Ds. W. Harinck - Johannes 19 : 23 - 24

Een bijzondere erfenis

De Erflater: Wie de erfenis nalaat
De erfgenamen: degenen die de erfenis ontvangen

Johannes 19 : 23 - 24

Johannes 19
23
De krijgsknechten dan, als zij Jezus gekruist hadden, namen Zijn klederen, (en maakten vier delen, voor elken krijgsknecht een deel) en den rok. De rok nu was zonder naad, van boven af geheel geweven.
24
Zij dan zeiden tot elkander: Laat ons dien niet scheuren, maar laat ons daarover loten, wiens die zijn zal; opdat de Schrift vervuld worde, die zegt: Zij hebben Mijn klederen onder zich verdeeld, en over Mijn kleding hebben zij het lot geworpen. Dit hebben dan de krijgsknechten gedaan.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 130: 1 en 2
Lezen : Johannes 19: 17 - 37
Zingen : Psalm 69: 2 en 4
Zingen : Psalm 22: 9
Zingen : Psalm 45: 7

Gemeente, de tekst is uit Johannes 19, de verzen 23 en 24:

 

De krijgsknechten dan, als zij Jezus gekruist hadden, namen Zijn klederen (en maakten vier delen, voor elken krijgsknecht een deel) en den rok. De rok nu was zonder naad, van boven af geheel geweven.

Zij dan zeiden tot elkander: Laat ons dien niet scheuren, maar laat ons daarover loten, wiens die zijn zal; opdat de Schrift vervuld worde, die zegt: Zij hebben Mijn klederen onder zich verdeeld, en over Mijn kleding hebben zij het lot geworpen. Dit hebben dan de krijgsknechten gedaan.

 

We letten op een bijzondere erfenis, en willen daarbij aan twee punten aandacht geven:

  1. de Erflater: Wie de erfenis nalaat;
  2. de erfgenamen; degenen die de erfenis ontvangen.

 

  1. De Erflater

Goede Vrijdag brengt ons op Golgotha; en de dingen die daar gebeuren, grijpen ons aan. We zien hoe de Romeinse soldaten, de beulsknechten, hun werk doen. De krijgsknechten dan, als zij Jezus gekruist hadden. Ze hebben Hem gekruisigd, Hem genageld aan het hout van het kruis.

Het was de Romeinse gewoonte om degenen die gekruisigd werden, van al hun kleding te ontdoen. In de ogen van de Romeinen waren de mensen die tot de kruisdood veroordeeld waren, immers geen kledingstuk meer waard. Naakt werden ze vastgespijkerd aan het hout van het kruis. Mensonterend en mensonwaardig, wat daar gebeurde.

Het doet je denken aan wat je hebt kunnen lezen uit de Tweede Wereldoorlog, als de mensen samengedreven werden in de concentratiekampen. Overal vandaan werden ze bij elkaar gebracht; en dan werden mannen en vrouwen, jongens en meisjes gedwongen om zich naakt uit te kleden voor de ogen van hun beulen. Zó werden ze de gaskamers ingedreven. Het doet ons huiveren.

Huiveren wij ook, gemeente, bij wat wij op Goede Vrijdag zien gebeuren op Golgotha? De Heere der heerlijkheid, Gods eniggeboren Zoon – naakt hangt Hij daar aan het kruishout. Ze hebben al Zijn klederen afgenomen. Niets hield Hij meer over. En als ze dat gedaan hebben, zie je ze daar zitten, die vier krijgsknechten, onderaan het kruis van de Heere Jezus. Ze buigen zich over de buit die ze verzameld hebben. Nee, het is niet veel. De nalatenschap van Jezus is niet groot. Een opperkleed, een soort overjas, een soort mantel. Daar hoorde nog een gordel bij en een paar sandalen, denk ik, en ook een onderkleed, de rok of lijfrok. Die rok werd wel het belangrijkste kledingstuk van de Oosterling genoemd. Dat is alles wat Jezus nalaat. Méér had Hij niet. Ook in Zijn kleding was Hij eenvoudig. Geen overdaad, geen weelde, geen enkele opsmuk was aan Hem te vinden.

 

Toch horen we van Johannes dat er één kledingstuk bij was dat wel van waarde was. De rok nu was zonder naad, staat er, van boven af geheel geweven. Dat kledingstuk was dus uit één stuk gemaakt; er zat geen naad in. Het was een kostbaar kleed. We weten zelfs dat de priesters zulke kleding droegen. Welke liefhebbende handen zouden dit kleed voor Jezus gemaakt hebben, gemeente? Uit welk liefhebbend hart zou Hij dit waardevolle kledingstuk gekregen hebben?

De krijgsknechten die bezig zijn om de buit te verdelen, hebben een probleem met die naadloze rok. Het zou toch zonde zijn om die ook in vier stukken te scheuren … Dat opperkleed hebben ze namelijk in vieren gedeeld; ze hebben er stapeltjes van gemaakt. Maar als ze die naadloze rok ook in vieren zouden delen, zou dat kledingstuk zijn waarde verliezen en het zou ook niet echt meer bruikbaar zijn. Daarom zeiden ze tegen elkaar: Laat ons dien niet scheuren, maar laat ons daarover loten, wiens die zijn zal. Dát zullen ze doen: ze zullen de dobbelstenen werpen; en wie van hen de hoogste ogen gooit, zal het kleed hebben, dat naadloze kleed. Ze zullen wel een soldatenhelm gebruikt hebben om daar de dobbelstenen in te gooien; zo deden ze dat. Wie de beste worp had, werd de eigenaar van die rok, die lijfrok zonder naad.

Zó is het gebeurd; zo is het gegaan. Ze hebben Jezus alles afgenomen. Terwijl Hij daar aan het kruis hing, hebben ze voor Zijn ogen – want Jezus heeft dit alles aanschouwd – Zijn erfenis als een buit verdeeld. En ze hebben het lot laten spreken over de naadloze rok.

 

Johannes zegt dan: zó is de Schrift vervuld. Welke Schrift? De woorden van Psalm 22 vers 19. Dát Schriftwoord is dáár en tóen vervuld geworden. Zij delen Mijn klederen onder zich, en werpen het lot over Mijn gewaad. Naar de létter is het vervuld. En heel betekenisvol voegt Johannes aan het slot van vers 24 dan enkele woorden toe: Dit hebben dan de krijgsknechten gedaan.

Het staat de oude apostel nog zo levendig voor ogen. Johannes heeft dit vierde Evangelie in zijn ouderdom geschreven. Het is al vele tientallen jaren geleden, dat hij al deze dingen op Golgotha vanaf een zekere afstand zag gebeuren. Maar als hij eraan terugdenkt, is het alsof het gisteren gebeurde! Zó levendig staan de dingen hem nog voor de geest. Als hij eraan terugdenkt, ziet hij daarin de vervulling van dat oude Psalmwoord. Het is alsof de evangelist Johannes hier zeggen wil: ook dit gebeurde naar de raad en de wil van God. Het was voorzégd wat die krijgsknechten daar deden. Dat heeft zijn betekenis voor ons, want daar heeft God al van gesproken. Dat deed Hij onder het Oude Testament door David, de dichter van de tweeëntwintigste Psalm.

 

Alles, gemeente, álles wat van Christus geschreven is – door Mozes, door de Psalmdichters, door de Profeten – is aan Hem volbracht geworden. Ook wat hier met Zijn kleding gebeurt, was een onderdeel van het Goddelijk program dat Christus volbrengen moest. Hij heeft geleden door den bepaalden raad en voorkennis van God (naar Hand. 2:23). Hij deed dat actief. Hij gaf Zich metterdaad aan het volbrengen van deze dingen over. Maar Hij onderging het ook passief. En zó wordt de Schrift vervuld. Wat een gewilligheid. Wat een overgave. Zie, hoe Hij Zich laat vernederen en te schande laat maken.

Want wat houdt kleding in? Kleding is een deel van onze menselijke waardigheid; een stukje van je eer. Kleding dient om onze schande te bedekken, om naaktheid en schaamte te bedekken. Daar heeft God de kleding het voor gegeven; daar heeft Hij het voor bedoeld.

Het is dan ook bepaald geen winst dat in onze tijd het schaamtegevoel steeds meer lijkt af te nemen. Het laat wel zien dat de Godsverlating en Godsvervreemding in onze dagen alleen maar groter wordt.

Maar toen de zonde gekomen was en Adam en Eva voelden dat ze naakt waren, toen zij zich schaamden voor God en voor elkaar – toen heeft God voor kleding gezorgd. De Heere heeft op de drempel van het verloren paradijs dieren geslacht; en van die huiden heeft Hij kleding gemaakt voor Adam en Eva. Dat deed God om hun naaktheid te bedekken. Toen werd de gevallen mens in zijn schande en schuld door God bekleed.

 

Maar wat gebeurt er op Golgotha? Daar wordt Jezus óntkleed. Hoe smadelijk is dat voor Hem. Wat een oneer. Wat een krenking van Zijn waardigheid. Ruwe soldatenhanden nemen Hem Zijn kleren af. En voor de ogen van Zijn beulen, voor de ogen van de mensen wordt Hij naakt gekruisigd aan het hout.

Hij Die de Schepper is van de hemel en van de aarde. Hij Die de dieren bekleedde met huiden; Hij Die de vissen bekleedde met schubben; Hij Die de aarde bekleedde met de pracht van de bloemen; Hij Die de hemel bekleedde met de blinkende sterren; Hij Die in Zijn genade de gevallen mens bekleedde – Hij hangt hier naakt, gekruisigd, ten toon gesteld aan Zijn haters en bespotters. We lezen immers dat ze aan het kruis voorbijgingen en Hem toen bespot hebben. Zijn vijanden hebben Hem te schande gemaakt.

 

Waaróm? Waarom gebeuren deze dingen? Waarom láát Hij het gebeuren? Waarom laat Hij dit alles met Zich doen?

Johannes heeft erover nagedacht, en hij zegt in onze tekst: Opdat de Schrift vervuld  worde. Hij móest dit doen. Het hoorde bij Zijn werk. Zó moest Hij Middelaar zijn. Zó moest Hij voor verlossing gaan zorgen. En omdat Hij voor de verlossing zorgen wilde, liet Hij Zich ook van Zijn klederen beroven. Hij gaf Zich over om naakt aan het kruis te hangen, ten spot van mensen, om zó de klederen des heils, de klederen van de verlossing te verwerven. Jezus hangt daar naakt in Zijn lijden en sterven, opdat onze geestelijke naaktheid, onze schuld en zonde, voor God bedekt zouden kunnen worden.

Hier is Hij Borg en Zaligmaker. Hij is bezig om een eeuwige erfenis aan te brengen, om het kleed van de verlossing voor de Zijnen te verdienen. En dat doet Hij, opdat zij voor de ogen van een heilig en een rechtvaardig God niet langer naakt en schuldig bevonden zullen worden.

 

Een ontklede Jezus, Die de vloekdood van het kruis ingaat. O, hoe zullen anders zondaren ooit gewikkeld kunnen worden in het bedekkende kleed van Zijn gerechtigheid? Hij móet dit volbrengen. Dit hoort helemaal bij het verlossingswerk dat Hij op Zich genomen heeft. Hij hield Zelf niets meer over om de zaligheid, om het kleed van de verlossing aan te brengen.

Bedenk toch, gemeente: zoals Jezus daar aan het kruis hangt, zo staan wij voor God. Want wat hébben wij eigenlijk als mensen? O, we denken veel te hebben, rijk en verrijkt te zijn. Maar in werkelijkheid zijn we arm, jammerlijk, blind en naakt. Niets hebben we. Helemaal niets. Alles door de zonde verloren. Dát is onze werkelijkheid.

Dan komt de vraag op ons af: hoe zal die schande en schuld bedekt kunnen worden? Adam en Eva – we kennen de geschiedenis – hebben verwoede pogingen gedaan om hun naaktheid en schaamte te bedekken met vijgenboombladeren. Maar toen Adam voelde dat God in de Hof gekomen was, toen hij met God te doen kreeg, toen hij de stem van God hoorde – toen vreesde hij. Ik hoorde Uw stem in den hof, en ik vreesde, want ik ben naakt; daarom verborg ik mij (Gen. 3:10).

 

En zoals God tóen de verloren mens terugvond in het paradijs, zo hangt Jezus op Goede Vrijdag aan het kruis. Als een Vervloekte hangt Hij in schande en in naaktheid. Ten spot van duivelen en mensen, tussen de hemel en de aarde.

Is Hem dan niets bespaard gebleven? Nee, helemaal niets. Als Eén Die alles mist, als Eén Wiens leven helemaal verbeurd is, Die zelfs geen draad aan Zijn lijf meer waard is, zó hangt Jezus in Zijn lijden en sterven. Dodelijk arm. Opdat doodarme zondaren eeuwig rijk gemaakt zullen worden.

Hier verdient Hij voor een schuldig zondaarsvolk het fijne lijnwaad van de rechtvaardigmaking der heiligen. Daarom draagt Hij de smaad, de schande en de vloek, opdat het zal kunnen, opdat het eeuwig zal kunnen dat zondaren nimmermeer te schande worden.

Hoe diep daalde Hij af, hoe ver ging Hij in Zijn vernedering! Tot in de diepste diepten. Zo heeft Hij de klederen van het heil verworven. Een kleed dat de  zonde bedekte, een genadekleed. Hij verwierf het met Zijn bloed.

Want wat zien we daar op Golgotha? Daar zien we Zijn bloed. Hij geeft Zijn bloed; het stroomt uit Zijn wonden. Hij geeft Zijn bloed tot reiniging van de zonde. En zo mag ik ook zeggen, gemeente, dat Hij Zijn kleed geeft. Net zoals Hij Zijn bloed gaf, zo geeft hij ook Zijn kleed om naakte zondaren in hun zondeschuld te gaan bekleden.

 

Kijk, daar zitten ze, onderaan Zijn kruis. Kijk, ze zijn daar bezig met Zijn klederen. Dat is nu Zijn nalatenschap. Dat is alles wat Hij naliet, Zijn erfenis. Ze werpen het lot over die rok zonder naad.

En daarboven hen, daar hangt Hij, de Testamentmaker, de Erflater. Hij Die Zijn ziel geeft, Die Zijn leven geeft. Hij hangt daar in Zijn schande om een eeuwige erfenis aan te brengen.

 

Maar voor wie zal die erfenis zijn? Wie zal het kleed van Jezus hebben? Dat is onze tweede gedachte. We zingen echter eerst uit Psalm 22, het negende vers:

 

Mijn beend’ren kan Ik tellen één voor één;

Hun boos gezicht beschouwt dit, weltevreên;

Z’ ontzien zich niet, om met Mijn tegenheên

Hun geest te strelen,

En onder zich Mijn kleed’ren te verdelen.

Verhard in ’t kwaad,

Kan hun geen spel verdrieten;

Zij werpen ’t lot, wat ieder zal genieten

Van Mijn gewaad.

 

  1. De erfgenamen

Daar liggen de kledingstukken van Jezus. Zijn hart heeft onder dat kleed geklopt. Zijn liefhebbende hart, waarmee Hij liefheeft tot het einde, klopte onder dat kleed.

Wie zal het hebben? Wie zullen de erfgenamen zijn?

Is het voor de discipelen, die als schapen verstrooid zijn? Is het voor de vrouwen, die met een bang gemoed op afstand staan te kijken naar het huiveringwekkende wat zich op Golgotha voltrekt?

Hoor, wat Johannes zegt. Hij zegt: Het waren de krijgsknechten. Want: De krijgsknechten dan, als zij Jezus gekruist hadden, namen Zijn klederen en den rok. Ze verdeelden het onder elkaar. Ze scheurden het in vieren. En over de naadloze rok hebben ze het lot geworpen. De beulen, die Hem aan het kruis genageld hadden, gaan heen met Zijn erfenis.

Zó is vervuld wat David zei in Psalm 22. Dat is een psalm waarin David het uit klaagt vanwege de bitterheid van zijn vervolging. Als honden omsingelen de vijanden hem. Ze zijn eropuit om hem leeg te schudden. Ze willen alles van hem nemen; als het kon, zijn leven. David, Gods gezalfde, is een beeld, een type van Christus, van Zijn grote Zoon, de Heere Jezus.

 

Nu wordt aan Jezus vervuld wat David in Psalm 22 had voorzegd: Zij delen Mijn klederen onder zich, en werpen het lot over Mijn gewaad.

Vreselijk, vindt u niet, wat die krijgsknechten doen! Jongens en meisjes, wat denk je ervan wat ze daar zitten te doen? Hoe blind moeten die zondaren niet zijn, die krijgsknechten, dat ze dit kunnen doen …! Zien ze dan niet dat Hij de Zoon van David is? Dat hij de Messias is, dat Hij onbetwist de Allerhoogste is in de hemel en op de aarde? Wat een gruwelijk kwaad … wat een misdaad… wat duívels..

Gemeente, is wat wíj doen soms minder erg dan wat die krijgsknechten doen? Toen God ons schiep als mens, gaf Hij ons een voortreffelijk kleed. Hij gaf ons het mooiste kleed dat er bestaat. Hij schiep ons naar Zijn beeld en naar Zijn gelijkenis. Hij gaf ons een kleed van kennis, van gerechtigheid en van heiligheid.

Weet u, weten jullie wat Gods bedoeling was, toen Hij ons dat kleed gaf? Dat we voor Hem zouden leven! Dat we Hem zouden dienen en vrezen; dat we Hem lief zouden hebben met al onze kracht en met heel ons hart; dat we de eer van God op het oog zouden hebben. Daarom gaf Hij ons dat kleed.

 

En wat deden wij? Wat hebben wij toen gedaan? Wat hebben ook wij een duivels spel gespeeld met het schitterende kleed dat God ons schonk. We hebben dat kleed namelijk verspeeld! Want in plaats van God te eren en Hem als de Allerhoogste al onze liefde te schenken, geloofden we satans leugen. We stapten over het gebod dat ten leven was, heen.

Dat is, wat wij nu zijn, gemeente: rovers van Gods eer, en overtreders van Zijn heilige Wet. Het is nog erger! Als Christus ons in het Evangelie gepredikt wordt in Zijn gewilligheid, als het kleed van Zijn verlossing ons in het Evangelie wordt aangeprezen, zien we van nature gedaante noch heerlijkheid in Hem. O, wat maken wij de Heere een arbeid met onze zonden. Wat vermoeien wij Hem met onze ongerechtigheden.

Wie beter is dan deze krijgsknechten, mag het zeggen. Wie zal het dúrven zeggen? Wat is het nodig dat we aan onze schuld ontdekt worden, dat onze blinde ogen geopend worden. Wat is het nodig dat we onze naaktheid en schande gaan ontdekken. Wat is het nodig dat we gaan beseffen dat God ons net zo ziet als Hij onze eerste ouders, Adam en Eva, zag.

 

Toen Adam gevoelde dat God hem zag, toen vreesde hij. En al had hij zijn naaktheid dan met vijgenboombladeren bedekt, hij gevoelde in de ontmoeting met God: Ik ben naakt (Gen. 3:10).

Gevoelen wij ook dat God dwars door ons heen kijkt? Beseffen we dat Hij het kleed van onze uitwendige vroomheid en onze degelijke buitenkant doorziet? Hoe degelijk we ook zijn, God kijkt er dwars doorheen … Alle dingen zijn voor Hem naakt en geopend (Hebr. 4:13). En waar geen mens van weet – en je zegt: Het is maar goed dat geen mens ervan weet – dat weet Híj! Hij weet alle dingen. Hij ziet alle dingen.

Wie daaraan wordt ontdekt, gaat echt wel een toontje lager zingen. Die gaat anders over zichzelf denken. Die gaat het zien en met smart gevoelen: ik ben arm, jammerlijk, blind en naakt. Hoe hemelhoog rijst je schuld, als God je in de weg van de ontdekking mee terug neemt naar het verloren paradijs. Wat een berg van schuld ziet u als God laat zien waar u vandaan komt. Hij gaf ons in den beginne een kleed mee. En hoe ziet het er nu uit? Wat hebben we als een verloren zoon alles erdoor gebracht. Er is niets meer over van de schoonheid en heerlijkheid, waarmee God ons eenmaal heeft gemaakt. We alleen nog maar wat lompen en vodden; lompen van zonden en vodden van vuile ongerechtigheden. Als God met mij in het recht zou treden, en gadeslaan mijn ongerechtigheden; o, wie zal dan voor God kunnen bestaan?

 

Weten we hiervan, gemeente? Hebben we ons zó leren kennen in onze schuld en verdoemelijkheid voor God? Dringt het door tot in ons hart dat we niets meer over hebben dan onze zondige naaktheid en schande? Als dat zo is, worden we een grote zondaar in ons eigen oog voor God. En hoe je het ook probeert, wat je ook maar uit de kast haalt of denkt te kunnen halen om die naaktheid en schande te bedekken – het kleed is tekort. De Heere zegt: Doe het maar weg, het kan geen bedekking voor je vuile zonden zijn.

Dan zal het van een Ander moeten komen. Want als het niet van een Ander komt, moet ik voor eeuwig verloren gaan.

Maar zie dan eens wat er op Golgotha gebeurt. Daar komt het van een Ander. Van de gezegende Heere Jezus Christus. Hij hangt daar ontkleed, en volbrengt zo de zaligheid! ‘Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven.’

Wat een vrijdag, wat een Góede Vrijdag. Jezus laat Zich óntkleden. Hij laat Zich alles ontnemen. Zo ondergaat Hij de vloekdood van het kruis.  Zo gaat Hij met de schande van Zijn naaktheid in het oog van de hemel en van de hel, en in het oog van de mensen, de dood in om voor zo iemand als u en jij het kleed van de verlossing te verwerven.

 

Het kleed dat Jezus hier verwerft, is het allerbeste kleed. Het is zelfs een beter kleed dan het kleed dat God in den beginne aan Adam en Eva gaf. Dat eerste kleed, hoe goed ook, was namelijk een kleed dat zij konden verliezen. En dat is ook gebeurd. Wij mensen hebben dat kleed verloren. Maar Jezus verwierf aan het kruis een kleed dat de dragers ervan nooit meer kunnen verliezen.

Het is een kleed uit één stuk. Het is een volkomen zaligheid die niet gedeeld of gescheurd kan worden. Dat is de kern van wat David reeds geprofeteerd had: Zijn kleed, dat dure kleed van Jezus, zal niet gescheurd worden. Het zal een volkomen bedekking zijn voor al de zonden en voor al de onreinigheid.

Hij legt de mantel van Zijn gerechtigheid over de schouders van zo’n naakte zondaar, die uit moet roepen: Ongerechtige dingen hadden de overhand over mij (Psalm 65:4). ‘Maar ons weêrspannig overtreden verzoent en zuivert Gij.’ Hij schenkt het gewaad des lofs voor een benauwden geest (Jes. 61:3). Wat is het zalig overkleed te worden door deze toegerekende gerechtigheid, door deze geschonken gerechtigheid van Christus, die door het geloof uw deel wordt.

Dan mag het geloof gaan verstaan: Gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden (2 Kor. 8:9).

Zo heeft Christus Zijn kleed afgelegd. Hij heeft het Zich laten afnemen, opdat we door Zijn naaktheid bedekt zouden worden. Dan mag een arme zondaar het levenskleed ontvangen. En worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing die in Christus Jezus is (naar Rom. 3:24).  

 

Dan wordt het Goede Vrijdag. En Goede Vrijdag doet ons zeggen: Zie de Mens (Joh. 19:5). Zie Hem daar hangen tussen de moordenaars, tussen de hemel en de aarde, met uitgebreide armen. Geen kleed heeft Hij meer over. Alles hebben ze van Hem afgenomen. Dieper kon Zijn vernedering niet gaan. Groter kon de schande niet zijn. En aan Zijn voeten zijn ze er maar druk mee, die krijgsknechten.

En wat doet de Zaligmaker? O gemeente, dan horen we Hem daar boven het hoofd van de krijgsknechten, die dobbelend bezig zijn om Zijn erfenis te verdelen – dan horen we Jezus bidden: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen (Luk. 23:34).

Zo heeft Hij geleden en gebeden voor Zijn vijanden: Vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. Die krijgsknechten wisten niet wat ze aan het doen waren; ze beseften niet dat ze met het kostbare kleed van Jezus bezig waren. Ze begrepen niet dat de woorden van God hier werden vervuld. Zij wisten er niet van dat Hij in Zijn naaktheid boven hen hangt om een eeuwig kleed van zaligheid te verwerven. Ze wisten niet wat ze aan het doen waren.

 

Weet u wat ú aan het doen bent? Weet u dat écht? Weet jij wat je aan het doen bent? Als ons op Goede Vrijdag het evangelie gepredikt wordt, komt het kruis heel dichtbij; dan zit u er ook onder. En hóe zit u eronder? Hoe luistert u, terwijl u hoort van de eeuwige erfenis, van het kleed van zaligheid dat Christus hier aanbrengt om naakte zondaren voor God te bedekken? Hoe zitten we eronder?

Weten wij wel wat we doen? Hoevelen van ons zijn aan de krijgsknechten gelijk! Terwijl het Evangelie spreekt van Christus en het kruis, zijn wij druk bezig om de klederen te verdelen. Hongerend en dorstend naar aardse goederen. Vol en druk met elkaar over ‘dit’ en over ‘dat’. Maar nóg bidt Hij: ‘Vergeef het hun, Vader, want ze weten niet wat ze doen.’

 

Toen Hij in Bethlehem kwam, waren er voor Hem nog doeken. Zij wond hem in doeken en legde Hem neder in de kribbe (Luk. 2:7). Toen Hij met Zijn discipelen de opperzaal betrad, legde Hij Zijn opperkleed af, knielde aan de voeten van Zijn discipelen neer en Hij begon hun voeten te wassen.

Maar op Golgotha houdt Hij helemaal geen kleed meer over. Of, toch wel? Maarten Luther zegt: ‘Hij houdt het kleed van Zijn gehoorzaamheid aan de wil van Zijn Vader over.’ Dat kleed laat Hij niet los. Dat kleed blijft Hij dragen. Gehoorzamende de wil van Zijn Vader. O, wat heeft Hij liefgehad! Wat heeft Hij álles willen geven! Opdat Hij zou kunnen uitroepen: ‘Het is volbracht!’

 

En nog roept Hij ons en onze kinderen toe, vandaag op Goede Vrijdag, wie u ook bent of wat u ook bent: Ik raad u dat gij van Mij koopt (…) witte klederen, opdat gij moogt bekleed worden en de schande van uw naaktheid niet geopenbaard worde (Op. 3:18). Witte klederen, zonde bedekkende klederen. Ik raad het u, zegt Christus, dat u ze van Mij koopt.

U vraagt misschien: ‘Maar wat kosten die klederen dan?’ Dan antwoord ik u, met mijn hand op de Bijbel: ze kosten u niets, helemaal niets. Ze zijn te verkrijgen zonder geld en zonder prijs (Jes. 55:1).  Er is maar één ding wat je ervoor hoeft te doen; dat is heel eerlijk je naaktheid en je schande, je zondeschuld aan Hem laten zien. Alleen ken uw ongerechtigheid, dat gij tegen den Heere uw God hebt overtreden (Jer. 3:13).

 

Zijn we erop gekleed, gemeente? Zijn we erop gekleed? Ik bedoel niet om naar de kerk te gaan; ik neem aan dat u dat bent. Maar bent u erop gekleed om voor God te kunnen verschijnen? En dat zonder verschrikken? Bent u bekleed met het kleed van Jezus’ verdiensten? Met het kleed van Jezus’ bloed? O, kom dan toch! Ik raad u dat gij van Mij koopt witte klederen, opdat uw schande bedekt mag worden.

Johannes zag het in de Openbaring, die hij schrijven mocht. Hij zag daar een schare voor de troon. Ze kwamen uit de grote verdrukking. En ze hadden hun klederen wit gewassen in het bloed van het Lam. Het is een schare die niemand tellen kan.

Op Goede Vrijdag heeft Jezus het eeuwige kleed voor deze grote schare aangebracht. En ze zullen het eeuwig dragen om Hem daarin te loven en te prijzen.

Amen.

 

Slotzang: Psalm 45 vers 7

 

Straks leidt men haar in staatsie, uit haar woning,

In kleding, rijkgestikt, tot haren Koning;

Zo treedt zij voort met al den maagdenstoet,

Die haar verzelt, U vrolijk tegemoet.

Zij zullen blij, geleid met lofgezangen,

De vreugde voên, die afstraalt van haar wangen,

Tot zij, daar elk gewaagt van haren lof,

Ter bruiloft treên in ’t Koninklijke hof.