Ds. G.J. Baan - 1 Thessalonicenzen 1 : 10

Een verwachtende gemeente

Als vrucht van bekering
Vanuit de opgewekte Jezus
Ten aanzien van de komende Zoon van God
Met het oog op de toekomstige verlossing

1 Thessalonicenzen 1 : 10

1 Thessalonicenzen 1
10
En Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten, Denwelken Hij uit de doden verwekt heeft, namelijk Jezus, Die ons verlost van den toekomenden toorn.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 45: 3 en 4
Lezen : 1 Thessalonicensen 1
Zingen : Psalm 76: 1 en 5
Zingen : Psalm 52: 7
Zingen : Psalm 73: 12
Zingen : Gebed des Heeren: 3 en 10

Gemeente, in Genesis 49 lezen wij de afscheidswoorden van Jakob. Daar in het Egypte van zonde zal hij gaan sterven. Rondom hem zijn de schaduwen van de dood. Hij ligt op zijn sterfbed en neemt afscheid van zijn zonen. En terwijl hij zijn kinderen zegent, zegt hij zomaar ineens tussendoor: Op Uw zaligheid wacht ik, Heere! (Gen.49:18).

Dat tekent Jakobs leven, maar ook zijn sterven. Hij ziet uit naar de grote dag van de verlossing van het lichaam van zonden en van dood, om bij God in de hemel te zijn.

Het tekent ook de dood die we door de zonden hebben verdiend. Maar juist in die omstandigheden ziet Jakob hoger dan de aardse dingen: hij mag naar de hemel zien. Op Uw zaligheid, op Uw verlossing, op Uw heil wacht ik. Heel mijn hart strekt zich daarnaar uit!

Zo is Jakob een beeld van allen die de Heere mogen liefhebben, van Gods Kerk op aarde: hij was een verwachtende man, en als het goed is, bent u een verwachtende gemeente.

 

Vers 10 van ons teksthoofdstuk spreekt ook over een verwachtende gemeente.

Ik bedien u het evangelie vanuit 1 Thessalonicensen 1 vers 10. Hoor het Woord van onze God dat ons van daaruit tegemoet klinkt:

 

En Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten, Denwelken Hij uit de doden verwekt heeft, namelijk Jezus, Die ons verlost van den toekomenden toorn.

 

We letten aan de hand van vier punten op: een verwachtende gemeente.

Ten eerste: als vrucht van bekering. U ziet dat onze tekst begint met het woordje ‘en’; dat verbindt vers 10 aan vers 9. Het verwijst ons dus terug naar vers 9, naar de bekering die daar genoemd wordt.

Ten tweede: vanuit de opgewekte Jezus. Jezus is door Zijn Vader opgewekt – Denwelken Hij uit den doden verwekt heeft.

Ten derde: ten aanzien van de komende Zoon van God – en Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten. Die door Zijn Vader uit de doden verwekte Heere Jezus mogen wij uit de hemelen verwachten.

Ten vierde: met het oog op de toekomstige verlossing – Die ons verlost van den toekomenden toorn.

 

Dus ‘een verwachtende gemeente’:

  1. als vrucht van bekering;
  2. vanuit de opgewekte Jezus;
  3. ten aanzien van de komende Zoon van God;
  4. met het oog op de toekomstige verlossing.

 

  1. Als vrucht van bekering

Gemeente, wat een geweldig pastorale brief ligt er voor ons, een brief aan de Thessalonicensen, door Paulus vanuit de stad Korinthe geschreven, zo in het jaar 52 na Christus. Paulus was 51 jaar oud. Een brief die geschreven is uit bezorgdheid – instructief en bemoedigend, tot opbouw, maar soms ook tot waarschuwing.

Het startpunt van zijn brief is de rijke genade van God. Ze zijn verkoren van God. Ze hebben het Woord aangenomen met kracht, door de Heilige Geest. Ze hebben genade en vrede ontvangen. Het werk van geloof, liefde en hoop functioneerde in hun leven. En dat straalt er zodanig van af dat Paulus zegt: Overal ter wereld, op allerlei plaatsen, spreken de mensen over uw geloof, over uw bekering. Overal ter wereld spreken de mensen erover hoe u de levende en waarachtige God dienen mag (de verzen 8 en 9). En overal ter wereld, op allerlei plaatsen, in Noord‑Griekenland en in Zuid‑Griekenland, in Macedónië en in Acháje, wordt erover gesproken dat u Zijn Zoon uit de hemelen verwachten mag (onze tekst).

Er wordt gesproken over de kracht van het Woord in uw hart, in uw gemeente. Er wordt gesproken over de bekering tot God en het dienen van Hem, elke dag opnieuw. En er wordt zelfs gesproken over uw toekomstverwachting.

Er wordt dus gesproken over uw verleden (dat God begonnen is), over uw heden (dat u God dient en dat God úw God is), en over uw toekomst (dat God uw God blijft).

 

Waar gaat het over in deze preek?

Over Gods Gemeente. Over de gelovigen in Thessalonica en overal ter wereld; en zij vormen een gemeente, een eenheid in Christus. Zij zijn de stenen op het Fundament gebouwd, de ranken van de Wijnstok, de schapen van de grote Herder, de leden van het heerlijke lichaam waar Jezus Christus het Hoofd van is.

Dat tekent de eenheid, de gemeenschap der heiligen, de liefde, de verbondenheid.

 

Hoe arm en hoe droevig als we geen lid van deze Gemeente (met een hoofdletter) zijn, als we daar ten diepste geen deel van uitmaken. Paulus zegt: ‘In die tijd’, dus voordat u lid van de Gemeente van Christus werd, ‘was u zonder Hem, vervreemd van het burgerschap van Israël, vreemdelingen van de belofte, geen hoop hebbend, zonder God in deze wereld.’ Dan verkondig ik u of jou dat je geheel arm, nameloos ongelukkig en zeer beklagenswaardig bent. Laat dat even tot je doordringen. Je bent wel dooplid of zelfs belijdend lid van een gemeente, maar niet van déze Gemeente.

En toch, geliefde gemeente, hoeft het dan nog niet hopeloos te zijn, want het Koninkrijk van God is nog niet vol. Vers 5 spreekt over de kracht van het Woord, en de Heilige Geest, en het Evangelie onder ons, het Evangelie van Gods genade. Dat is die goede en heerlijke boodschap die ik elke zondag weer verkondigen mag en aan uw hart mag leggen, met de kracht en de autoriteit van mijn God, mijn Zender en Koning.

Ook de gelovigen daar in Thessalonica, over wie Paulus spreekt en over wier geloof overal gesproken wordt, zijn tot bekering gekomen. Ook voor hen werd het Woord gebruikt. Daarom: Bekeert u, en gelooft het Evangelie (Mark.1:15). Als je Zijn stem dan heden – nu – hoort, geloof dan Zijn heilrijk, troostrijk Woord en verhard je niet, maar laat je leiden. Er is nog verwachting en hoop!

Nee, van nature zijn die hoop en dat uitzicht er niet. Dan liggen wij onder de verwoestende gevolgen van de zondeval en onder het oordeel of de toorn van God. Dan leven we slechts voor het hier en nu. Dan genieten we van de dingen die de aarde ons te bieden heeft.

Daarom roep ik je met dubbele inspanning toe, niet alleen vanuit het Evangelie, maar ook vanuit de toorn van God, vanuit het komende oordeel: schep dan moed uit mijn behoudenis!

 

Wat een genadewonder als God in je leven komt, als de Heere je trekt en roept, als de Heere je op Hem gericht doet worden, als je God lief krijgt. Het wordt allemaal verwoord met dat ene kleine zinnetje (en dan vertaal ik het letterlijk): ‘hoe gij u tot God bekeerd hebt’, hoe u zich naar God gewend hebt. Het Engelse werkwoord ‘to turn’ wordt in de meeste vertalingen gebruikt: zich richten of wenden tot God. Hoe je alles buiten de Heere bent gaan haten en ontvluchten en verliezen en dat niet meer als grond voor je zaligheid kunt zien en hoe je door het werk van de Heilige Geest, Die je troost en leidt, Die je Heere is en Die je levend maakt, tot Christus bent gekomen – dat allemaal wordt verwoord met dat ene woordje ‘bekeren’.

Ja, gemeente, op Gods tijd hebben ze die Zaligmaker lief gekregen, die Middelaar omhelsd en aan het hart gedrukt en als de enige grond van behoud tot hun zaligheid leren kennen.

Dat is in het kort ‘bekering’: zonden haten, zonden ontvluchten, God lief krijgen, Jezus benodigen, Christus liefhebben, uit de Heere Jezus leven.

 

En verbonden daaraan spreekt Paulus over hun toekomstverwachting als vrucht daarvan. Hoe komt dat? Want als je de Heere dient, dan is het toch vol? Dan is het toch helemaal volmaakt? Dan heb je toch genoeg?

Nou, gemeente, ten gevolge van de blijvende onvolmaaktheid en de inwonende zonden gaan we al meer verlangen naar de verlossing van het lichaam van de dood. Ik, ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?, klaagt Paulus in Romeinen 7 (Rom.7:24). Vanuit de strijd en verdrukking in je leven – de Bijbel spreekt over vijanden, vervolgingen, doodsbenauwdheid – kun je alleen maar meer verlangen naar de verlossing van dit leven op de aarde.

Johannes zag onder het altaar de zielen dergenen, die gedood waren om het Woord Gods, en om de getuigenis, die zij hadden. En zij roepen met grote stem: Hoelang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet (…)? (Openb.6:9‑10). Ze verlangen naar de verlossing.

Allerlei kruis en nood en verdriet in je leven – vul je levenskruis maar in – doet je wellicht met David in Psalm 42 uitroepen: Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God (Ps.42:12). Verlangen naar verlossing!

 

Jezus’ woord tot Zijn discipelen wordt zo wel heel actueel: In de wereld – hier op aarde – zult gij verdrukking hebben; maar hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen (Joh.16:33). Dat nieuwe leven verlangt naar volmaaktheid, vaak vanuit het kruis en de verdrukking, vanuit waarachtige bekering.

En daar hebt u de geloofscirkel rond: nieuw leven uit God, strijd en verdrukking op aarde, zonde en tekort, verlangen naar volmaaktheid en eeuwig leven bij God.

 

En dan ons tweede punt. Dat staat letterlijk in het midden van deze tekst. Het is het middelpunt, het scharnierpunt: Jezus, de Zoon van God, Denwelken Hij – de Vader – uit de doden verwekt heeft. Dus een verwachtende gemeente vanuit de opgewekte Jezus.

 

  1. Vanuit de opgewekte Jezus

Gemeente, Paulus gaat uit van de levende en waarachtige God, zo zagen we al in vers 9. Jongens en meisjes, weet je het nog? God leeft! Hij bestaat. En God is wérkelijk God. Dat is de betekenis van het woordje ‘waarachtig’: het is de werkelijkheid; je mag ook zeggen: de ‘waarheid’. In Johannes 14 staat een wat ander woord, maar als Jezus daar in vers 6 zegt: Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven, dan bedoelt Hij met ‘Waarheid’: de vervulling, de werkelijkheid. Niet het beeld, een afgod, maar de werkelijkheid. Dus God bestaat. God leeft, in de hemel en hier op de aarde, en God is werkelijkheid.

 

Hoe laat Hij dat zien?

Nou, de Heere openbaart Zich in Zijn Zoon, Die de Waarheid is. En God heeft Zich verbonden aan de Heere Jezus Christus, Die verkondigd mag worden en door Wie u God leert kennen.

Veel mensen keren het om. Die zeggen: we moeten eerst aan allerlei voorwaarden voldoen en dan leren we de Heere Jezus kennen. Ja, gemeente, het is natuurlijk zo dat de Héére plaats voor Hem maakt, omdat er vanuit onszelf geen plaats voor Hem is. We weten ook dat niet allen die uit Christus leven daar met evenveel zekerheid over spreken. Maar vergeet toch nooit dat we door Christus God al meer leren kennen. ‘Niemand kan tot de Vader gaan dan door Mij’, zegt Jezus. ‘En wie Mij gezien heeft, heeft ook de Vader gezien.’

En zo wordt de Heere Jezus als het ware vanuit God de Vader ingevoerd in de tekst. Want Hij vormt het middelpunt van mijn toekomstverwachting.

 

Waarom?

Om vooruit te zien en Hem uit de hemel te verwachten, moet ik terugzien, beseffen dat Hij werkelijkheid is. En dát staat hier: Jezus is door God, de levende en waarachtige God, uit de doden opgewekt.

Er staat een woordje dat ‘opwekken uit de doodsslaap’ betekent, ‘tot openbaring brengen’, ‘veroorzaken te bestaan’. Dat gebeurde met Pasen , jongens en meisjes. Het graf is opengegaan. Jezus is uit de doden opgestaan. God heeft Zijn Zoon opgewekt, met het grote doel dat allen Hem zouden gaan zien. ‘God heeft de Levensvorst opgewekt, waarvan wij getuigen zijn’, zegt Petrus in Handelingen 2.

Dus niet zomaar even uit de doden levend gemaakt, de opstanding van Christus als opzichzelfstaand feit … Nee: Hij is opgestaan voor jou, voor mij, voor de gemeente van God. Om die Jezus – hier wordt alleen de naam ‘Jezus’ gebruikt – om de historische Jezus, de Jezus van Bethlehem en van het open graf, de Jezus Die werkelijk bestaat, Die door God uit de dood is opgewekt, als mijn Zaligmaker uit de hemel te verwachten.

 

Waarom benadrukt Paulus dat?

Omdat hij uit ervaring weet hoeveel twijfel er kan zijn, hoeveel ongeloof. Klopt het wel in mijn leven? Gaat mijn levensschip wel de goede kant uit? Vaar ik wel de goede koers? Bedrieg ik me niet?

Nou, zegt hij, kijk eens terug. Jezus is uit de doden opgewekt, de historische Jezus. Vandaar ook de persoonsnaam ‘Jezus’ en niet ‘Christus’. Nee: Jezus. En diezelfde Jezus, Die uit de dood levend werd, Die in je leven gekomen is, Die de Eerste werd, Die mag je verwachten. Hij Die terugkomt, is de Betrouwbare, Die jou kent, uit Wie je leeft. Daarom moet alle vrees wat betreft Zijn wederkomst wijken.

En daarbij nog iets: Jezus’ opstanding uit de doden is het zalige pand van de opstanding van Zijn Kerk; denk aan 1 Korinthe 15. In 1 Thessalonicensen 4 vers 14 wordt het gezegd: Indien wij geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, deze Jezus, Welken God uit de doden verwekt heeft (dat geloven we toch?), alzo zal ook God degenen, die ontslapen (gestorven) zijn in Jezus, wederbrengen met Hem.

Hoe komt het dat er zo weinig verwachting is, dat er zo vaak twijfel is, juist ook bij deze gelovigen, dat ze heen en weer geschud en geslingerd kunnen worden?

Dat komt doordat hun leven zich te weinig op Jezus richt. Die verwachtende gemeente verwacht vanuit de opgewekte Heere Jezus Christus. Dan leef je uit Zijn opstandingskracht en zie je uit naar Zijn wederkomst.

 

Maar, gemeente, er loopt ook een waarschuwing dwars door deze tekst heen. In Handelingen 17 staat dat de aardbodem rechtvaardig geoordeeld zal worden door een Man Die God uit de doden opgewekt heeft (Hand.17:31). Daar wordt Zijn opwekking uit de doden er opnieuw bij betrokken. Diezelfde opgestane Heere Jezus Christus zal eenmaal gaan oordelen.

Verwacht u Hem? Als Jezus vanavond terugkomen zal, kunt u, kun jij Hem dan ontmoeten? Zo niet, dan zal dezelfde kracht van Zijn opstanding uit de doden tegen u of jou zijn op die allerlaatste dag.

 

En dan is er nog iets heel opmerkelijks in de grondtekst. Wij zeggen: opgewekt uit de doden. In onze Nederlandse taal kunnen we dat niet anders zeggen. Maar in het Grieks staat het woordje ‘de’ er heel uitdrukkelijk niet bij – opgewekt uit doden. Er wordt niet zozeer een plaats bedoeld van waaruit Hij opgewekt werd (het dodenrijk, het graf), maar het collectief van gestorvenen, de categorie – opgewekt uit doden. Jezus is de Eerste uit hen die gestorven zijn. Hij vormt de uitzondering op ‘doden’. Hij is de machtige Koning. Hij zal eens alle doden opwekken.

Wat is er dan een heerlijke troost in deze tekst van verwachting. Want ook in de dodigheid van je leven mag je het alleen van Hem verwachten Die uit doden is opgestaan. De christelijke eschatologie, de verwachting van de toekomst, wortelt in Jezus’ opstanding.

Dat zien we ook bij Zijn opstanding zelf. Een dodige Thomas, ingezonken en ongetroost; maar als Jezus eraan te pas komt en Zijn handen en Zijn zij laat zien, zegt hij: Mijn Heere en mijn God! (Joh.20:28). Twijfelende, misschien wel aardsgerichte en aardsgezinde discipelen; maar dan komt het woord van Paulus (ook tot u, tot mij, tot jou): Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods. Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons Leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid (Kol.3:1,4).

 

‘Mijn God, U zal ik eeuwig loven, omdat Gij het hebt gedaan.’

En dan komt de eschatologie, de verwachting: ‘Ik verwacht Uw trouwe hulp van boven’, uit de hemel vandaan.

‘Uw waarheid’, dat is de opgewekte Jezus, ‘zal bestaan.’

‘Uw Naam’, Jezus, ‘is voor het oprecht gemoed van al Uw gunstvolk goed.’

Het lijkt wel alsof David Paulus’ tekst kende toen hij deze psalm dichtte.

We zingen Psalm 52 vers 7:

 

Mijn God, U zal ik eeuwig loven,

omdat Gij ’t hebt gedaan!

‘k Verwacht Uw trouwe hulp van boven;

Uw waarheid zal bestaan.

Uw naam is voor ’t oprecht gemoed

van al Uw gunstvolk goed.

 

  1. Ten aanzien van de komende Zoon van God

Een verwachtende gemeente: als vrucht van bekering (dat was het eerste punt), vanuit de opgewekte Jezus (ons tweede punt), en nu als derde punt: ten aanzien van de komende Zoon van God. Met ‘komende’ bedoel ik: Die aan het komen ís.

En Zijn Zoon uit de hemelen – het meervoud wijst op de uitgebreidheid en de heerlijkheid van de hemel – te verwachten; dat is de hoofdzin van onze tekst, taalkundig en ook qua inhoud.

Er wordt overal gesproken over de bekering van de Thessalonicensen, en over hun dienen van God en over hun toekomstverwachting – verleden, heden en toekomst. En dan volgt deze tekst: En Zijn Zoon, die opgestane Jezus, uit de hemelen te verwachten. Wat betekent dat nu?

 

In het Grieks zijn er zo’n drie verschillende woorden, drie hoofdwoorden, die voor het Nederlandse woordje ‘verwachten’ worden gebruikt.

Een van die woorden, ‘periméno’, staat in Handelingen 1 vers 4. Daar wordt gesproken over de toekomstverwachting van de eerste christengemeente, die in eenheid bijeen was. Ze zouden de belofte van de Vader verwachten, uitzien naar de grote dag van de wederkomst. Tientallen andere keren wordt voor ‘verwachten’ een werkwoord gebruikt dat verwant is aan ‘déchomai’, de werkelijke verwachting, in de zin van: uitzien naar Jezus’ terugkomst.

Dus dat eerste woordje ‘verwachten’ uit Handelingen 1 is de volmaaktheid van het Koninkrijk waar je naar uitziet, maar dat ‘verwachten’ dat tientallen keren gebruikt wordt, wil iets zeggen als: ik zie er heel erg naar uit om de Heere Jezus te ontmoeten.

 

Zo’n vorm had ik hier verwacht, toen ik de tekst in het Nederlands las. Maar dat woord wordt hier niet gebruikt. Hier staat het woordje ‘anaméno’.

Slechts één keer in heel het Nieuwe Testament wordt dat gebruikt. Dat maakt het lastiger, want je hebt geen vergelijkingsmateriaal. Maar tegelijkertijd is het natuurlijk ook eenvoudiger; het is gemakkelijker in te kleuren. Je gaat dan kijken wat dat woord betekent.

Ook hier zit een aspect in van: uitzien naar, wachten op, tegemoetzien, verwachten. Maar het gaat hier meer om hóe je verwacht dan om wát je verwacht. We verwachten de Heere Jezus uit de hemelen. Maar heel bewust gebruikt Paulus dan een woordje dat zegt hóe we dat nu moeten doen, namelijk met onderworpenheid, met geduld, met vertrouwen.

 

Hier had eigenlijk beter ‘afwachten’ kunnen staan. Tegen de donkere achtergrond van zonde, van strijd, van vertwijfeling, van benauwdheid, van angst, van onzekerheid, van vervolging – vul het allemaal maar in – moeten wij áfwachten. Ja, je moet Christus vérwachten, uitzien naar Zijn komst, maar nu zegt Paulus ook hóe we dat moeten doen: met geduld. Laat het maar over aan God. Op Zíjn tijd komt Hij terug. Op Góds tijd ga ik sterven.

De christelijke toekomstverwachting, de verwachting van het toekomende, moet in onderworpenheid zijn, met geduld, met vertrouwen, in afwachting. Want Hij komt geen ogenblik te laat; daarom hoef je er ook niet benauwd voor te zijn dat Hij niet meer komen zal. Maar Hij komt ook geen ogenblik te vroeg; daarom hoef je Hem ook niet te vroeg te verwachten. Het gaat hier over het ‘toevertrouwen’.

 

Wat een machtige toekomst heeft Gods Kerk, vergeleken bij de strijd op de aarde. Ik hoef die strijd niet van me af te leggen en het kruis niet weg te doen, maar die mag ik voor de Heere neerleggen. In al mijn noden, angst en pijn zal ik dan gedurig bij U zijn. Tegen die donkere achtergrond van strijd en zonde mag ik verwachting hebben voor de toekomst.

Zo mag ik Christus uit de hemelen verwachten. Het wees, zei ik, op de uitgebreidheid, de heerlijkheid, de verheffing van de hoogste macht. Enerzijds een reikhalzend verlangen naar de komende Heere Jezus Christus, maar tegelijkertijd – en vooral hier – een uitdienen van Gods raad.

Dat vergeten mensen op aarde nog weleens. Als de Heere in je hart aanwezig is en heel je hart vol is van God, dan zou je maar het liefste direct willen sterven. Maar Paulus zegt: je moet verwachten, afwachten, met geduld, met volharding.

 

Paulus kende dat dilemma: Het leven is mij Christus, en het sterven is mij gewin (Fil.1:21). Ik leef zo dicht bij Hem dat mijn sterven alleen maar winst is.

Dat dilemma, gemeente, kennen alle gelovigen. Wat te verkiezen: te leven of te sterven? ‘Ik weet het niet’, zegt Paulus. ‘Met Christus te zijn, dat is mij zeer verre het beste.’ Maar tegelijkertijd: In het vlees te blijven is nodiger om uwentwil. En dit vertrouw en weet ik, dat ik zal blijven, (…) tot uw bevordering en blijdschap des geloofs (Fil.1:24‑25).

Je moet heel je leven, of dat nog lang of kort duurt, in de hand van de Heere neerleggen en tegelijkertijd alles doen wat je op aarde moet doen.

U hebt vast het voorbeeld van die klompenmaker weleens gehoord. Aan hem werd gevraagd waar hij naartoe reisde, wat zijn verwachting was. Weet je wat hij zei? ‘Ik ben op reis naar het hemels Jeruzalem en onderweg verkoop ik klompen.’ Vul uw beroep, uw taak, uw werk maar in. Ik ben op reis naar het eeuwig, hemels Jeruzalem en ondertussen ga ik door met mijn werk.

‘Als Jezus morgen terug zou komen, plant ik vandaag nog een boom’, zou Luther gezegd hebben. Dát staat hier. Het uitzien naar die grote en heerlijke dag ontslaat mij niet van mijn levensplicht.

 

Tegelijkertijd is er hier ook een waarschuwing.

‘Geduld’ was het eerste aspect van dat woordje ‘verwachten’ en het tweede was ‘uitzien’. Het derde aspect waarop mijn verklarend woordenboek wees, is de eraan verbonden betekenis van ‘voorbereid zijn’.

Net als bij iemand die een gast ontvangt. Heel het huis wordt in gereedheid gebracht. Er wordt een bed klaargemaakt. De tafel wordt aangericht. Denk aan die vijf wijze maagden. Zij hadden een gast te verwelkomen: de Bruidegom. Ja, ze sliepen, maar ze verlangden wel naar Hem. En ze waren ook voorbereid; ze konden Hem ontmoeten.

 

Hoe is dat bij u? Ware bekering is immers niet alleen je afwenden van de afgoden (het werk van bekering) en je richten op de opgestane Jezus, maar ook een verwachten van Hem in heerlijkheid. Dan zal ik gedurig bij U zijn in al mijn noden, angst en pijn, U al mijn liefde waardig schatten, wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten!

Dat is de toekomstverwachting.

Maar zolang we nog op aarde zijn, is het: Gij zult mij leiden door Uw raad, o God, mijn Heil, mijn Toeverlaat, en mij (nog steeds op aarde) hiertoe door U bereid, eindelijk, op Gods tijd, opnemen in Uw heerlijkheid.

Dát is christelijke toekomstverwachting.

We zingen Psalm 73 vers 12:

 

‘k Zal dan gedurig bij U zijn

in al mijn noden, angst en pijn,

U al mijn liefde waardig schatten,

wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten!

Gij zult mij leiden door Uw raad,

o God, mijn Heil, mijn Toeverlaat,

en mij, hiertoe door U bereid,

opnemen in Uw heerlijkheid.

 

  1. Met het oog op de toekomstige verlossing

Een verwachtende gemeente: als vrucht van bekering, vanuit de opgewekte Jezus, ten aanzien van de komende Zoon van God en ten slotte met het oog op de toekomstige verlossing.

Namelijk Jezus, Die ons verlost van den toekomenden toorn. Het woordje ‘namelijk’ is ertussen gevoegd. Het staat niet in het Grieks van het Nieuwe Testament. Alle nadruk wordt gelegd op ‘Jezus’. Wie is Hij dan Die je verwacht? Nou, dat is Jezus, de historische, verwekte Jezus. De Jezus Die in mijn leven gekomen is, Die ik ken, Die ik liefheb, uit Wie ik leef, Die ons verlost heeft … Nee! Het staat in het heden geschreven: Die ons verlost. En van Wie ik hoop, zegt Paulus op een andere plaats, dat Hij ons ook nog verlossen zal (2Kor.1:10).

Die ons verlost van de toekomenden toorn.

Er had kunnen staan: Die ons verlost hééft. Dan had de tekst gesproken over bekering door het bloed van het kruis. ‘Die voor mij gestorven is’, schrijft Paulus zo vaak in dat verband.

Er had kunnen staan: Die ons verlossen zál. Dan had Paulus bedoeld dat we pas op die grote dag volmaakt zullen zijn. Ook dat staat vaak in de Bijbel.

Maar het staat in het heden: elke dag opnieuw verlost Jezus ons van iets wat in de toekomst komen zou – niet ‘zal’, maar ‘zou’ – namelijk die toorn.

Het woordje ‘toorn’ heeft alles te maken met de boosheid van God. Vanwege de zonde is de Heere vertoornd en die boosheid uit zich dan in straf. Dus toorn heeft met twee dingen te maken, of eigenlijk met drie. Het begint met zonde. God is boos vanwege de zonde. De Heere is toornig vanwege de zonde. En dan dat woordje ‘toorn’ zelf: de straf. Verbind die drie dingen maar met elkaar: vanwege mijn zonde is God boos en moet Hij mij straffen.

Dat is een toekomende toorn. Die heeft hier te maken met de rampzaligheid, het verderf dat door niemand te ontvluchten is dan alleen door diegenen die in Jezus geloven. Het staat er eigenlijk zo: die toorn is er aan het aankomen. Die komt al dichterbij.

Haast u, spoed u, omwille van uw leven. Verhard u niet, maar laat u leiden, nú, terwijl u Zijn stem heden hoort. Want die toorn, die straf, dat verderf komt eraan.

 

Nou, bij Wie moet je dan zijn?

Van nature liggen we onder de toorn van God, zegt Paulus in Efeze 2, dood door de zonden en misdaden. En eens zal die toorn in alle hevigheid ontladen, als we als onbekeerden sterven. En in zijn tweede brief aan de Thessalonicensen zegt hij: Met vlammend vuur wraak doende over degenen, die God niet kennen, en over degenen, die het Evangelie van onzen Heere Jezus Christus niet gehoorzaam zijn (2Thess.1:8).

U hóeft dus niet in de rampzaligheid te komen, in de toorn van God, want dat gebeurt alleen met hen die Jezus niet gehoorzaam zijn en die het Evangelie verwerpen. Dát is wat de Heere doet bij hen die Hem verwachten.

 

De eschatologie van de christelijke gemeente richt zich niet alleen op de ópgestane Heere Jezus en op de Christus, Die voor mijn zonden gestorven is aan het kruis, maar ook op Hem Die eenmaal komt. En die Zaligmaker verlost mij nu én morgen én overmorgen én tot in eeuwigheid van de toekomende toorn.

Je Koning komt terug. Geen reden om te vrezen, geen reden tot angst, maar slechts vreugde, want de Heere is nabij, zegt Paulus in de brief aan de Filippenzen. Weest in geen ding bezorgd (…). En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw zinnen bewaren in Christus Jezus (Fil.4:6‑7). Je verlossing is juist dichtbij. Niet alleen die toorn voor alle vijanden van God komt eraan, maar Jezus komt er ook aan.

 

In het licht van de exegetische achtergrond van deze brief, dus van de omstandigheden van de Thessalonicensen, is er nog een geweldige troost voor hen die onbekeerd zijn.

Hét kenmerk bij uitstek van afgoden, van hun vreemde goden van het pantheon en op de Olympos, is dat het grillige heersers zijn, tirannen, die in de beleving van de mensen niets liever doen dan toorn en wraak over hen uitgieten. Dát was hun bestaan, hun eertijds: angst, geweldige benauwdheid.

Maar ach, het zijn afgoden. Ónze God, zegt Paulus, is een God van barmhartigheid. Want Jezus verlost van de toekomende toorn. Er staat eigenlijk: ‘bij die toorn vandaan’. Hij trekt je ervan weg. Hij verlost. Hij is de Verlossende, staat er eigenlijk. Paulus verpersoonlijkt het woord.

En dan komt hij terug bij die Naam ‘Jezus’: Heiland, Zaligmaker, Verlosser ‘Die tot Sion komen zal’. Ik denk dat Paulus aan die tekst uit Jesaja gedacht heeft: En er zal een Verlosser tot Sion komen (Jes.59:20). Hij citeert deze tekst ook in Romeinen 11 vers 26: De Verlosser zal uit Sion komen.

Jezus – Hij is Degene Die aan het verlossen is, de Verlossende. Dat verbindt alle gelovigen aan elkaar, maar het geeft ook uitzicht en verwachting aan u of jou die Hem nu nog niet kunt ontmoeten.

 

Die óns verlost – ons: Paulus, Silas, Timótheüs, Thessalonicensen, alle gelovigen – maar Die aan u allen wordt aangeboden! Jezus heeft uw aller behoud op het oog. God ook. Hij heeft Zijn Zoon niet gezonden in de wereld om de wereld te veroordelen (Johannes 3). Dat is niet het doel van Jezus’ komst, om jou te veroordelen. Maar Hij is gekomen opdat de wereld, de kosmos – je mag je naam invullen – door Hem zou behouden worden. Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft, is alrede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in den Naam des eniggeboren Zoons van God (Joh.3:17‑18).

 

Vers 10 is de korte inhoud en de samenvatting van de prediking van Paulus.

Vers 10 is de korte inhoud en de samenvatting van mijn prediking van alle afgelopen jaren. Het verbindt ons als gemeente aan elkaar. Maar het is ook de stille nodiging tot u, tot jou die Hem nog niet kent, namelijk Jezus, Die ook u, ook jou verlossen kan en verlossen wil van de toekomende toorn.

Amen.

 

Slotzang: Gebed des Heeren de verzen 3 en 10

 

Uw koninkrijk koom’ toch, o Heer’;

ai, werp den troon des satans neer;

regeer ons door Uw Geest en Woord;

Uw lof word’ eens alom gehoord,

en d’ aarde met Uw vrees vervuld,

totdat G’ Uw rijk volmaken zult.

 

Ja, amen, trouwe Vader, ja;

wij maken staat op Uw genâ.

Ons hart, o God, Die alles ziet,

veroordeelt ons in ’t naad’ren niet;

het zegt, daar G’ op ons bidden let,

gelovig amen op ’t gebed.