Ds. C.G. Vreugdenhil - Zondag 37

Onderwerp

Het godzalig eedzweren als een aanroepen van de Naam van God
In de samenleving
In de kerk
In het persoonlijk leven

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 24: 2 en 3
Lezen : Hebreeën 6: 9 - 20
Zingen : Psalm 15: 1, 2 en 4
Zingen : Psalm 89: 2 en 15
Zingen : Psalm 105: 5

Aan de beurt is Zondag 37 van de Heidelbergse Catechismus:

 

Vraag 101: Maar mag men ook godzaliglijk bij de Naam Gods een eed zweren?

Antwoord: Ja, als het de overheid van haar onderdanen, of anderszins ook de nood vordert, om trouw en waarheid daardoor te bevestigen, en dat tot Gods eer en des naasten heil; want zulk eedzweren is in Gods Woord gegrond, en daarom ook van de heiligen in het Oude en Nieuwe Testament recht gebruikt geweest.

Vraag 102: Mag men ook bij de heiligen, of bij enige andere schepselen een eed zweren?

Antwoord: Neen; want een rechte eed zweren is God aanroepen, dat Hij, als Die alleen het hart kent, der waarheid getuigenis wil geven, en mij straffe, indien ik valselijk zweer; welke eer aan geen schepsel toebehoort.

 

Gemeente, in deze Zondag gaat het over:

Het godzalig eedzweren als een aanroepen van de Naam van God

 

Drie gedachten vragen onze aandacht. Het godzalig eedzweren als een aanroepen van de Naam van God:

1. In de samenleving

2. In de kerk

3. In het persoonlijk leven

 

Ik kan me best voorstellen, gemeente, dat u niet zo enthousiast was toen ik zei: ‘Zondag 37 is aan de beurt.’ Het gaat over het eedzweren. Is dat eigenlijk wel nodig in deze moderne tijd waarin wij leven, met al zijn brandende vragen? De vorige keer is het derde gebod behandeld, de heiliging van Gods Naam. Tot op de dag van vandaag uiterst actueel. Maar een Zondag over eedzweren, moet dat zo nodig? Het is helemaal geen gebod in de Bijbel. Het is maar een aanhangsel bij het derde gebod.

Neemt u vraag waarmee we begonnen te lezen: ‘Mag men ook godzaliglijk bij de Naam van God een eed zweren?’ Nou, is er hier iemand in de kerk die van gedachten is dat je dat niet mag doen, iets wat godzalig is?

Zo kan de vraag opkomen of de Catechismus hier eigenlijk niet een open deur intrapt. In de vorige Zondag ging het ook al over dat zweren. Ondanks de gedachten die bij ons kunnen opkomen, is het toch de moeite waard om te luisteren naar het onderwijs van deze Zondag.

Vandaar onze eerste gedachte:

 

1. Het godzalig eedzweren als een aanroepen van de Naam van God in de samenleving

 

God aanroepen.

Dat is bidden. In de binnenkamer, in het persoonlijk leven, in de kerk Gods Naam aanroepen, maar ook in het publieke leven, in de rechtszaal, in het leger, als een officier zijn krijgseed aflegt, in de politiek. God aanroepen, dat betekent: het inroepen van Gods aanwezigheid, van Zijn tegenwoordigheid en geloven in Gods rechtvaardigheid. Hij is immers de Hartenkenner. Hij kan aan de waarheid getuigenis geven, maar ook straffen als iemand vals zweert en meineed pleegt. Zo brengt onze eerste gedachte ons niet alleen in de binnenkamer, maar vooral op het Binnenhóf, in de politiek en in de raadszaal van het gemeentehuis en in de rechtszaal. Daar klinkt de eed nog als een belijdenis van de Naam van God.

Een christen belijdt God in het leven van elke dag. hij belijdt dat God de hoogste Rechter van hemel en aarde is.

 

Een christen-politicus spreekt uit dat hij als dienaar van de kroon God wil dienen en alle hulp van Hem alleen verwacht.

Is het eigenlijk niet prachtig, als iemand in het meest plechtige uur van zijn leven, bij de aanvaarding van een ambt, wordt uitgenodigd om naar voren te komen, te gaan staan en daar samen met degene die de eed afneemt te staan voor Gods aangezicht! Want dat is het! Dan wordt de hand opgeheven, met de twee vingers omhoog. Onder aanroeping van de Naam van God wordt het ambt aanvaard, met al de plichten die daaraan verbonden zijn en er wordt ook een gebed uitgesproken: ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig.’

Wat een getuigenis in deze wereld, in onze Nederlandse maatschappij! Een arts belooft onder ede het leven te beschermen. Wie dat beloofd heeft, kan niet meewerken aan abortus of aan euthanasie. Ook de koning heeft bij zijn ambtsaanvaarding de eed afgelegd. Ook ministers, kamerleden, officieren, apothekers en taxateurs staan onder ede in hun beroep.

Maar hoe verschrikkelijk is het ook tegelijkertijd, als wij de ontwikkeling zien, dat de overheid, die toch Gods dienares is en daartoe gegeven is, het toelaat dat de eed bij zovelen is verschraald tot een belofte!

 

We zetten ze naast elkaar, de eed en de belofte.

Bij de eed wordt gezegd: ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig.’ en bij de belofte: ‘Dat beloof ik.’ U voelt een wereld van verschil.

‘God’ tegenover ‘ik’. Ik val op mezelf terug. Ik heb God niet nodig om mij kracht en wijsheid te geven. God hoeft mij niet te belonen als ik mijn ambt getrouw vervul en Hij hoeft mij ook niet te straffen als ik daarin ontrouw ben. Voelt u? Wat een wereld van verschil!

De overheid roept iemand die ‘belooft’ in plaats van ‘de eed aflegt’, niet meer op om te verschijnen in Gods tegenwoordigheid, voor het hoogste gericht, voor Gods aangezicht, en te antwoorden op de vraag: ‘Belooft u voor God getrouw te zijn in uw ambt?’ Of in de rechtszaal: ‘Verklaart u als getuige voor God de waarheid te spreken en niets dan de waarheid?’ Wat een jammerlijke ontwikkeling in onze maatschappij.

 

Overigens, dat er een eed wordt afgelegd is eigenlijk tot onze schande gezegd.

Als we getuigen moeten in de rechtszaal, dan kan de rechter er dus niet van uitgaan dat wij de waarheid spreken. Dat is een aanklacht tegen onze betrouwbaarheid. Dat betekent: we zijn niet te vertrouwen. Als we een eed afleggen word je voor Gods aangezicht geroepen om te zweren dat het waar is wat je zegt.

U begrijpt, dat is een gevolg van de zondeval. Maar om het kwaad in de wereld te temmen heeft God de eed toegestaan. Nu worden leugenachtige mensen opgeroepen om onder aanroeping van Gods heilige Naam de waarheid te spreken. Dat is op zich een zegen. Dat maakt de samenleving nog mogelijk. Dat noemen we Gods algemene genade.

 

Als de Heere Zijn algemene genade zou terugtrekken, zou de wereld in een chaos veranderen. God draagt en schraagt nog op deze manier. Wat gebeurt er bij het eedzweren? De Catechismus zegt:

Je bevestigt daarmee trouw en waarheid.

Trouw wordt onder ede bevestigd bij de ambtseed, als het gaat over de uitoefening van je beroep. Waarheid wordt onder ede bevestigd bij de rechtbank. Daarom wijst het woordje ‘trouw’ vooral op de toekomst en ‘waarheid’ vooral op het verleden.

 

Trouw en waarheid.

Dat zijn twee deugden, twee karaktertrekken van God. Hij is getrouw. Hij doet wat Hij zegt. Hij is waar. Je kunt op Hem aan. De Heere is de Getrouwe en de Bijbel zegt: ‘Hij is de Waarheid.’ Daarom heeft God ook trouw en waarheid lief en heeft Hij die gegeven als grondzuilen voor de samenleving. De afstraling van Gods deugden zijn op die manier terug te zien in Zijn schepselen. Waar trouw en waarheid beleden worden en zegevieren, daar wordt God verheerlijkt en dat is tot heil van de mensheid. Dat noemt de Catechismus het doel van de eed.

Er staat:

tot Gods eer en tot des naasten heil.

 

Tot Gods eer. Want de overheid kan niet in een mensenhart kijken. De overheid, de rechter, kent de diepste schuilhoeken van het menselijk hart niet, maar God wel. Daarom hebben we God nodig om getuigenis van de waarheid te krijgen, zegt de Catechismus. De hulp van de alwetende God wordt ingeroepen, Die mij straffen zal als ik valselijk zweer.

Eens zal Hij recht spreken en alle geschonden eden en gebroken beloften ─ en wie zou hier niet sidderen? ─ komen alle in het gericht van God.

 

Tot eer van God, maar ook tot heil van de naaste.

Die twee liggen natuurlijk in elkaars verlengde. Mijn onder ede afgelegde getuigenverklaring van de onschuld van iemand is tot heil van zo’n persoon. Maar al zou ik moeten getuigen van zijn schuld, dan nog, dan is het voor hem tot een zegen. Het is tot zijn heil als hij gestraft wordt en als hem zo een halt toegeroepen wordt en zo het voortgaan in de zonde wordt tegengegaan.

 

De Wederdopers waren van mening dat een christen zich moest onthouden van de eed. Zij probeerden hun visie ook te bewijzen uit de Bijbel, uit de uitspraken van de Heere Jezus en van de apostel Jakobus. We lezen:

In Mattheüs 5 vanaf vers 34 zegt de Heere Jezus:

Maar Ik zeg u: Zweert ganselijk niet, noch bij de hemel, omdat hij is de troon van God; noch bij de aarde, want zij is de voetbank van Zijn voeten; noch bij Jeruzalem, want zij is de stad van de grote Koning; noch bij uw hoofd zult gij zweren, omdat gij niet één haar kunt wit of zwart maken. Maar laat zijn uw woord ja, ja; neen, neen; wat boven deze is, dat is uit den boze.

En in Jakobus 5 vers 12 lezen we:

Doch voor alle dingen, mijn broeders, zweert niet, noch bij de hemel, noch bij de aarde, noch enige andere eed; maar uw ja zij ja, en het neen neen, opdat gij in geen oordeel valt.

Nou, zegt u misschien, dat is toch duidelijke taal. Dat pleit toch juist voor de opvatting van de Wederdopers? ‘Zweert ganselijk niet!’ Ja, dat lijkt inderdaad zo te zijn, als je het verband waarin de Heere Jezus dat besproken heeft en Jakobus dat gezegd heeft, er niet bij betrekt.

 

Wat bedoelt de Heere Jezus dan? Hij bedoelt: ‘Je mag niet lichtvaardig zweren; je mag niet onnódig zweren.’ Hij richt Zich heel specifiek tegen de praktijk van de Joden vooral van de farizeeën. Het gaat hier niet om getuige zijn bij de rechtbank of een eed die je aflegt bij de ambtsaanvaarding, maar het gaat hier over het zweren in het leven van elke dag. Het gaat om de tegenstelling tussen de gerechtigheid van de farizeeën en de gerechtigheid van het Koninkrijk Gods.

De Heere Jezus bestraft hier de farizeeën omdat ze dagelijks over allerlei onbenullige dingen een eed aflegden. Om de heilige Naam van God niet te misbruiken, gebruikten de joden de heilige Naam van God, Jahweh, helemaal niet. Dan zeiden ze ‘Adonai’ of ‘Hasjem’, de Naam. Ze dachten: ‘Zo komen we er onderuit; zo kunnen we in ieder geval die Naam niet misbruiken.’

 

Ze hadden ook zoiets bedacht bij het zweren. Ze zwoeren niet bij de Naam van God, maar ze zwoeren bij de tempel en bij de hemel en bij de aarde en bij het altaar. Ze zwoeren zelfs bij hun eigen hoofd. En naar de letter is dat natuurlijk geen misbruik van Gods Naam, want Gods Naam komt daar niet in voor. Maar ze bedoelden het wel zo; ze legden toch een eed af.

 

 

Tegen díe gedachte, tegen dat misbruik, tegen dat soort zweren, richt de Heere Jezus Zich in Mattheüs 5. Voor Hem is elke eed een eed. En de eed mag niet misbruikt worden, ook niet als een soort krachtterm.

We mogen nooit eigener beweging zweren. Wie gemakkelijk op die manier de Naam van God gebruikt, zal Hem net zo gemakkelijk misbruiken. Pas ervoor op! Zeg niet te gauw: ‘Ik kan God aanroepen tot Getuige.’ Zeker niet als het over iets onbenulligs gaat. Of: ‘Ik durf er wel een eed op te doen.’

Zulke krachttermen moeten we niet gebruiken, dat is onwaarachtig, want dan is ons ‘ja’ geen ‘ja’ en ons ‘nee’ geen ‘nee’. Juist in zo’n verband, als het gaat over die dingen, dan geldt het woord van de Heere Jezus: ‘Zweert ganselijk niet.’ Als we er zo mee omgaan dan hebben we er niets van begrepen wat het wil zeggen om godzalig een eed te zweren, zoals onze Catechismus erover spreekt. Dan hebben we er geen enkel besef van dat we staan voor de heilige God en dat het gaat om Zijn Naam.

 

U hoeft nooit ongevraagd een eed af te leggen. Dat bedoelt de Heere Jezus als Hij de farizeeën vermaant. We moeten de tekst in zijn verband lezen, net als bij het tweede gebod. Daar staat: ‘Gij zult u geen gesneden beeld maken, noch enige gelijkenis, van iets dat op de aarde is.’ Hebt u uw vakantiefoto’s pas nog bekekene? Ja maar, gij zult niet… Je moet het lezen in zijn verband. Er volgt: ‘Om u daarvoor te buigen en te dienen.’ Daar gaat het om.

Zo is het hier ook. Je moet doorlezen. Zo is het ook met de woorden van de Heere Jezus: ‘Zweert ganselijk niet.’ Nee, geen lichtvaardige, onnodige eed bij je hoofd of de hemel of de aarde.

 

Gemeente, zou de Heilige Geest de ene apostel laten verbieden wat de andere juist gebiedt? We hebben samen een gedeelte van Hebreeën 6 gelezen.

In vers 16 staat: Want de mensen zweren wel bij de Meerdere dan zij zijn, en de eed tot bevestiging is denzelven een einde van alle tegenspreken.

En zegt Paulus niet in 2 Korinthe 1 vers 23: ‘Ik roep God aan tot een Getuige.’ Dat is ook zweren. Dat is een beroep doen op de aanwezigheid van God.

Hij zegt in Rom.1:9: ‘God is mijn Getuige, Welke ik dien in mijn geest in het Evangelie van Zijn Zoon Jezus Christus.’

Exodus 22 vers 11: Zo zal des HEEREN-eed tussen hen beiden zijn en derzelver heer zal dien aannemen.

Of Deuteronomium 6 vers 13: Gij zult de HEERE, uw God vrezen en Hem dienen, en gij zult bij Zijn Naam zweren.

 

De Heere Jezus heeft het voorbeeld gegeven voor de rechtbank van Kajafas. Zie je, voor de rechtbank! Niet zomaar, maar voor de rechtbank van Kajafas. Toen Kajafas uitriep: ‘Ik bezweer U bij de levende God, dat Gij ons zegt of Gij de Christus zijt, de Zoon van God?’ En wat zei de Heere Jezus toen? Hij antwoordde: ‘Ja, gij bezweert Mij. Gij hebt het gezegd.’ Met andere woorden: Hij zwoer het.

 

En omdat het zweren in de Schrift gegrond is, daarom, zegt de Catechismus, is het ook door alle heiligen in het Oude en in het Nieuwe Testament gebruikt geweest.

Ik noem u een paar namen: Abraham tegenover Abimelech en tegen zijn knecht Eliëzer. Jakob tegenover Laban. David en Jonathan, de twee vrienden. Izak. Boaz. Obadja.

Van al die personen kun je in de Bijbel lezen dat ze de eed hebben afgelegd.

 

Wat meer is: God zweert Zelf, in Hebreeën 6 vers 13: Als God aan Abraham de belofte deed, dewijl Hij bij niemand die meerder was, had te zweren, zo zwoer Hij bij Zichzelven.

God doet het ook.

 

We lezen nog iets in antwoord 102, als het gaat over de betekenis van de eed.

Nee, je mag niet zomaar bij schepselen zweren. Een rechte eed zweren is God aanroepen, dat Hij, als Die alleen het hart kent, aan de waarheid getuigenis wil geven en mij straffe indien ik valselijk zweer, welke eer aan geen ander schepsel toebehoort.

Ziet u wat een geweldig gebeuren de eed is? We worden meegenomen naar God. We worden bij het aanroepen van Gods Naam geplaatst in Zijn heerlijke tegenwoordigheid. God, Die de harten kent en de nieren proeft. We doen een beroep op Hem, op Zijn alwetendheid.

In het verlengde daarvan: eens zullen we staan voor Zijn rechterstoel, in het eindgericht.

Ik roep Zijn straffen over mij uit als ik lieg of als ik valselijk zweer.

Daarmee is gelijk de vraag beantwoord of je bij heiligen of andere schepselen mag zweren. Uiteraard niet, want die heiligen kennen ons hart niet.

 

Gemeente, daaruit volgt dat God Zich dus ook ophoudt in het Binnenhof. Hij is ook in de politiek. Hij is in de gevangenis. Hij is ook in de rechtszaal. Net zo goed als dat Hij in de kerk is.

Zeker, Zijn Kerk is een bijzondere planting van Hem. Maar God is toch de Koning van de ganse aarde? Geen gebied is er dat aan Zijn macht onttrokken is. Hij is de God des eeds en de God des verbonds en Hij houdt Zijn eden, staat er, tot in duizend geslachten.

Daarom eist Hij van ons dat wij onze eden houden en dat wij getrouw zijn. We hebben zojuist zelfs gezongen uit Psalm 15: Als we gezworen hebben tot onze schade, evenwel Hij verandert niet.

 

We moeten trouw zijn, als we iets beloofd hebben, als u iets hebt afgesproken. Je hebt een contract gemaakt met iemand, of dat nu in de handel is of in de persoonlijke verhoudingen, maar al heb je in verband daarmee tot je schade gezworen, dan moet je daar niet meer aan peuteren. Dan moet je eerlijk zijn, want dat duurt het langst. Al is het tot je schade, dan mag je het niet veranderen.

 

Gemeente, wij zijn vaak zo onberekenbaar en zo wisselvallig. Maar het grote en het heerlijke is dat we God mogen dienen Die eeuwig onveranderlijk en getrouw is. Op Hem kunt u altijd aan.

De eed eist van u dat u de Heere zult vrezen en Hem alleen zult dienen. Waar u ook bent en wie u ook bent. Recht door zee. Dat is de wil van God.

 

Zo is het in onze eerste gedachte wel duidelijk geworden dat het zweren een aanroepen is van de Naam van God in de samenleving. Alleen de overheid, als Gods dienares, mag de eed vragen van haar onderdanen. Het is een wapen tegen de verdorvenheid en leugenachtigheid van de mensen.

Of als de nood het vordert, staat er. Dus nooit uit eigenbelang. En het doel van de eed is: trouw en waarheid bevestigen, tot eer van God en tot heil van onze naaste, tot heil van de mensheid.

Daartoe heeft ook God gezworen tot Zijn eer en tot heil van zondaren.

Daar gaan we van zingen uit Psalm 89 de verzen 2 en 15:

 

Ik heb, dit was Uw taal, een vast verbond gemaakt

Met Mijnen gunsteling, dien steeds Mijn oog bewaakt;

Ik heb aan Mijnen knecht, aan Mijnen uitverkoren’,

Aan David, in Mijn gunst, met enen eed gezworen:

“Ik zal van kind tot kind, tot aan het eind der dagen

Uw zaad bevestigen, en uwen rijkstroon schragen.”

 

’k Heb ééns gezworen bij Mijn eigen heiligheid,

Zo Ik aan David lieg’, zo hem Mijn woord misleid’;

Zijn zaad zal eeuwig zijn, zijn troon zal heerlijk pralen,

Zo duurzaam als de zon, zo glansrijk als haar stralen;

Bevestigd als de maan; en aan des hemels bogen

Staat Mijn getuige trouw te schitt’ren in elks ogen.”

 

 

Gemeente, onze laatste twee gedachten zoals we die vinden in deze Zondag zijn vooral persoonlijk.

 

2. Het godzalig eedzweren als een aanroepen van de Naam van God in de Kerk

 

De vraag is:

Is dat wel zo, worden er in de kerk wel eden afgelegd? Want in de kerk is de eed toch eigenlijk overbodig? Daar behoeven we niet meer gebracht te worden in Gods tegenwoordigheid, want daar zíjn we in Zijn tegenwoordigheid.

We zijn hier ook voor Gods aangezicht, in Zijn tegenwoordigheid. Daarom mag ik zeggen dat elk jawoord dat hier voor Gods aangezicht uitgesproken wordt, ten diepste een eed is, die even zwaar weegt als de eed in het publieke leven.

Geen van de leden van de gemeente kan zeggen dat hij nog nooit met de eed heeft afgelegd. Denk aan het doen van belijdenis, huwelijksbevestiging, de doopbelofte bij de Doop van je kinderen of je eigen Doop, de ambtsaanvaarding. Toen klonk ons jawoord in de tegenwoordigheid van God.

Belooft u voor God en Zijn gemeente? ‘Ja!’ hebt u daarop gezegd.

Weet u het nog? Is het een godzalig zweren geweest? Heeft dat jawoord, de belofte die u hebt uitgesproken, u dichter bij de Heere gebracht?

 

De jongelui die belijdenis deden:

‘Belooft gij door de genade van God…?’

Dat was tegelijkertijd een gebed om genade. ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig,’ is ook een gebed om het jawoord dat ik gegeven heb, waar te mogen maken.

De eed om de wereld niet te dienen en te verzaken, om de Heere alleen te dienen. Dat hebben jullie beloofd. Dat hebt u, die belijdenis gedaan hebben, beloofd. Om uw leven met goede werken te versieren en om in die belijdenis van de zaligmakende leer te blijven in leven en in sterven.

U leeft toch niet als een meinedige? U doet toch wel wat u beloofd hebt? God komt erop terug, want het is beloofd voor Zijn aangezicht, ook dat jawoord van u. We hebben God ingeroepen om aan de waarheid getuigenis te geven en om ons te straffen als wij onze eed breken.

 

De apostel Paulus heeft het Evangelie gepredikt in Korinthe. Hij heeft het woord der verzoening nauw aan hun hart gelegd.  Hoor maar: ‘Wij dan, gezanten van Christuswege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christuswege: Laat u met God verzoenen.’

De mensen daar hadden belijdenis gedaan, bij hun Doop, bij de ambtsaanvaarding.

Later was er heel wat aan de hand in die gemeente en dan schrijft Paulus hun een brief en zegt hij aan het eind van zijn brieven ─ en die verschrikkelijke mogelijkheid is er en blijft er tot op de dag van vandaag ─ ‘Indien iemand de Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking: Maranatha.’

Moet God ons straffen?

 

U legt ook een eed af als u trouwt in de kerk.

U herinnert zich uw huwelijksdag, dat u samen knielden voorin de kerk, als een voorbeeld om zo knielend door het leven te gaan. U hebt gezworen, beloften afgelegd in de tegenwoordigheid van de gemeente. U hebt beloofd elkaar lief te hebben en trouw te blijven en wel zoals Christus Zijn gemeente liefheeft.

De mannen hebben beloofd om hun vrouw te onderhouden zoals een godvrezend man aan zijn wettige vrouw schuldig is. ‘Ja,’ hebt u gezegd. En de vrouwen beloofden om hun man trouw te zijn in alle dingen, zoals een vrome en getrouwe huisvrouw dat schuldig is. Dat hebt u beloofd. ‘Ja Heere!’

Ons huwelijk staat onder ede. Ons jawoord heeft geklonken in de tegenwoordigheid van God en de gemeente. Houdt u zich eraan? Hoe doet u het in het leven van iedere dag?

 

Als de Heere ons huwelijk wilde zegenen met kinderen en we ze ten Doop hebben mogen houden, voor Gods aangezicht, voor de gemeente, leggen we een eed af.

Ervaren we de spanning van die eed die we hebben afgelegd bij de doopvont toen wij ons jawoord aan de Heere gaven, om ze in de vreze des Heeren op te voeden? Wat een worsteling! Vindt u niet?

Wie zal zich hier op de borst slaan en zeggen: ‘Nee, maar dat is voor elkaar.’ Wat een worsteling om onze kinderen godzalig voor te leven en getrouw te zijn in de opvoeding.

We hebben gezegd, toen we ons jawoord lieten klinken: ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig.’ Het is wel nodig ook, dat de almachtige God ons helpt om die belofte die we gedaan hebben, waar te maken.

‘Heere, in eigen kracht kan ik het niet, want als U me een ogenblik in de steek laat, dan zou het fout gaan. Wat heb ik de hulp van U, o Heere God, nodig!’

Mag u zo aan Zijn voeten terechtkomen en bedelen bij God, Die gezworen heeft: ‘Ik zal Mijn waarheid nimmer krenken, maar eeuwig Mijn verbond gedenken. Op Mij kunt u aan!’?

Hij is de God des eeds en des verbonds. Hij heeft beloofd: ‘Zolang als er de zon is, zal Zijn Naam van kind tot kind voortgeplant worden; en zij zullen in Hem gezegend worden; alle heidenen zullen Hem welgelukzalig roemen.’ Doe er een beroep op, gemeente. Laat het geen formaliteit zijn, maar een worsteling in uw leven: ‘O God, doe toch wat U gesproken hebt!’

 

Een eed wordt ook afgelegd bij de aanvaarding van een ambt. We hebben een ambtseed afgelegd in het midden van de gemeente, voor het aangezicht van God. Het gaat erom: maken we het waar? Zoeken we ook werkelijk in ons ambtelijk leven aan de waarheid getuigenis te geven? Zijn we getrouw, zonder aanzien des persoons, in onze levenswandel? Hebben we de waarheid lief? Niet schipperen, maar recht door zee.

O, we hebben gezworen om de Heere te dienen en getrouw te zijn met heel ons hart, met ons verstand en onze krachten! Maar kunnen we als ambtsbroeders zeggen: ‘Wij zijn rein van het bloed van de gemeente.’?

Voelt u, gemeente, wat een worsteling dat is en wat een gebeden er zijn voor de troon van Gods genade voordat een ouderling op huisbezoek gaat of een diaken op diaconaal bezoek, voordat we de kansel opgaan om het Woord Gods te spreken?

 

We zijn dan bij God op spreekuur zijn geweest en hebben Zijn aangezicht ernstig gezocht en gevraagd:

‘O Heere, komt U mee met de zalvende bediening van Uw Heilige Geest? En geef het woord dat we mogen spreken, gezag, het gezag van de Schrift. Dat het mag ingaan in de harten. Dat we samen mogen merken: de Heere is in ons midden. Christus Jezus, laat Uw bloed nog druppelen op schuldige harten van mensen.’

Het kan zo gemakkelijk in de ambtelijke bediening dat mensen iemand op een voetstuk plaatsen. Dan moet zo iemand soms een hele zware val maken om weer op zijn eigen plaats te komen. Dan zijn we eerrovers van God. Ook hier geldt: ‘Zijn we getrouw aan de eed die we hebben afgelegd?’

Gemeente, er is hier niemand die onder Zondag 37 uitkomt. We allen onder ede. We hebben ‘amen’ gezegd op de zegen en de vloek zoals Mozes aan het volk Israël heeft voorgehouden.

Maar wat maken we ervan? Wat komt er openbaar in ons leven?

 

Of kunnen we ons jawoord dan maar beter niet geven, als u zegt: ‘Ik heb er toch eigenlijk niet zoveel van gemaakt. Maar ja, nu houdt God mij aan die belofte.’ Kunnen we dan beter maar helemaal geen ‘ja’ meer zeggen?

Nee, want ons jawoord is niet alleen een eed voor Gods aangezicht, maar ook een gebed: ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig.’

Heb de Heere maar nodig, om de keus van uw hart uit te spreken:

‘Ik heb lust om de Heere te vrezen. Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal? Ik ben tot Uw dienst.’

Als dat zo is, dan mag u houvast krijgen aan God, Die zweert en Die Zijn eden houdt. Wat een machtig wonder, dat God zweert! Dat doet Hij omdat wij leugenaars zijn. Daarom! Omdat wij God verdenken. Omdat het bij ons vaak is: ‘zo de waard is, vertrouwt hij zijn gasten.’ Wij staan tegenover de Heere op een manier die niet goed is. Die houding hebben we meegekregen van onze eerste vader en moeder, vanuit het paradijs.

 

Dat is wat, dat wij God voor een leugenaar durven te houden! Als Hij ons zegt dat Hij onze zaligheid zoekt en dat Hij onze zaligheid bedoelt en niet wil dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen, dan gaan we redeneren.

We pakken hier een tekst en we plukken daar een stukje en we leggen het bij elkaar als een puzzeltje.

We willen het kloppend en passend maken en we zeggen:

‘O, maar als God mij niet uitverkoren heeft, dan heeft Hij toch behagen in mijn verdoemenis en in mijn ondergang.’

Wij, mensen vertrouwen God niet op Zijn Woord; op wat Hij zegt. Wat doet de Heere? Hij daalt laag tot ons af, als het einde van alle tegenspreken, naar al die leugenachtige en God‑verdenkende mensen en Hij zweert van de hemel:

‘Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere Heere, zo Ik lust heb in den dood des goddelozen! Maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls?

Dat is het Woord van God. Van dat Woord kunt u op aan. Met dat Woord in de hand kunt u staan voor de rechterstoel van God. God breekt Zijn Woord niet. God breekt Zijn eed niet. Nooit! Hij zegt:

‘Mensen, al wat u ontbreekt, geloof, liefde, een verbroken hart, zondekennis, noem het maar op, al wat u ontbreekt, dat schenk Ik zo gij het smeekt, mild en overvloedig.’ ’Ik heb eens gezworen bij Mijn eigen heiligheid, zo Ik aan David lieg, zo hem Mijn woord misleid’.

Op God kunnen we aan.

 

Maar dat geldt ook naar de andere kant.

Wee ons, als we onder ede staan en wij die eed niet nakomen en niet leven uit die eed van God. Dan roepen we de straf over ons in.

Dan zegt de Heere:

‘Ik heb gezworen in Mijn toorn indien zij in Mijn rust zullen ingaan.’

Dat is erg. Dat is vreselijk!

O, vlucht tot God, Die meinedigen ontvangt en vergiffenis schenkt.

 

De derde gedachte:

 

3. Het godzalig eedzweren als een aanroepen van de Naam van God in het persoonlijk

     leven

 

U vraagt u af: ‘Kan dat eigenlijk wel?’ De eed hoort toch niet in het particuliere leven thuis? We hebben toch gezien in de Catechismus dat het een taak is van de overheid?

Ja, maar, gemeente, als ik u de volgende vraag stel, begrijpt u het wel:

Hebt u nooit vanuit de volheid van uw hart geroepen:

‘Ik zal u hartelijk liefhebben, Heere, mijn Sterkte. Ik zal U mijn geloften betalen, die mijn lippen hebben geuit, en die mijn mond heeft uitgesproken, als mij bange was’?

Een mens belooft weleens wat aan God.

U kent misschien de praktijk van de Schotse oudvaders. Het kwam voor dat zij opschreven, in alle eerlijkheid, om de Heere lief te hebben en te dienen. Zij schreven het op en ondertekenden het met hun handtekening. God mocht hen daaraan houden.

 

Zo’n eed brengt ons voor het aangezicht van God, waardoor het een zaak wordt tussen God en onze ziel.

Dan verbinden wij ons aan Zijn heerlijke dienst, voor tijd en eeuwigheid.

Als we ingenomen worden door Zijn liefde, dan zweren we trouw aan God.

Als de Geest ons hart breekt en ons laat zien wie wij zijn en Wie we nodig hebben namelijk een Borg voor onze schuld.

En dat Christus gekomen is uit de liefdehand van de Vader, gegeven tot verzoening van alle zonden.

En als de Geest getuigt in ons hart dat we daarbij ingesloten worden, dat het ook voor ons is, dan kan het niet anders of we geven ons helemaal over in Zijn handen.

Dan zeggen we: ‘Heere, U wil ik dienen.’

En we zeggen tegen de zonde: ‘Henen uit! Ik wil u niet meer dienen.’

 

O ja, het is een hele strijd.

Volmaakt wordt niemand. Ten diepste leer je hoe langer hoe meer wat een grote zondaar je bent. Naarmate je dichter bij de Heere komt in Zijn heiligheid en in Zijn genade en liefde, des te meer leer je wie je bent.

Juist na ontvangen genade. Juist in het leven van de heiligmaking.

Juist als u weet: ‘Mijn zonden zijn vergeven in het bloed van Christus.’

‘O God, wat ben ik toch een mens, dat ik nu weer dit gedaan heb of dat ik nu weer dat gedaan heb of in die zonde gevallen ben. Wat heb ik mijn eigen eer weer bedoeld!’

Dan buigen we aan de voet van het kruis en dan belijden we onze zonde en we strekken onze handen uit en we zien daar… twee doorboorde handen! We zien daar een blik vol liefde. Een Borg, Die bidt voor vijanden, zodat ze met God verzoend worden.

 

O gemeente, wat is de dienst van God een liefdedienst! Ik kan het u zo van harte aanbevelen. Belijd het toch: ‘Aangaande mij en mijn huis, wij zullen de Heere dienen.’ Kent u dat? Mocht u het wel eens uitroepen, onder de dienst van deze Koning: ‘Mijn hart, o Hemelmajesteit, is tot Uw dienst en lof bereid!’

Hoe vaak ik dát al niet uitgeroepen heb! Ik doe het iedere keer weer. Dan teken ik weer bij en dan zeg ik: ‘Heere, wie ik ook blijf in mezelf, maar U wil ik toch dienen. In Uw dienst wil ik leven en sterven.’ Geen andere dienst dan de dienst van deze Koning.

 

Dan krijg je God onbeschrijfelijk lief. Je krijgt de Heere Jezus Christus onbeschrijfelijk lief, als je ziet wat een trouwe Zaligmaker Hij is.

En de Heilige Geest krijg je lief en nodig.

Want hoe zouden we, zonder de Heilige Geest in ons hart, God kunnen dienen?

Hoe zouden we, zonder de toepassing van de Geest in ons hart, onze zonde leren kennen?

Zou er dan plaats komen voor de Heere Jezus?

Niets van dat alles!

Het is alles het werk van de Heilige Geest. Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen. Die zal het toepassen in uw hart. Die zal de wet Gods schrijven in uw hart. Die zal de liefde van God storten in uw hart.

 

Dat doet je zeggen:

Want deze God is mijn God;
Hij is mijn deel, mijn zalig lot,
Door tijd noch eeuwigheid te scheiden;
Ter dood toe zal Hij mij geleiden.

We worden ook eerlijk voor deze God, Die de waarheid wil en geen leugen.

We zeggen:

‘Heere, als er nog iets verkeerds in mijn leven is, zou U dat dan willen aanwijzen? Zou U dat dan willen laten zien? Ontdek mij daaraan. O Heere, doorgrond mij en ken mijn hart. En als er nog een schadelijke weg bij mij gevonden wordt, o neem die weg, Heere, en leid mij op de eeuwige weg.’

O, dan zweren we de godzalige eed van trouw aan God.

‘Deze God wil ik dienen.’

Als we de trouw van God zien, die vanuit het Woord en bij het zien op Christus, tot ons komt, dan echoot in ons hart:

‘Heere, ik heb U lief. U heb ik lief, tot in eeuwigheid.’

 

Zo mogen we, én in de samenleving én in de Kerk én in het persoonlijk leven de Naam van de Heere aanroepen en leven uit Zijn duur verworven eed, die Hij weleer aan Abraham deed, uit Zijn verbond dat van geen wankelen weet.

Dan is er ook hoop voor uw kinderen, want de Heere heeft beloofd: ‘Ik wil uw God zijn en de God van uw zaad.’ Onder ede beloofd!

 

In het laatste oordeel komt de Rechter van hemel en aarde terug op onze eden.

Is er hier misschien iemand bang, na alles wat we hebben gehoord, dat hij meineed heeft gepleegd? Ja, dat is heel erg.

Nu is de vraag: ‘Is daar ook verzoening voor?’

Ja gemeente, daar is ook verzoening voor, in Christus. Hij heeft de eed gehouden voor Kajafas. Hij heeft de godzalige eed gezworen in de rechtszaal. Kajafas had het over moeten geven in de handen van de alwetende God en Hem niet moeten schuldig spreken, toen Christus zei: ‘Ja, waarachtig, Ik ben de Zoon van God.’

Hij heeft hij het recht in eigen hand genomen en uitgeschreeuwd: ‘Gij hebt de godslastering gehoord: wat dunkt ulieden?’ En heel de hele menigte schreeuwt: ‘Hij is des doods schuldig.’

 

Zo is Christus door Zijn godzalig eedzweren als een meinedige veroordeeld. Hij is op Golgotha de vloekdood aan het kruis gestorven, tussen lasteraars en moordenaars. Daar heeft Hij Zijn leven gegeven.

Vanuit het wonder, dat Hij dat deed, gaat de nodiging uit tot mensen die tot de ontdekking komen dat ze een meineed hebben gepleegd, een valse eed hebben afgelegd.

Maar niet minder als tot leugenaars, ook tot trouweloze mensen, die te schande staan en hun schuld moeten belijden voor God en voor mensen, mensen die hun beloften de Heere niet hebben betaald.

 

Tot hen komt de nodiging.

O, kniel maar neer aan de voet van dat gezegende kruis. Want bij Hem is vrede, bij Hem is vergeving voor de grootste der zondaren. Ook voor meinedigen.

Zie dan hoe gewillig Hij onze meineden, onze trouweloze beloften, op Zich genomen heeft. Hoe er bevrijding is in Zijn bloed voor het hoogste gerechtshof van God.

Geen meinedige zal het nieuwe Jeruzalem binnengaan.

 

Maar Jezus leeft!

Hij is de Voorbidder bij God en Hij brak nimmer Zijn beloften. Hij heeft het telkens zo gezegd:

‘Voorwaar, voorwaar zeg Ik u.’

‘Amen, amen zeg Ik u.’

Dan volgde Zijn lieflijk Evangelie.

 

Hij bleef trouw aan de belofte, die Hij gedaan had in de eeuwigheid aan Zijn Vader, om te sterven voor schuldige zondaren. Daarom komt God met Zijn Woord tot u en tot mij. Tot mensen die zondig zijn en schuldig en die het zo diep kunnen laten liggen.

 

Hij zegt:

‘Ik zweer van de hemel.

Want dat zal Mij zijn als de wateren Noachs, toen Ik zwoer dat de wateren Noachs niet meer over de aarde zouden gaan; alzo heb Ik gezworen dat Ik niet meer op u toornen, noch u schelden zal.’

Het natuurverbond met Noach is gesloten boven het offer. Christus en Dien gekruist, daar wees dat offer heen.

Daarom is de samenleving nog mogelijk.

Daarom is Gods algemene genade nog over ons.

Daarom zijn we nog hier onder de aanbieding van Gods genade.

Daarom mogen we tot Zijn gemeente behoren.

 

Dan is er het verbond van God dat beter is dan dat verbond met Noach. Het natuurverbond staat tot een voorbeeld en tot een beeld en teken voor het genadeverbond, dat eeuwig is.

Want bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere, uw Ontfermer.

 

Op Mij kunt u aan.

Mijn goedertierenheid is tot in der eeuwigheid.

 

Amen.