Ds. S.W. Janse - Amos 7 : 7 - 9

Het paslood op de muur

Amos 7
De muur naar het paslood gemaakt
De muur naar het paslood beoordeeld
De muur naar het paslood hersteld

Amos 7 : 7 - 9

Amos 7
7
Nog deed Hij mij aldus zien; en ziet, de Heere stond op een muur, die naar het paslood gemaakt was, en een paslood was in Zijn hand.
8
En de HEERE zeide tot mij: Wat ziet gij, Amos? En ik zeide: Een paslood. Toen zeide de HEERE: Zie, Ik zal het paslood stellen in het midden van Mijn volk Israel; Ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan.
9
Maar Izaks hoogten zullen verwoest, en Israels eigendommen verstoord worden; en Ik zal tegen Jerobeams huis opstaan met het zwaard.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 119: 69
Lezen : Amos 7
Zingen : Psalm 32: 4, 5 en 6
Zingen : Psalm 89: 14
Zingen : Psalm 130: 2

Gemeente, de tekst voor de prediking op deze biddag vindt u in Amos 7, en daarvan de verzen 7 tot en met 9.

 

Nog deed Hij mij aldus zien; en zie, de Heere stond op een muur die naar het paslood gemaakt was; en een paslood was in Zijn hand. En de Heere zeide tot mij: Wat ziet gij, Amos? En ik zeide: Een paslood. Toen zeide de Heere: Zie, Ik zal het paslood stellen in het midden van Mijn volk Israël; Ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan. Maar Izaks hoogten zullen verwoest en Israëls heiligdommen verstoord worden; en Ik zal tegen Jerobeams huis opstaan met het zwaard.

 

We vatten deze tekstwoorden samen als: Het paslood op de muur.

 

Drie gedachten:

1. De muur naar het paslood gemaakt. Want we lezen in vers 7: En zie, de Heere stond op een muur die naar het paslood gemaakt was.

2. De muur naar het paslood beoordeeld. En een paslood was in Zijn hand. En de HEERE zeide tot mij: Wat ziet gij, Amos? En ik zeide: Een paslood. Toen zeide de Heere: Zie, Ik zal het paslood stellen in het midden van Mijn volk Israël; Ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan. Maar Izaks hoogten zullen verwoest en Israëls heiligdommen verstoord worden; en Ik zal tegen Jerobeams huis opstaan met het zwaard.

3. De muur naar het paslood hersteld. Want het gaat over de Heere, de getrouwe Verbondsgod en Gods ontferming over Israël.

 

1. De muur naar het paslood gemaakt

 

Het was geen mooie boodschap die Amos brengen moest. Nee. Hij was geen profeet van wie we vandaag zouden zeggen: ‘Die willen we nu eens graag horen.’ Hij was namelijk – zo wordt hij wel genoemd – een profeet van het recht van God. Hij was vooral een boetegezant die het oordeel van God moest aankondigen. En laten we maar eerlijk zijn: daar zitten we niet op te wachten; zowel een dominee niet als een gemeentelid.

Toch gaat Amos de boodschap brengen die de Heere hem opgelegd heeft. Zijn naam betekent: last, gezondene. Hij is gezonden met een last. Daarom heeft hij een lastbrief van recht en genade in zijn hand. Op dat recht ligt bijzonder de nadruk. Dus Amos was geen valse profeet, zoals die er ook wel waren in die tijd. Die profeten werden toegejuicht, die werden bewierookt. Ze preekten wat de mensen graag wilden horen. Vrede, vrede en geen gevaar. Maar zo was Amos niet.

Kinderen, wie was Amos? We hebben het horen voorlezen in vers 14: Ik was geen profeet, en ik was geen profetenzoon, maar ik was een ossenherder en las wilde vijgen af. Dus Amos was een eenvoudige man. Maar eenvoudig is nog iets anders dan dom of simpel. Zijn taalgebruik was ook heel eenvoudig. Onopgesmukt, oprecht. Recht op de man af. Iedereen wist wat Amos bedoelde want hij gebruikte beelden uit de natuur. En dat kon Amos weten, want hij was boer.  

Een boer uit Tekóa. Dat ligt zo’n anderhalf uur reizen ten zuiden van Jeruzalem. Amos was een profeet die in het Tweestammenrijk – Juda en Benjamin – was grootgebracht. Hij was Hij was inderdaad een ossenherder. Hij had waarschijnlijk een grote kudde, hij was een grote boer, een grootgrondbezitter. Daarnaast was hij ook actief in de tuinbouw, zouden wij zeggen: hij las wilde vijgen af. Onze kinderen weten dat vijgenbomen wel twintig meter hoog kunnen worden. Met die vijgen verdiende hij zijn boterham. Het lag dus niet in de lijn van de verwachting dat hij profeet zou worden. Máár, staat er in vers 15, de Heere nam mij van achter de kudde, en de Heere zeide tot mij: Ga heen, profeteer tot Mijn volk Israël. Nu dan, hoort des Heeren woord.

We zien dan ook dat Amos vanonder zijn vijgenboom vandaan komt en gaat profeteren. Gemeente, wat een onmogelijk werk! Hoort des Heeren woord.

 

Waar moet Amos profeteren? Niet onder zijn eigen volk; de Heere stuurt hem naar het Tienstammenrijk, naar Israël. Naar het rijk dat bijna ten onder gaat vanwege de afgodendienst in Dan en Bethel. Vanwege de afgodsplaatsen in Gilgal en Berséba. Daar ligt zijn werkterrein.

In welke tijd profeteerde hij? In de tijd van Jerobeam de Tweede. Er was al eerder een koning met die naam geweest. Van die koning staat geschreven: die Israël zondigen deed. Dus, deze Jerobeam gaf een slecht voorbeeld. En een slecht voorbeeld wordt makkelijk opgevolgd. Het duurde dan ook niet lang of heel het volk ging mee in eigenwillige godsdienst. Ieder deed wat goed was in zijn ogen. Jerobeam had immers gezegd: ‘Je kunt de Heere toch ook wel in Dan en Bethel dienen? Dan hoef je niet zo’n lange reis naar Jeruzalem te maken. Hier hebt u uw goden, de kalveren! Buig daar maar voor!’ Nu regeert Jerobeam de Tweede. Hij doet ook aan die kalverendienst mee. Dit is de tijd waarin Amos gaat profeteren.

 

Eigenwillige godsdienst. Zijn we er ook niet vol van? Zoals ik het wil. Zoals het mij uitkomt. O ja, dan wil ik wel de Heere dienen, maar zoals het mij uitkomt.

Zo was het volk bezig. En het leek wel of de Heere erin meekwam. Hij zegende het volk. Het was een tijd van welvaart en hoogconjunctuur. Maar de rijken vertrapten de armen. Zij sliepen in elpenbenen bedden, lezen we. Ze hadden zomerhuizen, maar ook winterhuizen. Als het te koud werd, dan ging men naar het winterhuis; bij te warm weer naar hun zomerwoning.

Ze vierden feest, maar het waren eigenlijk – ik durf het nauwelijks te zeggen – zuippartijen. Ze dronken wijn uit schalen. Dit is in enkele trekken geschetst het volk waartegen Amos moet profeteren. Door de Heere geroepen. Dit is zijn arbeidsterrein. Het volk moet gewaarschuwd worden.

 

Amos profeteert door middel van visioenen. Vijf visioenen worden genoemd. De Heere heeft hem al twee visioenen laten zien. We lezen in de verzen 1 tot en met 6 over een sprinkhanenplaag, daarna over vuur dat van de hemel neerdaalt en alles verteert. De oogst gaat verloren. God komt met Zijn oordelen!

Wat gebeurt er na die visioenen? Dan bidt Amos: Heere, Heere, vergeef toch. Dan is het biddag voor Amos. ‘Heere, het is verdiend, dat al dat gras dat nog over was, opgegeten is.’ Want eerst werd altijd het koninklijke gras afgemaaid. Het beste was dus voor de koning, voor de stallen van de koning. Het gras dat later weer wat groeide, het nagras, was voor het volk. Maar ook dat was verdwenen! Sprinkhanen kwamen uit de lucht vallen als een leger, een zwart, een donker leger. Het land werd kaalgevreten.

 

Daar staat Amos in de bres, in de breuk: Heere, Heere, vergeef toch!

Wat lezen we dan?

Het berouwt de Heere. Hij wendt het oordeel nog af.

Dan komt het tweede visioen van de vijf. We lezen over een verterend vuur. Hemelvuur. Sommigen denken dat de zon zo warm werd, dat alles verteerd was.

Dan verhoort de Heere opnieuw zijn gebed. Want hij bidt in vers 5: Heere, Heere, houd toch op. En in vers 6 staat: Dit zal niet geschieden.

Maar nu komt het derde visioen. Dit is echt een aangrijpend visioen. Nu lezen we iets anders, nu lezen we niet meer dat Amos gaat bidden, dat hij als voorbidder optreedt voor het verloren volk van Israël. Daarom is dit visioen zo aangrijpend.

                                                                                        

We lezen verder: Nog deed Hij mij aldus zien. Kinderen, een visioen is wat anders dan een droom. Een visioen kun je ook overdag krijgen, als je wakker bent, als je bij bewustzijn bent. Dan neemt de Heere je als het ware mee in een vertrekking van zinnen. Je ziet in een visioen dingen alsof ze levensecht gebeuren.

Wat ziet Amos? Hij ziet Iets wat de Heere hem laat zien. De Heere vindt het nodig om iets aan Zijn knecht en daarmee aan het volk, te tonen. Als profeet staat hij tussen God en volk.

En zie. De Heere vraagt de aandacht. De Heere stond op een muur die naar het paslood gemaakt was; en een paslood was in Zijn hand. Dus Amos ziet een muur waarop de Heere staat. Waarschijnlijk in de gedaante van een engel.

Wat is de betekenis van die muur?

Kinderen, een muur staat vast en onbeweeglijk. De Heere wil ermee zeggen: ‘Zo is nu Mijn volk Israël, net als die muur. Ik heb Mijn volk Israël neergezet als een muur naar het paslood.’ In kanttekening 17 kunt u lezen dat God Israël door Zijn heilige wetten en Zijn genadige zegen heerlijk gesticht en neergezet heeft.

 

In de Bijbel gaat het meer over muren. Bijvoorbeeld de muren van Jeruzalem in Psalm 122: ‘Jeruzalem is wél gebouwd, wél saâmgevoegd; wie haar beschouwt, zal haar voor ’s Bouwheers kunstwerk groeten.’ Hoge en dikke muren garanderen de veiligheid van de stad. Maar ook wijzen ze erop, hoe trots men op die stad was. Hoe meer de veiligheid gewaarborgd werd, des te beter de naam van de stad was.

Denk ook eens aan Psalm 51: Doe wel bij Sion (…) en bouw de muren van Jeruzalem op, zo lezen we daar. En wie denkt niet aan Jesaja, die met vorstelijke woorden sprak: O Sion, Jeruzalem, Ik heb wachters besteld op uw muren (Jes.62:6). Dus, als het gaat over een muur, dan is dat het beeld van het volk van Israël.

 

Kinderen, wat had de Heere een werk gehad aan Israël! Hij had het uit Egypte geleid. Hij had Israël apart gezet van de volkeren. De Heere wilde met dat volk in een verbond treden. Het was Zijn volk. De Heere had het door de woestijn geleid, de tabernakeldienst gegeven. Onder Israël woonde en werkte Hij. Hij had ze bij de Sinaï gebracht, waar Hij de Wet aan hen gaf. Hij had Zijn knechten, de profeten, tot hen gezonden. Het was een volk dat door God geregeerd werd, een theocratie. Dus die muur stond naar het paslood.

Wat een werk heeft de Heere aan Zijn volk gehad. Dat is nog zo! Vandaag in de kerk, op biddag. Hoe vaak is het al aan uw hart gelegd om u voor de Heere te verootmoedigen om alles wat er plaatsvindt in kerk en wereld, in gezinnen, in ons eigen hart en leven?

Hoe heeft de Heere ons op deze aarde geschapen?

Naar het paslood, als een rechte muur. Geschapen in het Paradijs, naar Zijn beeld: in kennis, gerechtigheid en heiligheid. Daar mankeerde niets aan ons! O, de Heere heeft getuigd: En zie, het was zeer goed (Gen.1:31). We waren als Zijner handen werk, uit Zijn goede handen voortgekomen. Er was geen enkele haper, geen zonde, geen ongerechtigheid. Zó stond de muur van ons leven.

Wat heeft de Heere een werk aan ons gehad, zelfs na de zondeval. Jongelui en ouderen, Hij heeft mest rondom onze boom gelegd. De preken mochten beluisterd worden, het Woord van God mocht gelezen worden in de gezinnen. De Heere heeft ons gelokt en genodigd. Hij heeft geroepen tot de zaligheid. Hij heeft gewaarschuwd. Zijn lokstemmen hebben geklonken. Maar, gemeente, óók de bedreigingen!

Wat heeft de Heere ook aan Nederland een werk gehad. Wat heeft Hij in de geschiedenis betoond van ons land af te weten. Het Spaanse juk werd afgewend. Wat waren we in de greep van de Roomse kerk. Na de Reformatie en de Nadere Reformatie klonk het Woord van God weer op de kansels. Wat een arbeid! Wat was er vroeger ook een rijk gezelschapsleven waar Gods kinderen spraken over de weg die de Heere hield met hen.

 

Nu heel persoonlijk. Het ligt dus niet aan de Heere. Die muur rond ons leven staat er nog. Wij horen Zijn getuigenis, Zijn woorden en Zijn Wet.

Jongelui, misschien heb je een buurjongen die de Bijbel niet leest. Of een vriend op school die niet gedoopt is. En anderen in de straat die aan God noch gebod doen. Die misschien hun brood opeten voor de televisie zonder te bidden. Zijn wij beter? Nee. Maar we weten wel beter. Doen we ook beter?

Het gaat over de muur. Maar er staat meer: die muur is naar het paslood gemaakt. Ook wordt die muur naar het paslood beoordeeld. Wij overdenken dat in onze tweede gedachte:

 

2. De muur naar het paslood beoordeeld

 

Wat wordt daarmee eigenlijk bedoeld? Er staat in vers 7: En zie, de Heere stond op een muur die naar het paslood gemaakt was; en een paslood was in Zijn hand. En de Heere zeide tot mij: Wat ziet gij, Amos? En ik zeide: Een paslood.

Een muur. Maar het gaat niet in de eerste plaats over die muur. Want, wat zegt Amos als de Heere vraagt: wat ziet gij? Kinderen, dat ziet Amos toch wel in dat visioen? Hij ziet toch wat zich voor zijn ogen voltrekt? Waarom dan nu die die vraag: Wat ziet gij, Amos?

Wel, het is alsof de Heere zeggen wil: ‘Opletten, Amos. Goed kijken!’ Dan laat het aan duidelijkheid niets te wensen over!

Wat horen we Amos dan zeggen? Spreekt hij dan over die muur? Over de Heere, Die op die muur staat?

Nee, we lezen: En ik zeide: Een paslood. Dát ziet hij. Dát valt op. Daarop ligt de nadruk. In vers 7 zagen we dat ook al duidelijk: En een paslood was in Zijn hand.

Samengevat: Amos ziet een hoge muur. En daarop staat de Heere. Hij heeft iets in Zijn hand: een touw. En onderaan dat touw hangt een gewicht. Een tin noemt Zacharia dat in één van zijn nachtgezichten. Hij ziet dus een stuk metaal dat aan een koord hangt. Daarmee kan een timmerman of een metselaar zien of een muur volkomen recht staat. Wij kunnen het vergelijken met een waterpas. Dit houdt de Heere in Zijn hand. En een paslood was in Zijn hand. Een koord met aan het eind een stukje lood. Dat is het beeld.

 

Wat ziet gij? En ik zeide: Een paslood. Waartoe diende zo’n paslood? Wel, als er een muur gebouwd werd, dan moest zo’n muur naar het waterpas, of naar het paslood, gemaakt worden! Wat heb je nu aan een muur die scheef staat? Soms kreeg men inspectie, ook in die dagen al, en dan zei zo’n bouwinspecteur: ‘Die muur deugt niet! Kijk maar: dat zie je aan mijn paslood!’ Die muur moest dan gestut worden, of zelfs opnieuw gebouwd. Dus, gemeente, het paslood brengt oneffenheden aan het licht, het laat zien waar het scheef loopt. Wat is dat veelzeggend!

Wat is nu de betekenis van dit alles?

Jongelui, de kanttekeningen… wat geven die veel uitleg! Lees je de kanttekeningen van onze Statenvertaling wel eens? Er staat in kanttekening 17 dat God een paslood in Zijn hand had. Dat is Zijn streng en rechtvaardig oordeel, dat Hij na langdurige verdraagzaamheid en verschoning, over Israël wilde uitvoeren, omdat het alles omgekeerd en geschonden had. Dat is toch niet zo heel moeilijk? Het gaat over Gods rechtvaardig oordeel. De Heere had dus langdurig en lankmoedig gehandeld. De Heere had in twee visioenen gezegd: ‘Ik stel het oordeel uit.’ Het gebeurde dan ook niet.

Maar van uitstel komt bij de Heere geen afstel. Want het volk ging maar door in de zonde, in de afgodendienst, in een leven naar het goeddunken van hun eigen hart. En daarom zegt de Heere: ‘Ik kom met Mijn rechtvaardigheid. Ik blijf niet eindeloos geduldig. O nee, Ik voer mijn oordeel uit!’ We lezen in kanttekening 18 dat dit een rechtvaardig oordeel is. Het paslood van een rechtvaardig oordeel.

 

Gemeente, zo zien we dat Amos de profeet van Gods recht is. De Heere zegt als het ware tegen Israël: ‘Ik hang dat paslood in uw volksleven. Ik hang het in het koningshuis. Ik hang dat paslood in uw gezinsleven, in uw persoonlijk leven...’

In het volksleven was in die tijd nogal wat aan de hand, dat het daglicht niet kon verdragen. Men hield van brood en spelen. Het volk ging van het ene feest naar het andere. En dat deed men heel godsdienstig in Dan en Bethel. Een laagje godsdienst erover, een vernislaag. We dienen toch ook goden, zo zei het volk.

Maar nu komt de Heere met Zijn heilig recht, met Zijn heilige Wet, met Zijn getuigenis. Wat blijft er dan van over? Wie kan dan bestaan?

En het koningshuis? O, Jerobeam de Tweede was zo’n goddeloos vorst. Hij noemde het kwade goed en hij noemde het goede kwaad. Daarom zegt de Heere: ‘Nu hang Ik het paslood van Mijn recht in uw leven. Nu hang Ik Mijn Wet in het koningshuis.’

Wat is het dan ver heen. Niet alleen in Bethel, in Gilgal, in Berséba, in Dan, maar ook in het leven van Amos zelf. Amos sluit zichzelf erbij in.

Samengevat: de muur was aan het verzakken. Het fundament aan het verglijden. Van het volk was niets goeds te zeggen. Het wil niet zeggen dat ze er oog voor hadden. U kunt voor een muur staan en denken dat hij recht staat. Totdat het paslood ernaast hangt, het waterpas erlangs gelegd wordt en blijkt dat hij helemaal niet recht staat.

De rijke jongeling zei ook: Mijn muurtje staat wel recht! Geen steentje los. Alles keurig gemetseld. Maar de Heere zegt: ‘Er deugt niets van! Ik kom met Mijn heilig recht, jongeling. Er hapert van alles aan!’  

 

Dus, gemeente, we moeten niet te snel denken dat onze muur recht staat. O, nee! Sommigen zien het niet eens of willen het niet zien. Want we willen er van nature niet aan, laten we maar eerlijk zijn. Al laat de Heere zondag op zondag Zijn Wet klinken, al hangt Hij dat paslood van Zijn heilige Wet in je leven, dan denk je vaak: Het valt nog wel mee. Bij de buren is het veel erger. Zo zijn we altijd maar aan het redeneren, en willen we maar één conclusie trekken: dat onze muur recht staat. Begrijpt u het?

Maar nu komt de Heere vandaag met Zijn recht. Dat betekent: Zijn heilig recht. God komt met Zijn rechtvaardig oordeel. Ik heb weleens een oordeel over iemand die ik voor het eerst zie, en dan moet ik later zeggen: ‘Mijn oordeel moet ik toch wat bijstellen. Die persoon is toch heel anders dan ik dacht.’ Soms valt dat positief uit, en valt iemand mee, maar het oordeel van de Heere valt niet positiever uit, dat valt niet mee. Daarom staat in de kanttekeningen zo treffend: Zijn rechtvaardig oordeel. Dus: Gods heilig recht, het vonnis van de hemel, de uitspraak van de Rechter van hemel en aarde, Die onze gemeente gezien heeft en die nu ook vandaag dat paslood hanteert.

 

Misschien wilt u ook wel graag dat paslood in het koningshuis van Israël hangen. Maar als het paslood eens in ons eigen volksleven wordt gehangen? Is er dan niet van alles op aan te merken, vanwege de ongerechtigheden van ons volk? We denken aan homo-echtparen die met behulp van een draagmoeder een kind willen adopteren. Het is eigenlijk te gruwelijk voor woorden. Daarmee gaan we de stille strijd die iemand kan hebben niet uit de weg; maar hier gaat het over de uitleving. O, als de Heere dan het waterpas van Zijn heilig recht hanteert, dan moeten we toch vrezen. Dan zouden onze ogen waterbeken moeten zijn, en onze tranen moeten vloeien, vanwege de ongerechtigheden van ons volk, laten we maar eerlijk zijn. Als je het nieuws een beetje volgt.

Er zijn tegenwoordig veel mensen die zelf willen beslissen wanneer hun leven voltooid is. Dan stap je eruit. Ik bepaal mijn eigen levenseinde. O, dan is er geen plaats meer voor: Mijn tijden zijn in Uw hand (Ps.31:16). Gemeente, dan rijzen je haren weleens te berge. Ik hoop dat we alles wat in het nieuws naar ons toekomt, niet gewoon aan het vinden zijn. Want wat is het aangrijpend!  

Als de Heere dan het waterpas van Zijn recht naast ons volksleven houdt, waar vloeken, seksuele diversiteit en allerhande ongerechtigheid gewoon moet kunnen, laten we dan maar beven. Beven als het gaat over Nederland, het Israël van het westen, koploper in de zonde. Wat komt het visioen dan dichterbij. Wij zijn ook burgers. En we horen uit dit visioen dat het oordeel begint bij Izaks hoogten en Israëls heiligdommen.

 

Hoe komt het dat het in Nederland zo ver heen is? Wel, door óns, door de kérk. Als de Heere nu eens het paslood in de kerk hangt, in alle kerken in Nederland? Nee, dan moeten we niet vooral kijken naar kerken, waar je Schriftkritiek hoort, waar homoseksuelen op de kansel staan, die deze zonde praktiseren. Maar gemeente, de Heere legt het waterpas ook naast de gereformeerde gezindte. O, die verscheurdheid en verdeeldheid. Is dat niet tot oneer van de Heere? Wat kan het goed doen als je samen met mensen van andere kerkverbanden mag spreken. Als je, over kerkmuren heen, Gods werk bespeurt in harten van verloren zondaren. Wat kan er dan weleens een heimwee ontstaan. Heimwee om samen onder één dak te mogen verkeren, waar God verheerlijkt wordt!

Dus dan moeten we ook maar het waterpas Gods zien in de kerken. Het paslood hangt ook in de Gereformeerde Gemeente. Wat zal de Heere dan zeggen van onze gemeente, als Hij met Zijn recht komt? Staat onze muur dan zo recht, of niet? Buigt hij dan af? Is het dan scheef in je leven? Hoe zit je nu onder het Woord?

Wat neemt de kritiek ook niet toe onder ons. We horen dat wel eens van de studenten. Dan krijgen ze een brief, dan weer een telefoontje, dan weer dit en dan weer dat… Natuurlijk: mag u kritiek geven, als het naar het Woord is en als het in de geest van liefde en zachtmoedigheid is. Dan moet dat ook kunnen… Dan moet dat kunnen lijden. Maar als het nu gaat over de weg die de Heere met Zijn kinderen houdt, ligt het zo heel eenvoudig: drie stukken, twee wegen, één Naam. Kritiek… Kittelachtig zijnde van gehoor (2Tim.4:3). Ook in onze gemeenten!

 

Gemeente, laten we daarom ons leven toetsen. Als de Heere nu eens dat paslood in ons gezin hangt? Dan komt het nóg dichterbij. Hoe is het met de doopbelofte? We hebben ook bij het doopvont gestaan. U ook… Dat is een zegen! Een erfdeel des Heeren (Ps.127:3). Als u kinderen mag hebben en de Heere komt met Zijn heilige Wet en Zijn onkreukbaar recht… O, hoe moet dat dan? Dan zal de Heere het bloed van onze kinderen van onze hand eisen. Hoe leeft u uw kinderen voor? De Heere zal erop terugkomen.

Nee, het gaat er niet om dat we ze wettisch opvoeden, maar wettig, naar het Woord, in liefde, in ootmoed, in oprechtheid. Ouders, waar zijn de voorbeelden op wie onze kinderen en jongeren jaloers kunnen worden? Van wie iets uitgaat? O, soms in de worsteling, in het gemis. Laat u het weleens merken aan uw kinderen, als u erbuiten staat? Als u moet zeggen: ‘Heere, hoe het moet weet ik niet, maar ik moet bekeerd worden tot U, de levende God?’

 

Het waterpas langs onze gezinnen… Wereldgelijkvormigheid is ook onder ons. Wat moeten we dan? Gewoon maar meedoen, niet te ouderwets? Anders worden we achterhaald genoemd en middeleeuws. Zoiets wordt al heel snel gezegd. Maar laten we toch gewoon leven naar het Woord, ook in kleding. Dan hoeven we niet persé de laatste mode te volgen. Ook in onze vrijetijdsbesteding bijvoorbeeld.

Jongelui, hoe gaan we om met Gods Woord in onze vrije tijd? Leg dat Woord eens naast je appjes, naast je smartphone, naast wat je kijkt op You-tube?

Ouders, let eens op uw kinderen, en leg er het recht van God dan eens naast. Als de Heere dat eens handhaaft? Hoe komen we er dan van af?

Wat staat het toch aangrijpend in onze tekst: Ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan. Maar Izaks hoogten zullen verwoest en Israëls heiligdommen verstoord worden; en Ik zal tegen Jerobeams huis opstaan met het zwaard. Gemeente, ik heb het u al gezegd: het gaat allereerst over het volk van Izak, het volk van Israël. Leest u maar goed mee in vers 9: Izaks hoogten…

Ja, Izak had bijvoorbeeld bij Berséba een hoogte, een heuvel waarop hij offerde, waar hij de Heere mocht ontmoeten. Nu zegt datzelfde volk: ‘Weet je, wij zijn daar ook. Wij doen eigenlijk hetzelfde als Izak. Alleen offeren wij bij Berséba.’

Maar, gemeente, dat was niet hetzelfde! Ze wilden wel dat het hetzelfde was, maar in werkelijkheid offerden ze aan de afgoden en dachten: Kijk, wij doen net als onze voorvaders. Wij leven eigenlijk precies hetzelfde, net zoals Israël.

 

Er staat ook: En Israëls heiligdommen… Wel, Israël, dat was Jakob. Die naam kreeg hij bij Pniël. Maar Jakob had ook een Bethel. En bij Bethel staat nu zo’n heiligdom, een afgodstempel. Bij Bethel mocht eens de hemel opengaan. Men zegt wel eens: ‘Kijk, daar was Jakob toch ook! Daar ontmoette hij toch de Heere? Daar diende hij toch ook zijn God?’ Ja, maar wel anders: met zijn hart. Uit liefde. Niet alleen zoals hij dacht dat het moest…

Wat doet het volk? Het is eigenzinnig, eigengereid en eigengerechtigd. Nu zegt de Heere: Ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan. Die hoogten van Izak, die heiligdommen van Israël – Ik zal ze verwoesten en Ik zal ze verstoren...

Wat aangrijpend dat de Heere zegt: ‘Ik zal…’ Kinderen, de Heere zegt als het ware: ‘Ik zal er met een bulldozer overheen gaan. Ik zal verwoesten en verstoren.’ Weet je wat een bulldozer doet? Verwoesten en verstoren. Er blijft niets van over. Al die godsdienstige tempels en die hoogten en die heiligdommen? Ja, want de Heere zegt: Ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan. Als Ik dat paslood van Mijn onkreukbaar recht te midden van Mijn volk hang, o, dan kan het niet meer zo zijn als met het Pascha. Toen ging de Heere wel voorbij.

Pascha betekent: passeren. Wie passeerde er bij het Pascha, kinderen? De engel. De engel des verderfs ging de huizen voorbij waar bloed aan de deurposten was gestreken.

 

Maar nu zegt de Heere: ‘Ik zal Ik niet meer voorbijgaan. Ik zal voor het huis van Izak, van Israël, blijven staan. En straks ook voor het paleis van Jerobeam. Ik zal naar binnen gaan. Ik zal verwoesten en verstoren. Ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan. En Ik zal tegen Jerobeams huis opstaan met het zwaard. Eerst de kerk. Ja, want het oordeel begint bij de kerk, het huis van God. Daarom de vraag, gemeente, hoe leven we? Zie er toch op toe dat u voorzichtig wandelt. Is het een zaak van het hart? Hebt u de Heere hartelijk lief? Dáár gaat wat van uit. Dát is reclame maken voor de kerk. Een kerk die niet werft, die sterft.

O, als u nu eens mag spreken over die goedertieren Koning, als u nu eens een goed gerucht mag voortbrengen van een ver land. Als het nu niet alleen maar wetten en regels zijn en vormendienst, en raak niet, en smaak niet, en roer niet aan (Kol.2:21). O, daar walgt de Heere van; daar blaast Hij in. Het zal als een kaartenhuis in elkaar storten.

Daarom preken we vandaag ook tegen onszelf. Hoe is ons leven, gemeente? Misschien heel vroom en heel godsdienstig, hetzij evangelisch of heel zwaar… Maar toch, eigenwillige godsdienst. De Heere zegt: ‘Ik zal afrekenen. En Ik zal tegen Jerobeams huis opstaan met het zwaard.’ Dan komt ook de overheid aan bod. Jerobeams huis zal door het zwaard vallen, zo lezen we.

 

Gemeente, zijn er hier nu ook die iets kennen van dit paslood? Die moeten zeggen: ‘Het is rechtvaardig. Verstoord en verwoest. Dat is ook mijn deel?’

Ja, er is een zondaarsvolk dat daaronder buigen mag. Dat zeggen moet: ‘Heere, aangezien ik naar Uw rechtvaardig oordeel tijdelijke en eeuwige straffen verdiend heb, is er dan nog een middel?’ Zou er nog een middel zijn? Of moeten we nu maar eindigen en naar huis gaan? Dat zou wel naar het recht Gods zijn.

Een zondaar zegt wellicht: ‘Ja, Heere, als U Uw recht handhaaft, als U mijn leven ziet. Het is tegen Uw Wet en niet naar Uw Woord, o, het is enkel vijandschap. Dan moet ik amen zeggen op deze woorden. Dan mag ik buigen onder het recht Gods. Dan mag ik zeggen: ‘Heere, ik móet en ik mág U toevallen. Want Uw doen is rein en Uw vonnis gans rechtvaardig.’

De tollenaar kwam op die plaats. Hij zegt: O, God, wees mij zondaar genadig (Luk.18:13). Verzoen de zware schuld, die ons met schrik vervult; bewijs ons eens genade. Zou dat er nog zijn? Jazeker! Luister maar bij de derde gedachte.

 

We gaan eerst zingen. Psalm 89 het veertiende vers:

 

Dan zal ik hen die dwaas en wreev’lig overtreên,

Bezoeken met de roe en bitt’re tegenheên;

Doch over hem Mijn gunst en goedheid nooit doen enden,

Niet feilen in Mijn trouw, noch Mijn verbond ooit schenden;

‘k Zal nooit herroepen ’t geen Ik eenmaal heb gesproken;

’t Geen uit Mijn lippen ging, blijft vast en onverbroken.

 

Gemeente, het paslood op de muur. We zagen eerst dat die muur naar het paslood is gemaakt. Vervolgens: naar het paslood beoordeeld. Maar nu ook:

 

3. De muur naar het paslood hersteld

 

Wat staat er nu in vers 7? De Heere stond op een muur. Kinderen, lees eens mee. Heere staat hier met één hoofdletter. Deze naam betekent: Adonai, Bezitter, Eigenaar… Rechter, Wiens ogen de ganse aarde doorlopen (2Kron.16:9). Het leek wel of er niemand van Gods volk in Israël meer was.

Maar zo zal het nooit zijn. Er zijn mensen die denken dat de Heere niet meer werkt. Maar dat staat nergens in de Bijbel. Hoe donker het ooit zal zijn: Ik zal nooit herroepen, hetgeen Ik eenmaal heb gesproken. Er zijn mensen die het liefst alleen maar waarschuwingen horen en hoe donker het is in de kerk. Maar de Heere spreekt met twee woorden. Want er staat in vers 8: En de Heere zeide tot mij. HEERE met allemaal hoofdletters, kinderen. De naam Jehova. De God van Abraham, Izak en Jakob en van Mozes. De God van het brandende braambos. Daarom is de kerk nog niet verteerd.

Dat zou wel rechtvaardig zijn. Twintig jaar later zijn ze weggevoerd, naar Assyrië, in ballingschap. Van de stad en hun heiligdommen is niets overgebleven. Uw altaren, ’t is al verwoest door die geweldenaren. Dus de Heere voert Zijn oordelen wel uit!

Wij mensen strijken onze hand wel eens over ons hart. Zand erover. Maar zo is de Heere niet. ‘k Zal nooit herroepen wat ik eenmaal heb gesproken… In Zijn bedreigingen…, maar ook in Zijn beloften. Daarom kon ik niet zo afsluiten! Daarom gaan we naar Amos 9. Te dien dage zal Ik de vervallen hut van David weder oprichten, en Ik zal haar reten vertuinen, en wat aan haar is afgebroken, weder oprichten, en zal ze bouwen als in de dagen vanouds (Amos 9:11), zo lezen we.

Dus, de Heere zegt: ‘Die vervallen hut zal Ik weer oprichten, al was er bijna niets meer van over. Bijna ingestort en ingezakt, met reten en spleten erin. Maar toch: Ik zal weer oprichten. Ik zal ze bouwen als in de dagen vanouds.

 

‘Maar’, zult u zeggen, ‘hoe kan dat dan?’

Hoe dat nu kan? We gaan naar Christus toe. Het paslood van Gods recht is in Zijn leven gehangen. Wat was toen de uitslag? Wie overtuigt Mij van zonde? (Joh.8:46). Daar staat Pilatus zijn handen te wassen. Hij is onschuldig. Ik vind geen schuld in deze Mens, zegt hij herhaaldelijk. Het paslood hangt in Zijn leven. En gemeente, het is recht. O, Zijn leven is volmaakt. Daar kan niemand een vinger bij leggen.

Christus, Hij hangt daar op Golgotha. En dan? O, dan komt Gods recht op Hem af. Dan komt dat recht als het ware loodrecht naar beneden. Dan wordt Christus verteerd en verwoest en verstoord. Dan gaat de Vader Christus niet voorbij. Nee. Ik zal Hem voortaan niet meer voorbijgaan. Dan wordt Hij getroffen door het oordeel dat nu arme zondaren moest treffen, die God gaat rechtvaardigen, zegt Calvijn zo vaak in zijn geschriften.

 

Gemeente, een zondaar hier mag zeggen: ‘Heere, U bent volmaakt rechtvaardig. Uw oordeel rust op de allerbeste wetten. Als U mij voorbijgaat, doet U geen onrecht.’ Dan gaat de Heere die zondaar toch voorbij.

Maar nu gaat de Heere Christus niet voorbij. Hij wordt geslagen op Golgotha. Daarom mag ik zeggen: ‘Daar hangt die Bruidegom, blank en rood, Hij draagt de banier boven tienduizend (Hoogl.5:10). Hij is die uiterste Hoeksteen waar het Godsgebouw op rust’, (Efeze 2:20). Daarom zegt de Heere: ‘Die hut zal Ik weder oprichten. Bouwen als in de dagen vanouds.

Als je bouwt moet je een goed fundament hebben. Welnu, dat is deze Borg en Middelaar, op Wie het paslood van Gods recht zwaar drukte. Het vernederde, vernietigde en verbrijzelde Hem tot de dood toe. Hij is Degene, Die het Fundament is der apostelen en profeten (Ef.2:20).

Dus nu kunt u straks niet naar huis gaan en zeggen: ‘Er is geen zaligheid. Het is enkel oordeel.’ Ja, het is wel de kern van onze tekst. Daarom ligt daar toch vandaag wat meer de nadruk op. Maar Christus… Hij begon droevig en zeer beangst te worden in de hof (Matth.26:37). Toen heeft Hij ervaren: de Vader kan Mij niet voorbijgaan. Die drinkbeker moet Ik tot de laatste druppel toe uitdrinken.

 

Het is biddag en lijdenstijd. Komt dat niet samen in deze tekstwoorden? Een boetepreek, een bidstond, vanwege de nood van de tijd. We hebben daar met alle gebrek iets van gezegd. Kom, als het nu gaat over deze Christus: rust u op dat Fundament? Of is het hout, hooi en stoppelen, wat allemaal weggevaagd wordt voor de wind? (1Kor.3:12).

Maar misschien mag u zeggen: ‘Ja, die uiterste Hoeksteen is mij dierbaar. Hij is van God uitverkoren, en mijn ziel zeer dierbaar (1Petr.2:6). Hij is die Steen, niet met handen gemaakt.’ Al van eeuwigheid af wilde Hij komen om levende stenen op dat Fundament te zetten.

Kinderen, hoor je dat? Die bouwstenen worden neergelegd en gemetseld. Soms zijn er heel kleine steentjes. Die krijgen ook een plaatsje. Dat is toch een wonder? O, de Heere zegt: Ik zal ze bouwen als in de dagen vanouds. Heel kleine kinderen kunnen daar ook bij. De Heere zegt: Die zal Ik ook toevoegen. Want dat Fundament ligt er! En dat gebouw verrijst! Want die Hemelse Architect heeft van eeuwigheid al voor een vast bestek gezorgd.

Naar dat bestekplan, naar Zijn raad en welbehagen, zullen ze ingevoegd, toegevoegd, worden. Soms opgeraapt uit de modder. Denk aan Levi de tollenaar. Aan Rachab, de hoer. Aan Manasse… De Heere legt hen op het Fundament. Ik zal uw stenen gans sierlijk leggen. Ik zal u op saffieren grondvesten (Jes.54:11).

 

Gemeente, mogen we dan zo toch eindigen? Recht en genade. Te dien dage zal Ik de vervallen hut van David weer oprichten, en Ik zal haar reten vertuinen, en wat aan haar is afgebroken weer oprichten. Ik zal ze bouwen als in de dagen vanouds.

Ik zal… Dus, niet een dominee, een ouderling, een ambtsdrager, die de kerk moet bouwen en bewaren. Dat zou een puinhoop worden. Maar Ik zal… Dat is de Heere – met vijf hoofdletters – uit vers 8. En de Heere zeide tot mij… Dus: Hij zal Juda’s steden herbouwen uit het stof. Vanwege de volmaakte Borg. Vanwege Zijn bloedgerechtigheid. Vanwege Hem Die aan het recht genoeg gedaan heeft.

 

Amos kon niet meer bidden. In vers 9 lezen we geen gebed van Amos. In de voorafgaande verzen kon hij nog wel bidden. Maar nu is Amos verslagen, verstomd. Hoe moet dat nu verder?

Wel, er volgen nog enkele hoofdstukken, meer visioenen. Na dit gezicht moest Amos stil naar huis gaan. Gemeente, doet u dat nu ook maar. Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen (Ps.39:10). Maar Amos wist dat er een Ander was, Die zijn gebed overnam. Zijn eigen gebed werd afgesneden. En toen? Toen was er een Voorbidder in de hemel, de Heere Jezus Christus, Die altijd biddag houdt. Die aan ‘s Vaders rechterhand zit. En Die leeft om voor biddelozen te bidden.

Abraham bad ook, voor Sodom. De Heere zegt: ‘Er waren geen tien rechtvaardigen.’ En nu moet Abraham stil worden. Nu is er geen gebed meer. Ik zal niet verschonen. De Heere voltrekt Zijn oordeel. Ook in uw leven zal dat komen, op uw sterfdag of bij de wederkomst. Dat zal de Heere doen. De Heere zal het volk wegvoeren naar Assyrië. Maar toch, te midden van al die verlorenheid zal de Heere ook nog dat vervallen Israël gaan oprichten.

 

Er is hoop! Onder de oordelen, op de puinhopen, zal toch een gebouw verrijzen, waar God van afweet. Er staat: Die voor overtreders gebeden heeft (Jes.53:12). Dat is Christus. Zitten er nu overtreders in de kerk? Die zeggen: ‘U hebt het over de koning gehad, over het volksleven, over het kerkelijk leven. Dat is allemaal míjn schuld, mijn schuld.’ Die de schuld mogen eigenen, net als Jona in de buik van de vis.

O, er is een Voorbidder. Er is er Eén, Die voor overtreders gebeden heeft. Daarom is er nog doen aan, is er hulp besteld bij deze Held, Die machtig is om te verlossen (Ps.89:20; Jes.63:1). Daarom geen vals paslood, gemeente. Nee. Geen muur die verzakt. Maar, komt, luister naar dit woord. Nu gaat de nodiging nog uit: Gij slechten, hoe lang zult gij de slechtigheid beminnen? Nu gaat het aanbod van genade nog uit, welgemeend, onvoorwaardelijk, algemeen. Tot wie? Tot de grootste van de zondaren, tot de ergste van de overtreders! Daarom klinkt nu de nodiging. Niemand kan nu zeggen: ‘O, het is zo donker, de Heere werkt niet meer.’

 

Ik zal… Kinderen, dat staat op je voorhoofd getekend. Ik zal… Ga daarom op je knieën vanavond: ‘Getrouwe Ontfermer, U kunt het doen! Wilt U dan Uw waarheid nimmer krenken, ook in mijn leven, maar eeuwig Uw verbond gedenken.’ O, dan zal straks de sluitsteen worden toegebracht met toeroepingen: Genade, genade zij Denzelven (Zach.4:7). Dan is het gebouw klaar. Dan is de Kerk thuis en krijgt de Hoeksteen alle eer.

 

Amen.

 

Slotzang: 

 

Zo Gij in 't recht wilt treden,

O HEER, en gadeslaan

Onz' ongerechtigheden,

Ach, wie zal dan bestaan?

Maar neen, daar is vergeving

Altijd bij U geweest;

Dies wordt Gij, HEER, met beving,

Recht kinderlijk gevreesd.