Ds. G.J. Baan - 1 Thessalonicenzen 1 : 9

Een heilige gemeente

Door het Woord
Vanuit bekering
Tegenover de afgoden
Tot de dienst aan God

1 Thessalonicenzen 1 : 9

1 Thessalonicenzen 1
9
Want zijzelven verkondigen van ons, hoedanigen ingang wij tot u hebben, en hoe gij tot God bekeerd zijt van de afgoden, om den levenden en waarachtigen God te dienen;

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 65: 1 en 3
Lezen : 1 Thessalonicensen 1
Zingen : Psalm 96: 5
Zingen : Psalm 56: 5
Zingen : Psalm 97: 4 en 6
Zingen : Psalm 128: 1, 3 en 4

Gemeente, de Heere heeft tegen Zijn volk Israël heel vaak gezegd wat Hij van hen vraagt. Dat begon al tijdens de woestijnreis. We lezen in Deuteronomium 7 vers 6: Want gij zijt een heilig volk den Heere, uw God; u heeft de Heere, uw God, verkoren, dat gij Hem tot een volk des eigendoms zoudt zijn uit alle volken, die op den aardbodem zijn.

Ze zijn op weg naar het nieuwe land, het land der belofte, en God zegt: Ik heb u geschapen, uit Egypte gebracht, naar Kanaän geleid om heilig te zijn. En de Heere vat dat dan samen in vers 11 van datzelfde hoofdstuk, als Hij zegt: Houdt dan de geboden, en de inzettingen, en de rechten, die Ik u heden gebiede, om die te doen.

Houd de geboden die Ik heb ingezet, waarop Ik recht heb. God heeft recht op Zijn volk. Hij claimt het als het ware; het is Zijn eigendom. Hij wil door Zijn volk Israël verheerlijkt worden.

De Heere spreekt die dingen allemaal uit tegen de donkere achtergrond van al die vijanden daar in Kanaän, zeven vijandige volken, jongens en meisjes: de Kanaänieten, de Hethieten, de Hevieten, de Ferezieten, de Girgasieten, de Amorieten en de Jebusieten. Als u als volk van God dat land binnengaat, moet u heilig zijn, want Ik heb u van al die volkeren afgezonderd; u bent Mijn eigendom.

Daar in Deuteronomium 7 staan ze op het punt om Kanaän binnen te gaan, om een heel nieuw land te gaan bewonen, een heel nieuw leven te beginnen, een heel nieuwe toekomst in te gaan. En dan moeten ze heilig zijn, zegt God. Dan moeten ze zich niet verbinden met de vijanden, geen verbond met hen maken, maar ze moeten de zonde haten en ontvluchten. ‘Houd dan Mijn geboden.’

Wat is de Heere altijd eenvoudig. Wat is Zijn boodschap heilig simpel, begrijpelijk: ‘Houd Mijn geboden; Ik gebied u om die te doen.’

 

De Heere spreekt dus het hele volk aan. Dat zien we heel vaak. Het is Zijn volk; Hij heeft het als natie uitverkoren. Dat betekent: het is het verbondsvolk, apart gezet. En nu zegt de Heere van die hele gemeente van Israël: u moet een heilige gemeente zijn.

Dat zegt de Heere ook tegen ons.

 

Aan ons is voorgelezen 1 Thessalonicensen 1.

In dat hoofdstuk lezen we in de verzen 1 tot en met 5 over een gemeente die van God is, over het wezen van die gemeente.

In de verzen 6 tot en met 8 zien we dat die levende gemeente een missionaire gemeente is. Ze is een voorbeeld geworden voor heel Griekenland. Het Woord van de Heere verspreidt zich naar alle plaatsen.

Nu vraagt in het bijzonder vers 9 onze aandacht. We lezen daar het Woord van God en onze tekst voor deze dienst:

 

Want zijzelven verkondigen van ons, hoedanigen ingang wij tot u hebben, en hoe gij tot God bekeerd zijt van de afgoden, om den levenden en waarachtigen God te dienen.

 

Paulus gaat ineens weer terug naar die gemeente zelf. U moet als levende gemeente, als missionaire gemeente, ook heilig zijn. Als u alleen met anderen bezig bent, ontstaat het gevaar dat u daar te weinig zicht op hebt.

De gemeente is met elkaar Gods gemeente en we gaan zien wat de Heere daarin van ons vraagt. We gaan nadenken over: een heilige gemeente. Daarbij letten we op een viertal gedachten.

Ten eerste: door het Woord. Dat staat aan het begin van vers 9: hoedanigen ingang wij tot u hebben. Daar gaat het over het Woord, dat ingang had in hun harten.

Ten tweede: vanuit bekering – en hoe gij tot God bekeerd zijt.

Ten derde: tegenover de afgoden – bekeerd zijt van. Er staat eigenlijk ‘vandaan’, dus ‘bekeerd zijt van de afgoden weg’.

Ten vierde: tot de dienst aan God – om den levenden en waarachtigen God te dienen.

 

Dus ‘een heilige gemeente’:

  1. door het Woord;
  2. vanuit bekering;
  3. tegenover de afgoden;
  4. tot de dienst aan God.

 

  1. Door het Woord

Paulus is drie sabbatten in Thessalonica geweest, samen met Timótheüs en Silvánus (dat is de Romeinse naam van Silas). Gedrieën kwamen ze uiteindelijk aan in Athéne (Handelingen 17) en van daaruit stuurden Paulus en Silas Timótheüs weer terug naar Thessalonica; dat leest u in vers 2 van het derde hoofdstuk van deze brief. Timótheüs was daar een tijdje om die gemeente te begeleiden, terwijl Paulus in Athéne was en naar Korinthe ging. En uiteindelijk komt Timótheüs (na een paar maanden waarschijnlijk) bij Paulus en Silas in Korinthe, in het jaar 52. U leest dat in hoofdstuk 3 vers 6.

 

Het is inmiddels het laatste jaar van de tweede zendingsreis, die zo’n drie jaar duurde. Paulus is al een paar maanden in Korinthe. Hij zou daar nog ruim een jaar zijn en dan weer teruggaan naar Jeruzalem. Aan het einde van zijn tweede zendingsreis, in het jaar 53 na Christus, is hij inmiddels al acht jaren aan het heen en weer trekken.

Wat een wonderlijke reis was het geweest.

Timótheüs had zich bij hen gevoegd. God had in zijn leven gewerkt.

Het visioen in Troas: ‘Kom over en help ons’, als Paulus, Timótheüs, Silas en Lucas naar Macedónië gaan.

Filippi, waar het hart van Lydia op kalme wijze werd geopend. En van het ene op het andere ogenblik werd de stokbewaarder, de gevangenbewaarder, tot God bekeerd. Een heel ander soort bekering, krachtdadig. Je zou zeggen: heel duidelijk ook. Ja, niet duidelijker dan bij Lydia, maar heel tastbaar en voor allen merkbaar.

Toen Thessalonica. Handelingen 17 spreekt erover: En sommigen uit hen geloofden (…), en van de godsdienstige Grieken een grote menigte, en van de voornaamste vrouwen niet weinige (Hand.17:4). Wat een rijke vrucht op slechts drie sabbatten preken.

Van daar naar Beréa: Velen dan uit hen geloofden (Hand.17:12).

Op de Areópagus in Athene, waarvan we lezen: Doch sommige mannen hingen hem – Paulus – aan, en geloofden (Hand.17:34). Juist ook daar; wat een geweldig wonder!

En Korinthe, waarvan God zegt: want Ik heb veel volks in deze stad (Hand.18:10).

Deze hele zendingsreis druipt van vrucht, nog meer dan de eerste – een geweldige overvloed van genade.

 

En ergens tussen al die plaatsen zit de stad Thessalonica, waar de pas tot bekering gekomen gelovigen een brief tot opbouw van de gemeente van Paulus ontvangen, direct nadat Timótheüs in het jaar 52 zich in Korinthe bij hen voegde. Want er zijn wel rijke zegeningen – we lezen over hun verkiezing (vers 4), het evangelie doet kracht (vers 5), genade en vrede van God is hun gegeven (vers 1), ze hebben geloof, liefde en hoop (vers 3), ze zijn voorbeelden voor alle gelovigen (vers 7) – heel veel rijke zegeningen dus, maar …

Jullie kennen het spreekwoord, jongens en meisjes: waar de Heere zijn kerk bouwt, daar bouwt de duivel zijn kapel. De duivel probeert onze aandacht tijdens de kerkdienst weg te trekken en ons aan andere dingen te laten denken. Of je bent soms een ogenblik onder de indruk, oudere jeugd, en dan komen er ineens heel andere verlangens in je hart.

Ja, waar God Zijn kerk bouwt, daar bouwt de duivel zijn kapel. En Paulus voelt zich heel erg gedrongen om die gemeente, die van buitenaf en van binnenuit door de duivel wordt aangevallen, te bemoedigen.

 

Dat doet hij ook. Hij begint in onze tekst weer met zo’n heel positieve opmerking.

Het valt me steeds meer op dat de apostelen vaak met een positieve opmerking beginnen, vooral in het verband van gemeenteopbouw, want daar gaat het vaak over in het Nieuwe Testament. Denk eens aan de brieven aan de zeven gemeenten in Klein‑Azië. De ene brief begint positiever dan de andere, maar pas aan het eind van zo’n brief komt er een vermaning, alsof de apostelen willen zeggen: focus je nu eerst op het Woord en het werk van God.

Die vermaning ontbreekt hier gelukkig – niet één negatief woord over hen. Het begint bijzonder positief. En Paulus vervolgt in vers 9: Want zijzelven – al die gemeenten en al die mensen in al die plaatsen – verkondigen van ons hoedanigen ingang wij tot u hebben en hoe gij tot God bekeerd zijt van de afgoden, om den levenden en waarachtigen God te dienen.

Opnieuw aandacht voor dat geweldige uitdragen van Gods genadewerk, in allerlei plaatsen. Door wie? Niet door de Thessalonicensen zelf. Het zou vreemd zijn als ze over hun eigen geloof zouden spreken in de zin van: moet je eens kijken hoe goed we zijn. Ook niet door Paulus, of Timótheüs, of Silas. Nee, gemeente, ze spraken met elkaar over het Woord van God en dat werd door anderen, door derden, verder gebracht. Paulus en de andere apostelen en de Thessalonicensen worden erbuiten geplaatst.

En overal blaast de bazuin van dat bericht hun geloofskracht door. Er staat niet bij aan wie, geen adres. Elk mocht het horen. De apostel gebruikt het woordje ‘ap-angello’; daar zit het woordje ‘engel’ in. Een proclamatie, een melden, een bode zijn. Letterlijk staat er in de Griekse taal: een doorgaand verkondigen. Het hield niet op.

En wat was de inhoud van de boodschap dan? Nee, niet allereerst Paulus, hoewel Paulus zegt: ‘zij verkondigen van ons’, maar het Woord. Het Woord kreeg ingang, nam intrek. Het Woord opende harten, net als bij Lydia. Het Woord deed kracht in hun midden. ‘Want zijzelf verkondigen van ons (van de apostelen) op welke wijze u, Thessalonicensen, ons hebt ontvangen. We hadden ingang bij u.’ ‘Ingang’, dat betekent: er ging een deur open.

 

Even terug naar Handelingen 17, die drie sabbatten in de synagoge, zeg maar die drie zondagen in de kerk. De deur ging open, net als hier in de kerk door de koster is gedaan, of zoals je zelf de deur van de kerk opent als die nog dicht zit en je naar binnen wilt. Maar er ging nog een andere deur open: de deur van de bereidwilligheid van het hart.

Zit die bij u nog dicht?

Het gaat over heiligmaking; die begint met het Woord. Die deur van de harten van zondaren ging open. We hebben ingang gevonden, zegt Paulus. Ze ontvingen ons met alle welwillendheid.

Zonder open hart is er geen ingang. De dichter van Psalm 119 zegt het: Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet (Ps.119:18). Laat het uw gebed eens zijn: Heere, wilt U ingang nemen, ook in mijn hart?

 

Als Paulus dan over de heiligmaking gaat preken, gaat schrijven hoe je moet leven, dan begint hij met dat Woord. Want alles wat samenbindt, is Gods Woord. Dat overbrugt alle verschillen die er wereldwijd zijn. Dat geeft wereldwijd herkenning: in karakterverschillen, in cultuurverschillen, in taalverschillen, in verschillen van ligging, van leiding, van hoe je eruitziet.

De ellende is dat we, als we over heiligmaking praten en denken en preken, beginnen bij allerlei dingen, als God het niet verhoedt. We noemen dat ‘casuïstiek’. Dat deden de Farizeën: dit mag wel en dat mag niet, dit moet je zus en dat moet je zo doen.

Weet u wat Paulus doet? Als hij de gemeente van de Heere aanspreekt en aanspoort tot heiligmaking, begint hij bij het Woord, de ingang van het Woord van God. Dat verbindt aan elkaar, aan de dienaren van het Evangelie. Dat is het fundament; dat is het cement dat de stenen van de gemeente samenhoudt. De Bijbel is het middel tot mijn bekering, tot het heilig leven met God – toch? De Bijbel is de leidraad in mijn leven, een lamp voor mijn voet en een licht op mijn levenspad. Het is het Woord waar Jezus van zegt: Vader, heilig ze in Uw waarheid; Uw woord is de waarheid (Joh.17:17). Het is het middel dat mijn hoop op de hemel verlevendigt, want die Mijn Woord hoort, en gelooft Hem, Die Mij gezonden heeft, (…) komt niet in de verdoemenis (Joh.5:24).

Dat is waar heiligmaking begint: bij het Woord. Laten we ervan zingen uit Psalm 56 vers 5:

 

Ik roem in God, ik prijs ‘t onfeilbaar woord;

ik heb het zelf uit Zijnen mond gehoord.

‘k Vertrouw op God, door gene vrees gestoord,

wat sterv’ling zou mij schenden?

Ik heb beloofd, wanneer G’ in mijn ellenden

mij bijstand boodt en ’t onheil af zoudt wenden,

tot U, o God, mijn lofzang op te zenden,

door ijver aangespoord.

 

  1. Vanuit bekering

Een heilige gemeente. In de eerste plaats: door het Woord. Vervolgens: vanuit bekering.

Want wat alom verkondigd wordt, namelijk ‘hoedanigen ingang wij tot u hebben’, kunt u ook ‘hun bekering’ noemen. En die wordt direct verbonden aan het Woord. Kijk maar: Paulus heeft het in vers 8 over het verbreiden van dat Woord en direct daarop volgt onze tekst (vers 9): Want zijzelven verkondigen van ons, hoedanigen ingang wij (als apostelen) tot u hebben, en …’ Dat woordje ‘en’ staat hier niet in de zin van ‘daarop volgend’, maar als ‘daaraan verbonden’. Dus niet: eerst dit en dan dat. Nee, Paulus zegt: weet je wat die ingang is die wij tot u hebben? Dat is de wijze waarop u tot God bekeerd bent. Je zou een dubbele punt op de plaats van dat woordje ‘en’ kunnen zetten, het kunnen uitleggen – niet letterlijk vertalen – met ‘dus’.

Dat wil dus zeggen dat er allerlei bekeringsgeschiedenissen in al die plaatsen verteld worden. Maar niet als: die man is op deze manier bekeerd en die vrouw kwam op die manier tot geloof, en in het leven van die jongen liep het zus en bij dat kind ging het zo. Nee, ‘hoe’ geeft aan dat het belangrijk is, dat het onmisbaar is – hoe God werkte in je leven, dát God gewerkt heeft in je leven.

 

Heeft dat Woord van de Heere vrucht in uw en jouw leven? Hoe lang komt u al in de kerk? Vul uw of jouw leeftijd maar in en trek er ongeveer vier jaar vanaf.

Als je twintig bent, heb je dus zestien jaar het Woord van de Heere gehoord. Elk jaar zijn er zo’n honderd diensten, dus dan heb je ongeveer zestienhonderd keer in de kerk gezeten. En is er nog niet één keer vrucht geweest?

De meeste mensen die naar de kerktelefoon luisteren, zijn in de tachtig of al in de negentig. U weet precies hoe het ligt in uw leven. Stel dat u nog zonder God leeft. Negentig jaren hebt u het Woord van God gehoord, thuis of in de kerk. Negentig keer honderd, dat zijn dus ongeveer negenduizend diensten. Dat is nogal wat. En heeft het u nog nooit veranderd? Dan kunt u dat woordje ‘en’ in onze tekst wel schrappen, en het eerste gedeelte trouwens ook. Ik zeg het met een bewogen hart.

O, bekeer u tot God, geloof het Evangelie. Leg uw dodige hart, uw dode leven voor de Heere neer. Hij is de almachtige God, de God Die wonderen doet. ‘Uw macht is groot, Uw trouw zal nooit vergaan.’ Zij zullen U vrezen, zolang de zon en maan zullen zijn, van geslacht tot geslacht (Ps.72:5). God is de God van trouw.

 

Hoe staat het er nu in vers 9? Paulus zegt daar: hoe gij tot God bekeerd zijt.

Dat is wel wat beschamend, gemeente. Als God het niet gedaan had, was het nooit gebeurd. Het staat er echter in de oorspronkelijke taal in de actieve zin, met alle nadruk op dat feit in het verleden: u heeft zich tot God bekeerd. Door de zondeval was u dood in onmacht en onwil, hebt u nooit naar God gevraagd. Maar het wonder van Gods genade voltrok zich in uw leven. Dat bekerende wonder zorgde ervoor dat u zich tot de Heere bent gaan wenden.

En dat is de basis onder uw heiligmaking. Dat maakt u niet alleen van God afhankelijk, maar dan gaat u ook de Heere zoeken en naar Hem vragen. Dan blijft de verwondering over, zoals we in Jesaja al lezen, waar de Heere Zelf spreekt: Ik ben gevonden van hen, die naar Mij niet vraagden; Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; tot het volk, dat naar Mijn Naam niet genoemd was, heb Ik gezegd: Ziet, hier ben Ik, ziet, hier ben Ik (Jes.65:1). God heeft dat feit van uw bekering zich in uw leven doen voltrekken.

 

O, zegt iemand, ik wacht gewoon af. Ik ga in de kerk zitten, iedere zondag twee keer, en ik zit die anderhalf uur wel uit. Komt het, dan komt het, en komt het niet, dan komt het niet.

Nou, laten we eens even kijken naar het Griekse woordje dat Paulus hier gebruikt: epistrophè. ‘Epi’ betekent: naar, in de richting van, en ‘strophè’ is: draaien, keren, wenden. Denk aan een draaideur, van een hotel bijvoorbeeld: je gaat erin en door die draaideur draai je om. Ja, zegt Paulus, je moet omgedraaid worden, ergens naartoe.

Het woordje ‘epistrophè’ duidt op een uitwendige verandering, een verandering die naar buiten komt, die openbaar komt ten gevolge van een inwendige vernieuwing. En voor die inwendige vernieuwing wordt in het Nieuwe Testament meestal het Griekse woord ‘metanoia’ gebruikt: van binnenuit veranderd worden. De gezindheid wordt omgekeerd. En nu zegt de apostel Paulus: na die omkeer van gezindheid van je hart is ook een ‘epistrophè’ zo belangrijk, een keren, een wenden van je levenswandel. Het tweede komt voort uit het eerste. Eerst een verandering van denkpatroon, door de Heilige Geest gewerkt, en vervolgens een verandering van levenskoers.

Waarom gebruikt Paulus hier dit woord ‘epistrophè’? Ik had gedacht dat hier wel ‘metanoia’ zou staan, die inwendige vernieuwing.

Nee, er staat ‘epistrophè’: het moet vanbuiten zichtbaar zijn. Het gaat hier over de heiligmaking.

Bekering, gemeente, heeft alles te maken met vernieuwing; die vernieuwing vloeit voort uit de bekering. En die beide woorden – ‘metanoia’, vanuit het hart vernieuwd, en ‘epistrophè’, naar God toegekeerd – worden door de apostel gebruikt in Handelingen 26: dat zij zich zouden beteren (het eerste woord: van binnenuit), en tot God bekeren (het tweede woord: wenden), werken doende der bekering waardig (Hand.26:20).

 

Bekeerd tot God. In het Oude Testament staat het 579 keer: de bekering of het zich keren tot de God van Israël. Leg daar Handelingen 14 vers 15 eens naast: bekeren tot den levenden God, Die gemaakt heeft den hemel, en de aarde, en de zee, en al hetgeen in dezelve is. Wat maakt dat bekering concreet. God, jongens en meisjes, Die jou geschapen heeft, vraagt je om je tot Hem te bekeren. Want wie zich tot Hem ter genezing wenden, zullen niet worden beschaamd.

Wat is bekering allereerst noodzakelijk voor de ongelovigen. Paulus verliest hen niet uit het oog als hij spreekt over bekering van de afgoden. Zeventig maal wordt in het Nieuwe Testament het woord ‘bekering’ genoemd of klinkt het: ‘bekeert u’.

In alle kerkdiensten ben je daartoe opgeroepen: Bekeert u, en gelooft het Evangelie (Mark.1:15). Zo niet, dan zal God Zich eens van jou afkeren. Als jij je niet naar Hem toekeert, keert Hij Zich van jou af. Wat is bekering dan nodig voor een ongelovige.

Maar wat is het ook een grote les – dat is een tweede toepassing van wat hier staat – dat een gemeente nooit ‘heilige gemeente’ kan zijn zonder waarachtige bekering. Je kunt geen heilige gemeente zijn door de werken van de wet, of door eigen inspanning, of door zelfopbouw. Nee, maar alleen door het werk van waarachtige bekering: dat zij zich zouden beteren, en tot God bekeren, werken doende der bekering waardig.

 

En gelovigen, denk eens even terug hoe gij tot God bekeerd zijt. God kwam in jullie leven. Hij zette je stil; Hij riep je een halt toe. Hij werd de Eerste. Paulus herinnert hen eraan in zijn brief.

Waarom is het nodig om daaraan terug te denken dan? Dat is toch een gepasseerd station?

Nee, want bekering is elke dag nodig. Alleen dan is er heiligmaking. Jeremia vraagt op de puinhopen van Jeruzalem eerbiedig aan de Heere: ‘Heere, bekeer ons tot U, zo zullen wij bekeerd zijn.’

 

  1. Tegenover de afgoden

Onze derde gedachte: een heilige gemeente tegenover de afgoden – hoe gij tot God bekeerd zijt van de afgoden. Want, gemeente, bekering is niet alleen ergens naartoe gaan, maar het is ook ergens vanaf gaan, zegt Paulus. Het staat er letterlijk: van de afgoden.

Het Griekse woordje ‘eidolo’ wordt gebruikt. Daarin zit de klank en ook de betekenis van ons Nederlandse woord ‘ijdel’ of het Engelse woord ‘ídle’, of ‘idols’, dat ‘afgoden’ betekent. De betekenis van het woordje ‘eidolo’ of ‘afgoden’ is eigenlijk precies wat het woordje ‘ijdel’ zegt: iets wat heel wat lijkt, maar helemaal niks is. Dat is een afgod. U mag het ook vertalen met ‘afbeelding’, een afbeelding van een heidense god, van een valse god, zegt Paulus.

 

Dat heeft de apostel natuurlijk niet voor niets genoemd. U moet weten dat in de stad Thessalonica machtig veel afgoden waren. Het stadsbeeld werd gedomineerd door een hele tempel ter ere van Julius Caesar. En een paar kilometer buiten de stad, op de grens van Thessalonica en Macedonië, daar was die drieduizend meter hoge berg, de Olympos, vol met allerlei beelden gewijd aan twaalf afgoden. Ging je de stad weer in, dan was daar het pantheon (een tempel ter ere van alle goden), met daarbovenop de afbeelding van Zeus, de wereldbeheerser, en daar vlakbij het beeld van zijn zoon Dionysos, de god van de drank.

Dat domineerde Thessalonica. Dat was hun eertijds. Dat maakte hen zo machtig bang en benauwd. Dat deed hen sidderen en beven, want door de willekeur van de toorn van de heersers van het pantheon en de Olympos konden ze elk ogenblik sterven.

Dat is het leven zonder God: benauwdheid, onzekerheid, twijfel. Geen heiligmaking; zomaar wat voor het vaderland weg leven. En als je sterft, ja, dan is het te laat.

Paulus herinnert hen er heel uitdrukkelijk aan met dat ene woordje ‘eidolo’: afgoden (meervoud dus). Hoe u van de afgoden vandaan tot God bent getrokken, dat u de afgoden vaarwel hebt gezegd en hebt ingeruild voor de enige, waarachtige God, dat is toch de wortel van uw heiligmaking?

 

Ja, zegt u, er waren inderdaad nogal wat afgoden in die dagen: Zeus en Dionysos en het pantheon en die twaalf afgoden daar op de berg Olympos – te veel om op te noemen.

Maar ook vandaag de dag zijn het er te veel om op te noemen. Want wat is een afgod?

Dat is niet alleen zo’n beeld, of zo’n pantheon met een zuil en een god erop, of de god van de drank met een drankfles in zijn hand, noem het maar op. Nee, gemeente, een afgod is alles en iedereen waarop of op wie ik naast God mijn vertrouwen stel, zodanig dat ik me niet meer alleen of helemaal niet meer richt op God. Dat is het genieten van datgene waardoor de Heere naar de achtergrond wordt gedrukt. Het is mijn hart vol maken van dingen, terwijl God zegt: Ík moet een plaats in je hart ontvangen.

Mijn eigen kracht en mijn eigen inzicht kunnen mijn afgod zijn, mijn zelfdunk en mijn hoge eigenwaarde, mijn wereldse hart en mijn zondige leven, mijn boze verlangens en mijn verkeerde lusten.

Al deze afgodendiensten hebben één ding gemeen: ze houden ons van de zaligheid af. De Heere zegt het: Efraïm is vergezeld (omringd) met de afgoden; laat hem varen (Hos.4:17). De Heere wil eigenlijk zeggen: laat hem maar los.

 

Nu zijn er misschien mensen in de kerk die zeggen: nou, zo erg maak ik het gelukkig nog niet. Maar we kunnen ook in godsdienstig opzicht afgoden eropna houden, door de zaligheid te zoeken bij iets of iemand anders dan bij Jezus Christus alleen. Net als Israël, dat vertrouwt op dien gebroken rietstaf, op Egypte, op denwelken zo iemand leunt, zo zal hij in zijn hand gaan, en die doorboren (2Kon.18:21). Of als we buiten Jezus zalig willen worden door onze goede werken, onze inspanningen, onze godsdienst, onze tranen, onze gebeden.

Andrew Gray zegt: ‘Al zou u veertig jaren uw zonden bewenen en veertig jaren bidden, maar als u Jezus er niet in ziet en niet op Jezus vertrouwt, zal het tegen u getuigen.’ O, laat je afgoden toch los, de wereld of je eigen ‘ik’, alles wat tussen God en je ziel staat, wat je zaligheid op het spel zet. Bekeer u van de afgoden.

Zo staat het er toch: een heilige gemeente, van de afgoden vandaan. Dus: ‘heilige gemeente’ en ‘afgoden’ is een contradictio in terminus, een tegenspraak in termen; het ene sluit het andere uit. Een afgodendienaar is geen heilige. Een heilige is zonder afgoden.

 

Dan gaat het er niet om, gemeente, wat ik fijn vind en waarvan ik genieten wil en wat voor mij een … Nee, het gaat om Góds wil. Zeker, het vergt offers; we zullen moeten afsterven van de zonde. Het vraagt soms ook heel veel opoffering, brengt soms vijandschap met zich mee. Het kan relaties onder druk zetten. Maar neem het kruis van Jezus maar op.

De grote Zaligmaker werd omringd door afgoden, daar bij de verzoeking in de woestijn, maar telkens weer wees Hij erop om God alleen te dienen.

Laten we nu eerst zingen van Psalm 97 de verzen 4 en 6:

 

Dat ieder schaamrood zij,

die onbeschroomd en vrij

een beeld durft eer bewijzen

en nietig’ afgoôn prijzen,

den waren God ten hoon.

Knielt voor Hem, al gij goôn,

zwicht voor den Opperheer,

buigt u met ootmoed neer

voor Zijn geduchten troon!

 

Beminnaars van den Heer’,

verbreiders van Zijn eer,

hoopt steeds op Zijn genade

en haat altoos het kwade!

Hij, Die in tegenspoed

Zijn gunstgenoten hoedt,

verleent hun onderstand

en redt z’ uit ’s bozen hand,

die op hun onschuld woedt.

 

  1. Tot de dienst aan God

Een heilige gemeente: door het Woord (want zijzelven verkondigen van ons, hoedanigen ingang wij tot u hebben), vanuit bekering (en hoe gij tot God bekeerd zijt), tegenover de afgoden (van de afgoden, bij de afgoden vandaan) en nu tot slot: tot de dienst aan God.

Het grote individuele, het grote persoonlijke doel van bekering en verlossing van de afgoden is hetzelfde als het collectieve doel, gemeente, dus het doel van alle mensen. En dat benoemt Paulus hier. Het gaat over de gemeente. Het collectieve doel van die gemeente, van al die mensen, is als het goed is: om den levenden en waarachtigen God te dienen. En dat moet ook ons persoonlijke, individuele doel zijn.

 

Als we dan naar de gemeenten gaan kijken, komen we algauw tot de conclusie dat elke gemeente onvolmaakt is en buiten het paradijs ligt. Een gemeente moet wel naar volmaaktheid staan, in alle opzichten: in wellevendheid naar elkaar toe, in meelevendheid, in belangstelling, in het leven met God, in de ambten, in de zuiverheid van het Woord, in de verkondiging van het Evangelie en ‘de aanklevende bediening van de sacramenten’, zoals het in het bevestigingsformulier van de dienaren van het Woord wordt genoemd. Hoe vaak worden in de formulieren niet de woordjes ‘ijver’ en ‘naarstig’ en ‘vlijtig’ gebruikt. God vraagt het uiterste van ons: heel ons hart, heel ons leven, ook van u als vrijwilliger, als gemeentelid, of van jou als dooplid, als catechisant.

Maar een gemeente is niet volmaakt; het is een gemeente buiten het paradijs. Tegelijkertijd bestaat voor een gemeente die het allemaal goed weet en die denkt alles volmaakt te doen, het grote gevaar van zelfgenoegzaamheid. Een van de gemeenten in Klein‑Azië wordt daarvoor gewaarschuwd: Want gij zegt: Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek; en gij weet niet, dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt (Openb.3:17). Dat is de cadans van de armoede: ellendig en jammerlijk en arm en blind en naakt.

 

Wat is ‘heilig’ dan? ‘Heilig’ is wat anders dan ‘werkheilig’. Wat is het verschil?

‘Werkheilig’ betekent dat we allerlei dingen zoeken in onze werken. Als we werkheilig zijn, dan bouwen we op onszelf, buiten het werk van Jezus om. Maar ‘heilig’ is: verbonden aan God, in relatie tot de Heere. We mogen activiteiten gebruiken tot nut van anderen, maar ze zijn niet de grond van onze heiligmaking. Heiligmaking strookt niet met werkheiligheid, die ons vaak teleurstelt of juist doet denken dat we het er goed vanaf hebben gebracht.

Laten we altijd bedenken dat een heilige gemeente, hoe levend en hoe missionair ook, bestaat uit zondige ambtsdragers, zondige leden, zondige doopleden, zondige activiteiten, en dat het dienen van elkaar slechts een horizontaal werkheilig-zijn is.

 

Wat is het dan wel?

Laten we maar dicht bij de Bijbel blijven; die geeft overal het antwoord op. Heiligmaking, zegt Paulus, en dat wordt onderstreept door Silas en Timótheüs, is het dienen van de levende en waarachtige God. Het begint met God, God Die leeft, Die werkelijkheid is, Die bestaat. De realiteit van het Godsbestaan wordt hier ten zeerste onderstreept. Heiligmaking is ‘coram Deo’: voor Gods aangezicht. En Hij is ook de waarachtige God, de God Die de leugen haat en Die het verkeerde verfoeit, Die een oprecht hart vraagt.

Het zijn niet de vele dingen die ik doe – prachtig dat het kan, ga er alstublieft mee door – maar het zijn de vele dingen die ik voor Gód mag doen. Dat is heiligmaking, zegt Paulus. Hij betrekt het allereerst op de levende en waarachtige God, de God Die leeft en de God Die werkelijkheid is, tegenover die dode afgoden en die ‘eidolo’, die onwerkelijke goden. Wij hebben te maken met een levende God, niet met een dode afgod, met een waarachtige God, niet met een onwaarachtige afgod.

 

Als we nu eens even kijken naar vers 6 en het tweede gedeelte van vers 9, dan zien we een parallel. Het dienen van die levende en waarachtige God, die heiligmaking, mag je inkleuren vanuit vers 6. En daar worden vijf dingen genoemd:

  1. navolgers des Heeren, daar begint het mee in vers 6. Het navolgen van de grote Curios, dat is mijn heiligmaking. What would Jesus do? Die uitdrukking kennen we wel. Wat zou Jezus doen? Daar normeer ik mijn heiligmaking aan.
  2. het Woord, de Bijbel. Wat vraagt God van mij? Wat zegt die Bijbel erover?
  3. in vele verdrukking, vaak (misschien wel heel vaak) te midden van verdrukking. Paulus gebruikt niet eens het meervoud, alsof hij zeggen wil: heel mijn leven is een grote verdrukking.
  4. met blijdschap. Toch vreugde.
  5. des Heiligen Geestes, door de Heilige Geest.

Alle elementen die Paulus hier opnoemt (Jezus, het Woord, verdrukking, blijdschap, de Heilige Geest), hebben te maken met het werkelijk dienen van God. Om den levenden en waarachtigen God te dienen – ‘doulouo’. ‘Doulos’ betekent ‘slaaf’ – gehoorzaamheid, onderworpenheid, onderwerping. En wat is dat dan?

Laat ik het zeggen aan de hand van drie vergelijkingen. God dienen is meer onderworpen zíjn dan jezélf onderwerpen, heiligmaking is meer láten doen dan zelf doen, en heiligmaking is meer gelóven dan werken. Die drie elementen zitten allemaal in dat woordje ‘dienen’. God dienen door het geloof in Hem, Jezus Christus, Die alles volbracht heeft, Die dienstknecht werd.

 

Wat zou Jezus doen? Wel, dit: de Zoon des mensen is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen (Mark.10:45). Dan stel ik heel mijn leven in dienst van God. Jij ook?

Iedereen die onbekeerd is, zegt Jezus, dient satan nog. De oproep tot hen is:

Dien God. Houd Zijn geboden. Bekeer u. Neem het Woord ter harte. Neem door het geloof de Heere Jezus Christus aan. En heb je geen geloof, vlucht dan tot Hem en leg je aan Zijn voeten neer. Zie op het Lam van God. Word gelukkig. Verlaat de wereld en de zonde. Neem het Woord van de Heere ter harte en verkies Jezus tot Heere van je leven.

Het aanbod van genade drupt van het woord van onze tekst af.

 

Voor ons die deze Koning en deze God leerden kennen een opdracht tot heiligmaking, maar met deze vier kwalificaties: door het Woord, vanuit bekering, tegenover de afgoden en tot dienst aan God. Anders is mijn heiligmaking zeer gedoemd te mislukken.

En daarom komt het Woord van de Heere nu tot ons allen: Want zijzelven verkondigen van ons, hoedanigen ingang wij tot u hebben, en hoe gij tot God bekeerd zijt van de afgoden, om den levenden en waarachtigen God te dienen.

Amen.

 

Slotzang: Psalm 128 de verzen 1, 3 en 4

 

U mag men zalig heten,

dien ‘s Heeren vrees bekoort;

die met een goed geweten

steeds wandelt naar Zijn woord.

Gij zult uw nooddruft vinden

door d’ arbeid van uw hand:

wat g’ u moogt onderwinden,

komt naar uw wens tot stand.

 

Dit lot is u beschoren,

zo gij met diep ontzag

naar ’s Heeren wet blijft horen.

Voor u zal dag aan dag

het heil uit Sion vloeien:

gij zult, zolang gij leeft,

Jeruzalem zien bloeien,

’t welk God Zijn zegen geeft.

 

Blijft gij op Hem betrouwen,

dan zult gij op uw beê

’t kroost van uw kroost aanschouwen.

In Israël zij vreê!