Ds. C.G. Vreugdenhil - Hoofdstuk 1

Het besluit van verkiezing en verwerping

Als beleden vanuit het heiligdom
Als ontvangen vanuit Gods welbehagen
Verbonden met onze verantwoordelijkheid

Hoofdstuk 1 :

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 34: 1 en 11
Lezen : Handelingen 13: 26 - 52
Zingen : Psalm 135: 1, 3 en 12
Zingen : Psalm 115: 1, 2 en 5
Zingen : Psalm 105: 24

De Dordtse Leerregels, Hoofdstuk 1, par.6:

 

1-6 Dat God sommigen in den tijd met het geloof begiftigt, sommigen niet begiftigt, komt voort van Zijn eeuwig besluit. Want al Zijn werken zijn Hem van eeuwigheid bekend (Hand. 15:18), en Hij werkt alle dingen naar den raad van Zijn wil (Ef. 1:11). Naar welk besluit Hij de harten der uitverkorenen, hoewel zij hard zijn, genadiglijk vermurwt en buigt om te geloven; maar degenen die niet zijn verkoren, naar Zijn rechtvaardig oordeel, in hun boosheid en hardigheid laat. En hier is het dat zich voornamelijk voor ons ontsluit die diepe, barmhartige en evenzeer rechtvaardige onderscheiding der mensen, zijnde in evengelijke staat des verderfs, of het besluit van verkiezing en verwerping, in het Woord Gods geopenbaard. Hetwelk, evenals het de verkeerde, onreine en onvaste mensen verdraaien tot hun verderf, alzo den heiligen en godvrezenden zielen een onuitsprekelijken troost geeft een zeer blijde boodschap, tot wie Hij wil en wanneer Hij wil;

 

Gemeente, het gaat in Hoofdstuk 1, par.6 over

 

Het besluit van verkiezing en verwerping

     1. Als beleden vanuit het heiligdom

     2. Als ontvangen vanuit Gods welbehagen

     3. Verbonden met onze verantwoordelijkheid

 

1. Als beleden vanuit het heiligdom

Ik kan me goed voorstellen dat u na het lezen van deze paragraaf de indruk hebt alsof u voor een ondoor­dringbare muur staat. Alles lijkt van tevoren onherroepelijk vast te liggen. Je hoort erbij of je hoort er niet bij. Geen wonder dat veel mensen komen tot doffe berusting, tot valse lijdelijkheid of tot wanhoop. Waar is hier de poort van het Evange­lie, waardoor het licht van Gods genade komt binnen stromen? U ziet alleen maar een dikke muur, waarop een mens zich te pletter kan lopen.

 

Terwijl de opstellers van de Dordtse Leerregels met deze paragrafen een totaal andere bedoeling hebben, is bovengenoemde ervaring voor veel mensen de werkelijkheid. Hoe komt dat? Dat komt omdat we het verband, de context waarin deze paragrafen staan over het hoofd zien. Niet voor niets hebben onze vaderen vijf paragrafen hieraan vooraf laten gaan als een inleiding op het eigenlijke leerstuk waar het in de Dordtse Leerregels om gaat. Er is toen gespro­ken over de verlo­renheid van alle mensen, over Gods liefde, dat Hij zijn Zoon zond in de wereld om ons te behouden en over de prediking, waardoor de mensen tot geloof worden gebracht.

 

In dat verband staat par.6, niet als een ‘theorie over de leer van de uitverkiezing’, maar als een geloofsbelijdenis. Het is een loflied van de kerk op de genade van God. Wie gaat piekeren of redeneren over Gods eeuwi­ge besluiten loopt onherroepelijk vast, want het is een lofzang op het grote wonder dat er ondanks alle tegenstand en ongeloof toch nog mensen tot het geloof komen. In dat verband staat ook in Hand. 13, onze schriftlezing, die heerlijke belijdenis van de bekeerde heidenen in Antiochië. Als de apostelen erop wijzen dat God zijn Zoon gezonden heeft in de wereld tot een licht der heidenen en tot hun zaligheid, dan komt daar opeens die lofzang op de verkiezing: Want alzo heeft ons de Heere geboden, zeggende: Ik heb u gesteld tot een licht der heidenen, opdat gij zoudt zijn tot zaligheid, tot aan het uiterste der aarde. Als nu de heidenen [dit] hoorden, verblijdden zij zich, en prezen het Woord des Heeren; en er geloofden zovelen, als er geordineerd waren tot het eeuwige leven. (Hand. 13: 47, 48)

 

Belangrijk is dus het verband waarin iets gezegd wordt. Bij wijze van voorbeeld ga ik dat, als inleiding op de verklaring van par.6, met u na vanuit de schriftlezing. In Antiochië verkondigt Paulus Christus en zegt: Tot u is het woord dezer zaligheid gezonden. (Hand. 13:26) Onvoorwaardelijk klinkt zijn boodschap: Door deze Jezus wordt u vergeving van zonden verkon­digd. Een ieder die geloofd wordt gerechtvaardigd. Dan blijkt dat de ene groep in de synagoge van Antiochië van het Evangelie niets moet hebben, terwijl een ander deel vraagt: dat tegen den naasten sabbat hun dezelfde woorden zouden gesproken worden. Ze willen het woord van God opnieuw horen. Twee reacties dus zoals die ons reeds werden voorgehouden in art 4. namelijk geloof en ongeloof.

 

Ondanks de vijandschap tegen Paulus’ bediening en prediking gaat de Heere Zijn gang en werkt Zijn plan uit. Hij brengt mensen tot geloof. Als die gelovigen achteromkijken, zeggen ze: Dank u Heere, als U mij niet verkoren had, had ik nooit gekozen voor U en Uw dienst. Ziet u het is geen sluitend systeem, maar een geloofsbelij­denis. God heeft mijn harde hart verbrijzeld en omgebogen. In dat kader staat er: Er geloofden zove­len, als er geordineerd waren tot het eeuwige leven. In vers 50 lezen we dat er vervolging uitbreekt. Maar God houdt Zijn kinderen vast. Ze staan in Zijn boek. Vervolging, haat en vijandschap kunnen Gods plan niet ongedaan maken. Juist in tijden van lijden en verdrukking en onder verleiding van afval is de verkiezing van God zo'n onuit­sprekelijke troost maar ook in strijd en aanvechting.

 

Gemeente, nu mogen ook wij alleen maar in datzelfde kader, dat onze vaderen beleden hebben, spreken over de uitverkiezing. Par.6 spreekt over de verkiezing vanuit het geloof, vanuit het binnenste heilig­dom, waar de Heere iets laat zien van Zijn eeuwige liefde. Het is geen lesje over de verkiezing, dat voor ons verdorven verstand te begrij­pen zou zijn, maar het is een lofzang uit verwondering. Het hart roept uit: O grote God, dat u mij toch van eeuwig­heid hebt liefgehad. Het is niet bedoeld zo zegt het slot van par.6 voor verkeerde en onvaste mensen, die alles verdraaien tot hun eigen verderf, maar de heilige en godvrezende zielen mogen er hun troost uit putten, troost uit die leer van vrije genade.

 

De verkiezing is als ‘een poort in de muur van onze onmacht en onwil’ om te geloven en dat wordt alleen ervaren in het binnenste heiligdom, waar de diepste geheimen van de zalig­heid en het komen tot het geloof worden gezien. Wie nog buiten dit heiligdom, de plaats van de omgang met God door verzoening in het bloed van Christus, staat, die begrijpt er niets van. Die moet zich hier niet vertillen en denken dat hij het wel beredeneren kan. Nee, die moet heel goed luisteren naar de predi­king, naar de oproep tot bekering en geloof in Christus de Gekruisigde. Alleen wie door genade het heiligdom van God mocht binnenkomen, die verlost is door Christus' bloed en toegebracht door de Heilige Geest, die mag iets zien van het welbehagen van God, waarin zijn heil voor eeuwig vastligt en hij mag met de dichter zingen: Hier weidt mijn ziel met een verwond'rend oog.

 

Het is nu inmiddels wel duidelijk, dat wij heel goed moeten luisteren naar datgene wat de Dordtse Leer­regels zeg­gen en voortdurend in de gaten houden waarom zij het zeg­gen en tegen wie zij het zeggen, want anders vallen er brokken. Dat is in het leven ook zo. Als je iets zegt in een bepaald verband en die woorden worden er uit los­ge­maakt dan kan iets heel belangrijks juist be­spottelijk worden.

 

Wel, zo mogen wij de boodschap van de Dordtse Leerregels ook niet losma­ken van de discussie met de Remonstranten. Zij probeerden telkens weer de aandacht af te trekken van de verkiezing naar de verwer­ping en de gevolgen daarvan. Volgens hen zou God zo de auteur van de zonde zijn. Zij probeerden de gedachten zo te leiden, dat de leer van de verkiezing de mensen zou brengen tot noodlotsge­voel door een kloppend en sluitend systeem. Maar het was niet de bedoeling van onze Dordtse vaderen om te spreken over de verwerping. Deze komt alleen ter sprake als schaduwzijde van de verkiezing. We mogen verkiezing en verwerping niet co-ordineren, niet als twee evenwijdige lijnen naast elkaar leggen. Het zijn geen twee zaken, die met dezelfde nadruk beleden worden. De verkiezing treedt naar voren en wordt beleden vanuit het welbehagen van God. De verwerping is de donkere schaduwzijde ervan, in samenhang met het ongeloof en de onbekeerlijkheid van de mens. We moeten daarbij altijd met twee woorden spreken. Gods raad, zeker, maar allereerst onze schuld en vervreem­ding van God. De Heere werpt niemand weg, die tot Hem komt, maar Hij laat naar zijn rechtvaardig oordeel mensen in hun boos­heid en hardheid. Bij de verkiezing spreken we met één woord. Het is genade alleen, vrij en soeverein welbehagen dat ik tot het geloof kwam, want mijn hart was niet minder hard dan dat van wie dan ook.

 

Het ging in discussie met de remonstranten ten diepste om de vraag of het zalig worden nu afhangt van de mens en zijn wil, onze vrije keus en geloof, of dat wij de zaligheid echt helemaal, inclusief die keus, te danken hebben aan Gods genade. Anders gezegd: Dat het heil vastligt in Gods eeuwige liefde. Om dat speciale aspect gaat het. Onze vaderen hebben niet een systeem wil­len op­dringen dat over de prediking heen gelegd moet worden. Art.3, de verkondi­ging van Christus de Gekruisigde, waardoor God de mensen tot het geloof brengt, gaat aan art. 6 vooraf.

 

De lijn is dat alle mensen door de zondeval verloren zijn ge­gaan. Als God nu niets besloten en niets gedaan had, dan had geen mens meer willen en meer kunnen zalig wor­den. Want wat is de nood van onze val? Dat ons hart dood en koud is geworden. De hemel lokt ons niet en de hel verschrikt ons niet. Als we konden kiezen tussen Gods wel-bestaan en Gods niet-be­staan, dan zouden wij voor het laatste kiezen, want dan konden wij ook niet verloren gaan. Zo diep zit dat ongeloof. Nogmaals, als wij het hadden moeten doen, dan zouden de zondeval en de eeuwige verlo­renheid het enige en het laatste zijn geweest.

 

Maar God heeft het niet aan ons overgelaten. Nee, de Heere heeft Zijn eniggeboren Zoon gegeven en Hij heeft verkon­digers van die zeer blijde boodschap gezonden en Hij zendt die nog steeds. Maar rond dat Evangelie valt er een scheiding, sommigen blijven in ongeloof volharden en anderen nemen het Evangelie aan. Kijk, en daar­bij komt nu de vraag op: Hoe komt het dat er zijn die de bood­schap aannemen en dat er anderen zijn die in het ongeloof volharden?

 

Het laatste is geen vraag. Wij kunnen heel eenvoudig zeggen dat het vol­harden in het ongeloof ons mensen-eigen is. Wij zijn van God af­ge­vallen en wij zijn vol ongeloof. Wat wel verwonderlijk is, dat er mensen gaan ge­lo­ven, dat men­sen waarachtig Christus met een waar geloof aannemen. Hoe is dat mogelijk? Dat komt omdat God mensen tot dat geloof brengt. Hij doet hen geloven. Hij geeft hen geloof. Wel, zo hebben wij de lijn van paragraaf 1 tot en met 5 weer te pakken, die zegt: dat de genadegift van het geloof alleen beleden kan worden als je binnen gegaan bent in het heiligdom van het geloof.

 

Het besluit van verkiezing en verwerping zien we ook:

 

2. Als ontvangen vanuit Gods welbehagen

Nu begint par.6 met te zeggen: God begiftigt in de tijd sommigen met geloof en Hij begiftigt sommi­gen niet. Let erop dat er niet staat dat God sommigen met geloof be­giftigt en dat Hij velen niet met geloof begiftigt. Nee, over aan­tal­len wordt geen uitspraak ge­daan. De Leerre­gels willen niet stel­len dat er slechts een enkeling uitverkoren is. Nee, zij gaan uit van de werkelijkheid dat de één onder de prediking tot geloof komt en de ander niet. Hoe komt dat nu? Wat is daarvan de diepste reden? Dat werd aan het slot van par.5 gezegd: de oorzaak van het ongeloof ligt in de mens, terwijl het tot geloof komen een genadega­ve van God is.

 

God begiftigt in de tijd met geloof. Maar hoe werkt dat? Is het bijv. zo dat de Heere ziet dat een meisje heel serieus met de dingen van de eeuwigheid bezig is en dat Hij dan bij Zichzelf zegt: Dat kind geef Ik geloof’? Gelukkig niet! Dat zou voor ons verstand wel logisch zijn, maar voor dat kind zou dat een ramp zijn. Zij zou in de angstige kwel­ling komen: Ben ik wel serieus genoeg bezig? In welk opzicht is ons ‘serieus bezig zijn’ dan anders dan dat van de farizeeën? De oorzaak van de genade zou dan in ons liggen. Het Evangelie zou dan alleen een blijde boodschap zijn voor mensen die blij zijn met zichzelf. De ge­nade van God zou dan alleen maar ‘volgende en meewerkende genade’ zijn. Dat zeiden nu juist de remonstranten.

 

Zo ligt het gelukkig niet. De genade is niet gedeeltelijk genade, de genade is volkomen genade. Het ‘gaan geloven’ komt bij God van­daan. En dat komt bij God vandaan zonder iets van ons. Dat God sommigen in den tijd met het geloof begiftigt, sommigen niet begiftigt, komt voort van Zijn eeuwig besluit.

 

God heeft besloten dat Hij mensen het ge­loof zal geven. Hij heeft dat al van eeuwigheid beslo­ten. De Leerregels voegen daaraan toe: Want al Zijn werken zijn Hem van eeuwigheid be­kend (Hand. 15: 18), en: Hij werkt alle dingen naar den raad van Zijn wil.

 

Let er wel op dat er niet staat dat al onze werken God van eeuwigheid be­kend zijn, maar dat al Zijn werken Hem bekend zijn. God handelt niet omdat Hij weet wat wij gaan doen, maar omdat Hij weet wat Hijzelf gaat doen. Als God niet besloten had mensen te redden, dan zou er niet één tot bekering komen. In Rom. 3 zegt de apostel immers dat er niemand is die God zoekt. Alle gelovigen zullen ook belijden dat hun hart niet minder hard was dan dat van degenen die niet geloven.

 

Nee, in zichzelf kan geen van de gelovigen de reden vinden dat zij ge­loven. Zij kunnen alleen maar zingen: Het is door U, door U al­leen om het eeuwig welbehagen. Dat zingt trouwens ook de kleinste in de gena­de, ook al tobben juist zij met de uitverkiezing. Als zij, gelovigen, op de markt lopen en een oude school­vriend of vriendin tegenkomen die ner­gens meer aan blijkt te doen, dan zeggen zij stil in hun hart: Heere, dank U voor het wonder dat U mij hebt vastgehouden.

 

Die twee aangehaalde teksten over de werken van God, die al van eeuwigheid af bekend zijn, wijzen op het verlossingsplan van God. Het gaat erom dat God niet grillig en wispelturig handelt. Als er een huis of kerk gebouwd wordt, moet er eerst een bestek zijn. Je gaat niet zomaar in het wilde weg bouwen, waarbij je dan maar afwacht, waar je uit zult komen. Dat zou dwaasheid zijn. Zo gaat de hemelse Bouwmeester bij de bouw van de tempel van de Nieuwtestamentische Gemeente ook te werk volgens zijn bestek. Wat God doet in de tijd is reeds door Hem besloten van eeuwigheid. Van eeuwigheid lag Zijn plan al klaar.

 

Zo staan de namen van allen, die getrokken worden uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht reeds van eeuwigheid geschreven in het boek des levens. Dat zeg ik niet of de Dordtse Leerregels, maar de Bijbel, lees maar Openb.17:8. Wat een wonder, gemeente, als we daar ook heel persoonlijk voor onszelf het zicht op mogen krijgen. Dan worden we terug-geleid in Gods ‘eeuwige Vrederaad’: Ja Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde - daarom heb ik u getrokken met goedertierenheid (Jer. 31: 3). In die ‘eeuwige Vrederaad’ tussen de Vader, de Zoon en Heilige Geest is de Borg en Middelaar naar voren getreden en heeft gespro­ken: Ik heb verzoening voor dezen gevon­den (Job 33: 24).. Als ik dat wonder vatten wil, staat mijn verstand met eerbied stil. Eer iets van mij begon te leven, was alles in Uw boek geschreven. (Ps.139) Dat is die 'raad van Zijn wil', het bestek, het verlossingsplan.

 

Hoe zeggen de Leerregels dat? Naar welk besluit, welk plan, Hij de harten der uit­verkorenen, hoewel zij hard zijn, genadiglijk vermurwt en buigt om te geloven; maar degenen, die niet zijn ver­ko­ren, naar Zijn recht­vaardig oordeel, in hun boosheid en hardigheid laat.

Laten we eerst maar op het laatste letten. Er staat niet dat God besloten heeft mensen te verwerpen. Het is niet zo dat de Heere mensen af­wijst en verwerpt die toch zo graag zouden willen geloven. Nee, de Heere laat hen naar Zijn recht­vaardig oordeel, in hun boosheid en hardigheid. Dat had de Heere met alle mensen kunnen doen en dan zou er niemand God van onrecht kunnen beschuldigen. Maar de Heere kan dat niet en de Heere wil dat niet vanwege Zijn barmhartigheid.

Zo heeft de Heere besloten verloren mensen te redden. Wat ligt daarin opgesloten? Dat Hij de harten van die mensen, hoewel zij hard zijn, genadig­lijk vermurwt en buigt om te geloven. En zo is het! De harten van degenen die geloven waren, voordat God ingreep, net zo hard als die van de ongelovigen. Ook zij hadden een stenen hart. Ook hun hart was ongevoelig voor de genade en voor de liefde van Chris­tus. Dus in het hart ligt het onder­scheid niet.

 

Nee, de Heere gaat een onderscheid bewerkstel­ligen waar geen onderscheid was. Hoe? Door bij mensen het hart te vermurwen en te buigen om te gelo­ven. God verbrijzelt harde harten door Zijn liefde. De roepstem van het Evangelie gaat, door de herscheppende kracht van Heilige Geest, doordringen in de harten van mensen. We komen God onder ogen en gaan rekening met Hem houden. De liefde van God trekt je naar Hem toe en je ontwakend geweten begint je te veroordelen. Je hart wordt verbrijzeld, vermurwd. Je opstand tegen God maakt plaats voor liefde tot God. De nodigingen van de Heere Jezus breken je hart als het ware open. Je gaat heerlijkheid zien in de Gekruisigde, Die in prediking en Woord tot ons komt. Je hart wordt besneden, er komt een vlezen hart, gevoelig en bewo­gen en verlangend naar de verzoening met God. De Heere vermurwt echter niet alleen, Hij buigt ook om te geloven, het Woord te geloven, in Christus te geloven, zoals Lydia gelovig werd aan Christus. Als u komen mag tot het verlangen naar Hem en de overgave aan Hem, omdat in Hem alles ligt wat een arme zondaar nodig heeft om met God verzoend te zijn, dan verstaat u de bruid: Zulk een is mijn Liefste (Hoogl. 5: 16).

 

Herkent u het? De Heere verbrijzelt het hart en Hij buigt om te geloven in Christus de Gekruisigde, de Zaligmaker en Verlosser, Die gekomen is om Zijn volk zalig te maken van hun zonden. Die genadegift van het geloof wordt ontvangen uit Gods welbehagen. Dat is het diepste geheim.

 

En daarom zeggen wij met de Leerregels:

En hier is het, dat zich voornamelijk voor ons ontsluit die die­­pe, barm­har­tige en even­zeer rechtvaardige onderschei­ding der men­sen, zijnde in even gelijken staat des verderfs, of het besluit van Verkiezing en Ver­werping, in het Woord Gods geopen­baard.

Het gaat hier om het onderscheid dat God maakt waar geen onder­scheid was. Dat onderscheid is diep. Het is een geheim in Gods barmhartige hart. Dat God dit onderscheid maakt is tegelijk niet onrechtvaardig, want de Heere had ons allen in het ongeloof en in het eeuwige ver­derf kunnen laten. Let erop, God werpt nie­mand in het ver­derf, nee., alle mensen liggen in even gelijken staat des verderfs. In Zijn barmhartigheid heeft God besloten niet allen daarin te laten. Dat is heel diep en dat is heel barmhartig.

 

Waarom zeggen de Leerregels dit? Omdat de Remonstranten beweer­den dat degenen die geloofden in diepste we­zen zelf besloten hadden om te gaan geloven. Dat omringden zij wel met ‘iets van genade’, maar in diepste wezen was het de keus van de mens zelf. Maar wij geloven met onze vaderen dat degenen die de ver­schij­ning van Christus hebben lief gekregen alleen maar zo naar God kunnen ver­wijzen: O Heere, dat U mijn hart vermurwd hebt. Juist in onze tijd van secularisatie wordt dat steeds aangrij­pender. Dat u nu Christus hebt lief gekregen en uw broer nergens meer aan doet, hoe komt dat? Hebt u het beter gedaan? O, de oprechten voelen hun hart bre­ken van verwondering. Heere, niet ons o Heer', niet ons, Uw Naam alleen zij eeuwig lof en eer. Zo vinden wij deze barmhartige en tegelijk rechtvaardige onderscheiding van de mensen in het Woord Gods geopen­baard. Het staat in de Bijbel.

 

We gaan zingen

 

Psalm 115: 1, 2 en 5

 

Niet ons, o HEER’, niet ons, Uw Naam alleen

Zij, om Uw trouw en goedertierenheên,

All’ eer en roem gegeven.

Waarom, o Heer’, zou ’t heidendom, met spot,

Dan zeggen: Waar, waar is toch nu hun God,

Bij hen zo hoogverheven

 

Nochtans is God het doel van onzen lof;

Hij, onze God, Hij woont in ’t hemelhof,

En doet al Zijn behagen.

Hun afgoôn zijn van zilver en van goud;

Slechts mensenwerk, waaraan, zo snood als stout,

Gods eer wordt opgedragen.

 

Maar, Israël, vertrouw gij op den HEER’;

Hij is hun hulp, hun sterkt’ en al hun eer,

Hun schild, dat nooit zal wijken.

Vertrouw op God, gij Arons nageslacht;

Hij is hun schild, hun hulp, Die hun Zijn macht

       Zo menigwerf deed blijken.

 

 

 

 

 

De genadegift van het geloof is wel

 

3. Verbonden met onze verantwoordelijkheid

 

We hoorden dat het geheim is dat het niet gaat om mijn kiezen, maar Gods verkiezen. En dat ge­heim geeft den heiligen en Godvrezen­den zielen een onuit­spre­ke­lij­ken troost. Ja, dat mijn geloven te herleiden is tot dat geheim van Gods eeuwige liefde geeft zo'n onuit­sprekelijke troost. Waarom? Wel, als mijn kiezen het ge­heim was, dan zou ik bang worden. Waarom? Omdat er zoveel mensen zijn die op een bepaald moment naar hun gevoel heel oprecht kozen, maar ze kozen later weer anders. Denk maar aan allerlei voorbeelden in uw omge­ving. Die vond u misschien veel oprechter dan uzelf. O, wat een won­der dat het niet mijn keuze is!

 

Kijk, daar ging het om in Dordt en in die context moeten wij deze belijdenis laten staan. De Dordtse Leerregels zeggen dus niet dat wij moeten gaan preken dat een mens niet kan geloven en niet wil geloven en dat als je uitverkoren bent God wel een keer komt om je te laten ge­lo­ven. Nee, onze verantwoordelijkheid blijft ten volle gelden. God realiseert Zijn verkiezing door middel van de prediking. Wij hebben te pre­ken zoals Christus gepreekt heeft en zoals Hij de apostel bevolen heeft te preken: Predikt het Evangelie aan alle creaturen. Wij hebben de blijde boodschap van het Evangelie te verkondi­gen met bevel van geloof en bekering. Laat u met God verzoe­nen. Want Dien Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem (2 Kor. 5:21) namelijk in Christus de Gekruisigde.

 

Maar wat is de ellende? Dat de ver­keerde, onreine en onvaste mensen dit geheim verdraaien tot hun verderf.

Wie in de greep van het on­geloof zit, die is verkeerd. Wat doen wij als wij verkeerd zijn? Dan gaan wij verkeren, we gaan omkeren. Dat kun je doen omdat je onrein bent in je denken, daarom ga je onreine dingen zeg­gen. De ellende is dat onvaste mensen meegesleurd worden. Wie niet vaststaat in het Woord, die is onvast, die kan alle kanten op mee­ge­sleurd worden door logische redeneringen. Maar met deze redena­ties keren zij de zaken om tot hun verderf.

 

Ik zal een verge­lijkbaar voorbeeld geven. Ik mag zeggen dat ik mijn vrouw van de Heere gekregen heb. Wie dit omkeert zegt: Vol­gens Ds. Vreugdenhil hoeft een jongen niet in de weg der middelen te gaan zoeken naar een meisje, want God moet je een vrouw thuis be­zorgen. Je krijgt er één van God of je krijgt er niet één. Dat zou een logisch voortrede­neren zijn van­uit mijn gelovige uitspraak. Maar dat heb ik niet willen zeggen. Ik heb God willen prijzen voor een geheim, maar wie niet zuiver en rein denkt die maakt er een wiskundige berekening van en op die golf­lengte wordt het meest heilige onrein.

 

De genadegift van het geloof blijft verbonden met onze verantwoordelijk­heid. Om het hart van een meisje te veroveren moet je achter haar aan­gaan, ze mee uitvragen en lief tegen haar spreken, haar het hof maken. Kort gezegd: Je moet er je best voor doen. Welnu, de Bijbel leert ons dat we om tot het geloof te komen de middelen moeten waarnemen. Je moet komen onder de prediking, je moet Bijbellezen en bidden. We zijn geen stok of blok maar een redelijk, zedelijk en verantwoordelijk schepsel.

 

In Mark.6:6 staat dat de Heere Jezus Zich verwonderde over het onge­loof van zijn dorpsgenoten in Nazareth. In Matth. 8:10 staat, dat Hij Zich verwonder­de over het geloof van de hoofdman in Kapernaüm. Zei Hij niet: Ik heb zelfs in Israël zo groot een geloof niet gevonden. Het ongeloof wordt in de Bijbel gezien als raadsel en schuld en het geloof als een geheim en genadegift. In beide gevallen wordt sterke nadruk gelegd op onze verantwoordelijkheid. Als die er niet was, zou er geen aanbod van genade zijn en zouden we het bloed van Nieuwe Testament niet onrein kunnen achten.

 

De geschiedenis van de hoofdman te Kapernaüm eindigt met de waarschu­wing, dat de kinderen van het Koninkrijk buiten geworpen zullen worden. Van Jeruzalem zegt Jezus aan het eind van Zijn openbare optreden: gijlieden hebt niet gewild (Luk. 13: 34). Maar daarmee is toch niet alles gezegd. In par.6 van Dordtse Leerregels wordt op grond van de Schriften een tipje opgelicht van de sluier, die hangt over het geheim van geloof en ongeloof en krijgen we het geheim te doorgronden tot op God. Alleen, daarvoor moet je in het heilig­dom dat is Gods gemeenschap zijn, anders ga je de zaken verdraaien. Je kunt hier alleen maar over spreken vanuit het geloof.

 

Waarom licht God de tip van die sluier op? Om misverstand te voorko­men. Anders zouden we denken dat het geloof ten diepste toch iets van de verstandige of vrome of goedwillende mens is, zodat de mens de eer van alles krijgt. Je zou denken, als je ongelovig bent, dat je toch machtiger bent dan God. Alsof God niets zou kunnen beginnen, als wij het tegenhouden. Welnu, om dit soort gedachten de kop in te drukken ontsluiert God iets van dit geheim opdat Zijn macht en majesteit openbaar zal worden tot onze verootmoediging en vertroosting.

 

De accentuering van het geloof als genadegift, als gave van God is dus helemaal geen muur om tegen op te botsen, maar het is een prediking, beurtelings tot verootmoediging en vertroosting, al naar gelang dat nodig is. Als de Joden onder de indruk zijn van hun eigen gelovigheid en zeggen: Wij hebben Abraham tot een vader (Matth. 3: 9) wijst Johannes de Doper op Gods vrijmacht en zegt dat God zelfs uit stenen Abraham kinderen kan verwekken. Maar als Israël door de bodem van zijn eigen gelovigheid is heen gezakt in de ballingschap in Babel en denkt dat het nu voor­goed met hen afgelopen is, slaat Jesaja de diepste tonen aan van Gods verkiezende liefde en vertroost hen met de woorden: Zie Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd (Jes. 49: 16).

Ziet u het? De verkiezing is geen muur maar een poort. Het geloof is een genadegift van God. Zij is tot verootmoediging en vertroosting.

Dan eindigt u niet in uzelf maar in God:

Heere Ik heb U niet gezocht. Maar U hebt mij opgezocht en gevonden en aangenomen tot Uw kind. O God van alle genade. Ik had het niet verdiend. Het is enkel genade dat U mij aannam tot Uw kind. Ik heb u onbe­schrijfelijk lief. En ik weet het: Ik heb U lief, omdat U mij eerst hebt liefgehad.

Zo geeft, volgens het slot van par.6, het geloof in deze verkiezende God de heilige en godvre­zende zielen een onuitsprekelijke troost.

 

 

Amen

 

Slotzang: Psalm 105:24

 

Die gunst heeft God Zijn volk bewezen,

Opdat het altoos Hem zou vrezen;

Zijn wet betrachten, en voortaan

Volstandig op Zijn wegen gaan.

Men roem’ dan d’ Oppermajesteit,

Om zoveel gunst, in eeuwigheid.