Ds. A.T. Vergunst - Psalmen 9 : 10 - 11

Onderwerp

Drie feiten die ons aanmoedigen om ons vertrouwen op God te stellen
De Almachtige is een Schuilplaats voor de verdrukte
Die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen
De Heere zal Zijn beloften nooit breken.

Psalmen 9 : 10 - 11

Psalmen 9
10
En de HEERE zal een Hoog Vertrek zijn voor den verdrukte, een Hoog Vertrek in tijden van benauwdheid.
11
En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat Gij, HEERE, niet hebt verlaten degenen, die U zoeken.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 92: 1, 2 en 3
Lezen : Psalm 9
Zingen : Psalm 36: 2 en 3
Zingen : Psalm 86: 4 en 8
Zingen : Psalm 27: 7

‘Op wie of op wat vertrouw ik?’ Dat is een goede vraag, gemeente. En laten we het iedere dag maar vragen, want we vertrouwen allemaal ergens op.

Jongens en meisjes, jullie vertrouwen misschien op je vader – ‘Mijn sterke vader‘ – of op je moeder – ‘Mijn goede moeder’.

Misschien vertrouwt u wel op uw goede gezondheid. ‘Ik voel me kerngezond, jong en fris.’ Geen garantie!

‘Ik heb een goede baan.’

‘Ik heb een goede bankrekening.’ 

‘Ik heb een goed pensioen.’

Nou ja, ga zo maar door.

‘Ik ben toch wel een goed mens. Ik vind mezelf ook wel aardig. God zal toch ook wel een beetje tevreden met mij zijn? Ik leef toch niet zoals al die andere mensen die niet in God geloven?’

Zo kunnen we verdergaan.

Waarop vertrouwt u? Want we vertrouwen allemaal ergens op. Anders kun je echt niet leven. In Jeremia 17 lezen we over tweeërlei vertrouwen.  De een is vervloekt omdat hij op de mens vertrouwt, en vlees tot zijn arm stelt.  De ander is daarentegen gezegend die op de HEERE vertrouwt en wiens vertrouwen op de HEERE is. 

 

De dichter van Psalm 9 had dat ook geleerd en hij mag dit aan ons doorgeven. Hij had op God leren vertrouwen. En dat wil ik nu ook graag aan u doorgeven.

 

Ik wil niet negatief zijn, maar wel realistisch: het leven is gewoon ontzettend moeilijk.

Laten we eerlijk zijn. Wat verbergen we soms veel onder een glimlach of onder een effen gezicht! Maar laten we onszelf en elkaar maar niet voor de gek houden. Velen hebben het heel moeilijk in dit leven.

 

Ik kom mensen tegen die verdrietig zijn, die met een grote scheur in hun huwelijk, in hun leven lopen. Er zijn kinderen die eenzaam zijn, die missen dat ze geliefd worden. ‘Mama en papa zijn zó druk!’ Die hebben geen tijd voor ze. Ik kom mensen tegen die mishandeld zijn. Verminkt in hun jeugd. En mensen die geliefden moeten missen. Ik kom mensen tegen die met diepe schaamte worstelen.  Nee, niet alleen over hun zonden. Maar over wat anderen hen aangedaan hebben.  Die schaamte proberen we op allerlei manieren te verbergen.  Misschien lukt dat voor anderen, maar het lukt nooit voor jezelf.

Zo kunnen we heel de tijd doorgaan, gemeente, maar daar gaat het natuurlijk niet over in deze preek. Ik wil gewoon even inhaken dat de realiteit van ons leven niet is, zoals wij die proberen te maken. Het is gewoon moeilijk om in dit leven te zijn! Maar dat is niet zómaar … Job zegt in Job 5:7: ‘De mens wordt tot moeite geboren.’ ‘Hè, Job, dat is negatief!’ Nee, dat is gewoon waarheid! Dat is echt waar.  God heeft duidelijk gezegd in het begin van de wereld: lijden is getrouwd met zonde.

 

Ik droomde zoals jullie. Als je jong bent, droom je over wat je later gaat doen, en waar je gaat wonen, en over wat je allemaal van plan bent in je leven. Dit en dat ga je doen. Nou, er komt niets van terecht! Want de realiteit is dat ook jullie, kinderen, een keer de moeiten gaan voelen. Misschien voel je dat al, want daar hoef je niet oud voor te zijn.

 

Het verdriet en de moeite en de spanningen, de stress en de teleurstellingen, dat komt zomaar niet uit het stof, zegt Job. Dat komt niet zomaar uit de aarde.

Nee, dat komt, omdat wij … – ‘Hè, heb je dát weer…’  Ja, maar dat moet ik toch weer zeggen!  – dat komt omdat wíj God verlaten hebben en omdat wij in opstand leven, en omdat wíj gezondigd hebben. Omdat wíj het paradijs hebben verwoest en dat wíj eruit gestuurd zijn. Om onze eigen schuld leven we daar nu buiten. Dat is echt waar, toch? Ik kan er niet omheen. Het staat aan het begin van de Bijbel. En daar kunt ú ook niet omheen!

 

Maar nu spreekt in Psalm 9 een man die dat heeft geleerd. David heeft dit lied gemaakt. Hij heeft het gegeven aan de opperzangmeester, de koorleider. Hij heeft er een woord in staan ‘Higgajon’, waarvan we niet precies weten wat het betekent, maar dat geeft niet. Het gaat me niet om dit woord, het gaat om deze psalm.

 

Weet u, het is een danklied. Dat ziet u wel aan het begin. Lees maar mee.

Ik zal den Heere loven met mijn ganse hart, ik zal al Uw wonderen vertellen. In U zal ik mij verblijden, en van vreugde opspringen; ik zal Uw Naam psalmzingen, o Allerhoogste! Omdat ….

Nou, er is iets gebeurd in het leven van deze man. Er waren moeilijkheden, we weten niet  wanneer en ook niet de omstandigheden. Dat geeft niet. We weten dat het realiteit was. Maar, het is óver! De Heere heeft hem geholpen. Uitgeholpen. En hij heeft dit gezang gemaakt, deze psalm gemaakt om de Heere lof te zingen.

 

Als je nu verder doorleest, zie je dat hij niet met een dankzegging eindigt. Hij eindigt weer met een gebed. ‘O, Heere, sta toch op, Laat toch die mens zich niet versterken, die heidenen, die U niet kennen, en die zomaar alles doen tegen Uw kerk.’  

Ziet u, de realiteit van die psalm? Die begint op hoge toon en gaat dan naar beneden, en dan weer naar boven en opnieuw naar beneden. Zo is het nu met elk leven. Misschien herkent u het wel: vandaag is het zonneschijn en morgen is het donker. Aan het eind van de week is het wat zonniger en dan is het weer donker.  En zo gaan we maar verder.

 

Deze dichter heeft dat ook ervaren. Gemeente, wat een prachtig boek is toch het Boek der Psalmen. Het is een kostbare gave die God gegeven heeft.

Waarom? Omdat er zoveel persoonlijks in die psalmen staat. Daar kijk je zomaar in het hart van een medemens, een mens zoals wij. Dan zie je hem worstelen. Dan hoor je hem ook zíngen. Dan zie je hem weer zinken. En dan zie je hem weer hooggestemd. Zo echt, zoals het is, ook in Gods Kerk.

 

Nou, David heeft deze psalm geschreven. Hij is ook profeet in deze Psalm. En daar wil ik uw aandacht bij bepalen. We kunnen niet door de hele Psalm heengaan, maar we gaan vanavond luisteren naar vers 10 en 11. Daar is David vooral profeet. Hij legt er een belijdenis af die voor ons profetisch is.

 

En de Heere – zegt hij - zal een hoog Vertrek zijn voor den verdrukte; een hoog Vertrek in tijden van benauwdheid. En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat Gij, Heere, niet hebt verlaten degenen die U zoeken.

 

Er staan drie dingen in deze tekst die ons aanmoedigen om ons vertrouwen op God te stellen. Niet op iets anders. Niet op een mens, niet op uzelf. Nee, op God alleen.


1. De Almachtige is een Schuilplaats voor de verdrukte. Een hóge Schuilplaats zelfs.

2. Die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen. En ik mag u die Naam voorstellen. Dan hoop ik dat u ook uw vertrouwen mag stellen op die Naam.

3. De Heere zal Zijn beloften nooit breken. Hij zal nooit verlaten degenen die Hem zoeken.

 

U ziet: er staan in deze Psalm zomaar drie heel mooie feiten, die als een profetisch woord een boodschap zijn voor u en mij. 

 

1. God is een almachtige Schuilplaats

Dat heb ik nodig, gemeente. Ik vind het maar een enge wereld worden. Waar gaat dat heen?

Waar dat heen gaat? Wel, zoals in de richterentijd. Toen kwamen de Midianieten Israël binnen. Daarna vielen de Filistijnen het land binnen. En weer later kwamen de Babyloniërs. Die maaiden zo alle mensen weg. Nou, dat gebeurt vandaag weer! De geschiedenis herhaalt zich telkens weer. Wie God verlaat, die wordt door God verlaten.

 

En nu zegt hier David: En de Heere zal een hoog Vertrek zijn voor den verdrukte.

 

Verdrukten.

Er zitten hier ook verdrukte mensen. Verbroken mensen, verminkte mensen. Verbroken huwelijken, verbroken relaties. Mensen die verwaarloosd zijn in hun kinderjaren. In het pastorale werk kom je dat heel wat tegen.

We kunnen ook nog op een andere manier denken over die verdrukkingen. Wanneer iemand om de zonden wordt verdrukt. ‘Ik heb het leren zien: Ik heb tegen God gezondigd.’ Dan wordt het nog benauwder. Waar moeten we dan heen? Waar moeten we dan heen met al onze die benauwdheid over onze schuld? Met die last op ons hart over onze zonden en wat we allemaal verkeerd gedaan hebben? 

 

Gemeente, God is een hoog Vertrek, staat er in onze tekst. Hij is een hoog Vertrek voor de verdrukte en Hij is een hoog Vertrek in tijden van benauwdheid.

Verdrukking en benauwdheid, die hebben wij allemaal zelf veroorzaakt. Adam en Eva huppelden door het paradijs. Die kenden het woord verdrukking niet eens.

Verdrukt! benauwd! Dat is onze eigen schuld. We moeten leren zien en zeggen: ‘Heere God, Ú hebt het wel goed gedaan! U schiep ons volmaakt, heilig en gelukkig. Maar wíj hebben het verwoest. Wij hebben u de rug toegekeerd. Nu zijn we het waardig dat U ons Uw rug toekeert en dat U ons voor altijd laat gaan.’

Dát heeft God niet gedaan. Hij deed het niet met Adam en Eva. En Hij doet dat nóg niet. Hij komt ons achterná en zoekt ons, roept ons en nodigt ons zelfs tot Hem terug te keren. Hij is ook hier  vandaag, gemeente.  Als we het Woord horen, horen we immers God.  

Hij roept ons toe: “Mens, jij, die daar verdrukt over de wereld loopt en het benauwd en moeilijk hebt, die zorgen hebt en verdrietig bent. Jij die gebogen gaat door je zonde. Jij die jezelf wegschaamt over je doen en laten. Ik ben een hoog Vertrek voor de verdrukten. Hoewel jij het jezelf onwaardig gemaakt hebt en je het verdient om voor eeuwig te worden verlaten, ben en blijf Ik een hoog Vertrek. 

 

Een hoog Vertrek, wat betekent dat? Er staat in het Hebreeuws voor het woord ‘vertrek’ het woord ‘schuilplaats’. En ‘hoog’ betekent: daar kunnen de vijanden niet bij. Dat is veilig. Dat is een veilige schuilplaats. Daar kan de vijand niet bij. Daar kan de duivel niet bij.

En dan zegt de Heere: ‘Ik, de Heere, zal een hoog Vertrek zijn!’ Dat is toch wonderlijk? Vindt u niet? Dat Hij dat nog voor ons wil zijn?  Voor ons, zegt Hij.  Ja, voor mensenkinderen.

 

‘Ja, dominee, maar dat is niet voor alle mensen.’ 

Luister: ’Ik heb geen lust in de dood van de goddeloze’, zegt God met Zijn hand op Zijn hart, als een Eedzweerder. ‘Zo waarachtig als Ik leef, Ik heb geen verheuging in de dood van de goddeloze.’ Wat dan? ‘O, dat hij zich bekeert en tot die Schuilplaats vlucht, Die Ik wil zijn en zál zijn voor de zondaar die terugkomt naar Mij.

Ja echt, gemeente! Dan moet u dat niet afzwakken. De Heere roept u toe: Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt (Matth.11:28). Nou, wie zijn dat nu? Het zijn mensen die vermoeid en belast zijn en nergens meer een uitweg zien.  En moet die vermoeidheid en belastheid dan alleen maar als een heftig zondebesef gezien worden?  Mag ik dan alleen tot dit Hoog Vertrek vluchten? Ach, zie toch hoevelen aan Jezus’ voeten kwamen door uiterlijke moeite en verdriet?  Hoor toch Zijn stem en zie op Hem die zondaren ontvangt.  Luister ook maar heel scherp wie de HEERE God aanspreekt in Jesaja 45:22: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einde van de aarde; want Ik ben God en niemand meer.

 

Kijk, God is een Schuilplaats voor de verdrukten. En dat is vaak zo moeilijk om te geloven. Vooral als wij gaan ervaren waardóór wij zo verdrukt en benauwd zijn. Dan zien wij al die zonden, en dan denken we: ‘Ik ben dat helemaal niet waardig! Dat kan niet voor mij gelden. Dat is alleen maar voor Gods kinderen.’

 
Wat zijn Gods kinderen nu eigenlijk voor mensen?

‘Dat zijn goede mensen.’ Dat dacht ik vroeger, jongens! Dan zag ik wel eens Gods kinderen thuis. Dan hoorde ik ze wel eens praten. Dan dacht ik: ‘Die mensen, die zondigen nooit! Dat zijn zulke heilige mensen, aan hun praat te horen. Nou, ik was abuis, hoor! Ze zijn net zo slecht als ik. Het zat in hun hart ook allemaal niet zo goed. Dat hielden ze wel verborgen, maar dat was er wel!

En zo sta ik ook voor u. Ik ben net zo slecht als u, hoor! Wat er in mijn hart leeft, ik ga het echt niet zeggen, maar ik hoef het ook niet te zeggen. Want als u in uw eigen hart kijkt, ziet u het zelf wel. Wat er in uw hart leeft, dat leeft precies hetzelfde bij mij.

En tóch heeft God een Schuilplaats willen zijn voor een zondaar zoals ik. Dan is het voor u ook mogelijk! Echt waar! Geloof het toch.  Zie niet op jezelf maar op Hem die in Zijn Woord spreekt!

 

Een Schuilplaats voor verdrukten en benauwden.

U zegt misschien: ‘Ik kán het maar niet geloven.’ Dat ben ik ook echt met u eens. Want dat ís ook ongelofelijk als we onszelf gaan leren zien als een onwaardige zondaar of zondares. Dan denk je: ‘Daar heb ik helemaal geen recht op.’ Nou, daar hebt u helemaal gelijk in! Maar het gaat in Gods Woord niet over úw récht, het gaat over Zíjn genáde.

O, wat is de Heere goed! En dat wist David.

 

En dat wordt in de tweede gedachte verder toegelicht. Hij zegt:

 

2. Die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen

Hij moedigt óns ook aan om ons vertrouwen op Hem te stellen, omdat Zijn Naam zo goed is!

 

Die Uw Naam kennen. David kende die Naam. Hij had het van de Heere geleerd. Maar, gemeente, wat betekent het nu om ‘Gods Naam te kennen’?  Dat is natuurlijk veel meer dan slechts wéten hoe Gods Naam luidt.

 

Als je iemands naam kent, kinderen, weet je verder nog niets van die persoon. Je weet alleen maar een naam, en misschien weet je wel wat meer, maar je kent hem niet echt goed.

Het Bijbelse woord ‘kennen’ betekent iets intiems. Dat betekent iets heel persoonlijks.  Je laat niet zomaar iedereen in je hart kijken, toch? Toch is er iemand in mijn leven, die mij goed kent. Dat is mijn vrouw. En waarom kent die mij nu zo goed? Nou, wat in mijn hart leeft – wat ik denk, wat ik voel, waar ik mee worstel – dat vertel ik haar. En zó gaat zij mij leren kennen. Zie je, dat is iets intiems; dat doe je niet met iedereen.

En zo zegt David hier: Heere, die Uw Naam kennen, en die Uw Naam gaan leren kennen, die zullen op Uw Naam vertrouwen en op U wachten.

Begrijpt u dat woord ‘kennen’? Dat is veel meer dan ‘iets weten over’. Dat is iets van iemands karakter, van iemands hart leren kennen.

 

Als God in uw hart gaat werken, gaat Hij zorgen dat u Hem gaat kennen. Dan gebeurt er wat met u. Dan gaat je hart branden van liefde.

Misschien is het al lang geleden dat u uw vrouw of man leerde kennen. Ga in gedachten maar eens terug naar jullie verkeringstijd. Je zag haar. Je zag hem. En hoe meer je hem of haar ging leren kennen, hoe meer er gebeurde in je hart. Dat ging branden van liefde. Er kwam een verlangen: ik wil dichtbij hem zijn, ik wil met haar praten, ik wil haar dienen. Zie je? Zo gaat het ook als we God gaan leren kennen: dan gaat er liefde branden.

 

Kennis is de basis van het geloof.  Onze Heidelbergse Catechismus zegt dat zo mooi. Wat is een waar geloof? Een stellig weten of een stellige kennis, waardoor ik alles voor waarachtig houd, wat God ons in Zijn Woord geopenbaard heeft. Geloof in God, dat is vertrouwen in Hem Die we kennen. Het begint met kennis. Ik kan niet iets of iemand vertrouwen die ik niet ken. Jongens en meisjes, hebben jullie je vader en moeder het niet horen zeggen: ‘Vertrouw die man niet; die ken je niet. Dat is een vreemdeling.’

 

Maar, laat ik dit er even bij zeggen:  je moet niet alleen oppassen voor vreemdelingen! Mensen die je wel kent, kunnen ook gevaarlijk zijn. Let daar op, ouders. Weet u dat bij negentig procent van alle kinderen die seksueel mishandeld worden, dit gebeurt door iemand die ze kennen (!) en dus vertrouwen? Praat daar maar eens met uw kinderen over. We leren ze: ‘Kijk uit en pas op voor vreemdelingen.’ Ga nu eens een beetje verder, ouders.  Bespreek het grote monster van seksuele mishandelingen en ontucht. Als we daar als ouders nooit eens over spraken met onze kinderen, zenden we hen ongewapend in een boze wereld. Denk niet dat het gevaar alleen maar in de wereld is. Het gevaar kan veel dichterbij zijn, ook onder mensen van de kerk en in onze eigen familie omdat het gevaar in elk mensenhart zit!  Ik pleit daarom, ook uit verdrietige pastorale ervaringen, bewapen uw kinderen door het de juiste kennis te geven hoe zij met het dreigende kwaad van mishandelingen moeten omgaan.

Hoewel dit niet zozeer past bij deze tekst, zeg ik het er toch maar even tussendoor want er kan zoveel vermeden worden als we daar wél met onze kinderen over spreken.

 

Nu gaan we terug naar onze tekst.

Die Uw Naam kennen, die gaan op U vertrouwen.

Wat is dan die Naam?  Kijk maar in het vorige vers. Welke Naam staat daar? De Heere, met hoofdletters: En de Heere zal een Hoog Vertrek zijn.

Die Naam is de naam Heere. Dat is één van de heerlijkste Namen van God. Dat is de Naam waarmee Hij zegt: Ik ben die Ik ben. Dat heeft niets te maken met hoe jullie mensen zijn en doen of niet doen, of hoe jullie eruitzien. Maar: Ik ben die Ik ben.

 

‘Weet u wat Ik ben? Ik ben genadig. Ik ben goed. Ik ben weldadig.’ U moet het maar eens meelezen als Mozes voor de Heere neerligt en zegt: Heere, wilt U mij Uw heerlijkheid eens tonen?

Dan in het volgende hoofdstuk komt de Heere nederwaarts en geeft de Heere antwoord. De HEERE preekt daar in Exodus 34:6 en 7 over Zijn eigen Naam.

     Heere Heere, God, barmhartig … dat is letterlijk een ‘hart dat barmt of brandt! Brandt

     van liefde!

Dan gaan hij verder:

barmhartig en genadig; lankmoedig en groot van weldadigheid – vriendelijkheid – en waarheid. Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid en overtreding en zonde vergeeft.

Maar Hij voegt daar ook bij:

Die den schuldige geenszins onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen en aan de kindskinderen tot in het derde en vierde lid.

Hij is ook heilig en rechtvaardig! En wee degenen die Hem verwerpen in Zijn liefde en genade.

 

Toen Mozes dat hoorde, ging hij op zijn knieën en hij boog zich neer. Toen kreeg hij toch de vrijheid om te vragen: ‘Heere, nu zult U zeker wel met dat hardnekkig volk meegaan, als U zó bent?’ Toen kreeg hij toch weer moed. Want het waren toch mensen, die Zijn Naam kenden. 

 

Kent u de Náám van God? Dat is de Naam Jezus. Dat vergeten we zo vaak. De Heere, met hoofdletters, dat is dezelfde als Jezus. Hij zegt het toch Zelf: ‘Als je Mij gezien hebt, heb je de Vader gezien. Ik ben precies het Beeld van Mijn Vader.’ De Heere Jezus is de Naam van God, gemeente. De Heere, de Naam, dat is Jezus.  In het Johannesevangelie noemt Hij Zichzelf de Ik ben. 

Wie is dan Jezus? Wie is de Heere Jezus?  Probeer dit nu eens te beantwoorden door over Zijn karakter te denken.  Want ‘naam’ betekent Zijn karakter!  Hoe is Hij?  Hoe openbaart Hij Zichzelf?  Wat leren we van Zijn lieve hart als je Hem volgt in de Evangelieverhalen?  Spoort u Hem na? Ziet u Hem in de ogen zoals Levi die zag?  Kijkt u i de ogen waarmee Hij naar Petrus keek?  Luister u naar Zijn hart, toen Hij de vrouw aansprak die Zijn voeten zalfde?

 

Ik zat eens in een vliegtuig naast een vrouw. Haar islamitische vader kwam uit Algerije. Haar moeder was een Franse christin. Het was duidelijk dat haar ouders er allebei niet zo zwaar aan hebben getild. Anders kun je natuurlijk niet trouwen. Een échte islamiet met een échte christin, dat gaat niet! Dat vroeg ik ook aan haar. Ik zei: ‘Uw vader zal wel geen echte islamiet geweest zijn.’ ‘Nee…’, was het antwoord. ‘En uw moeder is ook geen echte christen geweest.’  ‘Nee…’

Toen vroeg ik aan haar: ‘Gelooft ú nog in God?’  ‘Ja, zeer zeker, natuurlijk geloof ik in God.’ Er is echt wel een God, dat kon ze niet ontkennen.

 

Vraag dat ook eens aan je buurman. Daar moet je eens mee in gesprek gaan. Of met uw collega. Je moet maar denken: dat ik mensen tegenkom, is nooit toevallig. Dat zou weleens een schaap kunnen zijn van de Herder. Want Hij zegt: Ik heb nog andere schapen, die van dezen stal niet zijn; deze moet Ik ook toebrengen (Joh.10:16). Nou, dan moet je maar eens denken: dat zou weleens een schaap kunnen zijn van de Heere Jezus. Daar zou Hij mij voor kunnen gebruiken. Zo probeer ik altijd te denken, en ik beken dat het niet altijd lukt!

 

Ik zei tegen die vrouw: ‘Nou, u bent zeker ook godsdienstig?’  ‘Nee’, zegt ze, ‘ik ben niet godsdienstig. Ik geloof wel in God, maar ik ben niet godsdienstig.’ ‘En waarom dan niet?’ Haar antwoord was duidelijk. ‘Al die regeltjes, daar houd ik niet zo van.’ Ik zeg: ‘Nou, dat kan ik wel begrijpen, mevrouw. Islamieten hebben allemaal regeltjes, en christenen hebben weer andere regeltjes. U zat dus van huis uit tussenin al die regeltjes. Van beide kanten nogal liefst.’ ‘Ja, inderdaad’, zegt ze, ‘ik heb daar helemaal geen zin in.’

Na een moment van stilte vroeg ik haar: ‘Wat is voor u godsdienst? Is dat allemaal naar bepaalde regels leven?’  Ze bevestigde dat en voegde er aan toe: ‘En dan moet je jezelf natuurlijk ook beter maken door goed te doen.  Dat is godsdienst.’  

Het werd weer even stil.  Biddend probeerde ik een antwoord te vinden.  Ik heb toen gezegd tegen haar: ‘U hebt dat helemaal verkeerd begrepen. Godsdienst is niet regeltjes houden. Het is God dienen. Het gaat over een relatie met God hebben.’ Toen was ze toch even stil.

Ik mocht getuigen en zei: ‘Door Gods genade mag ik God kennen, niet alleen als mijn Schepper maar ook als mijn Zaligmaker en Vader. Hij heeft mij Hem leren kennen en daardoor is mijn leven zo verrijkt geworden. Ik zou niet zónder Hem kunnen leven.   Er is liefde in mijn hart tot Hem en die liefde komt eerst uit Zijn hart.   Godsdienst is dus de dienst van liefde.  Natuurlijk horen daar regels bij, net zoals in een huwelijk. Maar het huwelijk is niet gebaseerd op ‘regels houden. Je aan de regels houden, beschermt de relatie van man en vrouw.’   

 

Zo is het nu ook met godsdienst, jongelui. Het gaat niet over regeltjes; het gaat over de relatie met God. En als er een verhouding met God is, vinden wij die regeltjes helemaal niet zo erg. Natuurlijk niet. Denk je dat ik het erg vind dat ik die regel moet houden dat ik geen overspel mag plegen? Dat is toch een regel die je graag houdt, als je van je vrouw houdt? Begrijpt u de geboden van God? Dat zijn regels, natuurlijk, maar dát is niet waar het om gaat. Die zijn er alleen maar om de verhouding goed te houden.

En zo is het nu ook met godsdienst. Het gaat niet om die regels. Het gaat om die Naam, om God; het gaat over Gods verhouding met ons. En gemeente, als u dát mag leren kennen, zult u met mij ‘Amen’ zeggen, dat er niets beter is in dit leven dan de Naam des Heeren  te kennen, en op die Naam te vertrouwen. 

 

Ga er nu eens van getuigen, kinderen van God. Maak het nu eens elke dag je gebed: ‘Heere, laat me nu vandaag eens goed spreken van U en van Uw dienst. En laat ik nu die vuile was maar eens thuislaten. Laat ik daar nu niet over praten, hoe donker en moeilijk het allemaal is, en hoe benauwd. Maar laat ik nu eens over Ú spreken.’

Begrijpt u het? Want je moet mensen jaloers maken. Spreek over die Naam. En Wie is die Naam ook alweer? Dat is Jehova, dat is de Heere, dat is de Heere Jezus. Neem dat nu eens mee.

 

Ik heb tegen die vrouw gezegd: ‘Mevrouw, hebt u de Bíjbel weleens gelezen?’ ‘Nee, nooit gelezen.’ Ik zeg: ‘Mevrouw, de Bijbel is misschien wel te groot voor u. Ga nu eens één boekje uit de Bijbel lezen. Dat kun je zomaar op je telefoon downloaden als een app, en beloof me dat u het boek van Markus eens gaat lezen. En dan moet u één ding vragen aan de Heere God, als u dat boek leest: Heere, laat me nu eens zien, Wie Jezus is.’

 

Want daar gaat het over in het christelijk geloof. Het gaat niet over regeltjes en het gaat niet over christendom. Het gaat over de Heere Jezus! ‘Laat het me eens zien, Wie Híj is.’ En gemeente, vraagt u dat zelf weleens als u dat Boek leest: ‘Laat mij nu U kennen’?

 

Wie is de Heere Jezus? Dat is God Zelf. Hij is de getrouwe God. Zie hoe liefdevol, hoe overvloedig in goedheid Hij is. Met vreugde zocht Hij de slechtste mensen op. Daar liep Hij niet met een boogje omheen. Daar keek Hij niet op neer. Die zocht Hij op! Hij verklaarde het hart van God aan hen. Hij riep zondaren en hoeren tot bekering, en at in het huis van tollenaren als Levi en Zacheüs. De Farizeese Joden konden maar niet begrijpen dat Hij dit deed en hun regeltjes niet naliep.  Nooit heeft de Heere Jezus de weg van God overtreden.  Hij leefde volmaakt de liefde tot God en tot Zijn medemens. Die liefde  drong Hem om zondaren te zoeken, te ontvangen en met hen te eten.

Wat zijn wij nu voor christenen? Ik leg het toch maar eens scherp bij u neer, hoor! Wat denken de buren nu van u? Voelen ze het aan, het beeld van Christus? Uitgebeeld in uw doen en laten, in uw spreken, in uw meeleven, in uw getuigenis? Of weten ze alleen dat wij strak volgens een aantal regels leven?

 

De Heere Jezus wandelt niet meer door onze straten omdat Hij opgevaren is in de hemel. Maar Zijn lichaam, Zijn Kerk is hier nog op aarde. En nu is de vraag, is Zijn lichaam zichtbaar in de straten, herkenbaar in de buurt?

Wat ziet mijn buurman? ‘Ja, die mensen zijn godsdienstig, die gaan twee keer naar de kerk, op zondag. Mooi hoedje op, netjes gekleed.’ Niets verkeerds mee! Moet je echt blijven doen! Maar zien ze nu ook nog wat anders? Wat horen ze van ons? Wat zien ze van de Naam van Christus?  Voel je het aan, gemeente?

 

Die Naam moet verklaard worden! En Die verklaart God aan een ziel. Als je dan die Naam gaat zien, gaan we iets zien van God, van Jezus.

Ziet u maar eens op het kruis. Daar ziet u die Naam geheel uitgespreid in de grootheid en volheid van God. Daar heeft God met het leven en sterven van Zijn eigen Zoon een Schuilplaats voor zondaren gemaakt.

Ik mag het u vandaag weer toeroepen: Zie nu op het Lam Gods, de Schuilplaats voor de verdrukte, een hoog Vertrek voor de schuldige. Er is in Hem ruimte, gemeente. Daar kan de hele wereld in!

 

Als u die Naam gaat kennen, gaat u zien wat David zegt: ‘Hij is een hoog Vertrek in tijden van benauwdheid.’ En: Heere, die Uw Naam kennen, die zullen op U vertrouwen.          

 

Er is nog iets over die Naam, wat ik nog even wil aanstippen: soeverein.

God is soeverein. Hij doet wat Hij doet. Hij doet waar Hij een welbehagen aan heeft. Dat God soeverein is betekent dat er hoop is. Dan is er nog hoop voor mij, dan is er nog hoop voor u. Want als Hij naar de mens moet kijken om iets goeds te zien, om iets waardigs te vinden, dan was het voor altijd verloren voor ons.

Maar dat God soeverein is, dat mag u weer moed geven. Om u met uw hele leven voor Hem neer te leggen en te zeggen: ‘Heere, omdat U een soeverein, genadig, barmhartig, weldadig, lankmoedig God zijt - zie daarom nog op mij, zondig mens, neer.’

 

Laten we ervan zingen Psalm 86 vers 4 en 8: De dichter kende die God en hij zong ervan. 

 

‘k Ben gewoon, in bange dagen,

Mijn benauwdheid U te klagen;

Gij toch, Die d’ ellenden ziet,

Hoort mij, en verstoot mij niet.

Heer’, wat goôn de heid’nen roemen,

Niemand is bij U te noemen;

Daden als Uw grote daân,

Treft men nergens elders aan.

 

Maar Gij, Heer’, Gij zijt lankmoedig,

Zeer barmhartig, overvloedig

In genâ, die ons behoedt,

Groot van waarheid, eind’loos goed.

Wend U tot mijn ziel genadig;

Sterk Uw knecht, en geef weldadig

Ondersteuning aan den zoon

Uwer dienstmaagd, van den troon. 

 

Hij is een Hoog Vertrek. We hebben gepoogd Zijn Naam wat te verklaren: weldadig, goed, lankmoedig, soeverein.

En dan nu het derde feit wáárom David aanmoedigt om op God te vertrouwen, namelijk:

 

3. De Heere zal Zijn beloften nooit breken

We lezen namelijk in de tekst: Gij, Heere, hebt niet verlaten degenen die U zoeken. Dat is wel een van de zoetste verzen in de Bijbel.

 

Misschien zegt u: ‘Ik ken Hem niet zo. Ik heb Hem nog niet gevonden. Ik heb nog niet dat vertrouwen gekregen. Ik kán het ook niet: vertrouwen. Ik kan me ook niet overgeven. Dat durf ik niet en dat kan ik niet. Ik heb niet de vrijmoedigheid en de vrede van de enige troost in leven en in sterven.’

Maar luister nu naar wat de tekst zegt; dan buigt deze God zo laag. Hij zegt: ‘Ik zal níet verlaten die Mij zoeken.’

Kun je dát ontkennen? Dat je Hem zoekt? In Zijn Woord, in je bijbeltje? In je komen naar de kerk, zoekend? Kun je dat ontkennen?

 

Eén ding heb ik van den Heere begeerd, dat zal ik zoeken (Ps.27:4) – ik heb het nog niet gevonden – dat ik Zijn liefelijkheid mag aanschouwen, dat ik in Zijn huis Zijn heerlijkheid mag kennen. Dat ik op Zijn Naam mag vertrouwen.’ En Heere, als Gij zegt: Zoek Mijn aangezicht. Ik zóék Uw aangezicht, o Heere’ (Ps.27:8).

 

‘Ik kan het niet meer vinden in de wereld, ik heb er geen plezier meer in. Ik heb iets leren zien in de Heere, wat me zo aantrekt, wat me zo verwondert, zo verlangend maakt. Maar wat me ook bedrukt en bevreesd maakt. Want ja, Hij is goed, maar Hij is ook zo heilig. Hij is lankmoedig, maar Hij is ook zo rechtvaardig. Hij is vol van liefde, maar Hij is ook toornig en boos over de zonde. Ik slinger maar tussen hoop en vrees. Ik zoek Hem. Ja, maar ik durf maar niet te geloven. Ik kan het maar niet zeggen.’

 

Ik sprak gisteren met een ouderpaar langs de rivier. Het was zesendertig jaar geleden dat de moeder haar zeventienjarige zoon vond: dood. Ik stond wel bijna een uur met die mensen te praten. Want het leeft voor hen alsof het gisteren gebeurde. Misschien zitten er hier wel, die dat ook wel begrijpen. Ook al is het lang geleden. Maar weet u wat nu zo mooi was? Ze vond haar jongen dood. Maar weet je wáár, kinderen? Op zijn knieën, voor zijn bed, met zijn bijbeltje open. Ineens een hartstilstand, en hij was weg. Hij was zo’n zoekende.

 

Begrijp je, jongens? Ben je ook zo op zoek? God is het zo waardig.

Leeft het in je hart, ‘Ik kan niet verder zonder Hem. Ik kan het in mijzelf en in alles wat ik heb, niet meer vinden. Ik zoek Hem.’

Waarom zoekt u Hem dan?

‘Omdat de wereld me de vrede niet kan geven. Mijn carrière niet. Mijn gezin niet? Ja, dat was ook mijn ideaal. Mijn kinderen niet. Nee! Mijn godsdienst ook niet. Mijn goede werken dan? Nee, ik daar allemaal zonden in. Ik kan het nergens meer vinden, want ik bén niet goed en ik dóe niet goed. Ik kan die gerechtigheid maar niet te vinden, die de Heere wel eist van mij. Maar díe zoek ik nu.’

 

Waar? Waar zoekt u die?

Als Gods Geest bezig is u te onderwijzen, gaat u die gerechtigheid zoeken in Jezus, in die Naam van Christus. Daar heeft God de gerechtigheid geopenbaard die u nodig hebt. En die wij nooit zelf kunnen bereiken. Maar die gerechtigheid is nu uit de hemel gekomen als een kleed voor arme, verdrukte, benauwde zondaren. Die gerechtigheid heeft Gód gegeven in het werk, in het lijden en sterven van Christus.

 

Gemeente, ik mag Hem u hier voorstellen en voor niets aanbieden. Zelfs al bent u lauw en verrijkt en trots en arrogant. Luister maar, Jezus zegt het Zelf, ik geef het maar gewoon door: Ik raad u dat gij van Mij koopt, goud, beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden, en witte klederen, opdat gij moogt bekleed worden en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde; en zalf uw ogen met ogenzalf, opdat gij zien moogt (Openb. 3:18).

 

Die kerk van Laodicea, Hij zou haar kunnen uitspuwen, zegt Hij. En toch biedt Hij Zich aan als de Zaligmaker. Is dat niet wonderlijk?  Hebt u leren zien dat we naakt, arm, schuldig zijn? Het is niet makkelijk als de Heere alles gaat wegnemen, waar wij zo’n troost in vinden. Als Hij ons als het ware helemaal uitkleedt en het schaamtevolle van ons leven openbaar maakt, om plaats te maken voor de Naam van Jezus en voor de gerechtigheid en de verdienste in Zijn bloed. Kijk, als God werkt, ga je daarnaar hongeren. Dan ga je daarnaar zoeken.

 

Kom, luister naar de tekst: En Hij zal niet verlaten, die Hem zoeken. Wees nu eens bemoedigd vandaag. Niet, omdat u nog niet gevonden hebt. Maar omdat de engelen op de Paasmorgen het ook zeiden –  als die vrouwen daar bij dat lege graf staan –  en dan mag ik hetzelfde zeggen als die engel: Vreest gijlieden niet, want ik weet dat gij zoekt Jezus.    

 

Ben jij zo’n Jezus-zoeker? Dan hoef je niet te vrezen. ‘Ja’, zegt u, ‘maar dat lost het niet op.’ Nee, dat lost het nog niet op. Maar dan hoef je niet te vrezen. Waarom niet? Omdat God niet zal verlaten die Hem zoeken.

 

 ‘Ja maar, mijn zoeken is maar zo sporadisch. Het gaat zo op en neer.  Soms ben ik weer zo afgeleid en dan ligt het allemaal weer op de achtergrond.’ Ja, ik begrijp het. Ik herken het.  En er zijn er hier ook anderen die dit erkennen.

Maar kunt u van Hem wegblijven?  Zou u Orpa achteraan gaan?  Of zou u als Ruth Naomi aankleven? Zoekend?  Verlangend?

Vrienden, áls u Hem zoekt, dan bént u al gevonden.

‘En dat kan ik nu niet zien, dominee!’  Nee, dat hoeft ook niet. Maar het is wel waar! Want wij zoeken God niet. Romeinen 3 zegt het: er is niemand bezig met de vraag naar God, er is niemand die echt God zoekt!  Dat past niet in ons denkpatroon, in onze levensstijl.

Nee, maar Gód maakt een mens zoekend. En als de Geest van God u zoekend maakt, dan doet Hij dat, omdat Hij u laat zien dat u God niet hebt. En als u God niet hebt, is er ook niets in de wereld wat ons ooit kan vervullen. Daarom is het zo zeker dat God nooit zal verlaten wat Zijn hand heeft begonnen.

 

Dat Gij, Heere, niet hebt verlaten degenen die u zoeken.

‘Ja maar, hoe kan dat nu? Ik ben zo’n zondig mens. En mijn zoeken is zo zelfzuchtig en het gaat met zoveel zonden gepaard. Ik walg van mijn eigen gebed en mijn zoeken in het Woord, en het zoeken in het gebed is ook zo zelfzuchtig. Daar kan ik echt niet mee voor God verschijnen. En hoe kan Hij nu zeggen dat Hij niet zal verlaten die Hem zoeken?’        

 

Nou, dat zal ik u dan zeggen. Ga nu eens mee naar Gethsémané. Luister eens naar die zoekende Jezus. ‘Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker van Mij voorbijgaan’ (Matth. 26:39). Hoort u Hem zoeken? Hij schreeuwt het uit naar Zijn Vader: ‘Vader…!’ Zoekend.

 

Maar wat deed die Vader? Die verliet Hem op het kruis. Weet u, waarom? Dat is nu het wonder van het Evangelie. Daar ligt die Naam nu helemaal open, gemeente. Omdat Hij nu juist door die verlatenheid van Zijn Zoon zondaren kan ontvangen en omhelzen. God zoekt naar zondaren door de verdiensten van het lijden en sterven van Christus. Is het niet wonderlijk? Die Naam van Jezus, die volheid Gods. De Heere Jezus noemt Zichzelf de Deur.  Hij is de Deur voor zondaren om tot God te komen.  Maar Hij is ook de Deur voor God om tot ons te komen! En daarom zoekt God zondaren door het werk van Zijn eigen Zoon. In Johannes 4:23 zegt de Zoon over Zijn Vader: ‘want de Vader zoekt ook dezulken, die Hem alzo aanbidden’. Het is alleen door Zijn zoeken dat wij getrokken worden en zoekend worden.  En Hij zal nooit, nooit verlaten die Hem zoeken, want dan zou Hij Zijn eigen werk verlaten!

 

Zijn jullie zulke zoekers? Wees bemoedigd. En nogmaals: als God zo’n zoekende ziel verliest en verlaat, verliest Hij meer dan zo’n zoekende ziel.  Omdat God dan Zijn eer verliest als de getrouwe God van Waarheid. Voelt u het aan, gemeente? Ik kan op Hem vertrouwen.

 

Ik ga eindigen waarmee ik begon. Ik vertrouwde op zoveel dingen in mijn jonge leven. Maar niets is ervan overgebleven. Eén Naam. Daar kan het mee, het leven door en het leven uit.

En als de Heere dat nu aan ons wil geven, gemeente, gaan we ook zingen. Zingen, zoals we dat horen in het antwoord van de Heidelbergse Catechismus: mijn enige troost in leven en in sterven. Ik ben niet van mijzelf, maar van mijn getrouwe Zaligmaker Jezus Christus. Dat is rijk!

 

En o, laten we toch bedelen tot God of Zijn kinderen daar eens meer getuigend over mogen spreken, zoals David hier. Zodat zondaren op Hem leren vertrouwen. Laten wij daar samen om bidden.

Amen.

 

Slotzang: Psalm 27 vers 7:

 

Zo ik niet had geloofd, dat in dit leven

Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou,

Mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed, gebleven?

Ik was vergaan in al mijn smart en rouw.

Wacht op den Heer’, godvruchte schaar, houd moed;

Hij is getrouw, de Bron van alle goed;

Zo daalt Zijn kracht op u in zwakheid neer;

Want dan, ja, wacht, verlaat u op den Heer’.