Ds. C.G. Vreugdenhil - Hoofdstuk 1

Onderwerp

Verkoren in Christus voor de grondlegging der wereld
Komt voort uit het onveranderlijk voornemen van God
Gaat terug tot de eeuwige Vrederaad van God
Wordt uitgewerkt via de orde van het heil
Deze prekenserie is eerder uitgegeven door de Gereformeerde Gemeente Rotterdam-Zuidwijk.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 80: 1 en 11
Lezen : Romeinen 8: 28 - 39
Zingen : Psalm 97: 1, 6 en 7
Zingen : Psalm 133: 2 en 3
Zingen : Psalm 84: 4

De Dordtse Leerregels, Hoofdstuk 1, par.7:

 

1-7 Deze verkiezing is een onveranderlijk voornemen Gods, door hetwelk Hij vóór de grondlegging der wereld een zekere menigte van mensen, niet beter of waardiger zijnde dan anderen, maar in de gemene ellende met anderen liggende, uit het gehele menselijk geslacht, van de eerste rechtheid door hun eigen schuld vervallen in de zonde en het verderf, naar het vrije welbehagen van Zijn wil, tot de zaligheid, uit louter genade, uitverkoren heeft in Christus, denwelken Hij ook van eeuwigheid tot een Middelaar en Hoofd van alle uitverkorenen, en tot een fundament der zaligheid gesteld heeft. En opdat zij door Hem zouden zalig gemaakt worden, heeft Hij ook besloten, hen aan Hem te geven, en krachtiglijk tot Zijn gemeenschap door Zijn Woord en Geest te roepen en te trekken, of, met het ware geloof in Hem te begiftigen, te rechtvaardigen, te heiligen, en, in de gemeenschap Zijns Zoons krachtiglijk bewaard zijnde, ten laatste te verheerlijken, tot bewijzing van Zijn barmhartigheid, en tot prijs van de rijkdommen Zijner heerlijke genade. Gelijk geschreven is: ‘God heeft ons uitverkoren in Christus, vóór de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde. Die ons tevoren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in Zichzelf, naar het welbehagen van Zijn wil; tot prijs der heerlijkheid Zijner genade, door welke Hij ons begenadigd heeft in den Geliefde’ (Efeze. 1:4-6); en elders: ‘Die Hij tevoren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt’ (Rom. 8:30).

 

 

 

Verkoren in Christus voor de grondleging der wereld

Deze verkiezing

            1. Komt voort uit het onveranderlijk voornemen van God;

            2. Gaat terug tot de eeuwige Vrederaad van God;

            3. Wordt uitgewerkt via de orde van het heil;

 

Gemeente, van prinses Juliana werd gezegd, dat ze bij haar troonsbestijging sprak: ‘Wie ben ik, dat ik dit doen mag! Wie ben ik, dat ik dit doen mag!’ Tot die levenshou­ding roept het loflied van de verkiezing op. Waarom was het op mij gemunt? Waarom heeft God mij opgezocht? Ik ben immers van mezelf niet beter of waardiger of geloviger dan iemand anders. Nooit was ik tot God gekomen, als Hij niet eerst tot mij gekomen was. Voelt u de verwondering? In deze toonzetting staat par.7.

 

Wat een troost, dat Gods voornemen onveranderlijk is, anders zou God als Hij mijn leven op bepaalde momenten zag, zeggen: Nu laat Ik je los. Dat plan van God gaat helemaal terug tot in de eeuwig­heid. Het is verbonden met de gewilligheid van Christus om mijn zonden te dragen. God draagt ook Zelf zorg voor de uitvoering van Zijn plan. Dat is de hoofdlijn van par.7. U hoort onze drie gedachten: God verandert niet in Zijn keus, die ligt eeuwig vast en Hij werkt het Zelf uit.

Deze verkiezing:

 

1. Komt voort uit het onveranderlijk voornemen van God

Intussen is ons uit de voorgaande paragrafen wel duidelijk geworden dat we Gods genadige en eeuwige verkiezing helemaal moeten plaatsen in het kader van de prediking, de roeping tot het heil. God verkiest tot geloof. Tot dat geloof roept Hij in de prediking van het Evangelie van Christus de Gekruisig­de. Zo realiseert God Zijn verkiezing door middel van de prediking. Dat moet u steeds voor ogen houden, want anders lopen we vast. De belijdenis van onze kerk leert ons op grond van de Bijbel dat we niet over de verkiezing van bovenaf, maar van onderop moeten spreken.

 

We moeten niet opklimmen in de eeuwigheid om zo te proberen Gods gedachten te verstaan, maar we moeten onderop beginnen, waar de Heere in de bediening van Woord en Geest, uit de eeuwigheid, in onze tijd komt en ons door de prediking roept tot bekering en geloof in Christus de Gekruisigde. (par.3)

Of zoals par.7 het zegt: door Zijn Woord en Geest (dat is de prediking) roept en trekt Hij ons tot Zijn gemeen­schap en begiftigt Hij met het ware geloof in Hem.

Wie tot geloof wil komen moet zich begeven onder de prediking. Achter de prediking van het Evangelie, waardoor we geroepen worden tot de zaligheid, staat Gods verkiezende liefde.

In die prediking komt God ernstig en waarachtig tot ons met de belofte van het Evangelie. Wie daaraan twijfelt verdenkt God. Dan moet je niet zeggen: Is het wel eerlijk van God en krijgt iedereen wel dezelfde kans? Wie verloren gaat, gaat verloren om zijn eigen zonde en ongeloof en niet omdat hij niet verkoren zou zijn. We moeten af van het redene­ren hierover en moeten komen tot verwondering, tot aanbidding van Gods welbehagen. De verkiezing is niet in de eerste plaats leerstuk, maar een geloofsstuk, een lofzang op de genade. Niet voor niets eindigt Paulus in Rom. 11, na zijn uitvoerige uiteenzetting over de verkiezing, met het loflied: uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen, Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid. Amen (Rom. 11: 36).

 

Wie de verkiezing losmaakt van de prediking ontspoort. Wie de verkiezing losmaakt van Christus en de kennis van Christus loopt vast. Juist in het krachtencentrum van het gepredikte Woord, wordt Christus hoog opgehe­ven als de enige Zaligmaker en daar gebeuren de grootste wonde­ren. Daar worden zondaren uit hun diepe val en verlorenheid opge­haald, van dood levend gemaakt en tot Christus gebracht. Juist daar opent God de fonteinen van Zijn eeuwige verkiezende liefde.

Door middel van Zijn Woord en Geest (dat is de prediking) roept en trekt God de Zijnen krachtiglijk tot de gemeenschap met Christus.

Daar gaat Christus waarde voor je krijgen. Daar redeneer je niet meer over de verkiezing, maar je krijgt Christus lief. En wie Hem liefheeft, is van eeuwigheid door God geliefd. Daar wordt het zo'n wonder, dat Gods liefde onveranderlijk is.

 

Ons kiezen is zo verander­lijk. Vandaag kiest iemand op je werk voor jou en morgen kiest hij vanwege eigenbelang tegen je. Het kiezen van mensen is zo veranderlijk. Maar hoe is het met het verkiezen van God? In par.7 zeggen onze vade­ren dat het bij het geheim van ‘Gods verkiezen’ gaat om een on­ver­an­der­lijk voornemen Gods. Daarom kan het nooit meer overgaan. God verandert niet. Hij krab­belt niet terug als wij ontrouw zijn en in zonde vallen. Hij weet wat van Zijn maaksel is te wachten. Hij verandert niet in Zijn welbeha­gen. Hij verandert niet in Zijn beloften. Hij ver­an­dert niet in Zijn genade­giften. Wat een troost en zekerheid! Zijn roeping en genadegift is onberou­welijk.

Deze belijdenis geeft een onuitsprekelijke troost.

 

Tijdens de upgrading in Iryan gebruikte ik bij de uitleg van de Efezebrief een Indonesische studiebijbel Alkitab Penuntun. Daar staan veel mooie dingen in, maar met betrekking tot de verkiezing loopt er een remonstrantse draad doorheen.

De verkiezing werd daarin voorgesteld onder het beeld van een schip, dat naar de hemel vaart, het schip van de kerk.

Letterlijk: Dat schip van de kerk is door God verkoren om Zijn eigendom te zijn. Christus is de kapitein van het schip. Alle mensen die graag bij dat schip van de verkiezing en de kapitein willen horen, kunnen dat verwerkelij­ken door een levend geloof in Christus. Door het geloof komen ze aan boord van het schip van de verkiezing. Zolang zij aan boord zijn bij kapitein Christus vallen ze onder de uitverkorenen. Als zij echter het besluit nemen om het schip van de verkiezing en zijn kapitein te verlaten, vallen ze niet meer onder de uitverkorenen. De verkiezing vertelt ons over het doel van de reis en wat God heeft bereid voor degenen, die steeds aan boord blijven. God nodigt alle mensen om aan boord van het schip van de verkiezing te gaan door het geloof in Jezus Christus.

 

Dat is een stukje remon­strantisme van de zuiverste soort.

Vindt u dat niet een troosteloze leer? Jij stapt aan boord, alles hangt af van jouw trouw en als je het niet volhoudt, val je toch nog buiten de boot. Wat is de leer van de remonstranten toch een troosteloze, onpastorale en harde leer. Gods voornemen is bij hen niet onveran­derlijk. Er is afval der heiligen. Volgens hen is het besluit van de verkiezing tot zaligheid niet meer dan dat God diegenen zalig wil maken, die geloven en in het geloof en de gehoorzaamheid van het geloof volharden. Volgens hen kunnen ware gelovigen toch nog voor eeuwig verloren gaan. God is afhankelijk van de mens. Hij moet immers eerst zien of je het Evangelie aanneemt in geloof en daarna of je daarin volhardt. Op grond daarvan verkiest God tot de zaligheid. Dus de mens beslist.

 

De consequentie van de mening van de remonstranten dat de mens zelf kiest voor de genade, is dat die keuze als menselijke keuze ook weer veranderen kan. Stel u eens voor dat dit waar was, dan zou­den de gelo­vi­gen nooit zekerheid hebben. Ze zouden nooit kunnen ‘zakken en zin­ken’ op de belofte Gods dat Hij het werk van Zijn handen niet laat varen. Nee, onze menselijke keuze zou niet vast zijn, daarvan kan je alleen maar wensen dat je die keuze gestand houdt. Gode zij dank liggen de zaken anders. Als wij een onberouwe­lijke keuze mogen doen, mogen we weten dat die is voortgekomen uit de onveranderlijke keuze van God.

 

We lezen nog een keer het begin van par.7:

De verkie­zing is een onveranderlijk voornemen van God, door hetwelk Hij …. een zekere menigte van mensen …. louter uit genade uitverkoren heeft in Christus.

We gaan daarop letten in onze tweede gedachte.

 

2. De verkiezing gaat terug op de eeuwige Vrederaad

Par.7 belijdt dat God Zijn kinderen voor de grond­leg­ging van de wereld uitverkoren heeft in Christus, den­welken Hij ook van eeuwigheid tot een Middelaar en Hoofd van alle uitver­ko­re­nen, en tot een funda­ment der zaligheid gesteld heeft.

Wat de vaderen hier zeggen is dat de verkiezing was ‘in Christus’. De Heere zou niemand barmhartig kunnen zijn buiten Christus. Als de Heere het menselijk geslacht niet in Christus zou aanzien, moest Hij allen verloren laten gaan en kon Hij niemand genadig zijn. Niemand zou tot geloof kunnen komen, want God is rechtvaardig.

 

Maar God heeft Zijn Gemeente uitverkoren in Christus. Als de gelovigen zich afvragen: Waar heb ik het aan ver­diend? Waar heb ik mijn verkiezing aan te danken? Dan kun je alle redenen eigenlijk samenvatten in die ene Naam: Christus. Hij is van eeuwigheid af de Middelaar en het Hoofd van Zijn uitverkoren Gemeente. Die Gemeente is uitverkoren in Christus. Dat wil zeggen in samenhang met Christus, in gemeenschap met Christus, in overleg met Christus en in samenstemming met Christus. Dat betekent niet dat Christus de grond of oorzaak van onze verkiezing is, want dat is het welbehagen van God de Vader, maar Hij is het Hoofd van Zijn uitverkoren Gemeente en het fundament van de zaligheid.

 

Hoe moet je je dat nu precies voorstellen? Dat is nog niet zo eenvou­dig, maar meestal wordt daarbij het beeld gebruikt van de Vrederaad. De eeuwige Vrederaad. Daarin gaat het over vredesonderhandelingen. Dat wijst op oorlog. Inderdaad, dat wijst op ons gevallen-mens-zijn. Door de zondeval zijn we in oorlog gekomen met God. En om het weer goed te krijgen heeft de drie-enige God raad gehouden.

 

Voor de schepping van de wereld hebben God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest overleg gevoerd en samen afgespro­ken hoe ze de mens, die nog geschapen zou worden en ongehoor­zaam zou worden en God vaarwel zou zeggen, zouden redden. Hoe kan die verloren mens, die van God zou afvallen en God zou vertoornen weer met God verzoend worden? En wel met behoud van Gods deugden, met behoud van Gods rechtvaardigheid. Hier laat God ons, via Zijn openbaring in het Woord, als het ware even toe in Zijn binnenste heiligdom. Laten we onze schoenen maar van de voeten doen, omdat we hier op heilige grond komen net als Mozes bij de brandende braambos.

 

Christus als de Zoon van God heeft in dat vredesoverleg zichzelf aangeboden om naar de aarde te gaan, mens te worden, te lijden en te sterven en zo, als Middelaar, God en mens weer bij elkaar te brengen en de schuld te verzoenen. De Heilige Geest beloofde om de verdiensten van Christus toe te passen in de harten van degenen, die krachtens Gods eeuwi­ge verkiezing, bij Zijn Gemeente mogen behoren. In dat vredesoverleg, deze eeuwige Vrederaad, heeft God de Vader Zijn Zoon aangesteld tot Middelaar en Hoofd van Zijn Gemeente, zodat alles wat Hij bewerken zou aan hen ten goede zou komen, namelijk: Zijn gerechtigheid, Zijn vrede en het eeuwige leven.

 

Reeds voor de schepping van deze wereld vertegenwoordigde Christus Zijn Gemeente. Hij als het Hoofd en zij als Zijn lichaam. Van eeuwigheid af was Hij Borg voor allen, die in de tijd, Hem door het geloof zouden worden ingelijfd. Dat is een schare die niemand tellen kan, een menigte van mensen, maar die bij God geteld is. Het is de Bruidsgemeente, die aan Christus de Bruide­gom in dat vredesoverleg geschon­ken is en die Hij zou verlossen van de recht­vaardige toorn van God. Hij zegt Zelf: Vader ze waren Uwe en Gij hebt Mij dezelve gegeven (Joh. 17: 6). Hij verlost hen, maar zo krijgt Hij ook Zijn bruid als loon op Zijn middelaarswerk.

 

Als par.7 spreekt over 'een zekere menigte' moet u niet denken aan een aantal losse individuen, maar aan de ‘Gemeente als het lichaam van Christus’ of aan ‘de nieuwe mensheid in de Tweede Adam’. Ook zien wij hier duidelijk dat er van willekeur geen sprake is. Daar wordt God vaak van beschuldigd, maar God verkiest geen mensen met voorbijgaan van hun schuld, want ze worden verkoren in Christus. God vereffent wel degelijk de schuld van degenen, die Hij aanneemt. Christus ging als Borg in hun plaats staan.

Christus heeft in dat vredesoverleg gezegd: Zie Ik kom om Uw wil te doen (Ps. 40: 8). Ik zal het offer brengen. Ik zal de prijs betalen. Zie hen aan in Mij. Christus heeft Zichzelf vrijwillig aangeboden en God heeft Hem verkoren om de Middelaar te zijn en Hij ziet Zijn Gemeente aan in Hem. Zij vormen met Christus één lichaam. Hij is hun funda­ment. Niets van hen, maar het werk van Christus is het fundament van de zaligheid. Daarom ligt het zo vast. Christus werk is volkomen. Chris­tus werk kan niet te­niet gaan. Het geheim is dat de Heere in Zijn grote barmhartig­heid Zijn Gemeente die zalig wordt van eeuwig­heid heeft aangezien in Hem.

 

Zo is de lijn. De Gemeente is in Gods eeuwige Vrederaad verbonden aan Christus haar Hoofd. In Zijn eeuwige verkiezing gaat God dus niet aan Zijn recht en toorn over de zonde voorbij. In diezelfde eeuwigheid beloofde Christus om de prijs te betalen en de straf te dragen van allen, die Hem door de Vader gegeven zijn, Zijn lichaam. ‘Verkoren in Christus’ betekent dus dat ik van nature wel zondig en onwaardig ben, niet beter of waardiger, nee, in dezelfde ellende als anderen, maar dat God mij als rechtvaardig ziet omdat Christus beloofde in mijn plaats te zullen lijden en sterven. Wat een diepe waarheid: verkoren in Christus, in gemeenschap met Hem, in samenhang met Hem als Borg en Hoofd van Zijn Gemeente als Zijn lichaam.

Is dat niet een onuitsprekelijk wonder? Al lang voordat ik geboren werd hebben de Vader en de Zoon al overlegd over mijn red­ding. Wat een troost voor mensen die zich over die redding juist zorgen maken en de verzoening met God zoeken. God was ons getob al een eeuwigheid voor met Zijn oplossing.

Wat beschamend voor hen, die zich over hun redding helemaal geen zorgen maken. Die zeggen: ‘Het zal mij een zorg zijn hoe het tussen God en mij terecht komt. Zo slecht ben ik toch niet.’ Dacht u? Zou Christus Zichzelf dan voor niets tot een offer voor de zonde hebben aangebo­den?

 

Verkoren in Christus. Weet u wat daarvan het gevolg is? Dat wij nooit buiten Christus om erachter kunnen komen of we uitverkoren zijn. Par.7 zegt het zo:

En opdat zij door Hem zouden zalig gemaakt worden, heeft Hij ook be­slo­ten, hen aan Hem te geven, en krachtiglijk tot Zijn gemeenschap door Zijn Woord en Geest te roepen en te trekken.

De Heere heeft besloten Zijn uitverkoren Gemeente tot Christus te brengen en aan Hem te geven. Wij moeten bij Christus komen. Wij moeten van Christus worden en Christus moet van ons worden.

 

Daarom moet niet de uitverkiezing gepreekt worden maar de oproep om tot Christus te komen en dat met de zekere be­lof­te dat wie tot Hem komt geenszins wordt uitgeworpen. In Christus en ner­gens elders vin­den wij de verkiezende liefde van God. Al had u een pa­pier op zak waarop stond dat u uitverkoren was, het zou u geen en­kele rust mogen noch kunnen geven. Waarom niet? Al sterf je met honderd van zulke papiertjes op zak en je bent niet tot Christus geko­men, je zou voor eeuwig verloren gaan. Wij hebben Christus te pre­ken, de Gekruisigde, de nodigende Heiland.

 

Christus is de spiegel van onze verkiezing. Zekerheid over onze verkiezing is alleen te vinden in Christus, in de kennis van Hem, in Wie God ons in het Evange­lie tegemoet treedt. God openbaart Zich uitsluitend in Christus. In Hem heeft Hij de toegang tot Zijn Koninkrijk geopend. Wie de Heere Jezus hartelijk heeft lief gekregen, mag daaruit weten dat hij uitverkoren is. Spurge­on heeft gezegd: Hebt u Hem lief? Dat is het beste bewijs van Zijn eeuwige liefde. Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad.

Is dat geen troost voor u, die in nauwe verbondenheid met de Heere Jezus leeft en soms toch zo geplaagd wordt door de gedachte: Ben ik wel verkoren, ben ik wel een kind van God? Luister, uw liefde tot Hem is een teken van uw verkiezing. Als u door Woord en Geest tot de ge­meenschap van Christus geroepen en getrokken bent dan is daarin Gods eeuwig welbehagen tot realisering ge­komen. Ik mag u verkon­digen dat als u de verschij­ning van Christus hebt lief gekregen, als uw hart vermurwd en verbroken is, zodat u de zon­de van het ongeloof hebt ontdekt en beleden en buiten Christus geen heil meer ziet en tot Hem de toevlucht genomen hebt, dat het ge­heim daarvan Gods trekkende liefde is.

 

Gemeente, hoe is het met u, met jou? Mocht u Christus wel eens in Zijn vriendelijke Zaligmakers ogen zien en daar het geheim ontdekken van Gods eeuwi­ge liefde voor u? We mogen nooit beginnen met de vraag of onze naam van eeuwigheid af in Gods boek staat. We moeten beginnen bij Gods welmenende en indringende roeping: Gelooft in de Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden (Hand. 16: 31). Jezus nodigt zo vriendelijk. Eenmaal weende Hij over Jeruza­lem: Hoe menigmaal heb Ik uw kinderen bijeen willen vergaderen, en gij hebt niet gewild (Matth. 23: 37). Hij weent ook over u als u niet tot Hem komt en uw hele leven aan Hem geeft, als u onverschillig door­leeft of aan Hem voorbijgaat en op een andere manier zalig wil worden. God roept u tot de zaligheid.

Als u gekomen bent en Christus hebt lief gekregen mag u daaruit weten dat u behoort bij Zijn uitverkoren Gemeente. Dat was onze tweede gedachte: De verkiezing gaat terug tot in de eeuwige Vrederaad.

 

We zingen eerst

 

Psalm 133: 2 en 3

 

Die liefdegeur moet elk tot liefde nopen,

Als d’ olie, die, van Arons hoofd gedropen,

Zijn baard en klederzoom doortrekt;

Z’ is als de dauw die Hermons kruin bedekt,

Die Sions top met vruchtbaar vocht besproeit,

En op zijn bergen nedervloeit.

 

Waar liefde woont, gebiedt de HEER’ den zegen;

Daar woont Hij Zelf, daar wordt Zijn heil verkregen,

En ’t leven tot in eeuwigheid.

 

3. De verkiezing wordt uitgewerkt via de orde van het heil

In het leven van een gelovige gaat het van A tot Z om Christus. Hij is immers hun Hoofd. Niet alleen in de raad des vredes. Nee, ze leren Hem ook kennen als ze tot bekering komen en zo leidt Hij hen ook verder als Hoofd van Zijn Gemeente. Daarmee komen we op het derde aspect in par.7, als er gesproken wordt over de ‘orde van het heil’.

 

Lees par.7c: En opdat zij door Hem zouden zalig gemaakt worden, tot prijs van de rijkdom zijner heerlijke genade.

Dat heeft par.7 van geen vreemde, Paulus schrijft in Rom. 8:30: Die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.

 

De orde des heils. Wat is dat eigenlijk? Dat is de weg, die de Heere gaat met Zijn kinderen om hen, door het werk van de Heilige Geest, in het bezit te stellen van de weldaden, die Christus voor hen verworven heeft. Vanuit God gezien begint die weg in de eeuwigheid bij de verkiezing, daarna gaat ze verder in de tijd, waarin er iets met ons gebeurt: de roeping, wedergeboor­te, geloof, rechtvaardiging en heiliging. Tenslotte eindigt die weg weer in de eeuwigheid met de verheerlijking en een eeuwige heerlijkheid. In heel deze weg gaat de Heere Jezus steeds meer gestalte voor ons krijgen. Het verloop van die weg is niet voor iedereen hetzelfde. Evenmin leer je alles op één dag. Maar er is wel voortgang op die weg. En er zijn ook heel belangrijke kruispunten die ieder­een passeert.

 

Paulus noemt in Rom. 8 vier schakels in de keten van het heil: verkiezing, roeping, rechtvaardiging en verheerlijking. Par.7 noemt daar ook nog bij de heiliging en de volharding. Deze laatste is de krachtige bewaring in de gemeen­schap met Christus. Dit zijn dus 6 schakels. Om bij het beeld van die ketting te blijven, de verschillende schakels grijpen precies in elkaar. Als eerste schakel wordt de verkiezing genoemd. De tweede is de roeping in de tijd onder de prediking van het Woord als je hart wordt geopend zoals bij Lydia. Als derde schakel wordt de rechtvaardiging genoemd. God roept en trekt tot de gemeenschap met Christus. In Hem en door Hem ontvangen we vergeving van zonden en het recht op het eeuwige leven.

De vierde schakel is de heiliging. Wie met God is verzoend wil zijn leven aan de Heere wijden in getuigenis van Hem en in Zijn dienst. De vijfde schakel in par.7 is de volharding. Als het van ons zou afhangen, zouden we afvallen, maar de Heere bewaart Zijn kinderen daarvoor. Als laatste schakel wordt de verheerlijking genoemd. Na de volbrachte strijd op aarde is er het ingaan in de hemelse heerlijkheid en door de opstan­ding heen de heerlijkheid van de nieuwe schepping.

 

Waar begint deze gouden keten van het heil? In de eeuwige Vrederaad. En waar eindigt ze? In het eeuwige Vrederijk. Gemeente, wat ligt de zaligheid toch eeuwig en onwrikbaar vast. Nu hangt die ketting als het ware vanuit de hemel neer op de aarde. De eerste schakel van de verkie­zing en de laatste schakel van de verheerlijking houdt God nog in Zijn han­den. Daar hebben wij geen zicht op. Die schakels hangen voor ons nog boven de wolken. Maar die andere schakels hangen naar beneden vlak boven de grond: de roeping, rechtvaardiging, heiliging en volharding.

 

Dat zijn zaken, die je meemaakt op de weg met God. Voor alles geldt, dat het verbonden is met geloof. Par.7 zegt duidelijk dat de krachtige roeping hetzelfde is als de schenking van het geloof: God heeft besloten om mensen te roepen tot de gemeenschap met Christus of: met het ware geloof in Hem te begiftigen.

Bij de krachtdadige roeping schenkt God het geloof en door dat geloof is er de rechtvaar­diging, de heiliging en de volharding. Scheidt deze nooit van elkaar. Dus, geloof en recht­vaardiging, geloof en heiliging, geloof en volhar­ding. Laten we bij wijze van praktische toepassing een paar van deze schakels wat van dichterbij bekijken.

De roeping tot de gemeenschap met Christus door Woord en Geest. Als je bij Gods Woord bent opgevoed, ben je jaar en dag op de zondagschool, op de catechisatie en in de kerk onder de roep­stem van het Woord. Vaak hoorde je het niet eens. Je zat je tijd uit: Het zal allemaal wel waar zijn, het zal jouw tijd wel duren. Totdat, je een keer in de kerk zit of thuis uit je Bijbel leest en je voelt je daardoor aangesproken. Het is net of de dominee in de kerk het Woord alleen voor jou verkondigt. Je voelt dat God jou op het oog heeft. Je bent je rust kwijt. Je kunt zo niet meer doorleven. Je wordt getrokken. Er is meer dan wat het gewone leven je te bieden heeft. Het oude leven schenkt geen bevrediging meer. Je voelt je ongelukkig en de ernst van de eeuwigheid komt op je af. Je ziet hoe grenzeloos oppervlakkig anderen leven. Maar wie ben je zelf?

Je wordt weggeroepen uit je oude leven. Je ziet hoeveel er verande­ren moet. Je moet voor de dag komen, dingen laten schieten en vrienden vaarwelzeggen. Je kunt geen twee heren meer dienen. De Heere roept en trekt. Je krijgt andere interesses dan voorheen. Je omgeving denkt: Wat zou er met hem of haar aan de hand zijn? Soms voel je je eenzaam en onbegrepen. Iedereen heeft lol en jij kunt er niet echt in meedoen. In de roeping van God ligt iets van 'God ontmoe­ten'. Wie kan Hem onder ogen komen? Je gaat lezen, luisteren, zoeken en bidden.

 

God maakt ons bekend met onszelf. De één wordt daar schokkend in geleid, onder grote benauwdheid soms, de ander geleidelijk, meer liefelijk. Daar is de Heere vrij in. Dat heeft ook dikwijls te maken met je karakter, je opvoeding en je verleden. Je merkt onder de prediking dat de Heere precies weet wie je bent en wat je op je geweten hebt. Zo persoonlijk gaat Hij te werk. Je hart wordt gebogen en verbrijzeld en je gelooft wat God zegt. Door de Heilige Geest ga je beamen wat er gezegd wordt. Je hebt alles verzondigd en je ervaart iets van het gewicht van Gods toorn over je zonde. Tegelijkertijd is daar ook de kracht van Gods liefde. Je krijgt geen hekel aan God, je kruipt juist naar Hem toe. Want ver bij Hem vandaan, dat is geen leven. Je leert roepen om genade.

 

Telkens als je onder het Woord komt, wordt er aan je getrok­ken. Richting God. Maar Hij is zo heilig, je kunt voor Hem niet bestaan. Maar het wonderlijke is dat God je niet wegslaat. Hij roept en trekt liefelijk door het Evangelie. Hij bemoedigt je door Zijn beloften. Je ziet ook iets van Zijn grote genade in Christus. Je hart gaat naar Hem uit. Hij nodigt zo vriende­lijk: Komt herwaarts tot Mij (Matth. 11: 28). Je kent je zonde nog maar zeer ten dele en ook ken je de Heere Jezus nog maar zeer ten dele, maar je gaat Hem volgen en je krijgt onderwijs van Hem. Wat zit je graag aan Zijn voeten. Je raakt door het geloof aan Hem verbon­den. Je wordt door het geloof getrok­ken tot gemeenschap met Hem. Je hoort Zijn stem en je krijgt Hem lief. Het kan lang duren voor je zeker weet dat de Heere Jezus ook jouw Redder is, maar het komt er wel van. Kijk maar naar de tweede schakel.

De rechtvaardiging door het geloof. Vergeving van zonden door Jezus' bloed. Wat een heerlijke ervaring. Eens voor het eerst, als je zicht krijgt op het kruis, maar telkens weer heb je die vergevende liefde van God nodig. Je leest in je Bijbel in Jes.43: Ik, Ik ben het die uwe overtredingen uitdelg, om Mijnentwil en ik gedenk uw zonden niet (Jes. 43: 25). Je ziet dat God je liefheeft, in Christus, zo zwart en schuldig als je bent. Hij gaf Zijn Zoon. Misschien was het aan het Heilig Avondmaal toen je voor het eerst mocht geloven dat Christus aan het kruis voor je gestorven is: Ik voor u. Het gebroken brood. De Heere brengt je op Golgotha en opent je ogen voor de gekruiste Zaligmaker.

Bunyan beschrijft dat zo prachtig in de Christenreis:

Toen zag ik in mijn droom, dat juist toen christen bij het kruis kwam, de last van zijn schou­ders werd losgemaakt, van zijn rug afviel, en naar beneden tuimelde tot aan de grafopening; daar viel hij in en ik zag hem niet meer. Nu was christen vrolijk en opgewekt en met een blij hart zei hij: Hij heeft mij rust gegeven door Zijn smarten, en leven door Zijn dood. Toen stond hij een ogenblik stil om dit te overdenken en zich erover te verwonde­ren, want hij kon het bijna niet bevatten, dat één blik op het kruis hem bevrijd had van zijn last.

Eenvoudig hè? De rechtvaardiging door het geloof.

 

En dan? Is het dan klaar? Nee, de weg gaat verder achter Jezus aan, maar in een veel diepere omgang met Hem dan voorheen. Je kunt dat vergelijken met de discipelen na Pinksteren. Je gaat heel je leven wijden in Christus aan deze God in de volgende schakel de heiligmaking. Een leven in gehoorzaamheid aan Gods geboden, heilig en onberispelijk voor Hem in de liefde. Een leven in getuigenis en in Zijn dienst. Zo worden de gelovigen voorbereid op het laatste: de verheerlijking. Dan groeien we meer en meer naar Christus toe totdat wij tenslotte geheel op Hem zullen lijken. Zo zegt Paulus het ook in Rom.8: God heeft ons verordineerd (d.w.z. bestemd), om het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn.

De oude mens sterft af en de nieuwe staat op. Onze laatste afster­ving is het uur van onze dood. Onze laatste opstanding zal zijn in het uur van onze verrijzenis. Dan hebben we voorgoed deel aan het verheerlijk­te bestaan. Er zou niets van terecht komen als we aan onszelf waren overgelaten. Als wij niet werden vastgehouden en meegetrokken door Gods liefde. De Heere Jezus zegt in Joh.10: Ze zullen niet verloren gaan, niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken. Daarom noemt par.7 ook nog de volharding der heiligen.

Er staat: en, in de ge­meenschap zijns Zoons krach­tig­lijk be­waard zijnde.

 

God bewaart in de gemeenschap van Christus. Denk maar aan Petrus, die de Heere verloochende. Jezus sprak: Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet ophoude (Luk. 22: 32). God houdt hem vast. Gode ­zij­ dank! Want als het van Petrus had afge­hangen was het toen misgegaan. God bewaart de Zijnen krach­tig­lijk. Dat is met goddelijke kracht. Het is gelukkig niet waar wat de remonstranten beweren n.l. dat het weer over kan gaan. Daarom is het een won­der dat degenen die geloven mee teruggenomen worden naar de eeuwigheid die achter ons is namelijk de eeuwige raad. Ze gaan door de tijd heen door roeping, rechtvaardiging en heiliging tot vaste zekerheid van de eeuwig­heid die voor ons ligt en tenslotte de eeuwige heerlijkheid zelf. Wat een troost! God doet niets in een opwelling. Gods pelgrims komen thuis. Elk hunner zal in 't zalig oord van Sion haast voor God verschijnen.

 

Wandelt u al op die weg van het geloof? Is het uw vraag hoe u daaraan komt? Daar gaat immers par.7 over: Hoe het komt dat de gelovigen geloven. Luister, ik mag u preken dat het geloof een genadegave van God is. U hoeft het niet zelf te bouwen, want dat zou nooit kunnen. Nee, de Heere moet het geven en de Heere wil het geven, dat staat toch op ons voor­hoofd? Houd dat de Heere dan ook voor. Wij hoeven niet te beslissen ‘dat we nu gaan geloven’ maar wij mogen met al ons onge­loof naar de troon der genade om onze mond te openen en te bedelen om genade.

Heere, U hebt gezegd: Opent uwe mond, eis van mij vrij­moedig. Heere, schenk mij het geloof. Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn.

Van de verkiezing is nergens een afschrift, maar wel van Gods geopenbaarde wil.

God zal Zijn waar­heid nimmer krenken maar eeuwig Zijn verbond gedenken.

 

U die wandelen mag op de weg van de eeuwige raad naar het eeuwige rijk, u hoeft niet telkens de meetlat erlangs te leggen om te kijken hoever u bent. U hoeft ook uw beleving van roeping en recht­vaar­diging niet te toetsen aan een bepaald schema. U moet zich wel afvragen of er ook voortgang is. Op een weg moet je immers niet te lang stil staan, want dan bereik je de bestemming niet. Wees ook niet tevreden met een minimum. Er is zoveel rijkdom te beleven op die weg met God.

Wie in het huis des Heeren geplant is, die zal gegeven worden te groeien in de voorhoven onzes Gods. (Ps.92: 14)

Door Woord en Geest is er niet alleen de roeping en rechtvaardiging, maar ook de opwas in genade. Wie zijn wortels steeds wijder en dieper uitslaat in het Woord van God, die zal groeien tot eer van Christus, Die ons zo uitne­mend heeft liefgehad, al van voor grondlegging der wereld.

 

Lof zij deze Christus tot in eeuwigheid.

 

Amen

 

Slotzang: Psalm 84:4

 

Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort;

Elk hunner zal, in ’t zalig oord

Van Sion, haast voor God verschijnen.

Let, HEER’ der legerscharen, let

Op mijn ootmoedig smeekgebed;

Ai, laat mij niet van druk verkwijnen;

Leen mij een toegenegen oor,

O Jakobs God, geef mij gehoor.