Ds. C.G. Vreugdenhil - Zondag 36

De heiliging van Gods Naam

De lastering van Gods Naam wordt verboden
Gods toorn over het misbruik van Zijn Naam wordt aangezegd
Het eerbiedig gebruik van Gods Naam wordt bevolen

Delen & Download

Download als PDF

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 111: 1
Lezen : Jakobus 3: 1 - 18
Zingen : Psalm 141: 1, 2, 3 en 11
Zingen : Psalm 72: 3 en 11
Zingen : Psalm 33: 11

Gemeente, wij lezen met elkaar uit de Heidelbergse Catechismus Zondag 36, de

vragen 99 en 100.

 

Vraag 99: Wat wil het derde gebod?

Antwoord: Dat wij niet alleen met vloeken of met valse eed, maar ook met onnodig zweren, de Naam Gods niet lasteren noch misbruiken, noch ons met ons stilzwijgen en toezien zulke schrikkelijke zonden deelachtig maken; en in het kort, dat wij de heilige Naam Gods anders niet dan met vrees en eerbied gebruiken, opdat Hij van ons recht beleden, aangeroepen en in al onze woorden en werken geprezen worde.

Vraag 100: Is het dan zo grote zonde, Gods Naam met zweren en vloeken te lasteren, dat God Zich ook over diegenen vertoornt, die, zoveel als hun mogelijk is, het vloeken en zweren niet helpen weren en verbieden?

Antwoord: Ja gewisselijk; want er is geen groter zonde, noch die God meer vertoornt, dan de lastering Zijns Naams; waarom Hij die ook met de dood te straffen bevolen heeft.

 

Gemeente, in deze Zondag gaat het over

De heiliging van Gods Naam

 

We letten op drie hoofdgedachten:

1. De lastering van Gods Naam wordt verboden

2. Gods toorn over het misbruik van Zijn Naam wordt aangezegd

3. Het eerbiedig gebruik van Gods Naam wordt bevolen

 

Gemeente, jongens en meisjes, het gebeurde op een zondagmiddag in een stampvol café. Rooklucht en dranklucht vervulden de ruimte. Er werd veel gedronken en gelachen en gespot met de godsdienst. Plotseling barstte er een zware onweersbui los. Sommigen spotten en zeiden: ‘Vroeger zeiden ze bij ons thuis dat als het onweert, dat God dan spreekt. Hahaha!’ Eén van de cafébezoekers begon hevig te vloeken, liep naar de openstaande deuren en riep: ‘Als God bestaat, dan kan Hij mij hier treffen!’

Hij daagde God uit. En toen werd het opeens doodstil. Want een felle bliksemstraal doorkliefde de lucht en trof de vloeker aan zijn hoofd zodat hij dood neerviel. Het plaatselijk blad schreef later: ‘Dit was Gods Geest.’

De andere bezoekers waren ongedeerd en het huis was verder zonder schade. Het was God alleen om die vloeker te doen.

 

Gemeente, God is lankmoedig over de grootste van de zondaren. Maar als Hij wordt uitgedaagd, grijpt Hij soms plotseling in en toont Hij Zijn almacht, want er is geen groter zonde, noch die God meer vertoornt, dan het misbruik van Zijn heilige Naam. God bemint Zijn eer zo dat Hij schrikkelijk toornt tegen allen die Zijn Naam tegenstaan.

Vloeken is de grootste zonde; het is het misbruik van Gods Naam.

 

Het gaat in Zondag 36 over de heiliging van Gods Naam.

Gij zult de Naam van de Heere, uw God, niet ijdel gebruiken.

De Naam van de Heere betekent ten diepste de Heere Zelf.

 

We letten in de eerste plaats op:

 

1. De lastering van Gods Naam wordt verboden

 

We lezen nog eens het eerste stukje van vraag 99:

Wat wil het derde gebod?

Dat wij niet alleen met vloeken of met valse eed, maar ook met onnodig zweren, de Naam Gods niet lasteren noch misbruiken, noch ons met ons stilzwijgen en toezien zulke schrikkelijke zonden deelachtig maken.

 

De lastering van Gods Naam wordt verboden.

Waarom was dit gebod eigenlijk nodig? Dat is duidelijk, omdat de mens in staat is om God te lasteren.

Adam is daar al mee begonnen toen hij Gods heilige Naam niet heeft hooggehouden tegenover de duivel. Hij had de Naam van de Heere en trouw aan Zijn belofte moeten belijden tegenover de satan, maar hij heeft zijn profetische ambt verloochend. Hij prees zijn Schepper niet. Hij verloochende Gods Naam en sindsdien heeft hij mensen voortgebracht uit wier mond ─ we hebben het samen gelezen uit Jakobus ─ niet alleen zegeningen, maar helaas ook vloeken en lasteringen voortkomen.

Hebt u er wel eens over nagedacht dat een dier niet vloeken kan, maar een mens wel? We stonden hoog, hoger dan de dieren. We kenden God  en konden Hem aanbidden en lofprijzen. Zo heeft God ons geschapen, maar toen zijn we diep gevallen. Toen zijn we, wat dat betreft, onder de dieren terechtgekomen.

 

Wij mensen kunnen Gods Naam vloeken, ijdel gebruiken.

Dat woordje ‘ijdel’ betekent: leeg, hol, nietszeggend. Als we het zo weergeven ─ en dat doet de Catechismus ook ─ komt het al wat dichter bij huis. Misschien zegt u: ‘Ik heb nog nooit een grote vloek gezegd.’ Ja, maar hoe vaak hebben we Gods Naam als stopwoord gebruikt of gedachteloos in het gebed uitgesproken?

Er zijn mensen die ‘Jij’ zeggen tegen God in hun gebed. Ik heb dat verschillende malen gehoord. Dat is oneerbiedig, want dan ben je niet doordrongen van de ontzaglijke afstand die er is tussen de heilige God en ons, gevallen, nietige, zondige mensen.

 

De Catechismus noemt lasteren en misbruiken van Gods Naam.

Misbruiken wijst op het onnodig uitspreken van de Naam van God, het zomaar gedachteloos gebruiken van die Naam. Tijdens het bidden zeg je ‘Heere’ met je mond, terwijl je met je gedachten op je vakantieadres zit. Ik noem zo maar wat. Je zou kunnen zeggen: misbruiken is de zonde van een kerkmens.

Maar je kan ook lasteren. Dat heeft iets opzettelijks, iets bewusts. Zoals die man in dat café. Dat is opzettelijk lasteren, smaadheid aandoen, bewust verachten. Dat is vooral de zonde van de wereld of van hen die van de Kerk afscheid genomen hebben. Hoewel? Laten we maar verder luisteren naar deze Zondag. Het zou best weleens ontdekkend kunnen zijn, voor u en voor mij.

 

De Catechismus noemt hier drie dingen: vloeken, valse eed en onnodig zweren.

Die laatste twee komen de volgende keer aan de beurt in Zondag 37, als het gaat over de eedzwering. We houden het nu alleen op vloeken.

Wat is vloeken? Dat is het misbruiken, het lasteren van Gods Naam. Dat is bij sommige mensen zelfs een gewoonte. Ze hebben er niet eens erg in. Als je er wat van zegt, reageren ze: ‘Hè, vloekte ik dan?’ Voor sommigen is het een tweede natuur geworden. Ze doen het niet opzettelijk.

 

Nederland staat bekend als een vloekende natie. Het taalgebruik verruwt. Openlijk bidden duizenden mensen de eeuwige verdoemenis af over hun leven en ze weten niet wat ze doen. Soms nog erger. Als ze weten dat er kerkmensen in de buurt zijn dan laten ze nog een extra knoop vallen.

Dat doet toch pijn als je dat moet aanhoren? Hoe zou je je voelen, jongens en meisjes, als er iemand over je vader of moeder of over iemand anders die je lief hebt, heel oneerbiedig gespot en gesproken wordt? Als ze diegene die je lief hebt, zomaar openlijk staan te beledigen? Dat doet toch zeer. Hoeveel temeer als je de Heere liefhebt en je hoort Zijn Naam bespotten, vloekend gebruiken.

 

Er zijn miljoenen mensen die zich vervloeken. Dat is wat! Dan denken we allen natuurlijk aan die allergrootste vloek. Dat is vreselijk, want dan roept de vloeker de eeuwige verdoemenis over zich uit. In feite bidt hij om zijn eigen rampzaligheid, om in de hel geworpen te worden. Soms tot een God in Wie men niet gelooft. Het betekent ten diepste: ‘God, verdoem mij, werp mij in de hel, laat mijn verdoemenis komen.’

Anderen roepen zonder dat ze het weten de dierbare Naam van de Heere Jezus uit. Niet met eerbied en zonder te weten Wie Hij is.

U zegt misschien: ‘Nou, gelukkig, daar ben ik voor bewaard.’ Let op, het kan ook zijn dat ze niet over uw lippen zijn gekomen, maar dat ze wel in uw hart opkomen.

 

Zeg niet te gauw dat je nooit gevloekt hebt. Er zijn ook woorden, die we bastaardvloeken noemen, verbasterde vloeken. Dan spreek je de Naam van de Heere wel niet openlijk uit, maar vervormd of verkort. Bijvoorbeeld ‘verdorie’ of ‘gô’. Daar hoort eigenlijk een ‘d’ achter, want daar komt het woord vandaan. En ‘o jé’; hoe vaak ik dat niet gehoord heb. Dat is de Naam van de Heere Jezus. Sommigen gebruiken het zomaar als een stopwoord. Het heeft voor hen geen enkele betekenis, maar het is wel vloeken.

Er zijn mensen, die hebben niet zo’n grote woordenschat om te zeggen wat ze bedoelen en dan bedienen ze zich van allerlei krachttermen. Ons taalgebruik verruwt en we moeten ons dat goed realiseren, want wij zijn niet beter.

Denk niet dat je beter bent als je hier niet aan schuldig denkt te zijn.

‘Zet, Heere, een wacht voor mijne lippen en behoed de deuren van mijn mond, opdat ik mij niet zoiets onbedachtzaams, zo’n ruw woord, zo’n lelijk woord, laat ontglippen.’

 

Gemeente, hier in de kerk zit niemand die zeggen kan: ‘Ik heb nog nooit gevloekt.’ Van ieder gesproken ijdel woord vraagt God eenmaal rekenschap. Is het niet van een echte vloek, dan van een verbasterde vloek of een krachtterm of iets wat alleen maar in uw gedachten opkwam of van ons goddeloos of gedachteloos bidden.

Ik bedoel dat laatste letterlijk. Allerlei zinnen en de Namen van God aaneenrijgen, zonder dat ons hart erbij is. Dat is leeg. Of als je uit sleur naar de kerk gaat en je zit wel uit volle borst mee te zingen: Hoe branden mijn genegenheên,

om ’s Heeren voorhof in te treên!

Of je zit op de zang en je staat daar te zingen:

God heb ik lief.

 

IJdel gebruik van Gods Naam wil zeggen dat je Gods Naam gebruikt zonder in Hem te geloven, zonder Hem te begeren, Hem te willen kennen of Hem te willen leren kennen.

Je kunt het hoofdstuk uit de Bijbel aan tafel afraffelen omdat je nog zo nodig… Misschien had je er beter aan gedaan om niet te lezen en je Bijbel mee te nemen in de trein en dan te lezen. Dat zou beter geweest zijn.

Al die dingen hebben op de één of andere manier te maken met het ijdel gebruiken van Gods Naam. Er is niemand onschuldig en we hebben allemaal verzoening nodig.

‘Nou’, zegt u, ‘als dat dan zo is, kun je maar beter helemaal je mond houden. Dan kun je tenminste niets verkeerd zeggen.’ Ja, en toch is dat niet de oplossing.

 

De Catechismus drijft ons wel heel erg in het nauw, want wat staat er dan? Dat zwijgen even zondig kan zijn als spreken! Kijk maar:

Noch ons met ons stilzwijgen en toezien zulke schrikkelijke zonden deelachtig maken.

Je kan iemand ook beledigen door hem dood te zwijgen. Als je iemand flink op zijn huid geeft, dat is ergens nog positief, want dan is er nog een band. Dan bekommer je je nog om hem, al is het nog zo beledigend.

Het is erger als je iemand doodzwijgt. Dat doen velen met God. Ze doen alsof Hij er niet is en ze leven alsof God niet bestaat.

 

Zwijgen en toezien betekent:

rustig aanhoren hoe een ander vloekt en het niet opnemen voor God en Zijn dienst. Het maar over je heen laten gaan. Net doen alsof het je niet raakt, alsof je er niets mee te maken hebt.

Vloeken aanhoren en dan niets zeggen is ook een grote zonde, al zijn hierin wel grenzen.

Niet voor niets zegt de Catechismus: ‘Zoveel als mogelijk is.’ Dat staat er niet voor niets. Het betekent: ‘Het kan niet altijd dat je er iets van zegt.’ Er zijn situaties waarin je het verergert als je er wat van zegt. En als je er al vaak wat van gezegd hebt, zeggen ze: ‘O, daar komt hij. Daar heb je hem weer, die dominee!’ Als ze maar weten wat je ervan vindt.

Ik heb verschillende mensen gesproken die in dat ruwe leven zitten en die soms dagelijks vloeken moeten aanhoren op hun werk en die gewaarschuwd hebben, dan is soms een blik al genoeg. ‘Ja, sorry’, zeggen ze dan, ‘O ja, sorry. Jij wil dat niet hè, dat we vloeken?’

 

Dus niet zwijgen. Zwijgen doe je heel gauw uit angst. Laten we maar eerlijk zijn. Uit angst bespot te worden. Angst om voor de Naam van de Heere uit te komen. Daar komt het op neer. Het zou je betrekking wel eens kunnen kosten. Daarom is het verleidelijk om Gods Naam dan maar dood te zwijgen of om het te negeren. Maar wie zwijgt stemt toe!

Als je oprecht van de Heere houdt, sta je in brand als Zijn Naam zwaar beledigd wordt. Kan je het dan helemaal langs je heen laten gaan? Als je niets zegt en er helemaal niets aan doet, ben je ook schuldig. Dan ben je medeplichtig, zegt de Catechismus.

Dat is de zonde van nalatigheid. Daaruit zou wel eens kunnen blijken dat de liefde tot de Heere ontbreekt. Als de Naam van de Heere je echt lief is en er is een tere relatie met God, dan reageer je echt wel op het beledigen van Gods Naam.

 

Gemeente, hoe is het in ons leven, bij u en bij mij? Heeft die Naam een hoge waarde voor u gekregen? Heeft de Heilige Geest die Naam geschreven in uw hart? Is Hij alles voor u geworden? Hebt u die Naam, waar u mee gedoopt bent, leren spellen?

Toen heeft de drie-enige God Zijn Naam over u uitgeroepen. Hebt u leren hopen op die Naam, alles leren verwachten van die Naam, die Naam lief gekregen? Want die Naam is Hij Zelf. De Catechismus zegt: ‘Je mag niet zwijgen en toezien. Je mag de Naam van God niet doodzwijgen want dan ben je medeschuldig.’

 

Denk eens aan Eli. Eli had twee jongens, Hofni en Pinehas, die haalden van alles en nog wat uit, wat de Heere niet wilde. Je kunt lezen in de Bijbel dat zijn zonen heel erg zondigden. Gods Naam werd erom gelasterd. Eli had zijn jongens moeten waarschuwen, maar Eli zag ze niet eens zuur aan. Hij zei misschien hooguit: ‘Dat moet je niet doen, jongens.’ Maar verder niets; hij zweeg stil. Hij heeft het ze niet streng verboden; hij heeft ze niet onder handen genomen. Zo werd hij medeschuldig.

Dit heeft de toorn van God opgewekt. Dat blijkt uit de straf. Als Israël de strijd tegen de Filistijnen verloren heeft en hij dat bericht hoort, valt hij van zijn stoel en breekt zijn nek.

 

Het is vaak mensenvrees die ons doet zwijgen en toezien. O, wie staat er niet schuldig?!

Wij als ouders, brengen wij onze kinderen eerbied voor de Naam van de Heere bij?

Jongens en meisjes, kennen jullie de Naam, Die over je leven is uitgeroepen?

Gemeente, nemen we de toevlucht tot die enige Naam? Want daar is Hij voor! Hij is er niet voor om zomaar te gebruiken, maar om Hem te kennen, om op Hem te vertrouwen, om onze toevlucht tot Hem te nemen.

Als de wereld spot met Gods Naam is dat erg, maar je kunt anders verwachten. Maar als mensen die onder het Woord leven dit doen, daar mag je wél anders van verwachten.

 

Let eens op de aanspraak in dit gebod. ‘Gij zult de Naam van de Heere, uw God, niet ijdel gebruiken.’ Heere is de verbondsnaam.

Toen God Zijn wet gaf, gaf Hij die in het kader van het genadeverbond:

Ik ben de Heere, uw God.

En vandaag komt dat hier terug:

Gij zult de Naam van de Heere, uw God ─ er is een relatie ─ niet ijdel gebruiken.

Hij is geen vreemde. Hij heeft Zich geopenbaard. We kunnen het weten. Daarom voegt God een bedreiging toe aan dit gebod en Hij zegt:

Ik zal geenszins onschuldig houden die Mijn Naam ijdel gebruiken.

 

Nu de tweede gedachte:

 

2. Gods toorn over het misbruik van Zijn Naam wordt aangezegd

 

We gaan naar vraag 100:

Is het dan zo grote zonde, Gods Naam met zweren en vloeken te lasteren dat God Zich ook over diegenen vertoornt, die, zoveel als hun mogelijk is, het vloeken en zweren niet helpen weren en verbieden?

Ja, gewisselijk; want er is geen groter zonde, noch die God meer vertoornt, dan de lastering Zijns Naams; waarom Hij die ook met de dood te straffen bevolen heeft.

 

Er is niets dat God zo lief heeft als Zijn Naam.

Dat komt omdat in Zijn Naam Zijn wezen ligt. God is liefde. Daarom hoeft het ons niet te verwonderen dat onder Israël ─ en dat was een theocratie ─ de Heere gezegd heeft dat de zonde van het vloeken met de doodstraf moest worden gestraft.

De Catechismus zegt dat God verschrikkelijk toornt tegen diegene die het vloeken niet weren of het helpen verbieden. God bemint Zijn Naam en de eer van Zijn Naam zó dat Hij moet toornen tegen een ieder die die Naam aantast. De lastering van Zijn Naam roept Zijn toorn op, want er staat in onze Bijbel: Onze God is een verterend vuur.

O, bedenk dat, als we het vloeken toelaten in ons huis, op ons bedrijf, onze zaak, onze omgeving. We maken ons medeschuldig. In Israël stond er de doodstraf op. Dat kunt u lezen in Leviticus 24. Het gaat daar over de zoon van een Israëlitische vrouw en een Egyptische vader. Die jongen lasterde heel nadrukkelijk de Naam van God, net als de man in dat café, waar we mee begonnen. Die jongen deed dat niet zomaar, maar heel nadrukkelijk. Hij moest buiten de legerplaats gebracht en gestenigd worden.

Zo zwaar neemt de Heere de lastering van Zijn Naam op.

 

Is dat niet onbarmhartig: de doodstraf voor één vloek?

Het is begrijpelijk dat we dat denken. En tegelijkertijd bewijst, het als we zo redeneren, hoe licht ons de eer van God weegt en hoe weinig liefde er is voor Zijn heilige Naam.

Gemeente, als de Heere ons moest straffen voor onze vloeken, dan waren er geen stenen genoeg. Dan zaten we hier niet meer en dan stond ik hier niet. Onze regering kan mensen als ze vloeken niet de doodstraf geven. In Israël wel; dat was een theocratie. Maar nieuwtestamentisch gezien staat er: vloeken is de allergrootste zonde.

 

Er is niets wat God méér vertoornt dan vloeken. Dat God ons, terwijl we toch op de één of andere manier allen medeschuldig staan, nog in dit leven laat, dat is om onze genadetijd te verlengen.

Er is nog genade voor vloekers! Zou er iemand in ons midden zijn die durft te zeggen: ‘Ik heb nog nooit gevloekt.’? Gods Naam ijdel gebruiken doen we ook als we allerhande verhalen vertellen en er niets van menen. Dan gebruiken we de Naam van de Heere ook ijdel.

We zijn allemaal rechtzinnig genoeg om te zeggen: ‘Ik heb tegen al Gods geboden zwaarlijk gezondigd,’ maar menen we het ook?

 

Ik denk, gemeente, als je het echt meent, dan ken je God. Je kan erg rechtzinnig zo’n zinnetje herhalen, maar dan meen je er helemaal niets van, want dan zou je je diep schuldig voelen. Dan zou je de Heere Jezus nodig hebben. Dan zou je bidden en smeken: ‘O God, wees mij zondaar, genadig.’ Dan zou je met de tollenaar achter in de tempel staan en zeggen: ‘O God, als het bij mij vandaan moet komen, kan het nooit meer. Ik heb tegen al Uw geboden zwaar gezondigd.’

Als je dat echt beleeft, lig je geknield voor de Heere en dan zeg je: ‘Genâ, o God, genâ, hoor mijn gebed.’ Dan zie je hoe slecht je bent. Dan is het een wonder dat God Zijn vonnis nog niet voltrokken heeft, dat je nog in de genadetijd leeft, dat je de straf kunt ontgaan en weer tot genade komen.

En dat terwijl je majesteitsschennis hebt gepleegd!

Want dat is het. O, laten we daar toch eens goed over nadenken.

Majesteitsschennis!

De Naam van de allerhoogste God misbruikt, gevloekt.

 

Nu zegt God: ‘Zelfs zulke mensen, die Mij naar kroon en troon hebben gestoken, die kunnen nog zalig worden.’ Hoe? Door onze Heere Jezus Christus.

Dat is het geheim. Dat mogen we er toch zeker bij betrekken. Hij, Die de Vervuller van al Gods geboden is, is ook de Vervuller van het derde gebod. De Heere God heeft Zijn Naam opnieuw bekendgemaakt in de Heere Jezus: ‘Immanuel, God met ons.’

Toen Adam zich losscheurde van God en wij als zijn kinderen de Heere God niet meer kenden, toen heeft God er voor gezorgd dat Zijn heerlijke Naam opnieuw bekend zou worden aan ons en Hij heeft de Naam van de Heere Jezus geopenbaard. Na de zondeval in de moederbelofte en in de evangeliën. De eniggeboren Zoon, Die in de schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard.

 

Ik heb Uw Naam geopenbaard aan de mensen’, zegt de Heere Jezus.

Is dat geen heerlijke boodschap in deze dienst? Wanneer wij allen schuldig gesteld worden onder het gebod van God en we ons hoofd buigen en eerlijk moeten zeggen: ‘Heere, ik sta schuldig.’ Dan is er verwondering: ‘O God, dat U Uw Zoon gezonden hebt om vloekers nog tot bidders te maken.’

De moordenaar aan het kruis die de Heere Jezus bespotte en vloekte, die hoort Hem bidden voor spotters en vloekers en hij komt tot bekering.

Wie u ook bent, hoe bont u het ook gemaakt hebt in uw leven tot nog toe, er is genade, er is ontferming, genade voor onverbeterlijke zondaren, vloekers en spotters! De Heere Jezus kwam als de grote Plaatsbekleder.

 

Hier licht de gestalte van de Middelaar op uit het derde gebod. Hij, Die als een vloeker buiten de poort gesleept is en niet gestenigd, maar de vloekdood aan het kruis gestorven is. Daar leren we opnieuw God kennen, Wie Hij is. We leren in de Naam van de Heere Jezus en bij het kruis van Golgotha dat God inderdaad een verterend vuur is en een laaiende gloed, want Hij geeft Zijn Zoon over tot in de vloekdood aan het kruis. Tegelijkertijd is Hij een vergevend en genadig Vader, omdat Hij om Zijnentwil de zonde van het vloeken wil vergeven.

 

Dan zien wij de Vervuller van Gods Wet, de Middelaar Gods en der mensen, Jezus Christus. Nooit is er één godslastering over Zijn lippen gekomen en toch is Hij als een godslasteraar gehangen aan het vloekhout, veroordeeld door het Sanhedrin. Geboeid staat Hij voor Kajafas en ze beschuldigen Hem en ze zeggen: ‘Gij hebt gevloekt! Gij hebt God gelasterd! Wat hebben we nog getuigen van node? Deze is des doods schuldig!

Christus heeft onder Pontius Pilatus de goede belijdenis beleden.

Als Hij de drinkbeker van Gods toorn aan de lippen zet, dan vloekt Hij niet, maar Hij bidt: Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat dezen drinkbeker van Mij voorbijgaan; doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt.

Als Hij ervaren moet hoe hoog God de lastering van Zijn Naam opneemt, als Hij plaatsbekledend aan het kruis hangt en de Heere God Zijn vriendelijk aangezicht voor Hem verbergt en zelfs de hemel zwart wordt van de vloek van God, die Hij moet dragen, als de zon zijn licht drie uren inhoudt, dan vloekt Hij niet, maar Hij belijdt de Naam van God in Zijn diepe verlatenheid, tot twee keer toe: ‘Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’ Opdat God vloekers kan zegenen en genadig kan zijn.

Hij zweeg waar Hij zwijgen moest en Hij sprak waar Hij spreken moest. De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem. Daar hing Hij als een godslasteraar aan het kruis van Golgotha. Gode gehangen tot een vloek. Voor wie? Voor spotters, voor vloekers, voor godslasteraars. Voor mensen die gezondigd hebben, is Hij tot zonde gemaakt, opdat wij bekeerd kunnen worden, opdat onze zonden vergeven kunnen worden. Al de vervloekingen, heeft Hij op Zich genomen.

 

Daar hangt Hij naast een vloekende moordenaar. Is het geen eeuwig wonder van genade? Hebt u dat wel eens gezien?

Is de Heere Jezus u nooit zo dierbaar geworden, dat u zegt:

‘O, wat een eeuwig wonder! Ik heb de vloek verdiend vanwege mijn zonden en Hij heeft daar gehangen in mijn plaats. O, welk een Vriend is Hij. De Vriend van tollenaren en zondaren, onschuldig ter dood veroordeeld, opdat ik in het gericht van God zal vrijgesproken worden.’

 

Die Naam van Hem, gemeente, is de grond van de zaligheid. Alleen in de Naam van de Heere Jezus kunnen we de welverdiende straf ontgaan en weer tot genade komen. Een ieder die de Naam van de Heere zal aanroepen, zal zalig worden.

Weet u wat er dan gebeurt als je dit ziet en als je die Naam mag aanroepen? Dan komt er boetvaardigheid in je hart. Dan zie je wie je bent en wat je gedaan hebt. Je hoofd gaat naar beneden en je gaat boetvaardig je zonde belijden bij de Heere. Dan worden vloekers bidders om genade. Dat kost hete tranen. Dat is een diepe smart in je hart. Je wordt zondaar voor God.

‘Ja, dat zijn we allemaal,’ maar ik bedoel: dat wordt dan je beleving, zondaar voor God te zijn. Je leert hartelijk smeken om genade. Dan wordt het wonder zo groot dat de gezegende Heere Jezus de straf heeft willen dragen en dat God Zijn zegen en liefde schenkt, omdat Hij voor overtreders gebeden heeft.

 

Het kan dat u gekweld wordt door een vloekgeest, die zomaar vloeken in je hart werkt om de Heere smaadheid aan te doen. Vlucht dan tot Hem Die voor vloekers gebeden heeft en Die nog in ontfermende liefde naar u omziet en zegt:

‘Zal Ik het u leren? Zal Ik die vloekgeest eens uit je hart wegnemen? Zal Ik een andere geest in je hart schenken?’

Die Hogepriester heeft gebeden voor het huis van God. En Hij bidt nog. Hij heeft gezegd:

‘Vader, Ik heb Uw Naam verheerlijkt. Ik heb Uw Naam geopenbaard aan de mensen die Gij Mij gegeven hebt.’

Wie dat mag ervaren, mag vluchten tot Jezus om door Hem gered te worden, vergeving te vinden in het dure bloed van het Lam van God en die wil ook geen kwaad woord meer van die Naam horen.

 

We gaan eerst zingen uit Psalm 72 vers 3 en 11:

 

Zij zullen U eerbiedig vrezen,

Zolang er zon of maan

Bij ’t nageslacht ten licht zal wezen,

En op- en ondergaan.

Hij zal gelijk zijn aan den regen

Die daalt op ’t late gras;

Aan droppels, die met milden zegen

Besproeien ’t veldgewas.

 

Zijn Naam moet eeuwig’ eer ontvangen;

Men loov’ Hem vroeg en spa;

De wereld hoor’, en volg’ mijn zangen

Met “Amen, amen” na.

 

3. Het eerbiedig gebruik van Gods Naam wordt bevolen

 

Dat lezen we in het tweede deel van antwoord 99. Daar staat:

En in het kort, dat wij de heilige Naam Gods anders niet dan met vrees en eerbied gebruiken, opdat Hij van ons recht beleden, aangeroepen, en in al onze woorden en werken geprezen worde.

Dat is de positieve kant van dit gebod.

 

Zijn Naam met vrees en eerbied gebruiken. Vrees en eerbied.

Dat zijn we al verplicht in onze samenleving, in deze wereld. Daar komt steeds meer gebrek aan naarmate de tijden verruwen en verachteren.

Eerbied en vrees. Dat eist de meester, de juf en de directeur op school, jongens en meisjes. Dat eisen vader en moeder in het gezin.

Vrees en eerbied brengen we als ouders onze kinderen al bij. Hoeveel te meer is dat dan nodig tegenover God, de allerhoogste Majesteit.

 

In de woorden ‘vrees en eerbied’ wordt ons de rechte verhouding tot God getekend. Een rechtgeaard kind heeft eerbied voor zijn vader en moeder. Die vrees, die eerbied, betekent niet dat ik bang ben, maar die komt voort uit liefde.

Vrees zonder liefde is angst. Dat is slaafse vrees. Dat betekent dat je bang bent. Zo vreest de duivel God. De duivelen beven en ze sidderen, schrijft Jacobus.

Maar vrees die opkomt uit liefde is eerbied. Dat zit niet aan de buitenkant maar dat komt van binnenuit. Dat is kinderlijke vrees, die hoog opziet tegen de Heere. Als je zo de Naam van de Heere vreest, dan is dat een teken van Godsvreze. Dan is heel je levenshouding daardoor getekend.

Je ziet het aan de manier waarop iemand omgaat met Gods Woord. Je vergeet toch zeker niet je Bijbeltje in je tas te doen als je met vakantie gaat? Je luistert met eerbied onder de bediening van het Woord, onder de prediking. Ook op catechisatie zit je niet met propjes te schieten, maar luister je eerbiedig.

Je neemt het Woord mee naar je slaapkamer of je studeerkamer, de plaats waar je alleen kunt zijn met God. Voordat je gaat slapen lees je in de Bijbel, waarin de Naam van de Heere geopenbaard is. Dan blijkt het beginsel van het nieuwe leven. Dat is een werk van de Heilige Geest in je hart. Je krijgt de Naam van de Heere lief.

 

Gemeente, herkent u het? Herkennen jullie dat in je leven, jongens en meisjes? Heb je eerbied voor de Naam van God? Die vrees ervaar je ook onder het bidden in de kerk, dan wordt de Naam van God aangeroepen. Je neemt een eerbiedige houding aan, want je wil niet afgeleid worden. Je luistert en bidt mee.

Er is een Koning, gemeente, en Die strekt Zijn doorboorde handen tot ons uit in de prediking en Die zegt:

‘Hoort aandachtiglijk naar Mij en eet het goede.’

Er is een Koning, de Heere Jezus, Die zegt:

‘Het goede heb Ik jullie te bieden.’

 

De Naam van de Heere moeten we met vrees en eerbied gebruiken. De Heere wil niet dat we Zijn Naam verzwijgen, maar juist dat we Zijn Naam met heilige eerbied en ontzag gebruiken.

Dat komt openbaar in het tweede dat de Catechismus hier noemt.

Er staat:

dat Zijn Naam door ons recht beleden en aangeroepen wordt.

Als die Naam voor ons dierbaar geworden is, dan willen we die Naam ook belijden. Dan voel je je helemaal niet op je gemak tussen vloekers en spotters, maar je wil ook niet weglopen.

Je voelt de pijn en je bidt om vrijmoedigheid:

‘Heere, geef dat ik er iets van zeggen mag, dat ik toch Uw Naam belijden mag. Zeker in mijn levenshouding, maar als het te pas is ook in mijn woorden.’

Bid om de Heilige Geest. Je moet altijd weer iets overwinnen. Vreemd hè, dat je altijd weer over een bepaalde barrière heen moet om er iets van te zeggen? We hebben die vrijmoedigheid blijkbaar niet op voorraad. We hebben steeds de Heere daarin nodig en we schamen ons diep over onze valse schaamte.

 

Het belijden van Zijn Naam betekent: openlijk voor Zijn Naam uitkomen. Belijden is dus juist het tegenovergestelde van vloeken.

Wat is het groot als je dat mag doen, als je van een vloeker een bidder geworden bent, als je een belijder bent van Zijn Naam en als je ook anderen erbij betrekken mag! En als je mag belijden: ‘Er ligt zoveel zaligheid in de Naam van de Heere Jezus en de dienst van God. Die kan ik je zo van harte aanbevelen. Want het is echt een liefdedienst en de Heere zorgt zó goed voor Zijn kinderen en Hij is zó trouw.’!

Al gaan we door het dal van de schaduwen des doods, door de beproevingen heen, de Heere is met mij. Roem dan ook in verdrukkingen, wetende dat de verdrukking lijdzaamheid werkt.

 

Er staat hier ook: aangeroepen.

Zijn Naam aanroepen slaat vooral op het bidden, het pleiten op die Naam. Het heilig, eerbiedig gebruiken van die Naam.

Daartoe heeft de Heere ook het ‘Onze Vader’ geleerd aan Zijn discipelen. ‘Onze Vader Die in de hemelen zijt’. Opdat die Naam van meet af aan een kinderlijke vrees en vrijmoedigheid in ons hart zou wekken, om te vertrouwen op God.

Wie de Heere vreest kent het aanroepen van Zijn Naam, dat vluchten tot God.

 

Bidt u vaak? Jongens en meisjes, als je eens moest opschrijven hoeveel minuten of uren, hoeveel tijd van de dag wij biddend doorbrengen, op onze knieën, met lofzingen en het verheffen van Zijn Naam en het voorleggen van onze noden aan de Heere en het vluchten tot Hem, Die alleen hulp kan geven? Daar kun je van aflezen hoe het derde gebod in je leven functioneert.

Het meest Gode‑verheerlijkende aanroepen van Gods Naam is het pleiten op die Naam. God heeft niets liever, zei ik in het begin, dan Zijn Naam.

Ik denk aan Mozes in de woestijn. Als het volk het verzondigd heeft met het gouden kalf bij de Sinaï en de Heere op het punt staat om het volk te verdelgen, stemt Mozes dat toe. Het is rechtvaardig.

Hij zegt:

‘Heere, het zou eeuwig recht zijn als U het hele volk zou verdelgen.’

Maar wat doet Mozes dan?

Mozes herinnert God aan Zijn Naam en hij pleit hij op de trouw van de Heere. Hij herinnert God aan Zijn belofte aan Abraham: In u zullen alle geslachten van het aardrijk gezegend worden. ‘Heere, als U het volk nu verdelgt, dan komt er niets van die belofte uit. Dan kunt U niet waarmaken wat U beloofd hebt aan Abraham. Dan wordt door alles een streep gehaald. O Heere, wat zult U dan met Uw heilige Naam doen? Want dat hebt U gezworen.’ Dan zouden de heidenen straks spotten en zeggen: ‘Nou, die God van Israël is ook een vreemde God. Die leidt Zijn volk uit Egypte en nu worden ze verdelgd. Ze komen nooit in het beloofde land.’

Mozes pleit op Gods Naam. En voor dat argument is de Heere bezweken, want Zijn Naam is ontferming.

 

Gemeente, we mogen van Mozes opzien tot de Middelaar van het Nieuwe Verbond, de Heere Jezus Christus, Die pleitend en biddend in de hemel is en Die zeggen kan: ‘De Vader hoort Mij altijd.’ Daarom zitten we nog hier. Daarom is er voor vloekers nog genade en nog vergeving. Voor mensen die schuldig staan aan het derde gebod komt God nog in genade neer, vanwege het offer van Christus en de doorboorde handen die Hij voor de Vader omhooghoudt.

 

Dan nog het derde: En in al onze woorden en werken geprezen worde.

Daar heb je het weer. Woorden en werken, woord en daad, die moeten één zijn en hebben één doel: God prijzen.

Gemeente, dat is het doel van ons leven: de eer van God. Daartoe heeft de Heere ons geschapen. Wij zijn diep gevallen. Maar wie in Christus is hersteld, wordt vernieuwd naar Gods beeld, zodat onze woorden en werken weer heenwijzen naar God, Die ons goed geschapen heeft. Dan willen we de Heere daarmee verheerlijken.

Schittert zo die heilige Naam in uw leven? Kent u die eerbied voor Hem en dat diepe ontzag, die kinderlijke vrees?

 

U zegt: ‘Ja, maar moet je dan de hele dag bidden en moet je altijd maar over God spreken?’ Dat kan niet. Kijk, u moet ook uw werk doen, getrouw zoals de engelen in de hemel. Maar het gaat om een biddend leven. Het gaat om onze levenshouding. Het gaat om een Gode verheerlijkend leven. Aan de vruchten is te zien of ons burgerschap in de hemel is.

Dan letten we erop, met onze woorden en onze daden.

Zet, Heer’, een wacht voor onze lippen. Behoed de deuren van onze mond voor onbesuisde daden. O Heere, houd U me vast!

Dan denken we bij alles wat we doen: wordt God hierdoor geprezen of misschien juist niet? De Bijbel zegt: ‘Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het al ter ere Gods.’ Is dat de begeerte van uw hart?

Ik zeg niet: ‘Lukt het volkomen?’ Maar is het de begeerte van uw hart, dat door heel uw levenswandel de eer van God bedoeld wordt? O, wat schamen we ons dan diep als we een ogenblik niet waakzaam zijn geweest! Wat voel je dan een pijn van binnen, als je je hebt laten verleiden tot zonde van roddel of tot een andere zonde!

Laat de Heere toch in onze woorden en werken geprezen worden en laten we de versmaadheid maar lijden die verbonden is aan het belijden van Zijn Naam.

 

Zie dan maar op Hem, Die altijd gedreven was om de Vader te verheerlijken!

Hij heeft Zijn Naam bekendgemaakt aan de mensen.

Hij heeft de Naam van Zijn Vader geheiligd.

Hij heeft de belijdenis van die Naam met Zijn bloed bezegeld.

Daarom krijgt die Naam waarde voor mensen die Hem lief krijgen. Het is een Naam boven alle namen.

 

Want een ieder die de Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden.

 

Amen.