Wat is er toch weinig gemeenschap met de Heere, en weinig kennis van God. Dan kun je ook heel wat zondigen. Schuld, schuld, en nog eens schuld – dat is de samenvatting van de preek van Hosea.

 

Hebt u zich en heb ik me zo leren kennen voor Gods heilig aangezicht? Gemeente, de Heere legt de schuld open in het leven van allen die Hij gaat bearbeiden. De Heere geve dat we Hem zo mogen leren kennen, voordat de afrekening volgt.

Dat brengt ons tot de laatste gedachte. Maar eerst gaan we zingen uit Psalm 119:11.

 

Gij scheldt en straft vervloekte hovaardij,

Gewend zo wijd van Uw geboôn te dwalen.

Dat toch Uw gunst mijn ziel van smaad bevrij’,

Die op mijn hoofd veracht’lijk neer zou dalen;

Daar ’k U mijn dienst, naar Uw getuig’nis, wij’,

Om nooit Uw straf mij op den hals te halen.

 

3. Wat de Heere in Israël straft

Het gericht over Israël. We hoorden wat de Heere in Israël mist en in Israël vindt. Nu onze laatste gedachte: Wat de Heere in Israël straft.

De woorden ‘daarom’ en ‘want’ vindt u verschillende keren in het hoofdstuk. U moet het maar eens rustig doorlezen. Dan hoort u wat de Heere in Israël straft. Wij kunnen daar nu kort over zijn.

Alles, wat de Heere mist, rekent Hij het volk aan. Alles wat de Heere vindt wat er niet hoort te zijn, straft Hij. Dan staat er heel nadrukkelijk dat geheel het land, zelfs het gedierte in het veld, de vogels en de vissen onder het oordeel vallen. Je ziet ze als het ware allemaal in de rechtszaal zitten. Dat was toch het beeld van Hosea 4? Daar zitten de priesters, de koningen en het volk. Ze kijken allemaal naar elkaar. Wie is de schuldige? Wie zou de Heere bedoelen? Maar de Heere zegt: ‘Je hoeft niet naar elkaar te kijken. Onderzoek je eigen hart en leven maar eens. Ga eens kijken hoe het ermee gesteld is. Kom dan voor Mijn aangezicht in belijdenis van schuld. Doe boete voor Mijn aangezicht. Zoek Mij dan toch en leef.’

 

En dan komt het oordeel dat klinkt; lees het maar in vers 4 en 5: Doch niemand twiste noch bestraffe iemand; want uw volk is als die met de priesters twisten. Daarom zult gij vallen bij dag, ja zelfs de profeet zal met u vallen bij nacht; en Ik zal uw moeder – dat is een beeld van het hele volk – uitroeien. Het zal nog een klein poosje duren. Dan zal het gebeuren. In het slot van dit hoofdstuk zien we het: een wind, gebonden in zijn vleugels. Die wind is het beeld voor de Assyriërs. Zij zullen straks het volk Israël als een wervelwind uit hun land wegvoeren. Ze zullen zomaar wegwaaien uit het land, en in de ballingschap komen. Dat is het oordeel dat komen gaat.

 

Gemeente, ik denk nu een ogenblik aan de woorden van de moordenaar aan het kruis. Plotseling gingen zijn ogen open! Vreest gij ook God niet, daar gij in hetzelfde oordeel zijt (Lukas 23:40)? O, dat vandaag de schellen van uw ogen vielen, want zo heeft de Heere Israël aangesproken. We zijn in hetzelfde oordeel. Nee, dan zendt de Heere ons nog niet een leger dat ons land binnenvalt. De Heere geeft nog rust, ook onder ons vorstenhuis, maar voor hoelang? De Heere geeft nog enige orde in onze samenleving en in het politieke handelen.

Maar toch … vreest u niet dat God komt om te oordelen over goed en kwaad? Als de wind van Gods oordeel komt, wie zal dan blijven staan? Zou je ook weggevaagd worden? Zul je dan onder het oordeel moeten komen, in het eeuwige vuur? Zult uitgeroeid worden en voor eeuwig buiten God te zijn? De ernst van de prediking van Hosea komt ook vandaag tot ons.

 

Dan klinkt er nog met grote nadruk een waarschuwing aan het adres van Juda. Kijk maar naar vers 15. Dat is wonderlijk. Toe Juda, zegt de Heere, houd je ver van Israël. Zo gij, o Israël wilt hoereren. Alsof de Heere zegt: Laat eerst maar eens zien dat jij je niet laat gezeggen, maar dat Juda niet schuldig worde.

Juda (de inwoners van het tweestammenrijk), komt gij toch niet te Gilgal en gaat niet op naar Beth-Aven, en zweert niet: Zo waarachtig als de Heere leeft. Waar ligt Beth-Aven? Je zult het op de kaart niet vinden, want het is een woordspeling. Het verwijst naar Bethel, dat ‘Huis van God’ betekent. Daar lag Jakob eens onder een open hemel, en hij bouwde er een altaar voor de levende God. Bethel is echter tot een afgodshuis geworden, een Beth-Aven. Dat hebben jullie ervan gemaakt.  

Maar Juda, blijven jullie nu binnen je eigen grenzen. Ga niet naar de plaats waar in Bethel het afgodsbeeld staat, ook niet voor één keer. Je mag de zonde niet volgen. Houd je ver van de zonde.

Wat is dit actueel. Vroeger werd Nederland het Israël van het westen genaamd. Je moet wel voorzichtig zijn met deze uitdrukking. Zullen wij verworden tot het Sodom van het westen? Israël, waar de Heere zoveel arbeid aan besteed heeft, is een Beth-Aven, een afgodshuis geweest. We komen daar de volgende keer nog op terug.

 

In die duisternis van Hosea 4 is één lichtstraal. Om die te zien moet u scherp opletten; anders zou je ze niet zien. Hosea mag nog twee dingen prediken. Daar mogen we ten slotte op wijzen. Lees vers 16, Israël is onbandig, als een onbandige koe. Als een koe die niet wil weiden in de grazige weiden van Gods Woord en wet.

Dan gaat de Heere iets doen met Israël. Hij zal hen weiden als een lam in de ruimte. Het gaat fout met een schaap als het geen herder heeft. Wanneer het niet in een omheinde ruimte weidt onder toezicht, komt dat beest om. Het schaap gaat dwalen en valt te pletter in een afgrond, of er komt een roofdier. Het is letterlijk gebeurd, toen ze in ballingschap gingen. Hoevelen zijn er niet gedood of gestorven op de weg naar Assyrië. Ze zijn niet eens begraven, maar aan de kant van de weg blijven liggen.

Maar ondanks dit en de dwangarbeid in Assyrië is er in deze tekst toch een lichtstraaltje. Ziet u het staan? De HEERE, met vijf hoofdletters, de God van het verbond, zal hen toch niet wegstoten. Dat zou rechtvaardig zijn, maar het staat er niet. Er staat: De Heere zal hen weiden. Dat is een wonder!

Jongeren, ouderen, misschien snak je wel naar vrijheid en ruimte. Altijd die regeltjes, en gebonden zijn. Misschien verlang je ernaar om in handel en wandel, zondags en doordeweeks, alles te mogen doen wat je goddeloze hart je ingeeft. Maar het is een oordeel, als je jouw last verbreekt en de ruimte ingaat. Het is een oordeel als de Heere je dan laat gaan. Dat zou weleens op je eeuwige ondergang kunnen uitlopen. Dan kom je nooit meer terug. Zo is het voor velen in Israël gegaan.

Maar toch is er nog een lichtstraaltje. In die vreselijke dreiging trilt de stem van de liefde. De Heere zal Zijn volk niet geheel wegstoten. Want de HEERE is de God van het verbond, omwille van Christus, de Borg. God spreekt in dit hoofdstuk nog twee keer vanMijn volk’. Ach, het zal je volk maar zijn, dat volkomen van je afdwaalt. Maar dan blijkt toch dat de Herder Israëls er nog is, Die nog afweet van Zijn dwalende schapen. Hij zal naar Zijn verkiezend welbehagen eruit halen die Hem eeuwig zullen gaan groot maken en niet zullen omkomen.

 

Is er nog een volk in ons midden, dat weleens kermt: ‘Gelijk een schaap heb ik gedwaald’? Of dwaal ik nog altijd in het rond, zoals een schaap dat onbedacht zijn herder heeft verloren?

Laat het dan komen tot de bede: ‘Ai, zoek uw knecht, schoon hij uw wetten schond.’ Want God volhardt. Is het de begeerte van je ziel naar Zijn geboden te leven? Neem deze vragen mee naar huis.

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 103: 5

 

Hij zal Zijn volk niet eindeloos kastijden,

Noch eeuwiglijk Zijn gramschap ons doen lijden;

Hij is het Die ons Zijne vriendschap biedt;

Hij handelt nooit met ons naar onze zonden;

Hoe zwaar, hoe lang wij ook Zijn wetten schonden,

Hij straft ons, maar naar onze zonden niet.